Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 juni 2009

 

REGELING  BETALING,  TERUGVORDERING  EN  TENUITVOERLEGGING  VAN  BOETEN  EN  ONVERSCHULDIGDE  BETALINGEN

Vervallen
m.i.v. 1 juli 2009
(art. 11 Rtbbtob)

 
 

6 juni 1996, Stcrt. 1996, 141
Inwerkingtreding: 1 augustus 1996
(T.a.v. artt. 27c:3 en 36b WW, 33b en 45c:3 ZW, 79 en 93:3 Wet WIA, 29c:3 en 57b WAO, 50:3, 57 en 65 WAZ, 42:3 en 57 Wet Wajong, 3:16 en 3:27 Wazo en 14c:3 en 20b TW)

 

1. Redactie: ingevolge artikel VI, onderdeel J, van de Regeling van 16 december 2005, Stcrt. 2005, 249, is de citeertitel van het Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering vervangen door: Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen.

 

 

 

 
     Het Tijdelijk instituut voor cordinatie en afstemming;
     Gelet op het bepaalde in de artikelen 27c, derde lid, van de Werkloosheidswet, 36b van de Werkloosheidswet, 33b van de Ziektewet, 45c, derde lid, van de Ziektewet, 29c, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 57b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 20c, derde lid, Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, 48b van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, 14c, derde lid, van de Toeslagenwet en 20b van de Toeslagenwet;

     Besluit:

 

 

I.  Definities

 

Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. WW: Werkloosheidswet;
b. ZW: Ziektewet;
c. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. Wazo: Wet arbeid en zorg;
f. Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
g. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
h. TW: Toeslagenwet;
i. schuldenaar: degene aan wie een boete is opgelegd of van wie een bedrag wordt teruggevorderd;
j. boete: een boete als bedoeld in het eerste lid van de artikelen 27a van de WW, 45a van de ZW, 29a van de WAO, 48 van de WAZ, 3:16 en 3:27 van de Wazo, 40 van de Wajong, 91 van de Wet WIA en 14a van de TW;
k. vordering: het bedrag dat wordt teruggevorderd op grond van de artikelen 36 van de WW, 33 van de ZW, 57 van de WAO, 63 van de WAZ, 3:16 en 3:27 van de Wazo, 55 van de Wajong, 77 van de Wet WIA of 20 van de TW of het bedrag dat als boete is opgelegd;
l. wettelijke rente en de kosten van invordering: de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, bedoeld in het zesde lid van de artikelen 27g van de WW, 45g van de ZW, 29g van de WAO, 54 van de WAZ, 3:16 en 3:27 van de Wazo, 46 van de Wajong, 96 van de Wet WIA en 14g van de TW;
m. aflossingscapaciteit: het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering;
n. vermogen: vermogensrechten, onroerende en roerende zaken, niet zijnde gebruikelijke huisraad, waarvan de dagwaarde per zaak |1134,00 of meer bedraagt;
o. inlichtingenverplichting: de verplichting, bedoeld in de artikelen 25 van de WW, 31, eerste lid, en 49 van de ZW, 80 van de WAO, 70 van de WAZ, 3:16 en 3:27 van de Wazo, 62 van de Wajong, 27 van de Wet WIA en 12 van de TW;
p. bijstandsnorm: de voor de schuldenaar op grond van de in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en paragraaf 3.3, genoemde artikelen van de Wet werk en bijstand geldende bijstandsnorm;
q. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
r. aflossingstermijn: termijn waarbinnen de vordering wordt verrekend of betaald.

 

 

II.  Termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald

 

Art. 2.
Het UWV stelt de termijnen waarbinnen de vordering wordt verrekend of betaald vast met inachtneming van deze regeling.

 

Art. 3.
Als de schuldenaar recht heeft op een nabetaling van het UWV, de Sociale Verzekeringsbank of een college van burgemeester en wethouders, dient de vordering terstond te worden voldaan door verrekening met de nabetaling.
Vervolgens wordt de vordering voor zover mogelijk voldaan door verrekening met een lopende uitkering. Als dit niet mogelijk is, vindt aflossing plaats door betaling in termijnen door de schuldenaar.

 

Art. 4.
-1. Indien de vordering tot en met |52,00 bedraagt, stelt het UWV de wijze waarop en de termijnen waarbinnen deze vordering moet worden voldaan vast, zonder de schuldenaar in de gelegenheid te stellen een voorstel te doen inzake de voldoening van de vordering.
-2. Het UWV kan de termijnen van betaling of verrekening vaststellen conform een met redenen omkleed voorstel van de schuldenaar, mits volgens dit voorstel de gehele vordering binnen twaalf maanden wordt voldaan en de schuldenaar dit voorstel heeft gedaan binnen zes weken nadat hem daartoe de gelegenheid is geboden door het UWV.

 

Art. 5.
-1. Onverminderd artikel 4 stelt het UWV de aflossingstermijnen vast na overleg met de schuldenaar en met inachtneming van dit artikel, tenzij:
a. het UWV de aflossingstermijnen heeft vastgesteld op voorstel van de schuldenaar, bedoeld in artikel 4;
b. de vordering een boete betreft;
c. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvoor aan de schuldenaar een boete is opgelegd; of
d. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvan het UWV aangifte heeft gedaan of waarvan proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden.
-2. Onverminderd het bepaalde in artikel 7 wordt de vordering geheel voldaan door middel van periodieke betalingen of verrekeningen gedurende 36 maanden te rekenen vanaf de dag waarop het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. De aflossingstermijn is ter hoogte van de volledige aflossingscapaciteit hetgeen een betaling gedurende minder dan 36 maanden met zich mee kan brengen.
-3. In afwijking van het tweede lid, tweede zin, wordt op verzoek van de schuldenaar ten minste de halve aflossingscapaciteit toegepast onder de voorwaarde dat de vordering geheel wordt voldaan gedurende 36 maanden te rekenen vanaf de dag dat het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de termijnen. De schuldenaar wordt erop gewezen dat ambtshalve kwijtschelding als bedoeld in de artikelen 36, derde lid, van de WW, 33, derde lid, van de ZW, 57, derde lid, van de WAO, 63, derde lid, van de WAZ, 55, derde lid, van de Wajong, 20, derde lid, van de TW, 77, derde lid, van de Wet WIA of artikel 3:16 en 3:27 van de Wazo niet mogelijk is.
-4.
Indien de schuldenaar voorstelt om hogere periodieke betalingen te doen dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, stelt het UWV de termijnen conform dit voorstel vast.
-5. Indien de schuldenaar, bij aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit, de vordering niet binnen 36 maanden volledig zal kunnen voldoen, wendt hij zijn vermogen aan zodat een zodanig gedeelte van de vordering binnen zes weken, nadat het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen, wordt voldaan dat hij de resterende vordering binnen 36 maanden kan voldoen.
Indien echter de schuldenaar ten genoegen van het UWV zekerheid stelt voor aflossing van de gehele vordering binnen 36 maanden, nadat de vaststelling van de termijnen hem bekend is gemaakt, behoeft de schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.
-6. De periodieke betaling of verrekening wordt gesteld op de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm, indien:
a. de schuldenaar met aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen niet in staat is de vordering binnen 36 maanden te voldoen; en
b. periodieke betaling of verrekening gedurende 60 maanden van het aldus verkregen bedrag leidt tot een grotere aflossing dan betaling of verrekening gedurende 36 maanden van het op grond van het tweede en derde lid verkregen bedrag.

 

Art. 6.
-1. Dit artikel is van toepassing indien de vordering:
a. een boete betreft;
b. het gevolg is van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting dan wel van een gedraging waarvan het UWV aangifte heeft gedaan of waarvan proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden.
-2. Het UWV stelt de aflossingstermijnen zodanig vast dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar, onverminderd het bepaalde in artikel 7, tenzij het UWV de termijnen heeft vastgesteld conform het bepaalde in artikel 4.
-3. Indien de schuldenaar voorstelt om hogere betalingen te doen dan het bedrag ingevolge het tweede lid, stelt het UWV de termijnen conform dit voorstel vast.
-4. Indien de schuldenaar de vordering niet binnen twaalf maanden volledig zal kunnen voldoen, wendt hij zijn vermogen aan zodat een zodanig gedeelte van de vordering binnen zes weken, nadat het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen, wordt voldaan dat hij de resterende vordering binnen twaalf maanden kan voldoen.
Indien echter de schuldenaar ten genoegen van het UWV zekerheid stelt voor aflossing van de gehele vordering binnen twaalf maanden, nadat de vaststelling van de termijnen hem bekend is gemaakt, behoeft de schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.
-5. Onverminderd het bepaalde in artikel 8 stelt het UWV de termijnen waarbinnen wordt verrekend of moet worden betaald vast over een periode van meer dan twaalf maanden indien de schuldenaar, ook na aanwending van zijn vermogen, niet in staat is om de vordering binnen twaalf maanden te voldoen.

 

Art. 7.
-1. Indien de schuldenaar een betalingsregeling heeft getroffen met n of meer derden die beschikken over een executoriale titel, kan het UWV rekening houden met deze betalingsregelingen bij de vaststelling van de termijn of termijnen waarbinnen wordt verrekend of betaald. Het bedrag van de verrekening of betaling wordt in elk geval niet gesteld op een lager bedrag dan het aandeel waarop het UWV aanspraak zou kunnen maken bij verrekening met een lopende uitkering respectievelijk executoriaal beslag door het UWV op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen, indien door deze derden beslag zou zijn gelegd. Het UWV is bevoegd om een schuldeiser met wie de schuldenaar, ten minste n jaar vr de beslissing tot terugvordering is afgegeven, een betalingsregeling is overeengekomen, gelijk te stellen met een schuldeiser die in het bezit is van een executoriale titel.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt op de aflossingscapaciteit in mindering gebracht de betaalde bijdrage tot |113,00 per persoon in:
a. levensonderhoud van de ex-echtgenoot;
b. de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen die niet tot het huishouden behoren;
c. levensonderhoud en studie van meerderjarige kinderen tot 27 jaar.
-3. Indien het UWV zijn medewerking verleent aan een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord ter sanering van de schulden van de schuldenaar kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, worden ingestemd met een ander aandeel in de aflossingscapaciteit en het betrekken van vorderingen van andere schuldeisers in de vaststelling van dit aandeel, indien:
a. de vordering van het UWV ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met vorderingen van schuldeisers met gelijke rang en het te ontvangen deel van de vordering van het UWV van ten minste dezelfde omvang is als kan worden verkregen indien een saneringsplan als bedoeld in artikel 343 van de Faillissementswet wordt vastgesteld; en
b. het UWV noch in uitkeringspercentage noch in tempo van betaling wordt achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers; en
c. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de schuldenaar, afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten, in aanmerking zou komen voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

 

Art. 8.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 7 wordt de periodieke betaling of verrekening gesteld op de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm indien de schuldenaar de vordering na vijf jaar niet volledig heeft voldaan met inachtneming van de conform de vorige artikelen vastgestelde termijnen.

 

Art. 9.
Indien de schuldenaar op enig tijdstip niet volgens de vastgestelde termijnen betaalt, wordt de vordering opeisbaar.

 

Art. 10.
Indien de schuldenaar de verplichting, bedoeld in de artikelen 27a, vijfde lid, of 36, zesde lid, van de WW, 33, zesde lid, of 45a, vijfde lid, van de ZW, 29a, vijfde lid, of 57, zesde lid, van de WAO, 77, zesde lid, of 91, vijfde lid, van de Wet WIA, 48, vijfde lid, of 63, zesde lid, van de WAZ, 3:16 en 3:27 van de Wazo, 40, vijfde lid, of 55, zesde lid, van de Wajong of 14a, vijfde lid, of 20, zesde lid, van de TW niet nakomt, wordt de vordering opeisbaar.

 

Art. 11.
Het UWV kan de vastgestelde aflossingstermijnen herzien wegens gewijzigde omstandigheden met inachtneming van deze regeling.

 

 

III.  Rente en kosten

 

Art. 12.
-1. De wettelijke rente en de kosten van invordering zijn verschuldigd vanaf het tijdstip dat de termijn is verstreken waarbinnen volgens het besluit van het UWV moest worden betaald.
-2. De op de invordering betrekking hebbende kosten bedragen:
a. 15% van de resterende vordering, doch ten minste |45,00 en ten hoogste |681,00; alsmede
b. de kosten van betekening en gerechtelijke tenuitvoerlegging, zoals vastgesteld bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken.

 

 

IV.  Toerekening van betalingen

 

Art. 13.
-1. Tenzij de schuldenaar een andere vordering aanwijst, wordt een betaling die zou kunnen worden toegerekend aan twee of meerdere vorderingen, op de eerste plaats toegerekend aan een verschuldigde boete.
-2. Zijn er vervolgens nog meerdere vorderingen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan wordt deze op de eerste plaats toegerekend aan de oudste. Zijn de vorderingen even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.
-3. Betaling op een bepaalde vordering strekt eerst in mindering van de kosten, vervolgens de verschenen rente en ten slotte de hoofdsom en de lopende rente.

 

 

V.  Hardheidsclausule

 

Art. 14.
Ingeval de toepassing van deze regeling leidt tot een kennelijke hardheid, is het UWV bevoegd van het gestelde in deze regeling af te wijken.

 

 

VI.  Slotbepalingen

 

Art. 15.
Indien het bij koninklijke boodschap van 21 september 1994 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid; Kamerstukken II 1994-1995, 23 909) tot wet wordt verheven en in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking. Indien deze regeling na inwerkingtreding van genoemde wet wordt bekendgemaakt in de Staatscourant, treedt deze regeling in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 16.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.

1. Volgens de redactie dient "dit besluit" te worden vervangen door: deze regeling.

 

Amsterdam, 6 juni 1996.
J. Ruiter, plv. voorzitter.

 

 

 

TOELICHTING
[6 juni 1996]

 

     Op grond van de artikelen 27c, derde lid, van de WW, 36b van de WW, 33b van de ZW, 45c, derde lid, van de ZW, 29c, derde lid, van de WAO, 57b van de WAO, 20c, derde lid, van de AAW, 48b van de AAW, 14c, derde lid, van de TW en 20b van de TW stelt het Tica [Tijdelijk instituut voor cordinatie en afstemming, de rechtsvoorganger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), dat met ingang van 1 januari 2002 is opgevolgd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] regels omtrent de terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering als bedoeld in de artikelen 36 van de WW, 33 van de ZW, 57 van de WAO, 48 van de AAW en 20 van de TW. De artikelen 27c van de WW, 45c van de ZW, 29c van de WAO, 20c van de AAW en 14c van de TW bevatten een overeenkomstige bepaling over de boeten. Het Tica stelt in dit besluit regels omtrent de termijnen waarbinnen wordt betaald, de toerekening van betalingen en de berekening van rente en kosten bij de tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering respectievelijk boeteoplegging.

 

Artikel 1

     Dit artikel geeft enige definities.

 

Artikel 3

     Op de eerste plaats wordt de vordering verrekend met beschikbare nabetalingen. Bijvoorbeeld bij een herziening van een WW-uitkering omdat recht blijkt te bestaan op een WAO-uitkering over dezelfde periode, volgt direct verrekening van de terugvordering WW met de nabetaling WAO.
     Voor zover verrekening niet mogelijk is, dient de vordering te worden voldaan door verrekening met een lopende uitkering of terugbetaling door de schuldenaar. Indien de schuldenaar de gehele vordering niet terstond voldoet, stelt de bedrijfsvereniging [met ingang van 1 maart 1997 zijn ingevolge de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 de bedrijfsverenigingen opgeheven en is het Lisv ervoor in de plaats getreden, red.] de termijnen waarbinnen wordt verrekend of moet worden betaald.

 

Artikel 4

     Indien de vordering tot en met 100,- bedraagt, is het niet noodzakelijk de termijnregeling van dit besluit toe te passen. Dit volgt uit overwegingen van doelmatigheid.
     Een aannemelijk voorstel waarbij de gehele vordering binnen twaalf maanden wordt voldaan, wordt in beginsel geaccepteerd. Deze regel berust voornamelijk op een kosten-batenanalyse; in dergelijke gevallen is een inkomensonderzoek niet lonend. Onder deze regel vallen zowel betalingsregelingen met een looptijd van twaalf maanden als betaling ineens op een later tijdstip, maar binnen twaalf maanden. Bij betaling ineens kan bijvoorbeeld gedacht worden aan betaling in de maand dat de debiteur vakantietoeslag of een dertiende maand ontvangt.
     Het voorstel dient met redenen te zijn omkleed om de bedrijfsvereniging de mogelijkheid te bieden te beoordelen of aannemelijk is dat de schuldenaar de regeling zal nakomen. De bedrijfsvereniging zal bijvoorbeeld een voorstel om in een willekeurige maand het gehele bedrag te betalen afwijzen als de debiteur niet kan aangeven waarom hij nu niet, maar in de betreffende maand wel de middelen heeft om in n keer te betalen. Ook zal de bedrijfsvereniging een voorstel dat, gelet op de belangen van bedrijfsvereniging en schuldenaar, onvoldoende recht doet aan de belangen van de bedrijfsvereniging kunnen afwijzen.

 

Artikelen 5 en 6

     Artikel 5 is - kort gezegd - van toepassing indien overtreding van de inlichtingenplicht niet aan de orde is. Hierbij geldt een lichter regime dan indien dit wel het geval is waarvoor artikel 6 geldt.
     Een betaling in termijnen met een looptijd van ten hoogste 60 maanden is acceptabel indien daarbij ten minste 50% van de aflossingscapaciteit wordt aangewend. Voor de vaststelling van het bedrag van verrekenings- of betalingstermijnen wordt - uitgaande van maandelijkse termijnen - de vordering gedeeld door 60. De uitkomst van deze deling is het bedrag dat wordt verrekend of moet worden betaald. Een voorstel van de schuldenaar om een hoger bedrag per keer te voldoen, wordt echter gevolgd. Is de uitkomst van de deling minder dan de helft van de aflossingscapaciteit, dan wordt het bedrag verhoogd tot de helft van de aflossingscapaciteit, zodat de vordering in minder dan 60 maanden wordt voldaan.
     Is de uitkomst van de deling meer dan de (gehele) aflossingscapaciteit, dan dient de schuldenaar beschikbaar vermogen aan te wenden voor een zodanige betaling ineens, zodat het restant in 60 maanden kan worden afgelost. Als de belanghebbende echter voldoende zekerheid stelt voor dit bedrag, kan hij de betaling uitstellen. Op deze wijze wordt aan de belanghebbende tijd gegund om het benodigde bedrag vrij te maken op een manier die zo min mogelijk bezwarend is, terwijl de bedrijfsvereniging voldoende waarborgen heeft dat de belanghebbende de vordering daadwerkelijk zal voldoen.
     Onder vermogen wordt in dit verband onder andere verstaan vermogensrechten en onroerende en roerende zaken met een dagwaarde per zaak van 2500,- of meer, met uitzondering van gebruikelijke huisraad. Als de debiteur niet in staat is om binnen 60 maanden de gehele vordering af te lossen, wordt van hem verwacht dat hij dergelijke zaken te gelde maakt om zijn schuld aan de bedrijfsvereniging te voldoen. Tot het vermogen behoren dus zaken zoals een auto of een caravan, maar ook een woning die gedeeltelijk vrij is van hypotheek.
     Als de schuldenaar ook na aanwending van eventueel vermogen en de volledige aflossingscapaciteit niet in staat is om de vordering binnen 60 maanden te voldoen, worden de termijnen vastgesteld op een langere periode dan vijf jaren waarbinnen de schuldenaar de vordering kan voldoen. Artikel 8 dient hierbij te worden toegepast.
     Behoudens de in artikel 6, tweede lid, genoemde uitzonderingen wordt bij de invordering van een boete of terugvordering naar aanleiding van een overtreding van de inlichtingenplicht dan wel een gedraging waarvan de bedrijfsvereniging aangifte heeft gedaan of waarvan proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar aangewend. Er wordt alleen een langere termijnregeling toegestaan als de schuldenaar, ook bij aanwending van vermogen, niet in staat is binnen twaalf maanden te betalen. Ook dan moet de debiteur maandelijks zijn gehele aflossingscapaciteit aanwenden om de vordering te voldoen. De betaling binnen twaalf maanden kan ook op grond van een voorstel als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de schuldenaar tot stand zijn gekomen. Het kan voorkomen dat de inlichtingenplicht wordt overtreden maar toch geen boete wordt opgelegd, bijvoorbeeld als geen sprake is van verwijtbaarheid. Het kan echter enige tijd duren voordat wordt besloten tot oplegging van een boete in verband met de hoorplicht en dergelijke. Om het invorderingsproces niet op te houden kan het zware regime van artikel 6 direct worden toegepast indien de bedrijfsvereniging vaststelt dat de inlichtingenplicht is overtreden en hoeft het moment van boeteoplegging niet te worden afgewacht. Als later van oplegging van een boete wordt afgezien, geldt vanaf dat moment het lichte regime van artikel 5.

 

Artikel 7

     Met een bedrag dat lager is dan de ingevolge dit besluit aan te wenden aflossingscapaciteit kan genoegen worden genomen als de bedrijfsvereniging bij beslaglegging ook niet de gehele aflossingscapaciteit zou kunnen opeisen. Het heeft immers geen zin tot executie over te gaan als dat niet meer zou opleveren dan bij een minnelijke regeling. Het termijnbedrag wordt dan ten minste vastgesteld op het bedrag dat bij executie zou kunnen worden verkregen als andere schuldeisers ook beslag leggen.
     Slechts in uitzonderingsgevallen zal de bedrijfsvereniging deze bepaling niet toepassen, bijvoorbeeld indien de door de schuldenaar opgevoerde schuld aan een derde schuldeiser niet aannemelijk is.
     Het termijnbedrag kan ook op een hoger bedrag worden gesteld, bijvoorbeeld als de andere schuldeiser in het kader van de betalingsregeling een lagere aflossing ontvangt dan het bedrag waarop hij bij beslaglegging aanspraak heeft.
     Als de vordering kan worden verrekend met een lopende uitkering, is de bedrijfsvereniging in bepaalde gevallen bevoegd om ondanks een (eventueel) gelegd beslag door een derde haar vordering met voorrang te verrekenen mits de vordering en de uitkering voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding. Dit is vrijwel altijd het geval. Een voorbeeld waarbij dit niet het geval is doet zich voor indien de vordering een vrijwillige verzekering betreft en de uitkering voortvloeit uit een verplichte verzekering. Als de vordering en de uitkering niet uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien, is de bedrijfsvereniging bevoegd om de vordering met voorrang te verrekenen indien de vordering van de bedrijfsvereniging is opgekomen en opeisbaar is geworden voordat het (eventuele) beslag werd gelegd. Het voorgaande volgt uit artikel 6:130 van het Burgerlijk Wetboek.
     Het kan redelijk zijn om lopende betalingsregelingen waarvoor (nog) geen vonnis is omdat de debiteur vrijwillig betaalt, op dezelfde manier in aanmerking te nemen.
     Om te voorkomen dat rekening moet worden gehouden met regelingen die zijn aangegaan toen de boeteoplegging of terugvordering al voorzienbaar was, wordt de eis gesteld dat deze regelingen ten minste al n jaar moeten lopen.

 

Artikel 8

     Als na verloop van vijf jaren de vordering nog niet geheel is voldaan, kan niet van de schuldenaar worden gevergd dat hij nog langer zijn volledige aflossingscapaciteit aanwendt. Na vijf jaren worden de termijnen zodanig vastgesteld dat de belanghebbende een besteedbaar inkomen heeft ter hoogte van het volledige sociaal minimum. Is de belanghebbende in verband met de vrijlating van inkomen niet in staat betalingen te verrichten, dan wordt de vordering opgeschort tot een later moment. Kwijtschelding vindt niet plaats.

 

Artikel 9

     In alle gevallen geldt dat de resterende vordering opeisbaar wordt als de debiteur niet op de vastgestelde tijdstippen betaalt. De bedrijfsvereniging neemt deze voorwaarde op in het besluit waarin de termijnen van betaling of verrekening worden vastgesteld.
     Als de debiteur zich niet aan de vastgestelde termijnen houdt, zal de bedrijfsvereniging de beschikking ten uitvoer leggen conform het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De bedrijfsvereniging is daarbij niet meer gebonden aan afgesproken termijnen, maar kan dan beslag leggen op de gehele aflossingscapaciteit en eventueel vermogen.

 

Artikel 10

     De bedrijfsvereniging bepaalt eveneens dat de vordering opeisbaar is als de schuldenaar zijn medewerking weigert aan het onderzoek benodigd voor de vaststelling van de termijnen, bijvoorbeeld door te weigeren inzicht in zijn inkomen of vermogen te geven. De bedrijfsvereniging beschikt dan door toedoen van de debiteur niet over de informatie waarmee zij bij de vaststelling van termijnen rekening moet houden. Bij de tenuitvoerlegging van dit besluit geldt op grond van de artikelen 27g, tiende lid, van de WW, 36a, tweede lid, van de WW, 33a, tweede lid, van de ZW, 45g, tiende lid, van de ZW, 29g, tiende lid, van de WAO, 57a, tweede lid, van de WAO, 20g, tiende lid, van de AAW, 48a, tweede lid, van de AAW, 14g, tiende lid, van de TW, 20a, tweede lid, van de TW geen beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zolang de schuldenaar nalaat om de informatie te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging noodzakelijk is. In deze situatie is de bescherming van artikel 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wel van toepassing aangezien dit artikel niet wordt genoemd in de artikelen 27g, negende lid, van de WW, 45g, negende lid, van de ZW, 29g, negende lid, van de WAO, 20g, negende lid, van de AAW en 14g, negende lid, van de TW, zodat dit artikel niet is uitgesloten in de situatie dat geen inlichtingen worden verstrekt.

 

Artikel 11

     Vooropgesteld wordt dat artikel 475d, zevende lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat met gewijzigde omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen onverwijld rekening moet worden gehouden nadat de schuldenaar heeft aangegeven dat hiervan sprake is.
     Artikel 11 geeft een aanvullende bevoegdheid om de vastgestelde termijnen te herzien bij gewijzigde omstandigheden. Zeker bij langlopende regelingen kan er aanleiding zijn om bij wijziging van de financile omstandigheden te bezien of de vastgestelde termijnen moeten worden aangepast. Vanzelfsprekend geldt dit zowel voor een stijging als voor een daling van de aflossingscapaciteit van de schuldenaar. Bij de vaststelling van de nieuwe termijn of termijnen is de bedrijfsvereniging gebonden aan het bepaalde in artikel 5 en 6. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een vordering die niet het gevolg is van een overtreding van de inlichtingenplicht, de vordering in ten hoogste 60 maandelijkse termijnen moet worden voldaan.
     Bij een herziening van de gestelde termijnen, blijft de bedrijfsvereniging dus gebonden aan dit maximum aantal termijnen. Indien de gewijzigde omstandigheden bestaan uit een zodanige daling van het inkomen dat de debiteur niet binnen dit maximum aantal termijnen de vordering kan voldoen, dan dient eerst het vermogen te worden aangewend.

 

Artikel 12

     Artikel 12 regelt vanaf welk tijdstip rente verschuldigd is en hoeveel de kosten van invordering bedragen. De artikelen 27g, zevende lid, van de WW, 45g, zevende lid, van de ZW, 29g, zevende lid, WAO, 20g, zevende lid, van de AAW en 14g, zevende lid, van de TW bepalen dat de verschuldigde boete of de terugvordering bij gebreke van tijdige betaling wordt verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten. In dit artikel wordt nader geregeld wanneer er sprake is van in gebreke zijn met de tijdige betaling en welke kosten behoren tot de kosten van invordering.
     De schuldenaar is in gebreke met tijdige betaling indien hij niet betaalt binnen de door de bedrijfsvereniging gestelde termijnen. Vanaf dat moment is de schuldenaar wettelijke rente en kosten verschuldigd.
     De kosten van invordering kunnen worden onderscheiden in de kosten voor werkzaamheden verricht door de bedrijfsvereniging en kosten die de bedrijfsvereniging moet maken voor de betekening van de beschikking en de executie door de deurwaarder. De kosten voor de werkzaamheden van de bedrijfsvereniging worden gesteld op 15% van de vordering, met een minimum van 100,- en een maximum van 1500,-. Bij deze kosten moet worden gedacht aan extra administratiekosten, kosten voor extra onderzoek naar inkomen en vermogen en de werkzaamheden voor het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag. Als de vordering niet kan worden gend door het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag, zal de bedrijfsvereniging een deurwaarder moeten inschakelen voor de betekening en het leggen van beslag. Het Deurwaardersreglement, dat is gebaseerd op artikelen 53 tot en met 55 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken, regelt welke bedragen aan de deurwaarder zijn verschuldigd voor deze ambtshandelingen. Deze bedragen komen eveneens voor rekening van de schuldenaar.

 

Artikel 13

     In artikel 13 wordt de toedeling van betalingen geregeld. Dat bij meerdere vorderingen de betaling in de eerste plaats wordt toegerekend aan de boete is conform de wens van de wetgever. Artikel 6:43 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt echter dat, indien de schuldenaar een vordering aanwijst, de betaling aan deze vordering wordt toegerekend. Als de schuldenaar geen vordering aanwijst, wordt artikel 13, eerste lid, toegepast. Het is in het belang van de schuldenaar om een betaling eerst aan een boete (of de andere in artikel 6, eerste lid, genoemde vordering) toe te rekenen. Immers, de boete moet in n jaar en de overige vorderingen in vijf jaar worden betaald. Conform artikel 6:43 van het Burgerlijk Wetboek wordt een betaling eerst aan de oudste vordering toegerekend. Zijn de vorderingen even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.
     Artikel 6:44, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek regelt dat een betaling eerst in mindering strekt van de kosten, vervolgens de verschenen rente en ten slotte de hoofdsom en de lopende rente.

 

Artikel 14

     Artikel 14 bevat een hardheidsclausule. Deze kan bijvoorbeeld uitkomst bieden als het in een uitzonderlijke situatie geboden lijkt om gedurende enige tijd prioriteit te geven aan aflossing van schulden aan andere schuldeisers dan de bedrijfsvereniging.
     Gedacht kan worden aan dreigende afsluiting van energielevering of ontruiming van de woning.

 

Amsterdam, 6 juni 1996.
J. Ruiter, plv. voorzitter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x