Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 27 maart 2005

 

TIJDELIJKE  REGELING  VASTSTELLING  INKOMSTEN  STARTENDE  ZELFSTANDIGEN  WW

Vervallen
m.i.v. 28 maart 2005
(art. 5 van deze regeling)

 
 

30 maart 2001, Stcrt. 2001, 66
Inwerkingtreding: 28 maart 2001
Vervalt m.i.v. 28 maart 2005
(T.a.v. art. 130a:5 WW)

 

 

 

 
30 maart 2001/nr. SV/AVF/01/19010
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Gelet op artikel 130a, vijfde lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Werkloosheidswet;
b. de werkzaamheden: de werkzaamheden, bedoeld in artikel 130a, tweede lid, van de wet;
c. aanvangsjaar: het kalenderjaar dan wel, indien artikel 3.66 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, het boekjaar waarin de werknemer de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel b, is gaan verrichten;
d. de uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 130a, tweede lid, van de wet.

 

Art. 2. Inkomsten
-1. Onder inkomsten als bedoeld in artikel 130a, tweede lid, van de wet wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.
-2. Indien de berekening van de in het eerste lid bedoelde inkomsten leidt tot een negatief bedrag, worden die inkomsten op nihil gesteld.

 

Art. 3. Berekening van de inkomsten
De inkomsten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden berekend op basis van de volgende formule:
I = [I1 + (I2*W)] : 52
waarbij:
I = de inkomsten;
I1 = de inkomsten over het aanvangsjaar;
I2 = de inkomsten over het jaar gelegen na het aanvangsjaar;
W = het aantal weken gelegen tussen de eerste dag van het aanvangsjaar en de dag waarop de werknemer de werkzaamheden, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, is gaan verrichten.

 

Art. 4. Toerekening van de inkomsten
-1. Indien de uitkering per maand wordt betaald, worden de inkomsten per maand vastgesteld op 8,33% van de inkomsten, bedoeld in artikel 2.
-2. Indien de uitkering per week of veelvoud daarvan wordt betaald, worden de inkomsten per week vastgesteld op 1,91% van de inkomsten, bedoeld in artikel 2.

 

Art. 5. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen WW in werking treedt en vervalt vier jaar na dat tijdstip.

 

Art. 6. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.

 

Ďs-Gravenhage, 30 maart 2001.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

TOELICHTING
[30 maart 2001]

 

Algemeen


Inleiding


     In artikel 130a van de Werkloosheidswet (WW) is de mogelijkheid opgenomen om door middel van een algemene maatregel van bestuur tijdelijk experimenten toe te staan om voor bepaalde groepen werkloze werknemers af te wijken van een aantal artikelen van de WW. Eťn van de aldus gecreŽerde experimenteermogelijkheden is dat bepaalde groepen werkloze werknemers werkzaamheden als zelfstandige gaan verrichten zonder dat zij - in de eerste zes maanden na de aanvang van die werkzaamheden - daardoor de hoedanigheid van werknemer verliezen. In plaats van de situatie dat die werkzaamheden leiden tot het verlies van het werknemerschap voor de betrokken uren en eindiging van het recht op WW-uitkering voor dat aantal uren wegens dat verlies van het werknemerschap of verminderde beschikbaarheid, worden, over de eerste zes maanden na de aanvang van die werkzaamheden, 70% van de inkomsten uit die werkzaamheden op de WW-uitkering in mindering gebracht. Op grond van artikel 130a, vijfde lid, van de WW kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling van de inkomsten en de periode waaraan die worden toegerekend. Deze regeling strekt daartoe.

 

Uitgangspunt


     In de nota van toelichting bij het Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen WW - waarin het voormelde experiment nader is vormgegeven - is aangekondigd dat bij het vaststellen van de nadere regels met betrekking tot de inkomsten uitgangspunt zou zijn dat zou worden aangesloten bij het inkomensbegrip zoals dit wordt gehanteerd bij het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) voor zover zich dit verhoudt met de systematiek van de WW. Het inkomensbegrip in het Bbz - dat verwijst naar hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 2, van de Algemene bijstandswet - leent zich echter niet voor toepassing in het kader van artikel 130a van de WW, omdat dat begrip veel meer bevat dan de inkomensbestanddelen die voortvloeien uit de werkzaamheden als zelfstandige.
     Daarom is ervoor gekozen aan te sluiten bij het fiscale inkomensbegrip. Dit heeft als belangrijk voordeel dat bij de berekening van het bedrag waarmee de uitkering moet worden verminderd, kan worden aangesloten bij de door de fiscus vastgestelde belastbare winst. Dit heeft wel tot gevolg dat definitieve afrekening pas geruime tijd kan plaatsvinden na de periode waarover de inkomsten op de WW-uitkering in mindering worden gebracht. In die periode worden evenwel voorschotten verstrekt op de WW-uitkering, die zijn gebaseerd op een schatting van de inkomsten. Bovendien sluit deze systematiek aan bij die van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Toeslagenwet.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2. Inkomsten

     In het eerste lid is bepaald wat onder inkomsten als bedoeld in artikel 130a, tweede lid, Werkloosheidswet moet worden verstaan, namelijk belastbare winst uit onderneming. Dit winstbegrip, dat is overgenomen uit de Wet inkomstenbelasting 2001, komt overeen met het in die wet gehanteerde begrip belastbare winst uit onderneming en dient dan ook overeenkomstig te worden uitgelegd.
     De winst behaald met of bij het staken van de onderneming of van een gedeelte van de onderneming, winst genoten ter vervanging van door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit onderneming en voorts winst als gevolg van de overbrenging van vermogensbestanddelen naar het buitenland of als gevolg van eindafrekening, bedoeld in artikel 3.60 respectievelijk 3.61 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vallen niet onder het inkomstenbegrip voor de toepassing van artikel 130a van de WW.
     Waar bij het bepalen van de belastbare winst uit onderneming in de fiscale sfeer de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in mindering wordt gebracht op de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet, vindt deze vermindering niet plaats bij de bepaling van het inkomstenbegrip voor de toepassing van artikel 130a van de WW.

 

Artikel 3. Berekening van de inkomsten

 

Artikel 4. Toerekening van de inkomsten

     Omdat de verrekening van de inkomsten slechts gedurende zes maanden plaatsvindt, kan bij de verrekening niet worden uitgegaan van een kalenderjaar of, indien van toepassing, boekjaar. Daarom wordt ervoor gekozen de inkomsten over een periode van 52 weken vanaf de aanvang van de werkzaamheden als zelfstandige als uitgangspunt te nemen, waarvan de helft wordt verrekend met de uitkering.
     De inkomsten over de periode van 52 weken worden als volgt berekend. Als uitgangspunt wordt de belastbare winst uit onderneming over het boekjaar waarin de werkloze werknemer de werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten (het aanvangsjaar) genomen, vermeerderd met de ondernemersaftrek over dat boekjaar en verminderd met de bestanddelen van die winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Daarbij wordt opgeteld een deel van de belastbare winst uit onderneming over het jaar na het aanvangsjaar, vermeerderd met de ondernemersaftrek over dat jaar en verminderd met de bestanddelen van die winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dat deel wordt bepaald door het aldus over het jaar na het aanvangsjaar berekende bedrag te vermenigvuldigen met een 52e deel van het aantal weken gelegen tussen de eerste dag van het aanvangsjaar en de dag van de aanvang van de werkzaamheden. In veel gevallen zal het boekjaar samenvallen met het kalenderjaar. Dat hoeft evenwel niet het geval te zijn. Indien de aard van de onderneming dit rechtvaardigt, mag de winst worden bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar. De winst van een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar wordt beschouwd als winst van het kalenderjaar waarin het boekjaar is geŽindigd (zie artikel 3.66 van de Wet inkomstenbelasting 2001).
     Indien dus bijvoorbeeld de werkzaamheden als zelfstandige aanvangen op maandag 3 september 2001 en het boekjaar samenvalt met het kalenderjaar, zullen de inkomsten als volgt worden berekend:
I1 = de belastbare winst uit onderneming over 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek over dat jaar en verminderd met de bestanddelen van die winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Daarbij wordt opgeteld 35/52 maal I2 (= de belastbare winst uit onderneming over 2002, vermeerderd met de ondernemersaftrek over dat jaar en verminderd met de bestanddelen van die winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001).
     Van de op grond van artikel 3 berekende inkomsten wordt, indien de WW-uitkering per maand aan de betrokkene is betaald, 8,33% per maand als inkomsten vastgesteld. Is de WW-uitkering per week of veelvoud daarvan betaald, dan worden de inkomsten per week vastgesteld op 1,91% van de op grond van artikel 3 berekende inkomsten.

 

Artikel 5. Inwerkingtreding

     Deze regeling treedt gelijktijdig in werking en vervalt gelijktijdig met het Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen WW.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x