Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

BESLUIT  PREMIEDIFFERENTIATIE  WACHTGELDVERZEKERING  SECTOR  UITZENDBEDRIJVEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. 2, onderdeel H, IWfsv)

 
 

19 februari 2001, Stcrt. 2001, 47
Inwerkingtreding: 1 januari 2001
(T.a.v. art. 85:1 WW)

 

 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet;
     Gehoord de sectorraad Commerciële Dienstverlening;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Uitzendbedrijven IA: groepen uitzendkrachten met administratieve of (para)medische functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW en op wier uitzendovereenkomst een beding als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, BW van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven;
b. Uitzendbedrijven IIA: groepen uitzendkrachten met technische of overige functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW en op wier uitzendovereenkomst een beding als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, BW van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven;
c. Intermediaire diensten: intercedenten en consulenten; filiaalhouders en vestigingsmanagers; administratief personeel; directie en stafleden; operationele stafmedewerkers; boekhouding en uitzendadministratie; al het personeel waarvan de werkzaamheden zijn terug te voeren op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan derden, werkzaam bij uitzendbedrijven;
d. Uitzendbedrijven IB en IIB: groepen uitzendkrachten met administratieve, (para)medische functies, technische of overige functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW en op wier uitzendovereenkomst niet een beding als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, BW van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven;
e. Detachering: groepen uitzendkrachten die niet vallen onder de hierboven genoemde uitzendbedrijven, werkzaam bij uitzendbedrijven.

 

Art. 2.
Voor de sector Uitzendbedrijven worden de volgende vijf premiegroepen ingesteld:
1. Uitzendbedrijven IA, met als subpremiegroepen:
a. uitzendbedrijven IA opslagklasse;
b. uitzendbedrijven IA middenklasse;
c. uitzendbedrijven IA kortingsklasse;
2. Uitzendbedrijven IIA, met als subpremiegroepen:
a. uitzendbedrijven IIA opslagklasse;
b. uitzendbedrijven IIA middenklasse;
c. uitzendbedrijven IIA kortingsklasse;
3. Intermediaire diensten;
4. Uitzendbedrijven IB en IIB;
5. Detachering.

 

Art. 3.
De premies, bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet, worden jaarlijks door het Lisv vastgesteld.

 

Art. 4.
-1. Ten behoeve van de premiedifferentiatie naar subpremiegroepen wordt voor de premiegroepen, genoemd in artikel 2, onder 1 en 2, het gemiddelde ziekteverzuimcijfer vastgesteld.
-2. Het ziekteverzuimcijfer is het quotiënt waarbij de teller is het totaal in het refertejaar aan de premiegroep uitgekeerd ziekengeld en de noemer is het voor de premiegroep berekende premieloon voor dat refertejaar vermeerderd met de direct verstrekte uitkeringen ingevolge de Ziektewet betreffende de premiegroep in dat refertejaar.

 

Art. 5.
-1. Voor elke individuele werkgever behorende tot één van de in artikel 2 bedoelde subpremiegroepen wordt het ziekteverzuimcijfer vastgesteld.
-2. Het ziekteverzuimcijfer van de in het eerste lid genoemde werkgevers is het quotiënt waarbij de teller is het totaal in het refertejaar ten behoeve van de werknemers bij deze werkgever uitgekeerd ziekengeld en de noemer is het voor alle werknemers bij deze werkgevers voor de Ziektewet berekende premieloon voor dat refertejaar vermeerderd met de direct verstrekte uitkeringen ingevolge de Ziektewet betreffende de subpremiegroep in dat refertejaar.

 

Art. 6.
Voor de toepassing van artikel 4 en 5 blijven bij de berekening van het op grond van de Ziektewet uitgekeerde ziekengeld buiten beschouwing:
a. uitkeringen op grond van artikel 29a, eerste, derde en zevende lid, van de Ziektewet;
b. uitkeringen op grond van artikel 35 en 36 van de Ziektewet;
c. uitkeringen op grond van artikel 46 van de Ziektewet.

 

Art. 7.
Als refertejaar wordt gehanteerd het premiebetalingstijdvak minus twee jaar.

 

Art. 8.
Voor werkgevers binnen de premiegroep Uitzendbedrijven IA geldt dat in het geval:
a. het individueel ziekteverzuimcijfer 10% of meer hoger is dan het gemiddelde van de premiegroep, dat zij worden ingedeeld bij de subpremiegroep uitzendbedrijven IA opslagklasse;
b. het individueel ziekteverzuimcijfer minder dan 10% lager of hoger is dan het gemiddelde van de premiegroep, dat zij worden ingedeeld bij de subpremiegroep uitzendbedrijven IA middenklasse;
c. het individueel ziekteverzuimcijfer 10% of meer lager is dan het gemiddelde van de premiegroep, dat zij worden ingedeeld bij de subpremiegroep uitzendbedrijven IA kortingsklasse.

 

Art. 9.
Voor werkgevers binnen de premiegroep Uitzendbedrijven IIA geldt dat in het geval:
a. het individueel ziekteverzuimcijfer 20% of meer hoger is dan het gemiddelde van de premiegroep, dat zij worden ingedeeld bij de subpremiegroep uitzendbedrijven IIA opslagklasse;
b. het individueel ziekteverzuimcijfer minder dan 20% lager of hoger is dan het gemiddelde van de premiegroep, dat zij worden ingedeeld bij de subpremiegroep uitzendbedrijven IIA middenklasse;
c. het individueel ziekteverzuimcijfer 20% of meer lager is dan het gemiddelde van de premiegroep, dat zij worden ingedeeld bij de subpremiegroep uitzendbedrijven IIA kortingsklasse.

 

Art. 10.
-1. De werkgever die in het refertejaar geen ziekteverzuimcijfer heeft gerealiseerd, wordt ingedeeld in de subpremiegroep Uitzendbedrijven IA middenklasse dan wel Uitzendbedrijven IIA middenklasse.
-2. Het Lisv kan in bijzondere gevallen van het bepaalde in het eerste lid afwijken.

 

Art. 11.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven.

 

Art. 12.
Dit besluit treedt in werking twee dagen na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot 1 januari 2001.

 

Art. 13.
Dit besluit vervangt het voorgaande Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.

 

Amsterdam, 19 februari 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

TOELICHTING
[19 februari 2001}

 

Algemeen

 

     De wachtgeldfondsen financieren twee soorten uitkeringen:
1. Werkloosheidswetuitkeringen voor maximaal een halfjaar;
2. Ziektewetuitkeringen aan werknemers waarvoor geen loondoorbetalingsplicht bij ziekte geldt. De te betalen wachtgeldpremie is dan ook opgebouwd uit een deel betreffende de Werkloosheidswet (WW-deel) en een deel betreffende de Ziektewet (ZW-deel).
     Op grond van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz), Stb. 1996, 134, geldt voor werknemers die een normaal dienstverband (vast of tijdelijk) als bedoeld in artikel 7:690 BW [Burgerlijk Wetboek, red.] hebben, dat de werkgever verplicht is tijdens ziekte gedurende 52 weken het loon door te betalen. De sector uitzendbedrijven kent twee categorieën uitzendkrachten: uitzendkrachten (I) met administratieve en (para)medische functies alsmede uitzendkrachten (II) voor technische en overige functies. Voor uitzendkrachten geldt geen loondoorbetalingsplicht bij ziekte. Hierdoor bestaat de wachtgeldpremie voor deze groepen voor ongeveer de helft uit WW-risico en voor de helft uit ZW-risico.
     Op 1 januari 1999 is de Wet flexibiliteit en zekerheid van kracht geworden. Deze wet brengt onder meer met zich mee dat de uitzendovereenkomst is aan te merken als een (normale) arbeidsovereenkomst. Indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, is er sprake van een (normale) arbeidsovereenkomst zonder uitzendbeding. Er is dan sprake van werkzaam zijn in dienst van het uitzendbedrijf en er geldt een loonbetalingsplicht bij ziekte. Werkgevers van uitzendkrachten zonder uitzendbeding zouden te maken krijgen met dubbele ZW-lasten:
- de loondoorbetalingsplicht bij ziekte;
- het ZW-deel van de wachtgeldpremie.
     Om deze situatie te voorkomen, ziet dit besluit erop toe dat voor de uitzendkrachten zonder uitzendbeding een aparte premiegroep in het leven wordt geroepen en wel de premiegroep uitzendbedrijven voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding. Voor deze groep worden aparte premies vastgesteld.
     In de nieuwe situatie ontstaan de volgende vijf premiegroepen:
1. Uitzendbedrijven IA voor uitzendkrachten met uitzendovereenkomst in administratieve of (para)medische functies met uitzendbeding;
2. Uitzendbedrijven IIA voor uitzendkrachten met uitzendovereenkomst in technische of overige functies met uitzendbeding;
3. Intermediaire diensten;
4. Uitzendbedrijven IB en IIB voor uitzendkrachten met uitzendovereenkomst in administratieve, (para)medische, technische of overige functies zonder uitzendbeding;
5. Detachering.
     De premies worden jaarlijks voor het kalenderjaar vastgesteld. Voor het kalenderjaar 2001 is dit bij Besluit vaststelling wachtgeldpremies 2001 gebeurd [zie ook Besluit vaststelling wachtgeldpremies 2003, red.]. De premiegroepen uitzendbedrijven IA en IIA kennen premiedifferentiatie in het ZW-deel van de wachtgeldpremie.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     Hierin zijn enige begripsomschrijvingen opgenomen.

 

Artikel 2

     Dit artikel somt de premiegroepen en subpremiegroepen op waarop dit besluit betrekking heeft. Hierin is opgenomen de nieuwe premiegroep Uitzendbedrijven IB en IIB voor uitzendkrachten met uitzendovereenkomst in administratieve, (para)medische, technische of overige functies zonder uitzendbeding.

 

Artikel 3

     Dit artikel geeft aan dat het Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] de wachtgeldpremies voor de verschillende premiegroepen van de sector Uitzendbedrijven jaarlijks vaststelt.

 

Artikel 4

     Het eerste lid regelt de vaststelling van het gemiddeld ziekteverzuimcijfer voor de gezamenlijke werkgevers binnen de premiegroepen uitzendbedrijven IA en IIA. Deze premiegroepen kennen premiedifferentiatie in het ZW-deel van de wachtgeldpremie. In het tweede lid wordt aangegeven op welke wijze dit ziekteverzuimcijfer wordt berekend.

 

Artikel 5

     In dit artikel wordt de vaststelling van het ziekteverzuimcijfer voor elke individuele werkgever behorende tot de premiegroepen waarvoor premiedifferentiatie geldt, geregeld. In het tweede lid wordt aangegeven op welke wijze dit ziekteverzuimcijfer wordt berekend.

 

Artikel 6

     De in dit artikel genoemde uitkeringen worden buiten beschouwing gelaten voor de berekening van het ziekteverzuimcijfer.

 

Artikel 7

     Het refertejaar is het jaar gelegen twee jaar vóór het jaar waarover premie wordt geheven.

 

Artikel 8

     Dit artikel regelt voor de werkgevers behorende tot de premiegroep uitzendbedrijven IA de indeling in één van de subgroepen aan de hand van het door de individuele werkgever gerealiseerde ziekteverzuimcijfer.

 

Artikel 9

     Dit artikel regelt voor de werkgevers behorende tot de premiegroep uitzendbedrijven IIA de indeling in één van de subgroepen. Dit aan de hand van het door de individuele werkgever gerealiseerde ziekteverzuimcijfer.

 

Artikel 10

     Dit artikel is met name bedoeld voor de werkgever die in het refertejaar nog niet actief was. Het tweede lid heeft bijvoorbeeld betrekking op situaties waarin het bedrijf van de werkgever in het refertejaar weliswaar reeds actief was, maar in een andere hoedanigheid dan wel onder omstandigheden die in belangrijke mate afweken van de omstandigheden die zich in het premieheffingsjaar voordoen.

 

Artikel 11

     Dit artikel bevat de citeertitel van het besluit.

 

Artikel 13

     Het Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven dat op 27 december 2000 in Staatscourant [nr. 250, red.] is geplaatst, bevatte een aantal technische onjuistheden. Dit besluit vervangt het voorgaande besluit geheel.

 

Amsterdam, 19 februari 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x