Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

Nadere regelgeving:
- Beleidsregels financieel maatregelenbeleid Ioaw, Ioaz, Bbz 2004 en Wwik (vervallen)
- Beschikking aanwijzing adviserende instelling uitvoering Wwik (vervallen)
- Beschikking aanwijzing adviserende instelling uitvoering Wwik 2010 (vervallen)
- Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
- Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw en Ioaz
- Besluit Inlichtingenbureau gemeenten (vervallen)
- Besluit maatschappelijke ondersteuning
- Besluit SUWI
- Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen (vervallen)
- Regeling financiering en administratieve uitvoeringsvoorschriften Wwik (vervallen)
- Regeling statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Regeling Wet werk en inkomen kunstenaars (vervallen)
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig Wwik-gerechtigden (hangt niet onder de Wwik)
- Uitvoeringsbesluit Wwik (vervallen)

Relevante overige regelgeving:
- Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig Wwik-gerechtigden (vervallen)
- Wet inkomensvoorziening kunstenaars (vervallen)
- Wet werk en bijstand

 

 

Inhoudsopgave Wwik

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen artt. 1 - 7
§ 1.1x Begripsbepalingen artt. 1 - 3
§ 1.2x Middelen artt. 4 - 7
Hoofdstuk 2 Het recht op uitkering artt. 8 - 22
§ 2.1x De voorwaarden voor het recht op uitkering artt. 8 - 11
§ 2.2x Vorm, hoogte en duur van de uitkering artt. 12 - 19
§ 2.3x Aan de uitkering verbonden verplichtingen art. 20
§ 2.4x Activerend beleid art. 21
§ 2.5x Maatregelen art. 22
Hoofdstuk 3 Het geldend maken van het recht op uitkering artt. 23 - 27
Hoofdstuk 4 Terugvordering artt. 28 - 34
Hoofdstuk 5 Uitvoering en toezicht artt. 35 - 47
§ 5.1x Adviserende instelling artt. 35 - 38
§ 5.2x Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling artt. 39 - 44
§ 5.3x Toezicht artt. 45 - 45a
§ 5.4x Informatie artt. 46 - 47
Hoofdstuk 6 Financiering artt. 48 - 54
§ 6.1x Financiering gemeente (vervallen) artt. 48 - 50
§ 6.2x Financiering adviserende instelling artt. 51 - 53
§ 6.3x Voorzieningen art. 54
Hoofdstuk 7 Wijziging andere wetten artt. 55 - 72a
Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen artt. 73 - 81
xxxxxxxxxxxr   xxxxxxxxxxxr

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2003-2004, 2004-2005, 29 574.
Handelingen II 2004-2005, blz. 910-927, 1349-1351, 1658-1658.
Kamerstukken I 2004-2005, 29 574 (A, B).
Handelingen I 2004-2005, blz. 507-508.

 

Geschiedenis:
Staatscourant 2004, 251Staatsblad 2004, 717Staatsblad 2004, 718Staatsblad 2005, 192Staatscourant 2005, 85Staatsblad 2005, 345Staatsblad 2005, 434Staatsblad 2005, 525Staatsblad 2005, 573Staatsblad 2005, 625Staatscourant 2005, 248Staatsblad 2005, 691Staatsblad 2005, 710Staatscourant 2006, 129Staatsblad 2006, 415Staatsblad 2006, 593Staatscourant 2006, 251Staatsblad 2007, 153Staatscourant 2007, 118Staatsblad 2007, 490Staatsblad 2007, 551Staatsblad 2007, 555Staatscourant 2007, 249Staatsblad 2008, 197Staatscourant 2008, 115Staatsblad 2008, 312Staatsblad 2008, 510Staatscourant 2008, 252Staatsblad 2008, 586Staatsblad 2008, 600Staatsblad 2008, 606Staatsblad 2009, 108Staatscourant 2009, 117Staatsblad 2009, 265Staatsblad 2009, 282Staatsblad 2009, 318Staatsblad 2009, 492Staatsblad 2009, 592Staatsblad 2009, 596Staatscourant 2009, 19908Staatsblad 2010, 350Staatscourant 2010, 9678Staatsblad 2010, 840Staatsblad 2010, 838Staatscourant 2010, 21334Staatsblad 2011, 288Staatscourant 2011, 10916Staatsblad 2011, 442Staatsblad 2011, 647Staatsblad 2011, 645.

 

 

WET van 23 december 2004, Stb. 2004, 717, tot vaststelling van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet werk en inkomen kunstenaars). Inwerkingtreding: 1 januari 2005 (Stb. 2004, 718), zie artikel 80.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving alsmede ter bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening van de kunstenaar gewenst is te komen tot een nieuwe Wet werk en inkomen kunstenaars;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

§ 1.1.  Begripsbepalingen

 

Art. 1. Begripsbepalingen  [GeschiedenisMvTversie 23 december 2004Stb. 2010, 838Stb. 2011, 645]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. college: het college van burgemeester en wethouders van een gemeente als bedoeld in artikel 23;
c. adviserende instelling: de instelling, bedoeld in artikel 35;
d. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. kunstenaar: degene die hier te lande werkzaam is in een beroep of bedrijf in een al dan niet gemengde beroepspraktijk ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst;
f. gemengde beroepspraktijk: een beroepspraktijk waarin het inkomen wordt verworven uit werkzaamheden die zijn gerelateerd aan een beroep of bedrijf ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst en uit werkzaamheden die niet zijn gerelateerd aan een dergelijk beroep of bedrijf;
g. beroepskosten: de noodzakelijke kosten ter verwerving van het inkomen als kunstenaar;
h. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet;
i. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

 

Art. 2. Gelijkstellingen  [GeschiedenisMvTversie 23 december 2004Stb. 2009, 282Stb. 2009, 596Stb. 2011, 645]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde;
e. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing van één van de partners.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de kunstenaar en zijn echtgenoot hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van een uitkering krachtens deze wet, de Wet investeren in jongeren of de Wet werk en bijstand voor de verlening van uitkering als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d. [Bargh98] [UW]
-6. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-7. Onder voormalig pleegkind wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 3. Alleenstaande, alleenstaande ouder en gezin  [GeschiedenisMvTversie 23 december 2004Stb. 2009, 596Stb. 2010, 838Stb. 2011, 645]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de ongehuwde kunstenaar die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. alleenstaande ouder: de ongehuwde kunstenaar die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
c. gezin:
1º. de kunstenaar en zijn echtgenoot tezamen;
2º. de kunstenaar, zijn echtgenoot en de tot hun last komende minderjarige kinderen tezamen;
3º. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;
d. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.
-2. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.

 

 

§ 1.2.  Middelen

 

Art. 4. Middelen  [GeschiedenisMvTversie 23 december 2004Stb. 2004, 717Stb. 2005, 345Stb. 2005, 525Stb. 2005, 573Stb. 2005, 691Stb. 2005, 710Stb. 2007, 490 + bisStb. 2008, 606Stb. 2011, 645]
-1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de kunstenaar of zijn gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de kunstenaar of zijn gezin door een niet in de uitkering begrepen persoon worden ontvangen.
-2. Niet tot de middelen van de kunstenaar of zijn gezin worden gerekend:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.