Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 28 december 2005

 

REGELING  VRIJSTELLING  VERPLICHTINGEN  WW

Vervallen
m.i.v. 29 december 2005
(art. 9:1 RvvWW)

 
 

4 december 2003, Stcrt. 2003, 241
Inwerkingtreding: 1 januari 2004
(T.a.v. artt. 24:7 en 26:3 WW)

 

 

 

 
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2003,  nr. SV/F&W/2003/90418C, houdende de vrijstelling van enige verplichtingen op grond van de Werkloosheidswet (Regeling vrijstelling verplichtingen WW)

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 24, zevende lid, en 26, derde lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Vrijstelling van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 24 en 26 van de Werkloosheidswet
-1. Van de verplichting zich als werkzoekende te laten registreren bij de Centrale organisatie werk en inkomen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet, en van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, en artikel 26, eerste lid, onderdeel f en g, van de Werkloosheidswet, is vrijgesteld:
a. de werknemer wiens werkloosheid uitsluitend een gevolg is van:
1º. vorst, sneeuwval, hoog water of daarmee gelijk te stellen buitengewone natuurlijke omstandigheden;
2º. verkorting van de werktijd waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend;
b. de werknemer die 64 jaar of ouder is op de eerste dag van werkloosheid;
c. de werknemer die met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet vakantie geniet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Vakantieregeling WW;
d. de werknemer die 57,5 jaar of ouder is op 31 december 2003, wiens eerste werkloosheidsdag is gelegen vóór 1 januari 2004 en die gedurende een periode van minimaal drie maanden gemiddeld ten minste 20 uur per week besteedt aan vrijwilligerswerk of mantelzorg, tenzij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die werknemer werkzaamheden laat verrichten met als doel de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces;
e. de werknemer die 57,5 jaar of ouder is op 31 december 2003, wiens eerste werkloosheidsdag is gelegen op of na 1 januari 2004 en die gedurende een periode van minimaal drie maanden gemiddeld ten minste 20 uur per week besteedt aan vrijwilligerswerk of mantelzorg indien ten minste één jaar is verstreken gerekend vanaf de eerste werkloosheidsdag, tenzij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die werknemer werkzaamheden laat verrichten met als doel de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces.
-2. De omschreven vrijstellingen gelden voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2º, wiens werktijd tot nul is verkort, voor de duur van de eerste afgegeven vergunning.
-3. De werknemer die op grond van het eerste lid, onderdeel d of e, is vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in de aanhef van dat lid, in verband met het verrichten van mantelzorg blijft vrijgesteld van die verplichtingen tot één maand na de dag waarop hij die mantelzorg niet langer verricht.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het recht op vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d en e, op aanvraag vast.
-5. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. vrijwilligerswerk: onbetaalde en onverplichte activiteiten binnen een organisatie die een ideële doelstelling heeft of een maatschappelijk nut nastreeft, welke activiteiten doorgaans een aanvullend karakter hebben op bestaande maatschappelijke voorzieningen;
b. mantelzorg: noodzakelijke zorg voor een zieke of gehandicapte.

 

Art. 2. Vrijstelling van verplichtingen als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet
-1. Van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, van de Werkloosheidswet, is vrijgesteld de werknemer die een naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijke opleiding of scholing volgt.
-2. De in het eerste lid bedoelde vrijstelling eindigt twee maanden vóór het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde opleiding of scholing naar verwachting zal eindigen.
-3. De werknemer die op een proefplaats werkzaamheden verricht, is vrijgesteld van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, van de Werkloosheidswet, voor zover het andere werkzaamheden betreft dan die op de proefplaats.

 

Art. 3. Overgangsbepaling
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef, is tevens vrijgesteld de werknemer:
a. die 57,5 jaar of ouder is op 1 mei 1999 en wiens eerste werkloosheidsdag gelegen is vóór 1 januari 2004;
b. die 57,5 jaar of ouder is op 31 december 2003 en wiens eerste werkloosheidsdag gelegen is op of vóór 1 januari 2003;
c. voor wie op of na 1 januari 2004 recht op werkloosheidsuitkering ontstaat en die op de datum van het ontstaan van dat recht op grond van onderdeel a of b vrijgesteld is van de verplichtingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef;
d. die 57,5 jaar of ouder is op 31 december 2003, wiens eerste werkloosheidsdag is gelegen vóór 1 januari 2004 en:
1º. die onmiddellijk voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een recht op uitkering had op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of de Liquidatiewet ongevallenwetten dan wel een uitkering had die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; of
2º. die onmiddellijk voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een recht op ziekengeld had op grond van de Ziektewet dat is ontstaan op of vóór 1 januari 2003;
e. die 57,5 jaar of ouder is op 31 december 2003, wiens eerste werkloosheidsdag is gelegen op of na 1 januari 2004 en die onmiddellijk voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een recht op uitkering had op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Liquidatiewet ongevallenwetten dan wel een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt, dat is ontstaan op of vóór 1 januari 2003.
-2.
Artikel 2, tweede lid, is niet van toepassing op de werknemer wiens opleiding of scholing als bedoeld in dat lid is aangevangen vóór 1 januari 2004.
-3. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, onder 3º, en vierde lid, zoals dit luidde op de dag voorafgaande aan die waarop de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 april 2005, nr. SV/F&W/2005/30639, houdende wijziging van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en van de Vakantieregeling WW in verband met vrijstelling van de sollicitatieplicht voor oudere werklozen die vrijwilligerswerk of mantelzorg verrichten (Stcrt. 2005, 88), in werking treedt, blijft van toepassing op de werknemer die op die dag op grond van die artikelleden was vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef, met dien verstande dat met betrekking tot die werknemer niet het vereiste geldt dat hij woonachtig is in district Noord of Zuid-West als bedoeld in bijlage 2 van het Besluit werkgebieden CWI.

 

Art. 4. Intrekking
Het Besluit vrijstelling verplichtingen WW wordt ingetrokken.

 

Art. 5. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

 

Art. 6. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling verplichtingen WW.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

 

TOELICHTING
[4 december 2003]

 

Algemeen

 

     In de artikelen 24 en 26 van de Werkloosheidswet (WW) wordt een aantal verplichtingen genoemd waaraan de werknemer moet voldoen in het kader van de WW. Op grond van artikel 24, zevende lid, en artikel 26, derde lid, van de WW is de minister bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde groepen werknemers worden vrijgesteld van een aantal van deze verplichtingen. Met de onderhavige regeling wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
     De met de onderhavige regeling ingetrokken ministeriële regeling betrof tot 31 december 1999 een besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Met de intrekking van die regeling en het vaststellen van de onderhavige regeling is thans volledig duidelijk - zonder dat een aantal overgangsrechtelijke regelingen hoeven te worden geraadpleegd - dat er een ministeriële regeling is met betrekking tot de vrijstelling van verplichtingen in de WW en wat die regeling inhoudt.
     De minister heeft de bevoegdheid vrijstelling te verlenen ten aanzien van de verplichtingen, bedoeld in:
     artikel 24, eerste lid, onderdeel b:
- onder 1º: in voldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen (sollicitatieverplichting);
- onder 2º: aangeboden passende arbeid te aanvaarden of verkrijgen;
- onder 4º: geen eisen stellen die het aanvaarden van passende arbeid belemmeren;
     artikel 26, eerste lid:
- onderdeel d: zich als werkzoekende inschrijven bij de Centrale organisatie werk en inkomen;
- onderdeel f: meewerken aan een noodzakelijke scholing of opleiding;
- onderdeel g: meewerken aan een gewenst onderzoek naar arbeidsgeschiktheid.
     Vrijgesteld van deze verplichtingen zijn ten eerste de zogenoemde vorstwerklozen en werknemers waarvoor een vergunning tot verkorting van de werktijd is verleend. Als er sprake is van een vergunning waarmee de werktijd tot nul uren kan worden verkort (nulurenvergunning), geldt de vrijstelling alleen voor de duur van de eerst afgegeven vergunning. Bij een volgende vergunning (een verlenging van de nulurenvergunning) zijn de verplichtingen dus wel van toepassing.
     Daarnaast is de werknemer gedurende de periode waarover hij verklaart vakantie te genieten, vrijgesteld van de genoemde verplichtingen. Deze verplichtingen golden voorheen onverkort voor werknemers tijdens de vakantieperiode, maar voor een overtreding van één van de verplichtingen kon geen maatregel worden opgelegd. Om uitvoeringstechnische redenen is daarom gekozen voor een vrijstelling van de verplichtingen voor deze werknemers. Overigens is ook de werknemer in de situatie waarin hij niet verklaart of zelfs ontkent vakantie te genieten, maar hiervan gelet op de feitelijke omstandigheden kennelijk wel sprake is, vrijgesteld van de genoemde verplichtingen.
     Werknemers van 57,5 jaar of ouder waren lange tijd ook vrijgesteld van de genoemde verplichtingen. De vrijstelling van de verplichtingen voor deze groep is ingevoerd in een tijd dat oudere werklozen nauwelijks kansen hadden op de arbeidsmarkt. Daarnaast was in die tijd sprake van een grote werkloosheid onder jongeren. Oudere werknemers verlieten massaal de arbeidsmarkt om plaats te maken voor jongeren. Vasthouden aan die verplichtingen zou dat proces, dat politiek wenselijk werd geacht, slechts hebben gefrustreerd. De vrijstelling van de verplichtingen voor ouderen moet dan ook met name in de context van de situatie in de jaren tachtig van de vorige eeuw worden gezien.
     Verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen is nu echter in het licht van de toenemende vergrijzing noodzakelijk voor de economische ontwikkeling en de handhaving van voldoende draagvlak voor het sociale stelsel. Eén van de maatregelen die hierbij een rol speelt, is de herinvoering van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing voor oudere werknemers. Een eerste aanzet hiertoe is gegeven toen met ingang van 1 mei 1999 ten aanzien van werknemers die vanaf die datum 57,5 jaar werden een aantal vrijstellingen kwam te vervallen. Zij werden vanaf die datum verplicht tot inschrijving bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), tot aanvaarding van aangeboden passende arbeid en zij mochten niet langer eisen stellen die het aanvaarden van passende arbeid konden belemmeren.
     Naast de eerder genoemde verplichtingen gaat het bij de herinvoering van alle verplichtingen gericht op arbeidsinpassing om de verplichting in voldoende mate te solliciteren, de verplichting mee te werken aan een noodzakelijke scholing of opleiding en de verplichting mee te werken aan een gewenst onderzoek naar zijn arbeidsgeschiktheid. De herinvoering van deze verplichtingen geldt voor werknemers met recente werkervaring. Werknemers ouder dan 57,5 jaar die werkloos worden en instromen in de WW, zijn daarom niet langer vrijgesteld van de verplichtingen. Zij hebben per definitie recente werkervaring en daardoor kansen op de arbeidsmarkt. Daarbij is alleen een uitzondering gemaakt voor werknemers die op de dag dat ze werkloos worden 64 jaar of ouder zijn. Voor deze werknemers is de periode tot de pensioengerechtigde leeftijd zo kort dat het starten van reïntegratieactiviteiten, zowel voor de werknemer als voor de uitvoering, niet meer voor de hand ligt.
     Voor het zittende bestand is een overgangsmaatregel getroffen. Deze maatregel ziet op twee groepen werknemers. Het betreft ten eerste de werknemers van 57,5 jaar of ouder die geen inschrijf- en acceptatieplicht hadden. Ten tweede betreft het de werknemers waar de laatstgenoemde verplichtingen wel op van toepassing waren, maar die een eerste werkloosheidsdag hebben die gelegen is op of vóór 1 januari 2003. Als deze werknemers op grond van het overgangsrecht vrijgesteld zijn van verplichtingen, blijven zij geheel vrijgesteld van deze verplichtingen, ook als er een gedeeltelijk nieuw recht op werkloosheidsuitkering na 1 januari 2004 ontstaat. Voor dit laatste is gekozen omdat het uitvoeringstechnisch voor het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) lastig is de verplichtingen te handhaven voor werknemers die onder het oude recht vrijgesteld zijn van deze verplichtingen en onder het nieuwe recht deze verplichtingen wel hebben.
     Uitgangspunt voor dit overgangsrecht is dat deze werknemers een zo grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt dat het niet opportuun is om deze groepen alsnog te verplichten tot solliciteren of andere reïntegratieactiviteiten. Op termijn zal de vrijstelling van verplichtingen gericht op arbeidsinpassing voor oudere werknemers derhalve alleen nog van toepassing zijn op werknemers die 64 jaar of ouder zijn op de dag dat ze werkloos worden.
     Werknemers die een door het UWV noodzakelijk geachte scholing volgen, zijn vrijgesteld van een aantal verplichtingen. Ten opzichte van het Besluit vrijstelling verplichtingen WW (het besluit) is de huidige regeling in die zin anders dat deze vrijstelling eindigt twee maanden vóór de verwachte afronding van de scholing. Deze werknemers dienen derhalve twee maanden vóór afronding van de scholing te starten met solliciteren naar passende arbeid, omdat daarmee de kans groter wordt dat de werknemer direct na afronding van de scholing het werk kan hervatten. Overigens geldt deze bepaling alleen voor werknemers die op of na 1 januari 2004 starten met een scholingstraject. Bij de controle op de nakoming van de verplichtingen moet rekening gehouden worden met het feit dat de werknemer nog met een scholing bezig is. Zo zal niet verlangd kunnen worden dat de werknemer de scholing niet afrondt of afronding van de scholing in gevaar brengt.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 3

     Ten aanzien van bepaalde oudere werknemers die op grond van artikel 1, onderdeel b, van deze regeling niet vrijgesteld zijn van de in dat artikel bedoelde verplichtingen, maar die op grond van het besluit wel vrijgesteld waren van bepaalde verplichtingen, is bepaald dat zij van de verplichtingen vrijgesteld blijven.
     Het betreft ten eerste de werknemer die 57,5 jaar of ouder is op 1 mei 1999 en wiens eerste werkloosheidsdag gelegen is vóór 1 januari 2004. Deze werknemer was tot de inwerkingtreding van deze regeling op grond van artikel II van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 januari 1999 (Stcrt. 1999, 40) (een voormalig besluit van het Lisv) vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, en artikel 26, eerste lid, onderdeel d, f en g. De overige werknemers van 57,5 jaar of ouder waren op grond van artikel 1, tweede lid, van het besluit slechts vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, en artikel 26, eerste lid, onderdeel f en g.
     Ten tweede betreft het de werknemer die 57,5 jaar of ouder is op 31 december 2003 en wiens eerste werkloosheidsdag is gelegen vóór 1 januari 2003.
     Ten derde gaat het om die personen voor wie op of na 1 januari 2004 een recht op werkloosheidsuitkering ontstaat en die op de datum van het ontstaan van dat recht op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a of b, vrijgesteld zijn van eerder genoemde verplichtingen. Dit betreft ten eerste personen die op 1 januari 2004 werkloos zijn, na 1 januari 2004 hun werk (gedeeltelijk) hervatten en daarna toch weer werkloos worden. Maar het betreft ook personen die slechts gedeeltelijk werkloos zijn op 1 januari 2004 en voor wie na 1 januari 2004 naast hun bestaande recht op WW een nieuw recht ontstaat. Zolang deze werknemers op basis van het oude recht vrijgesteld zijn, blijft deze vrijstelling van verplichtingen bestaan, ook als een gedeeltelijk nieuw recht ontstaat. Echter, als een volledig nieuw recht is opgebouwd of het oude recht afloopt, is de werknemer niet meer vrijgesteld.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x