Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 21 september 2004

 

REGELING  RIJKSBIJDRAGE  SLUITENDE  AANPAK  WW  2001

Vervallen
m.i.v. 22 september 2004
(art. VIII,d Si04)

 
 
18 januari 2001, Stcrt. 2001, 15
Inwerkingtreding: 1 januari 2001
(T.a.v. artt. 71 Osv 1997 en 130:7 WW)

 

 

 

 
18 januari 2001/nr. SV/AVF/00/83572
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van FinanciŽn;
     Gelet op artikel 71 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en artikel 130, zevende lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 2. Rijksbijdrage aan het Algemeen Werkloosheidsfonds en het Uitvoeringsfonds voor de overheid
-1. Aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt ten behoeve van het Algemeen Werkloosheidsfonds en het Uitvoeringsfonds voor de overheid in 2001 een rijksbijdrage van É87 900 000,00 toegekend voor het vaststellen van trajecten als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW binnen twaalf maanden na het intreden van de werkloosheid.
-2. De betaling van de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen vindt plaats in vier gelijke termijnen in elke tweede maand van een kwartaal.
-3. Indien het aantal uitkeringsgerechtigden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, lager is dan de helft van het in de Regeling taakstelling sluitende aanpak WW 2001 opgenomen aantal, kan de minister de betaling van de vierde termijn van de rijksbijdrage, bedoeld in het tweede lid, opschorten tot het moment waarop de rijksbijdrage definitief wordt vastgesteld.

 

Art. 3. Verantwoording taakstelling
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen zendt uiterlijk op 1 oktober 2001 een verantwoording aan de minister omtrent het aantal uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW, voor wie in de eerste zes maanden van 2001, binnen twaalf maanden na het intreden van werkloosheid een traject is vastgesteld.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen zendt uiterlijk op 1 juni 2002 een verantwoording aan de minister omtrent het aantal uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW, voor wie in 2001 binnen twaalf maanden na het intreden van de werkloosheid een traject is vastgesteld.
-3. Bij de verantwoording, bedoeld in het tweede lid, wordt een accountantsverklaring gevoegd die een oordeel bevat omtrent de getrouwheid van deze verantwoording.

 

Art. 4. Vaststelling rijksbijdrage
-1. De rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2, wordt binnen ťťn jaar na ontvangst van de verantwoording, bedoeld in artikel 3, tweede lid, door de minister definitief vastgesteld.
-2. Indien het aantal uitkeringsgerechtigden, bedoeld in artikel 3, tweede lid, lager is dan het in de Regeling taakstelling sluitende aanpak WW 2001 opgenomen aantal, kan de minister het verschil toevoegen aan de taakstelling met betrekking tot het aantal uitkeringsgerechtigden voor wie het Landelijk instituut sociale verzekeringen in het jaar 2002 of de daarop volgende jaren een traject dient vast te stellen, dan wel de rijksbijdrage lager vaststellen dan É87 900 000,00.

 

Art. 5. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.

 

Art. 6. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rijksbijdrage sluitende aanpak WW 2001.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.

 

Ďs-Gravenhage, 18 januari 2001.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

TOELICHTING
[18 januari 2001]

 

     Op grond van artikel 130 van de Werkloosheidswet (WW) kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] bij algemene maatregel van bestuur worden opgedragen om werkzaamheden in te kopen ter bevordering van de reÔntegratie van WW-gerechtigden. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaalt op grond van die algemene maatregel van bestuur, het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW, jaarlijks het aantal uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder voor wie het Lisv binnen twaalf maanden na het intreden van de werkloosheid een traject moet vaststellen. Onder het vaststellen van een traject wordt in dit kader verstaan het goedkeuren van een door een reÔntegratiebedrijf ingediend individueel trajectplan door het Lisv, waardoor de uitkeringsgerechtigde in staat wordt gesteld deel te nemen aan activiteiten die bijdragen tot inschakeling in het arbeidsproces.
     Vanaf 1 januari 2001 zijn overheidswerknemers onder de WW gebracht. De op die datum bestaande gevallen van werkloosheid worden op 1 januari 2003 onder de WW gebracht. WW-gerechtigde overheidswerknemers behoren ook tot de doelgroep van de sluitende aanpak. Hiertoe zal het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW - zo nodig met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001 - worden aangepast. De financiering vindt voor hen plaats via het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
     Ten laste van het op grond van artikel 130, tweede lid, WW uit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) vastgestelde budget dient het Lisv in 2001 voor ten minste 23 000 uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder binnen twaalf maanden na het intreden van de werkloosheid een traject vast te stellen. Het gaat daarbij om WW-gerechtigden die behoren tot de doelgroep van het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW. De aan de realisatie van deze taakstelling verbonden kosten, te weten de prijzen van de in te kopen trajecten en de daaruit voortvloeiende uitvoeringskosten, zullen naar verwachting uitstijgen boven besparingen op de uitkeringslasten als gevolg van de toegenomen uitstroom uit de WW die door de trajecten wordt veroorzaakt. In verband hiermee wordt een rijksbijdrage toegekend aan het AWf en het Ufo. De rijksbijdrage voor het jaar 2001 die ten gunste van het Ufo komt, wordt aangewend voor overheidswerknemers die op of na 1 januari 2001 werkloos zijn geworden. Het Lisv verdeelt de middelen van de rijksbijdrage over het AWf en het Ufo.
     Op grond van artikel 71 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met de Minister van FinanciŽn, regels stellen over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden door het Rijk aan het AWf en het Ufo plaatsvindt. In de onderhavige regeling zijn deze regels vastgelegd.
     In 2001 wordt een rijksbijdrage van É87 900 000,- toegekend aan het AWf en het Ufo. De definitieve vaststelling van deze rijksbijdrage geschiedt achteraf aan de hand van een verantwoording door het Lisv omtrent het aantal uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder, behorende tot de doelgroep van het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW, voor wie in 2001 een traject is vastgesteld voordat zij twaalf maanden werkloos zijn. Bij deze verantwoording wordt een accountantsverklaring overgelegd waarmee een oordeel wordt gegeven over de getrouwheid van de verantwoording. De accountant stelt daarbij vast dat de uitkeringsgerechtigden voor wie de trajecten zijn vastgesteld 23 jaar of ouder zijn, behoren tot de doelgroep van het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW en korter dan twaalf maanden werkloos zijn.
     Indien het aantal uitkeringsgerechtigden voor wie een traject is vastgesteld, achterblijft bij het in de taakstelling voor 2001 genoemde aantal, kan de definitieve rijksbijdrage op een lager bedrag dan É87,9 mln worden bepaald. In plaats daarvan kan ook de taakstelling voor het Lisv met betrekking tot het aantal uitkeringsgerechtigden voor wie in het jaar 2002 of daarop volgende jaren een traject moet worden vastgesteld, worden verhoogd.
     De verantwoording met accountantsverklaring dient uiterlijk 1 juni 2002 aan de minister te worden aangeboden. Ter overbrugging van deze periode wordt op 1 oktober 2001 een verantwoording over de eerste zes maanden van 2001 gevraagd. Indien het aantal trajecten over de eerste zes maanden achterblijft bij de taakstelling, kan dat aanleiding zijn uitbetaling van de vierde termijn van de rijksbijdrage 2001 op te schorten tot het moment waarop de rijksbijdrage definitief wordt vastgesteld.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x