Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 december 2009

 

BELEIDSREGEL  BOETE  WERKNEMER

Vervallen
m.i.v. 31 december 2009
(art. 12:2 Bbw10)

 
 

2 april 2007, Stcrt. 2007, 93
Inwerkingtreding: 17 mei 2007
(T.a.v. artt. 30c:3 Wet SUWI, 27a WW, 45a ZW, 29a WAO, 48 WAZ, 3:40 Wet Wajong, 91 Wet Wia, 3:16 en 3:27 Wazo en 14a TW en Boetebesluit sz-wetten)

 

 

 

 
2 april 2007

     Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
     Gelet op artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 27a Werkloosheidswet, artikel 45a van de Ziektewet, artikel 29a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 48 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 40 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 91 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de artikelen 3:16 en 3:27 van de Wet arbeid en zorg, artikel 14a van de Toeslagenwet en het Boetebesluit socialezekerheidswetten;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WW: Werkloosheidswet;
b. ZW: Ziektewet;
c. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
f. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
g. Wazo: Wet arbeid en zorg;
h. TW: Toeslagenwet;
i. Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
j. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
k. basisboetebedrag: het boetebedrag vastgesteld volgens artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten;
l. afstemming: de verplichting om in elk individueel geval het boetebedrag vast te stellen in evenredigheid tot de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten;
m. inlichtingenverplichting: de verplichting, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet SUWI, artikel 25 van de WW, de artikelen 31, eerste lid, en 49 van de ZW, artikel 80 van de WAO, artikel 70 van de WAZ, artikel 62 van de Wajong, artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 12 van de TW;
n. boete: de boete, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, van de WW, artikel 45a, eerste lid, van de ZW, artikel 29a, eerste lid, van de WAO, artikel 48, eerste lid, van de WAZ, artikel 40, eerste lid, van de Wajong, artikel 91, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 14a, eerste lid, van de TW;
o. waarschuwing: de waarschuwing, bedoeld in artikel 27a, derde lid, van de WW, artikel 45a, derde lid, van de ZW, artikel 29a, derde lid, van de WAO, artikel 48, derde lid, van de WAZ, artikel 40, derde lid, van de Wajong, artikel 91, derde lid, van de Wet WIA en artikel 14a, derde lid, van de TW.

 

Art. 2. Afstemming
Bij de verhoging of verlaging van de boete als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten hanteert het UWV dit besluit.

 

Art. 3. Samenloop
Indien de inlichtingenverplichting gelijktijdig met betrekking tot de WW, de ZW, de WAO, de WAZ, de Wajong, de Wet WIA, de Wazo of de TW is overtreden, worden de benadelingsbedragen samengeteld en het basisboetebedrag vastgesteld op 10% van dit bedrag.

 

Art. 4. Recidive
Indien aan de belanghebbende schriftelijk is bekendgemaakt dat een boete wordt opgelegd of een strafrechtelijke sanctie is opgelegd en dezelfde persoon binnen vijf jaren na de dag van bekendmaking opnieuw de inlichtingenverplichting overtreedt, wordt het basisboetebedrag met 50% verhoogd.

 

Art. 5. Verhoogde verwijtbaarheid
-1. Het basisboetebedrag wordt met 50% verhoogd indien sprake is van verhoogde verwijtbaarheid.
-2. Van verhoogde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake, indien:
a. de belanghebbende, zonder daarvan mededeling te doen, ten minste nagenoeg twee jaar onafgebroken inkomsten uit arbeid heeft genoten en in de betreffende periode ten minste tweemaal door het UWV is gevraagd om de juiste en volledige informatie te verstrekken;
b. de overtreding heeft plaatsgevonden in een zogenaamde fraudeconstructie, waarin de belanghebbende gezamenlijk met anderen geen, onvolledige of onjuiste informatie heeft verstrekt met de bedoeling het UWV te benadelen.

 

Art. 6. Verminderde verwijtbaarheid
-1. Het basisboetebedrag wordt met 50% verlaagd indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
-2. Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake, indien:
a. de overtreding, gelet op de geestelijke toestand van de belanghebbende, hem niet volledig valt aan te rekenen;
b. de belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft overtreden, maar uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt, voordat het UWV de overtreding constateert.

 

Art. 7. Verlaging wegens financiŽle omstandigheden
-1. De boete, die met inachtneming van de voorgaande artikelen is vastgesteld, wordt verlaagd indien de belanghebbende voldoende aannemelijk maakt dat, gelet op de financiŽle omstandigheden waarin hij verkeert, de boete niet binnen twaalf maanden na oplegging kan zijn voldaan, rekening houdend met het eventuele vermogen en de aflossingscapaciteit van de belanghebbende.
-2. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van achttien maanden indien artikel 4 of 5 van toepassing is.

 

Art. 8. Spontane inlichtingenverplichting
-1. De termijn voor het nakomen van de spontane inlichtingenverplichting, genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Wet SUWI, artikel 25 van de WW, artikel 49 van de ZW, artikel 80 van de WAO, artikel 70, eerste lid, van de WAZ, artikel 62, eerste lid, van de Wajong, artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 12 van de TW, is ťťn week.
-2. De in het eerste lid bedoelde termijn vangt aan op het moment dat het te melden feit of omstandigheid zich voordoet of bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn aan de belanghebbende.
-3. Indien de belanghebbende de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25 van de WW of artikel 12 van de TW, juist vermeldt op het werkbriefje WW, wordt geen boete opgelegd.

 

Art. 9. Minimale boete
De boete bedraagt minimaal de helft van het basisbedrag dat genoemd is in het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

 

Art. 10. Waarschuwing
Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt niet volstaan met het geven van een waarschuwing.

 

Art. 11. Intrekking besluiten
Het Besluit afstemming boete werknemers, de Beleidsregel afbakening maatregel en boete en de Beleidsregel zwijgrecht worden ingetrokken.

 

Art. 12. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 13. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel boete werknemer.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 2 april 2007.
Voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst
.

 

 

 

TOELICHTING
[2 april 2007]

 

[Algemeen, red.]

 

Aanleiding

     Met de inwerkingtreding van het Boetebesluit socialezekerheidswetten op 1 februari 2001 (AMvB van 14 oktober 2000, Stb. 2000, 462) verviel de opdracht aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) om nadere regels te stellen met betrekking tot de hoogte en de afstemming van de boete. Het Lisv heeft, in aanvulling op het Boetebesluit socialezekerheidswetten, met ingang van 1 februari 2001 het Besluit afstemming boete werknemers vastgesteld (beleidsregel van 13 december 2000, Stcrt. 2001, 2). Bij de vorming van het UWV op 1 januari 2002 is deze beleidsregel overgegaan naar het UWV. De beleidsregel van 13 december 2000 wordt met dit besluit ingetrokken en opnieuw geactualiseerd vastgesteld naar aanleiding van de invoering van de Wet WIA. Deze beleidsregel stelt het beleid vast bij de oplegging van een boete als bedoeld in artikel 1, onderdeel m. De werkgeversboete ZW/WAO, genoemd in artikel 1, onderdeel q, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, blijft buiten beschouwing.


Afzien van boete

     In de materiewetten is opgenomen dat, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, geen boete wordt opgelegd. Wegens een dringende reden kan van het opleggen van een boete worden afgezien.


Strafrechtelijke afdoening

     Als van de overtreding van de inlichtingenverplichting aangifte wordt gedaan bij de officier van justitie en over strafrechtelijke vervolging moet worden beslist, is deze beleidsregel niet van toepassing. De criteria voor een strafrechtelijke afdoening zijn neergelegd in de Aanwijzing socialezekerheidsfraude (Stcrt. 6 september 2004, nr. 170). Als uitgangspunt geldt daarbij dat wanneer het benadelingsbedrag meer bedraagt dan Ä|6000,-, aangifte wordt gedaan bij de officier van justitie. De aangiftegrens van Ä|6000,- geldt niet indien sprake is van recidive. In de Aanwijzing socialezekerheidsfraude is hieromtrent opgenomen: "Wanneer een bepaalde persoon zich binnen een periode van vijf jaar voor de tweede maal heeft schuldig gemaakt aan socialezekerheidsfraude, kan een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld, proces-verbaal worden opgemaakt en strafrechtelijk vervolgd worden. In deze gevallen is de datum van de eerste sanctionering startpunt voor de termijn van vijf jaren (...) en dienen beide nadeelbedragen ten minste Ä|3000,- te bedragen."


Benadelingsbedrag

     Het basisboetebedrag wordt in artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag als bedoeld in artikel 1, onderdeel s, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten is het bedrag dat tengevolge van het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting aan de belanghebbende ten onrechte werd betaald. Wanneer de belanghebbende heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting en daarna het UWV de betalingen ongewijzigd voortzet, bestaat niet langer een causaal verband tussen de schending van de inlichtingenverplichting en de onverschuldigde betaling, zodat de onverschuldigde betaling vanaf dat moment niet meer wordt geteld in het benadelingsbedrag. De onverschuldigde betaling wordt wel teruggevorderd.
     Op grond van paragraaf 4.2 van de Wet WIA, hoofdstuk IIb van de WAO, artikel 52d van de ZW en hoofdstuk 2a van de Wajong kan aan de belanghebbende een re-integratie-instrument worden toegekend. Artikel 1, onderdeel s, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten bepaalt dat een re-integratie-instrument ook onder de definitie van het benadelingsbedrag valt.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2

     Artikel 3 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten stelt een open norm bij de afstemming van de boete op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Met deze beleidsregel wordt aangegeven welk beleid het UWV toepast bij de afweging van feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de hoogte van de boete, met als doel rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en bestendigheid van de uitvoeringspraktijk.

 

Artikel 3

     In de uitvoeringspraktijk kan het voorkomen dat de belanghebbende verschillende uitkeringen naast elkaar ontvangt en de inlichtingenverplichting van meerdere wetten overtreedt. In dit artikel wordt de wijze van de vaststelling van het basisboetebedrag geregeld. Hiermee wordt voorkomen dat in totaal een hogere boete zou worden opgelegd bij samenloop van meerdere uitkeringen.

 

Artikel 4

     Bij de parlementaire behandeling van het Boetebesluit socialezekerheidswetten is aan de orde geweest dat een recidivebepaling in de tekst ontbreekt. Bij die gelegenheid heeft de staatssecretaris medegedeeld dat de uitvoeringsorganen zelf voor de recidiveregeling kunnen zorgdragen.
     In dit artikel is omwille van de afstemming met de Aanwijzing socialezekerheidsfraude de recidivetermijn gesteld op vijf jaar. Aanvang van de termijn is de datum van de beslissing tot oplegging van een eerdere boete of strafrechtelijke afdoening. Het einde van de termijn is de datum van de tweede overtreding of de aanvang van een doorlopende gedraging. Als de aanvang van een doorlopende gedraging binnen de vijfjarentermijn valt, is immers binnen vijf jaar een nieuwe overtreding begaan.
     Er is slechts sprake van recidive als dezelfde inlichtingenverplichting opnieuw wordt geschonden. De inlichtingenverplichting wordt hierbij gezien als ťťn verplichting: bij alle vormen van het geven van te late, onjuiste of het verzwijgen van informatie is sprake van recidive. Als bijvoorbeeld de eerste keer onjuiste informatie en de tweede keer te late informatie wordt gegeven, is dus wťl sprake van recidive. Er moet sprake zijn van een overtreding van dezelfde wet. Een overtreding van de inlichtingenverplichting van bijvoorbeeld de WAO die binnen een periode van vijf jaar wordt gevolgd door een overtreding van de inlichtingenverplichting van de WW levert geen recidive op, aangezien niet dezelfde inlichtingenverplichting opnieuw is geschonden.

 

Artikel 5

     In het Boetebesluit socialezekerheidswetten is in artikel 3 opgenomen dat het boetebedrag kan worden verhoogd bij verhoogde verwijtbaarheid. Bij de parlementaire behandeling is aangegeven dat dit in ernstige fraudesituaties aan de orde kan zijn. In artikel 5 zijn twee situaties beschreven waarbij van verhoogde verwijtbaarheid sprake is. De mogelijkheid bestaat om, als zich andere omstandigheden voordoen, ook verhoogde verwijtbaarheid aan te nemen.
     Het kan voorkomen dat zowel een verhoging wegens recidive als een verhoging wegens verhoogde verwijtbaarheid aan de orde is. Het boetebedrag wordt in die situatie vastgesteld op tweemaal een verhoging van 50% van het basisboetebedrag.

 

Artikel 6

     Ofschoon gradaties in verwijtbaarheid zijn te onderscheiden, is gekozen voor ťťn categorie verminderd verwijtbaar: een verlaging van het basisboetebedrag met 50%. Een nader onderscheid zou moeilijk uitvoerbaar zijn en kunnen leiden tot rechtsongelijkheid. In geval van de navolgende situaties is sprake van verminderde verwijtbaarheid. Indien de overtreding, gelet op de geestelijke toestand van de belanghebbende, hem niet volledig valt aan te rekenen. Daarbij kan gedacht worden aan problemen in de situatie thuis waardoor de belanghebbende onder ernstige psychische druk staat, zoals een ernstige ziekte of het overlijden van de partner of kinderen of de dreiging om het huis te worden uitgezet. Eveneens kan de geestelijke toestand van de belanghebbende zelf zodanig zijn dat de gedraging niet volledig kan worden toegerekend. In dit geval kan overleg met een verzekeringsarts aangewezen zijn.
     Het tweede lid, onderdeel b, bepaalt dat als de belanghebbende uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt voordat het UWV de overtreding constateert, sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Hiermee wordt beoogd het alsnog normconforme gedrag te stimuleren en te belonen.

 

Artikel 7

     Aangezien de bestuurlijke boete een financiŽle sanctie is, zullen de omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten die tot verlaging nopen, de financiŽle situatie van de cliŽnt betreffen. Bij toepassing van artikel 7 wordt gedeeltelijk afgezien van oplegging van een boete. Bij de toepassing van dit artikel rust de verplichting op de belanghebbende om inzicht te geven in zijn financiŽle situatie.
     De wettelijke bepalingen geven tevens de mogelijkheid om op grond van een dringende reden geheel af te zien van een boete indien oplegging van een boete tot voor de verzekerde onaanvaardbare sociale en financiŽle gevolgen zou leiden.

 

Artikel 8

     Artikel 25 van de WW e.a. bepalen dat "onverwijld uit eigen beweging" aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan. Met artikel 8 wordt de termijn voor de spontane inlichtingenverplichting geconcretiseerd. Er geldt een termijn van ťťn week.
     Het tweede lid bepaalt dat de termijn gaat lopen op het moment dat het te melden feit zich voordoet of bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn aan de belanghebbende. Dit kan zijn de dag dat werkzaamheden worden aangevangen, gewijzigd of beŽindigd. Bij een wijziging van het inkomen vangt de termijn aan op het moment dat deze wijziging bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, bijvoorbeeld het moment dat de loonstrook wordt ontvangen bij een geringe wijziging. Als er een wijziging optreedt met betrekking tot een andere uitkering, vangt de termijn aan op het moment dat dit bekend wordt gemaakt. Een verandering in de gezondheidstoestand wordt gemeld als het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk is dat de wijziging van invloed kan zijn op het recht op uitkering.
     De spontane inlichtingenverplichting en de termijnen gelden tevens, voor zover van toepassing, voor de partner, de wettelijke vertegenwoordiger en de instelling aan welke de uitkering wordt betaald.
     Het derde lid bepaalt dat geen boete wordt opgelegd als de informatie juist is vermeld op het werkbriefje WW aangezien dan iedere verwijtbaarheid ontbreekt. Het is immers de bedoeling dat een WW-gerechtigde de informatie op het werkbriefje vermeldt en niet spontaan meldt. Als een TW-uitkering in combinatie met een WW-uitkering wordt betaald, geldt dit ook voor de toeslag. Als geen werkbriefje is verstrekt, geldt de spontane inlichtingenverplichting onverkort.

 

Artikel 9

     Artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten stelt het basisboetebedrag op ten minste Ä|45,-. Dit bedrag kan verlaagd worden op basis van deze beleidsregel tot minimaal Ä|23,- zodat een boete van enige omvang wordt opgelegd. Toepassing van dit besluit kan niet leiden tot het volledig afzien van een boete. Dat is alleen mogelijk bij het geheel ontbreken van de verwijtbaarheid of bij een dringende reden.

 

Artikel 10

     Uit de wettelijke bepalingen (zie artikel 1, onderdeel n) volgt in welke situatie het UWV kan afzien van het opleggen van een boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Als een overtreding van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden, maar geen benadelingsbedrag is veroorzaakt, kan het UWV volstaan met een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel 27a, derde lid, van de WW en vergelijkbare bepalingen, tenzij in de afgelopen twee jaar een waarschuwing of boete is opgelegd. Als aan deze voorwaarden is voldaan, maar de inlichtingenverplichting is opzettelijk overtreden, wordt echter niet volstaan met een waarschuwing, maar wordt een boete opgelegd.

 

Artikel 11

     Het Besluit afstemming boete werknemers (Stcrt. 2001, 2) wordt vervangen door dit besluit. De Beleidsregel afbakening maatregel en boete (Stcrt. 1998, 90) is opgenomen in dit besluit met artikel 8. De Beleidsregel zwijgrecht (Stcrt. 1998, 64) wordt ingetrokken en opgenomen in de handboeken van het UWV aangezien deze beleidsregel geen uitleg van een wettelijke bepaling bevat.

 

Artikel 13

     Het beleid met betrekking tot de oplegging van een boete als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, is door de intrekking van de in artikel 11 genoemde beleidsregels samengevoegd in deze beleidsregel. Het onderwerp van deze beleidsregel is dus breder dan de afstemming van de boete, zodat deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel boete werknemer.

 

Voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x