Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 juni 2011

 

BESLUIT  DEELTIJD  WW  TOT  BEHOUD  VAN  VAKKRACHTEN

Vervallen
m.i.v. 1 juli 2011
(art. 4:1 van dit besluit)

 
 

31 maart 2009, Stcrt. 2009, 64
Inwerkingtreding: 4 april 2009
Vervalt m.i.v. 1 juli 2011
(T.a.v. art. 8:3 BBA)

 

 

 

 
BESLUIT van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2009, nr. IVV/I/2009/7428, tot tijdelijke algemene ontheffing van artikel 8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 in verband met deeltijd-WW tot behoud van vakkrachten (Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten)

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Ontheffing
-1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is het een werkgever toegestaan eenmalig de werktijd van n of meer van zijn werknemers gedurende een van tevoren schriftelijk vastgelegde periode over een periode van dertien weken gemiddeld met ten minste 20% en ten hoogste 50% te verkorten, indien:
a. de werkgever schriftelijk aantoont dat:
1. als het de verkorting van de werktijd van 20 of meer werknemers betreft, de belanghebbende verenigingen van werknemers, en bij gebreke daarvan een andere vertegenwoordiging van werknemers, met de verkorting instemmen;
2. als het de verkorting van de werktijd van minder dan 20 werknemers betreft, een vertegenwoordiging van zijn werknemers met de verkorting instemt;
b. de werkgever met de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers schriftelijk afspraken heeft gemaakt om het loon door te betalen voor zover de betrokken werknemers op grond van de criteria van de Werkloosheidswet geen recht hebben op een uitkering op grond van die wet over de uren waarmee de werktijd is verkort;
c. de werkgever met de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers schriftelijk afspraken heeft gemaakt om in de periode gedurende welke de werktijd wordt verkort:
1. door middel van scholing, die naar haar aard en omvang daartoe geschikt is, de inzetbaarheid van de werknemers van wie de werktijd wordt verkort in zijn bedrijf of in het bedrijf van een andere werkgever te behouden of te verbeteren;
2. het verrichten van arbeid door de werknemers waarvan de werktijd wordt verkort in het bedrijf van een andere werkgever mogelijk te maken;
d. de werkgever zich jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schriftelijk heeft verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een vergoeding te betalen als bedoeld in artikel 3, overeenkomstig de modelovereenkomst die als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd;
e. vervallen;
f. ingeval de in de aanhef bedoelde periode aanvangt op of na 1 april 2010, de werkgever geen ontheffing heeft gehad op grond van de Bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 of de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008;
g. de werkgever met de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers schriftelijk het voornemen heeft afgesproken de verkorting van de werktijd na de eerste periode van dertien weken te verlengen met een periode van dertien weken;
h. de dienstbetrekking van een werknemer van wie de werktijd wordt verkort in de periode van werktijdverkorting niet zal eindigen.
-2. In de schriftelijke afspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 1, wordt per werknemer vermeld om welke scholing het gaat.
-3. De schriftelijke afspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 1, kunnen voor daarin benoemde werknemers inhouden dat, in afwijking van dat onderdeel en het tweede lid, die werknemers geen scholing volgen maar door middel van het geven van scholing de vakbekwaamheid verbeteren van werknemers die nog geen jaar in dienst zijn van de werkgever of die voor de werkgever werkzaam zijn op basis van een stageovereenkomst. Het aantal werknemers dat scholing geeft, mag daarbij in ieder geval niet groter zijn dan het aantal werknemers en stagiairs dat scholing ontvangt.
-4. Indien een vereniging van werknemers of vertegenwoordiging van werknemers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet instemt met de verkorting van de werktijd en de weigering is gebaseerd op andere gronden dan met dit besluit worden beoogd, kan de werkgever dit schriftelijk melden aan het meldpunt, genoemd in artikel 3a. Evenzo kunnen een vereniging van werknemers of vertegenwoordiging van werknemers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien er een verschil van mening bestaat met de werkgever dat een onoverkomelijke belemmering vormt voor de instemming, dit schriftelijk melden aan het meldpunt, genoemd in artikel 3a.
-5. Bij de melding geeft de werkgever of de desbetreffende vereniging of vertegenwoordiging van werknemers informatie over de redenen van de melding en verstrekt de overige daarbij van belang zijnde gegevens. De werkgever onderscheidenlijk de desbetreffende vereniging of vertegenwoordiging van werknemers doen de andere partij bij het geschil onverwijld mededeling van de melding en de inhoud daarvan.
-6.
Het is een werkgever niet langer toegestaan de werktijd op grond van het eerste lid te verkorten indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem heeft medegedeeld dat aan n of meer van zijn werknemers ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is betaald op grond van de Werkloosheidswet als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25 van de Werkloosheidswet, met betrekking tot het voor de werkgever verrichte aantal uren arbeid. Het is een werkgever evenmin langer toegestaan de werktijd op grond van het eerste lid te verkorten indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem heeft medegedeeld dat hetgeen de werkgever en de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers in het schriftelijk verslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, hebben verklaard, niet in overeenstemming met de waarheid is.

 

Art. 2. Duur en verlenging
-1. De periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, bedraagt dertien aaneengesloten kalenderweken en kan aansluitend telkens met een periode van dertien aaneengesloten kalenderweken worden verlengd. In afwijking van de eerste zin bedraagt de periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, dan wel de periode van verlenging minder dan dertien aaneengesloten kalenderweken indien deze op grond van het vijfde lid eindigt vr ommekomst van die dertien weken. Verlenging is alleen toegestaan indien daarbij wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d en h. Daarnaast geldt als voorwaarde voor verlenging dat uit een schriftelijk verslag van de werkgever en de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers blijkt dat uitvoering is gegeven aan de over de voorafgaande periode gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c.
-2. De verlenging, bedoeld in het eerste lid, is niet toegestaan voor zover het werknemers betreft waarvan de verkorting van de werktijd in de voorafgaande periode gemiddeld niet ten minste 20% bedraagt.
-3. Het aantal verlengingen bedraagt:
a. ten hoogste vier indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten ten hoogste 30% bedraagt;
b. ten hoogste drie indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 30% doch ten hoogste 60%;
c. ten hoogste twee indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 60%.
-4. Het percentage werknemers waarvoor de werktijd kan worden verkort, wordt bepaald door het aantal werknemers waarvan de werktijd in de eerste periode van dertien aaneengesloten kalenderweken kan worden verkort, te vergelijken met het totale aantal werknemers van de werkgever op 1 april 2009.
-5. Indien de periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, is aangevangen op of na 1 april 2010, eindigt die periode of de verlenging daarvan uiterlijk:
a. op 1 juli 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten ten hoogste 30% bedraagt;
b. op 1 april 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 30% doch ten hoogste 60%;
c. op 1 januari 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 60%;
indien die datum eerder is gelegen dan de eindigingsdatum op grond van het eerste tot en met vierde lid.

 

Art. 3. De vergoeding
-1. De vergoeding, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, bedraagt:
a. het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van dertien weken indien in een periode van dertien weken van verkorting van de werktijd de dienstbetrekking met een werknemer van wie de werktijd wordt verkort, eindigt;
b. het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van dertien weken indien in een periode van dertien weken de verkorting van de werktijd meer bedraagt dan de omvang waarmee de werktijd mag worden verkort op grond van artikel 1;
c. de helft van het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de totale periode van verkorting van de werktijd indien de werknemer in de periode van dertien weken onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd geheel of gedeeltelijk werkloos blijft dan wel wordt uit de dienstbetrekking met de werkgever en in verband daarmee recht houdt respectievelijk krijgt op uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
d. het bedrag van de bruto-uitkering over de totale periode van verkorting van de werktijd aan alle werknemers van de werkgever van wie de werktijd was verkort, met uitzondering van hetgeen onverschuldigd is betaald, indien aan n of meer werknemers van wie de werktijd was verkort ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is betaald op grond van de Werkloosheidswet als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25 van de Werkloosheidswet, met betrekking tot het voor de werkgever verrichte aantal uren arbeid of indien het schriftelijk verslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet in overeenstemming met de waarheid is;
e. het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van dertien weken indien in een periode van dertien weken de verkorting van de werktijd gemiddeld minder bedraagt dan 20%;
f. het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de eerste periode indien de verkorting van de werktijd in afwijking van de afspraken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, na de eerste periode niet met dertien weken wordt verlengd.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, geldt in plaats van een periode van dertien weken onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd een periode, onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd, overeenkomend met een derde van de totale periode van verkorting van de werktijd, indien dat laatste langer is.
-3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en c, is niet verschuldigd indien de omstandigheid, bedoeld in die onderdelen, het gevolg is van:
a. opzegging van de dienstbetrekking door de werkgever om een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of
b. opzegging van de dienstbetrekking door de werknemer dan wel ontbinding van de dienstbetrekking op diens verzoek.
-4. Onder het bedrag van de bruto-uitkering wordt verstaan het bedrag van de bruto-uitkering op grond van de Werkloosheidswet, vermeerderd met de daarover door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft uitbetaald.
-5. Indien op grond van artikel 2, vijfde lid, een kortere periode dan dertien weken geldt, geldt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a en b, die periode in plaats van een periode van dertien weken. De eerste zin is eveneens van toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel e, indien het een tweede of volgende verlenging betreft.

 

Art. 3a. [Meldpunt deeltijd WW]
-1. Er is een Meldpunt deeltijd WW, ressorterend onder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
-2. Het Meldpunt deeltijd WW stelt de daartoe door de centrale organisaties van werkgevers aangewezen vertegenwoordiger alsmede de daartoe door de centrale organisaties van werknemers aangewezen vertegenwoordiger in kennis van een melding met het verzoek om daarover informatie te geven en zo nodig tussen partijen te bemiddelen.
-3. De vertegenwoordigers, bedoeld in het tweede lid, brengen uiterlijk twee weken nadat zij de melding, bedoeld in het tweede lid, hebben ontvangen aan het Meldpunt deeltijd WW een gezamenlijk verslag uit met informatie over de melding en de resultaten van de bemiddeling.

 

Art. 3b. [Ontheffing zonder instemming werknemersverenigingen]
-1. Het is de werkgever toegestaan eenmalig de werktijd van werknemers te verkorten met ten hoogste 50% gedurende een van te voren schriftelijk vastgelegde periode, indien:
a. de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vaststelt dat:
1. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1, vierde lid;
2. uit het schriftelijke verslag, bedoeld in artikel 3a, derde lid, blijkt dat de bemiddeling niet tot instemming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, heeft geleid dan wel het verslag niet binnen de in artikel 3a, derde lid, genoemde termijn is uitgebracht;
b. de betrokken werknemers instemmen met de verkorting van de werktijd.
-2. De artikelen 1, eerste lid, onderdeel b tot en met h, tweede, derde en zesde lid, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 3c. Overgangsrecht wederopenstelling
-1. Indien door de werkgever aan de voorwaarden voor verkorting van de werktijd is voldaan vr 23 juni 2009, blijft dit besluit, zoals dit luidde vr de inwerkingtreding van het Besluit wederopenstelling deeltijd WW, van toepassing op die werkgever tot de eerstvolgende verlenging na de datum van inwerkingtreding van het Besluit wederopenstelling deeltijd WW.
-2. In afwijking van het eerste lid geldt voor de daar bedoelde werkgever:
a. artikel 1, eerste lid, onderdeel g, niet;
b. artikel 1, derde en zesde lid, onmiddellijk;
c. de termijn van dertien weken voor de verlenging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onmiddellijk;
d. artikel 2, tweede lid, vanaf de tweede verlenging na de datum van inwerkingtreding van het Besluit wederopenstelling deeltijd WW;
e. artikel 3, eerste lid, onderdeel f, niet.
-3. Voor de werkgever, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van artikel 2, vierde lid, het percentage werknemers waarvoor de werktijd kan worden verkort, bepaald door het aantal werknemers waarvan de werktijd in de periode van de tweede verlenging kan worden verkort, te vergelijken met het totale aantal werknemers van de werkgever op 1 april 2009.
-4. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, is geen vergoeding verschuldigd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, indien de omstandigheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, het gevolg is van beindiging van de dienstbetrekking met een werknemer wiens werktijd niet kan worden verkort in de periode van de tweede verlenging in verband met de aanpassing van het percentage werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten.

1. Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 juli 2009, nr. IVV/I/2009/16262, tot wijziging van het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten in verband met wederopenstelling onder verfijning van de voorwaarden (Besluit wederopenstelling deeltijd WW) (Stcrt. 2009. 10813), red.

 

Art. 4. Inwerkingtreding
-1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 april 2009 en vervalt met ingang van 1 juli 2011.
-2. In afwijking van het eerste lid blijft dit besluit van toepassing op de afwikkeling van de vergoedingen, bedoeld in artikel 3, op en na 1 juli 2011.

 

Art. 5. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, die ter inzage wordt gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en tevens wordt geplaatst op de website van voornoemd ministerie (www.szw.nl).

 

Den Haag, 31 maart 2009.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
.

 

 

 

TOELICHTING
[31 maart 2009]

 

Algemeen

 

     De financile crisis is een nieuwe fase ingegaan. De onzekerheid van september 2008 heeft plaatsgemaakt voor de duidelijkheid dat er gedurende langere tijd negatieve gevolgen zullen zijn voor de Nederlandse economie. Bedrijven ondervinden vraaguitval en kampen met onzekerheid over de toekomst. Op deze situatie passen zij hun arbeidsvraag aan. Dit zal leiden tot een toename van de werkloosheid. Teneinde waar mogelijk werk in werkgelegenheid om te zetten en werkgelegenheid zo goed mogelijk open te stellen voor werknemers wier baan dreigt te verdwijnen of verdwenen is, heeft het kabinet inmiddels diverse maatregelen getroffen. In het kader van de afspraken met sociale partners en in het kader van het aanvullend beleidskader van het kabinet zijn afspraken gemaakt over aanvullende maatregelen. De notitie die als bijlage werd gevoegd bij de brief van 25 maart 2009 bevat een overzicht van de invalshoeken en maatregelen van waaruit thans de problematiek van de arbeidsmarkt wordt aangepakt.

     Uitgangspunt bij de aanpak van de arbeidsmarktproblematiek is dat behoud van werkgelegenheid waar geen werk is geen perspectief biedt. Dat laat onverlet dat veel bedrijven thans zonder dat er duidelijk "licht is aan het einde van de tunnel" voor de keuze komen te staan om vakkrachten die van wezenlijk belang zijn voor het productievermogen te ontslaan bij gebrek aan voldoende opdrachten of om ze in dienst te houden, in welk geval de reserves die nodig zijn om deze tijd door te komen snel uitgeput raken. Het gaat om situaties waarbij aanpassingen van het personeelsbestand zouden leiden tot een ongewenste vernietiging van investeringen die in vakkrachten zijn gedaan. In dergelijke gevallen zouden vakkrachten verloren gaan op korte termijn, terwijl zij binnen een afzienbare termijn juist nodig zijn.

     In overleg met sociale partners is geconcludeerd dat het gewenst is bedrijven in de bedoelde situatie in staat te stellen vakkrachten te behouden, terwijl zij voor ten hoogste 50% van de werktijd ten laste komen van de WW-regeling. Hiermee wordt beoogd op korte termijn kapitaalvernietiging te voorkomen en langetermijnaanpassingen niet te belemmeren. Deze mogelijkheid wordt door middel van de onderhavige tijdelijke algemene ontheffing op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 gerealiseerd.

     Werkgevers die gebruik maken van dit besluit kunnen, gedurende een door hen te bepalen periode van ten hoogste dertien aaneengesloten weken, die met tweemaal 26 weken verlengd kan worden, de arbeidsuren van hun werknemers reduceren met een door de werkgever te bepalen percentage van maximaal 50%. Bij vermindering van het aantal te werken uren met toepassing van het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten kan door de betrokken werknemer een beroep op de Werkloosheidswet (WW) worden gedaan. De werknemer ontvangt in dat geval tijdens het dienstverband met zijn werkgever een WW-uitkering voor dat deel van zijn werktijd dat het aantal te werken uren is verminderd naar de normale regels van de WW.

     Aan het gebruik van dit besluit wordt een aantal voorwaarden gesteld. De eerste is dat er vanuit een vertegenwoordiging van de werknemers toestemming dient te zijn gegeven voor de urenvermindering en dat met die vertegenwoordiging is afgesproken dat het loon wordt doorbetaald voor zover de werknemer minder werkt als gevolg van de toepassing van dit besluit maar geen recht heeft op uitkering op grond van de WW over die uren. De tweede voorwaarde is dat de werkgever een aantal inspanningsverplichtingen heeft jegens de werknemer van wie het aantal te werken uren wordt verminderd. Deze inspanningsverplichtingen hebben betrekking op scholing en detachering. Bij verlengingen toetst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de concrete invulling hiervan aan de hand van een daartoe door de werkgever te overleggen verslag. Indien niet aan de verplichtingen is voldaan, zal worden geconstateerd dat verlenging niet mogelijk is en wordt de eerder verleende WW-uitkering beindigd. De werkgever is vanaf dat moment gehouden het loon van de werknemer weer volledig te betalen. De derde voorwaarde is dat de vermindering van het aantal uren aanvangt vr 1 januari 2010 en dat de periode van vermindering niet samenvalt met een verkorting van de werktijd met toepassing van een ontheffing op grond van de Bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 of de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008. Tot slot dient de werkgever zich jegens het UWV te verplichten een vergoeding aan het UWV te betalen als de arbeidsomvang van zijn werknemer in de vooraf vastgelegde periode van urenvermindering met meer dan 50% wordt verlaagd of zijn werknemer onmiddellijk aansluitend aan die periode (dan wel indien sprake is van verlenging: de verlengde periode) of in de dertien weken daaropvolgend werkloos blijft of wordt.

     Via deze voorwaarden wordt aan de werknemer een duidelijk signaal afgegeven dat zijn werkgever op de lange termijn met hem verder wil. Het instellen van de vergoedingsregeling waarborgt verder dat alleen die bedrijven die een langetermijnperspectief hebben hiervan gebruik maken. Het is van belang dat van het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten alleen gebruik wordt gemaakt wanneer de werkgever en werknemer verwachten dat er in de toekomst binnen het bedrijf voldoende werk is. Vermeden moet worden dat deze vorm van deeltijd-WW een weg van minste weerstand wordt en een alternatief voor de situatie van werkelijke werkloosheid. Dit is niet in het belang van de betrokken werknemers die uiteindelijk toch om zullen moeten zien naar een andere baan, maar bij het zoeken daarnaar een achterstand oplopen omdat zij te lang zijn blijven hangen in hun oude baan. Het is ook niet in het belang van de werkgever die daardoor middelen moet inzetten die anders beschikbaar zouden kunnen zijn voor investeringen. Het is uiteindelijk ook niet in het algemeen belang omdat noodzakelijke aanpassingen daardoor vertraagd worden en meer middelen vergen.

     Indien het vooruitzicht op werk op langere termijn onzeker is, is het in het belang van zowel werknemer als werkgever dat de werkgelegenheid wordt afgebouwd. Van Werk Naar Werk staat dan voorop. In de brief van het kabinet zijn onder andere de maatregelen gepresenteerd die dit mogelijk maken. Daarbij is aangegeven dat in deze situatie het normale instrumentarium in het kader van de WW beschikbaar is met de gebruikelijke voorwaarden die aan de WW zijn gekoppeld. Indien werkgever en werknemer ook gegeven de huidige economische situatie voldoende vertrouwen hebben dat op langere termijn de werkgelegenheid bestaat, is behoud van vakkrachten aangewezen. Teneinde te voorkomen dat deze afweging lichtvaardig wordt gemaakt, dienen de normale regels van de WW te gelden. Om die reden wordt de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren buiten toepassing gelaten en dit zorgt ervoor dat bij toepassing van het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten deze normale WW-regels gelden.

     Alhoewel werknemers te allen tijde op zoek kunnen gaan naar een nieuwe baan, is de opzet van het besluit dusdanig dat in deze periode hier niet de focus op ligt. De werknemer is dan ook op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA vrijgesteld van de re-integratieverplichtingen in het kader van de WW. De werknemer is op basis van goed werknemerschap evenwel wel gehouden tot het volgen van door de werkgever opgedragen scholing tot behoud of verbetering van zijn inzetbaarheid voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

     Het besluit moet het mogelijk maken voor bedrijven om in samenspraak met werknemers tot een verantwoorde strategie te komen voor de inzet van arbeid en het waarborgen van langetermijnbelangen van zowel werkgevers als werknemers nu de ongekend snel opgetreden economische onzekerheid tot aanpassingen noopt.

     De WW-aanvragen in verband met het onderhavige besluit zullen in verband met spoedige afwikkelingen verlopen via een gestandaardiseerd proces. Het UWV zal aan de hand van de complete aanvragen beoordelen of aan de voorwaarden van dit besluit is voldaan en of er derhalve recht is op een WW-uitkering. Bij dit proces hoort dat bij verlenging twee weken vr het aflopen van de oorspronkelijke periode de juiste formulieren door het UWV zijn ontvangen.

     Het voorliggende besluit vormt een vernieuwing die onder druk van de omstandigheden wordt gentroduceerd. In het voorgaande is er reeds op gewezen dat vermeden moet worden dat de deeltijd-WW een "zacht heelmiddel" wordt voor werkelijke werkloosheid. Voor de wijze waarop van het voorliggend instrument gebruik zal worden gemaakt, bestaat echter maar beperkt ervaring. Om die reden is het nodig om een aantal "remmen" in te bouwen die het mogelijk maken om in te grijpen indien blijkt dat van de regeling een ander dan bedoeld gebruik wordt gemaakt. In de eerste plaats wordt de deeltijd-WW daarom eerst voor de beperkte periode van drie maanden geopend. Binnen drie maanden na de inwerkingtredingsdatum zal dit besluit worden gevalueerd. Indien daaruit blijkt dat in ruime mate niet bedoeld gebruik wordt gemaakt van het besluit, kan dit per direct worden gesloten. Dat zal dan ook inhouden dat de eerste periode van drie maanden niet verlengd zal worden. In de tweede plaats geldt voor de toepassing van deze regeling een budgettair plafond. Indien het aantal toekenningen van WW-uitkeringen in verband met werkloosheid als gevolg van toepassing van dit besluit de grens corresponderend met een uiteindelijke uitkeringslast van |375 miljoen dreigt te overschrijden, zal dit besluit op dat moment worden ingetrokken, waarbij de reeds lopende gevallen uiteraard zullen worden gerespecteerd, maar nog niet toegekende verlengingen eventueel niet zullen worden gehonoreerd.

     Dit besluit vervalt in ieder geval per 1 januari 2010. Slechts tot die datum is instroom mogelijk, zij het dat voor degenen die vr die datum zijn ingestroomd verlenging daarna nog wel mogelijk zal zijn. Deze beperking hangt samen met het feit dat de regeling bedoeld is als mogelijkheid in de huidige periode waarin bedrijven met een onzekere toekomst toch zullen moeten beslissen over behoud van hun productievermogens. Aan het eind van het lopend jaar is het tijd om te bezien of er nog steeds geen "licht is aan het einde van de tunnel" is en wat onder die omstandigheden de meest verantwoorde aanpak van het vervolgtraject is. Tegen die tijd zal de gehele aanpak van de arbeidsmarktproblematiek opnieuw moeten worden beoordeeld.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Ontheffing

     Op grond van dit artikel kan de werkgever eenmalig voor n of meer van zijn werknemers het aantal te werken uren met ten hoogste 50% verminderen. In het eerste lid wordt geregeld onder welke voorwaarden dat kan.

     Als eerste voorwaarde geldt het vereiste van instemming door de belanghebbende verenigingen van werknemers, en als die er niet zijn, een andere vertegenwoordiging van werknemers, met de vermindering respectievelijk - als het minder dan 20 werknemers betreft - instemming door een vertegenwoordiging van werknemers. Als tweede voorwaarde geldt dat de werkgever met die vertegenwoordiging van werknemers afspreekt het loon door te betalen voor de uren waarmee de werktijd is verkort doch waarover de betrokken werknemers op grond van de criteria van de WW geen recht hebben op een uitkering op grond van die wet. Als derde voorwaarde geldt dat de werkgever afspraken maakt met de vertegenwoordiging van werknemers om:
a. de werknemer scholing te laten volgen voor het behoud of de verbetering van de inzetbaarheid van de werknemer voor het verrichten van arbeid in zijn bedrijf en eventueel voor het verrichten van arbeid in het bedrijf van een andere werkgever. De werknemer is op basis van goed werknemerschap gehouden tot het volgen van door de werkgever opgedragen scholing tot behoud of verbetering van zijn inzetbaarheid voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd;
b. de werknemers te detacheren bij een ander bedrijf. Daarbij kan de werkgever gebruik maken van de diensten van het UWV en de mobiliteitscentra. Op die wijze worden arbeidsoverschotten in het ene bedrijf ingezet om arbeidstekorten bij andere bedrijven op te vangen.

     Als volgende voorwaarde geldt dat de vermindering van het aantal te werken uren aanvangt vr 1 januari 2010 en dat de periode van verlaging van de arbeidsomvang met toepassing van dit besluit niet geheel of gedeeltelijk mag samenvallen met een verkorting van de werktijd met toepassing van een ontheffing op grond van de Bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 of de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008.

     De laatste voorwaarde is dat de werkgever zich schriftelijk jegens het UWV verplicht om in de situaties die zijn opgenomen in artikel 3 een vergoeding aan het UWV te betalen. Voor de schriftelijke overeenkomst dient gebruik te worden gemaakt van de modelovereenkomst die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.

 

Artikel 2. Duur en verlenging

     Uitgangspunt is dat de vermindering van het aantal te werken uren ten hoogste dertien weken duurt. De vermindering van het aantal te werken uren kan, voor zover aan de voorwaarden van dit besluit wordt voldaan, maximaal tweemaal worden verlengd. In totaal kan derhalve voor maximaal 65 weken het aantal te werken uren worden verminderd. Verlenging impliceert dat deze geldt voor dezelfde werknemers waarvoor aanvankelijk het aantal te werken uren is verminderd en voor hetzelfde aantal te werken uren. Bij een eventuele verlenging zal sprake moeten zijn van een concrete invulling van die afspraken, aan te tonen door een hierop betrekking hebbend schriftelijk verslag van de werkgever.

 

Artikel 3. De vergoeding

     Op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel d, dient de werkgever zich te verplichten om een vergoeding te betalen aan het UWV in een aantal situaties. De eerste situatie is die waarin de werknemer in de periode waarover de werktijd met toepassing van dit besluit wordt verminderd, in een aaneengesloten periode van vier kalenderweken waarover een uitkering wordt betaald gemiddeld minder dan 50% van de oorspronkelijke arbeidsomvang bij die werkgever werkt in verband waarmee hij een groter recht op WW-uitkering heeft. In dat geval is de vergoeding gelijk aan de helft van de bruto-WW-uitkering (exclusief de toeslag op grond van de Toeslagenwet) en de werkgeversdelen van de premies die het UWV heeft betaald over de periode voorafgaand aan de bedoelde periode van vier weken. Een andere situatie waarin een vergoeding is verschuldigd, is als de werknemer aansluitend aan de periode waarover de werktijd met toepassing van dit besluit wordt verkort werkloos blijft of, indien zijn werkloosheid dan eindigt, in de periode van dertien weken daarna werkloos wordt uit de dienstbetrekking met de werkgever en in verband met die werkloosheid recht houdt of krijgt op een WW-uitkering. De hoogte van de vergoeding is in dat geval de helft van de bruto-WW-uitkering (exclusief de toeslag op grond van de Toeslagenwet) vermeerderd met de werkgeversdelen van de premies die het UWV heeft betaald over de periode waarover de werktijd met toepassing van dit besluit is verkort.
     Indien als gevolg van verlenging de periode waarover de werktijd met toepassing van dit besluit is verminderd meer bedraagt dan 39 weken, geldt in plaats van een periode van dertien weken een periode overeenkomend met een derde van de periode van verkorting van de werktijd.

     De vergoeding is niet verschuldigd indien de werknemer zelf de dienstbetrekking heeft opgezegd of indien de dienstbetrekking op diens verzoek is ontbonden dan wel indien de dienstbetrekking door de werkgever is opgezegd om een dringende reden als bedoeld in artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x