Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 16 mei 2007

 

BESLUIT  AFSTEMMING  BOETE  WERKNEMERS

Vervallen
m.i.v. 17 mei 2007
(art. 11 Bbwn)

 
 
13 december 2000, Stcrt. 2001, 2
Inwerkingtreding: 1 februari 2001
(T.a.v. artt. 27a WW, 45a ZW, 29a WAO, 48 WAZ, 40 Wajong, 14a TW en 46 Wet Rea en Boetebesluit sz-wetten)

 

 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 27a Werkloosheidswet, artikel 45a van de Ziektewet, artikel 29a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 48 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 40 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 14a van de Toeslagenwet, artikel 46 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten en het bepaalde in het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Stb. 2000, 462);

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen hanteert ter zake van het afstemmen van het boetebedrag als bedoeld in artikel 3 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten bij overtreding van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 25 van de Werkloosheidswet, de artikelen 31, eerste lid, en 49 van de Ziektewet, artikel 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 70 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 62 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 12 van de Toeslagenwet en artikel 45 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten het beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

 

Art. 2.
Dit besluit is van toepassing op zaken waarin op grond van het Boetebesluit socialezekerheidswetten een boete moet worden opgelegd.

 

Art. 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2001.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit afstemming boete werknemers.

 

 

     Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 13 december 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

 

     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen [Lisv, zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] hanteert ter zake van het afstemmen van het boetebedrag bij overtreding van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 25 van de Werkloosheidswet, de artikelen 31, eerste lid, en 49 van de Ziektewet, artikel 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 70 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 62 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 12 van de Toeslagenwet en artikel 45 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten het navolgende beleid.


Definities

     Onder basisboetebedrag wordt verstaan het boetebedrag vastgesteld volgens artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
     Onder afstemming wordt verstaan de verplichting om in elk individueel geval het boetebedrag vast te stellen in evenredigheid tot de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, als bedoeld in artikel 3 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

 

1. Samenloop


     Ingevolge het bepaalde in artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten bedraagt het boetebedrag 10% van het benadelingsbedrag. Indien de inlichtingenplicht gelijktijdig met betrekking tot de uitvoering van ten minste twee van navolgende wettelijke regelingen: de WW, ZW, WAO, WAZ, Wajong, Wet Rea of TW is overtreden, worden de benadelingsbedragen samengeteld en het basisboetebedrag vastgesteld op 10% van dit bedrag.

 

2. Verhoging wegens recidive


     Het basisboetebedrag wordt met 50% verhoogd indien in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het bekendmaken van de boete is vastgesteld dat bij overtreding van dezelfde inlichtingenverplichting door dezelfde persoon destijds een bestuurlijke boete of een strafrechtelijke sanctie is opgelegd.

 

3. Verhoging wegens de ernst van de overtreding


     Het basisboetebedrag kan tevens met 50% worden verhoogd als vastgesteld wordt dat de ernst van de overtreding rechtvaardigt dat het basisboetebedrag wordt verhoogd. Dit doet zich in elk geval voor wanneer de belanghebbende zonder daarvan mededeling te doen ten minste nagenoeg twee jaar onafgebroken inkomsten uit arbeid heeft genoten en in betreffende periode ten minste tweemaal door de uitvoeringsinstelling middels een formulier in de gelegenheid is gesteld om de juiste en volledige informatie te verstrekken.
     Eveneens rechtvaardigt de ernst van de overtreding een verhoging van het basisboetebedrag met 50% indien de overtreding heeft plaatsgevonden in een zogenaamde fraudeconstructie, waarin de belanghebbende gezamenlijk met anderen geen, onvolledige of onjuiste informatie heeft verstrekt met de bedoeling de uitvoeringsinstelling te benadelen.

 

4. Verlaging wegens verminderde verwijtbaarheid


     Het basisboetebedrag wordt met 50% verlaagd indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
     Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake indien de belanghebbende onjuiste of onvolledig informatie heeft vertrekt, maar uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt, voordat de uitvoeringsinstelling de gepleegde overtreding constateert.

 

5. Verlaging wegens financiŽle omstandigheden


     De boete die met inachtneming van vorengenoemde regels is vastgesteld, wordt verlaagd indien de belanghebbende voldoende aannemelijk maakt dat, gelet op de financiŽle omstandigheden waarin hij verkeert, de boete niet binnen twaalf maanden na oplegging kan zijn voldaan, rekening houdend met het eventuele vermogen van de belanghebbende, dan wel de voor de belanghebbende geldende aflossingscapaciteit. De boete wordt vastgesteld op het bedrag dat de belanghebbende kan betalen. In afwijking van het voorgaande bedraagt de termijn achttien maanden indien het gestelde onder artikel 2 of 3 van deze bijlage van toepassing is.

 

6. Minimumbedrag


     De minimale boete die, met inachtneming van deze beleidsregels, wordt opgelegd, bedraagt Ä|23,-.

 

 

 

TOELICHTING
[13 december 2000]

 

Algemeen

 

     Met de inwerkingtreding van het Boetebesluit socialezekerheidswetten vervalt de opdracht aan het Lisv om nadere regels te stellen met betrekking tot de hoogte van de boete en de afstemming daarvan. Dit uitgangspunt was reeds neergelegd in de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.
     Wanneer het Boetebesluit socialezekerheidswetten in werking treedt, is het Boetebesluit Tica niet meer van toepassing. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten is gekozen voor een open norm bij de afstemming van de boete op de ernst van de gedraging, de verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan beleidsregels treffen. In overleg met de uitvoeringsinstellingen zijn deze beleidsregels gevormd. De wetsinterpreterende beleidsregels hebben tot doel aan te geven welke gedragslijn de uitvoeringsinstelling volgt bij de (af)weging van feiten in omstandigheden bij het opleggen van een boete. Op deze wijze wordt de discretionaire bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 3 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten enigszins ingeperkt. Beoogd wordt met deze beleidsregels te komen tot rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en bestendigheid na te streven in de uitvoeringspraktijk. Om deze reden heeft afstemming van deze beleidsregels met de Sociale Verzekeringsbank plaatsgevonden. Indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen boete opgelegd. Een dergelijke bepaling is in de materiewetten opgenomen. Eveneens is daar bepaald dat in geval van een dringende reden van het opleggen van een boete kan worden afgezien.
     Ten slotte geldt dat in situaties waarin weliswaar een overtreding van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden, maar (nog) geen benadelingsbedrag is ontstaan, de uitvoeringsinstelling onder bepaalde omstandigheden kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing.
     Deze beleidsregels gelden voor die gevallen waarin een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Dit betekent eveneens dat indien van de overtreding van de inlichtingenplicht aangifte wordt gedaan bij de officier van justitie en over strafrechtelijke vervolging moet worden beslist, deze regels toepassing missen.
     De criteria voor een strafrechtelijke afdoening zijn neergelegd in de frauderichtlijn van de procureurs-generaal Ļ. Als uitgangspunt geldt daarbij dat wanneer het benadelingsbedrag meer bedraagt dan É12 000,-, voor een aangifte bij de officier van justitie dient te worden gekozen. Dit uitgangspunt, de aangiftegrens, geldt niet indien sprake is van recidive. In de (concept-)frauderichtlijn is hieromtrent opgenomen: "In geval van aantoonbare recidive binnen vijf jaar na de oplegging van een bestuurlijke boete, dan wel een transactie of veroordeling voor een soortgelijk feit wordt, indien het nadeel van de laatste geconstateerde te vervolgen fraude ten minste É6000,- bedraagt, een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, proces-verbaal opgemaakt en in beginsel gekozen voor strafrechtelijke afdoening".
     Wanneer de laatst geconstateerde fraude minder dan É6000,- bedraagt, is niettemin sprake van recidive en dient om die reden bij de afstemming van de boete gekozen worden voor verhoging van het basisboetebedrag.

1. "Aanwijzing socialezekerheidsfraude", besluit van het College van procureurs-generaal van 5 december 2000, Stcrt. 2000, 251, pag. 37. Zie ook "Richtlijn voor strafvordering socialezekerheidsfraude", besluit van het College van procureurs-generaal van 5 december 2000, Stcrt. 2000, 251, pag. 40, red.


Benadelingsbedrag

     Het basisboetebedrag wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt in artikel 1, onderdeel q, het benadelingsbedrag omschreven.
     Het benadelingsbedrag is het bedrag dat tengevolge van het niet tijdig beschikbaar zijn van de informatie door de uitvoeringsinstelling ten onrechte wordt betaald.
     Wanneer de uitvoeringsinstelling beschikt over de juiste informatie en daarna de betalingen ongewijzigd voortzet, bestaat niet langer een causaal verband tussen de schending van de inlichtingenplicht en de onverschuldigde betalingen. Onbetwist blijft dat indien ondanks het ontbreken van causaal verband betalingen plaatsvinden, deze betalingen de titel van onverschuldigde betalingen dragen en om die reden moeten worden teruggevorderd.
     Ingevolge het Boetebesluit socialezekerheidswetten kan een boete worden opgelegd bij overtreding van de inlichtingenverplichting ingevolge de Wet Rea. Deze wet kent naast uitkeringen, ook andersoortige prestaties zoals subsidies en verstrekkingen in natura.
     In de definitie van benadelingsbedrag is opgenomen het bedrag dat ten onrechte aan uitkering is verleend. Een aantal verstrekkingen ingevolge de Wet Rea verzet zich naar aard tegen deze definitie. In ieder geval zullen navolgende prestaties wel onder betreffende definitie van het benadelingsbedrag kunnen worden gebracht: de reÔntegratie-uitkering als bedoeld de artikelen 23 tot en met 27 Wet Rea; de toelage als bedoeld in artikel 28 Wet Rea; de inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 29 Wet Rea en de loonsuppletie als bedoeld in artikel 32 Wet Rea.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

1. Samenloop


     In de uitvoeringspraktijk zal het voorkomen dat de cliŽnt verschillende uitkeringen naast elkaar ontvangt en in de uitvoering van deze wetten de inlichtingenplicht overtreedt. In dit artikel wordt de wijze van de vaststelling van het basisboetebedrag geregeld.

 

2. Verhoging wegens recidive


     Bij de parlementaire behandeling van het Boetebesluit socialezekerheidswetten is aan de orde geweest dat een recidivebepaling in de tekst ontbreekt. Bij die gelegenheid heeft de staatssecretaris medegedeeld dat de uitvoeringsorganen zelf voor de recidiveregeling zouden kunnen zorg dragen.
     In deze bepaling is omwille van de afstemming met de frauderichtlijn van de procureurs-generaal de recidivetermijn gesteld op vijf jaar.
     Er is slechts sprake van recidive als dezelfde inlichtingenverplichting opnieuw wordt geschonden. Een overtreding van de inlichtingenverplichting ingevolge de WAO die beboet wordt en binnen een periode van vijf jaar opgevolgd door een overtreding van de inlichtingenverplichting ingevolge de WW, is geen recidive, aangezien niet dezelfde inlichtingenverplichting opnieuw wordt geschonden.

 

3. Verhoging wegens de ernst van de gedraging


     In het Boetebesluit Tica ontbrak de mogelijkheid om de boete te verhogen anders dan tengevolge van recidive. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten is in artikel 3 opgenomen dat het boetebedrag kan worden verhoogd. Bij de parlementaire behandeling is aangegeven dat dit in ernstige fraudesituaties aan de orde kan zijn. Dit betekent dat in de uitvoeringspraktijk behoefte kan bestaan aan een verhoging van de boete. Hiertoe is een percentage opgenomen waarmede het boetebedrag moet worden verhoogd wanneer aan een aantal criteria is voldaan.
     Het kan voorkomen dat zowel een verhoging wegens recidive als een verhoging wegens de ernst van de gedraging toegepast wordt. Het boetebedrag wordt in die situatie vastgesteld op tweemaal een verhoging van 50% van het basisboetebedrag.

 

4. Verlaging wegens verminderde verwijtbaarheid


     Ofschoon gradaties in verwijtbaarheid zijn te onderscheiden, is gekozen voor ťťn categorie verminderd verwijtbaar. Een nader onderscheid zou moeilijk uitvoerbaar zijn en kunnen leiden tot rechtsongelijkheid.
     In geval van navolgende situaties is sprake van verminderde verwijtbaarheid.
     Indien de overtreding, gelet op de geestelijke toestand van de belanghebbende, niet volledig valt aan te rekenen. Daarbij kan gedacht worden aan problemen in de situatie thuis waardoor de belanghebbende onder ernstige psychische druk staat, zoals ernstige ziekte of overlijden van partner of kinderen of de dreiging om het huis te worden uitgezet. Eveneens kan de geestelijke toestand van de belanghebbende zelf zodanig zijn dat de gedraging niet volledig kan worden toegerekend. In dit geval kan overleg met een verzekeringsarts aangewezen zijn.
     Zoals in de uitvoeringspraktijk al gebruikelijk was, wordt herstel uit eigen beweging ook hier gepositioneerd. Hiermede wordt beoogd het alsnog normconforme gedrag te stimuleren en belonen.

 

5. Verlaging wegens persoonlijke omstandigheden


     Aangezien de bestuurlijke boete een financiŽle sanctie is, zullen de omstandigheden die tot verlaging nopen, de financiŽle situatie van de cliŽnt betreffen.
     Daarbij wordt opgemerkt dat indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die sociaal of financieel als ernstig worden gerangschikt, de uitvoeringsinstelling van de bevoegdheid gebruik kan maken om tengevolge van een dringende reden af te zien van het opleggen van een boete. Dit vloeit voort uit het bepaalde in de materiewetten.
     Bij de toepassing van deze verlagingsgrond rust de verplichting op de cliŽnt om inzicht te geven in zijn financiŽle situatie.
     Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat na afstemming het boetebedrag ten minste op het minimumbedrag dient te worden gesteld.

 

6. Minimumbedrag


     In het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt het minimale basisboetebedrag gesteld op É100,-. Dit bedrag kan verlaagd worden vanwege een evenredige afstemming met inachtneming van deze beleidsregels. Bestuurlijke handhaving leidt ertoe dat overtredingen moeten worden afgestraft, mede ook gelet op de preventieve werking van een sanctie. Om die reden moet het minimumbedrag toch ten minste van enige omvang zijn.

 

Amsterdam, 13 december 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x