Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 2 februari 2011

 

BELEIDSREGELS  PROTOCOL  ZEER  MOEILIJK  PLAATSBAAR

Vervallen
m.i.v. 3 februari 2011
(art. 2 BPzmp11)

 
 

13 april 2005, Stcrt. 2005, 79
Inwer
kingtreding: 1 mei 2005
(T.a.v. WW, WAO, WAZ en Wet Wajong)

 

 

 

 
     Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van cliŽnten op het zeer moeilijk plaatsbaar zijn het protocol als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

 

Art. 2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2005.

 

Art. 3.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol zeer moeilijk plaatsbaar.

 

 

     Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant geplaatst.

 

Amsterdam, 13 april 2005.
De voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst
.

 

 

 

TOELICHTING
[13 april 2005]

 

     Voor de beoordeling van cliŽnten op het zeer moeilijk plaatsbaar (ZMP) zijn, heeft UWV in overleg met Borea en de Landelijke CliŽntenraad een protocol ontwikkeld. Borea is een brancheorganisatie van reÔntegratiebedrijven.
     In het protocol staan de criteria op grond waarvan UWV beoordeeld of een cliŽnt als zeer moeilijk plaatsbaar moet worden aangemerkt. Het protocol wordt niet voor elke cliŽnt toegepast. Er zijn criteria vastgesteld om te beoordelen of een cliŽnt tot de doelgroep voor het protocol behoort. Als vastgesteld is dat een cliŽnt tot de doelgroep behoort, wordt op basis van een aantal indicatoren vastgesteld of een cliŽnt als zeer moeilijk plaatsbaar moet worden aangemerkt. Er zijn drie sets van indicatoren die ingaan op: de direct toepasbare vaardigheden en kennis van de cliŽnt, de eventuele belemmeringen in de persoonlijke situatie en de vraagzijde van de arbeidsmarkt.

 

Amsterdam, 13 april 2005.
De voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst
.

 

 

 

BIJLAGE

Protocol zeer moeilijk plaatsbaar (ZMP)

 

1. Doelgroep van het protocol


     Het protocol wordt niet bij elke cliŽnt toegepast. Voor de verschillende uitkeringspopulaties zijn een aantal preselecties gemaakt.


WW-populatie

     Een preselectie bij de WW-populatie vindt plaats op basis van de fase-indeling door CWI [Centrale organisatie werk en inkomen, red.]. Van fase-1-Ļ en fase-2-cliŽnten kan in principe worden uitgegaan dat zij niet zeer moeilijk plaatsbaar zijn. Het protocol wordt bij hen niet toegepast. Hieruit volgt dat fase-3- en -4-cliŽnten mogelijk wel zeer moeilijk plaatsbaar zijn. Bij hen wordt het protocol wel toegepast. De fase-indeling wordt door het CWI [Centrum voor werk en inkomen, red.] in de toekomst vervangen door de indeling A (fase 1) en B (fase 2, 3, 4). Uit de B-groep dient te zijner tijd te worden onderzocht in hoeverre daar een nadere selectie op dient plaats te vinden. De uitkeringsduur kan daarbij een indicator zijn.

1. Voor zover zij bij UWV terechtkomen.


WAO/WAZ-populatie

     Een preselectie bij de WAO/WAZ-populatie vindt plaats op basis van de uitkeringsduur (minimaal ťťn jaar) in combinatie met een periode waarin niet gewerkt is. WAO-ers die (parttime) werken of recente werkervaring hebben (minder dan ťťn jaar geleden), worden geacht niet ZMP te zijn. Deze werkervaring moet ten minste zes maanden hebben geduurd, aansluitend bij de definitie van duurzame plaatsing. Het werken op arbeidstherapeutische basis wordt bij het vaststellen van de werkervaring buiten beschouwing gelaten.
     Bij WAO-ers ouder dan 55 jaar [van 55 jaar of ouder, red.] wordt het protocol altijd toegepast.


Wajong-populatie

     Bij de Wajong-populatie wordt het protocol standaard bij iedere cliŽnt toegepast.


Uitzonderingen

     De reÔntegratiecoach heeft de mogelijkheid om, beargumenteerd, in uitzonderingsgevallen cliŽnten die als gevolg van deze preselectie niet op ZMP beoordeeld hoeven te worden toch te beoordelen op ZMP.

 

2. Beoordeling op indicatoren


     Het protocol bestaat uit een beoordeling van de situatie van de cliŽnt en de in te zetten reÔntegratiemiddelen op drie indicatoren. De reÔntegratiecoach/arbeidsdeskundige beoordeelt per indicator of de cliŽnt zeer moeilijk plaatsbaar is. Hij komt tot dit oordeel indien er belemmeringen aanwezig zijn die niet met reguliere reÔntegratie-instrumenten binnen een regulier gefinancierd reÔntegratietraject (50-50) verholpen kunnen worden. Het gaat dus om de relatie tussen de benodigde in te zetten instrumenten en de risicoís die daarmee samenhangen: instrumenten die niet in een regulier gefinancierd traject worden ingezet.
     De uitkomst kan zijn:
- de cliŽnt is op basis van ťťn indicator ZMP;
- de cliŽnt is niet op basis van ťťn indicator ZMP, maar op basis van een combinatie van verschillende indicatoren zeer moeilijk plaatsbaar;
- de cliŽnt is niet ZMP op basis van de indicatoren.

     De toepassing van het protocol mondt uit in een verslag waarin per indicator beargumenteerd wordt aangegeven of er belemmeringen zijn die leiden tot de beoordeling ZMP. Ook voor cliŽnten die als (voorlopig) niet plaatsbaar worden beoordeeld, moet op deze manier verslag worden gedaan.


Uitzonderingen

     In uitzonderingsgevallen is er ruimte om te besluiten op basis van andere indicatoren dan in het protocol genoemd dat iemand als ZMP wordt beoordeeld. Voor deze gevallen dient een second-opinionprocedure te worden opgesteld. Pas indien ook na een second opinion tot hetzelfde oordeel wordt gekomen, wordt de cliŽnt als ZMP beoordeeld.

 

3. De indicatoren


1. Aanwezigheid van direct in een beroep toepasbare vaardigheden en kennis

     Indien blijkt dat een cliŽnt geen direct in een beroep toepasbare vaardigheden en/of kennis heeft, is dat op zichzelf onvoldoende reden om de betrokkene ZMP te achten. Indien dit in een regulier gefinancierd (50-50) traject dan wel in een traject dat naar verwachting duurder zal zijn dan de gemiddelde trajectprijs (Ä|5000,-) niet verholpen kan worden, is er sprake van een zeer moeilijk plaatsbare cliŽnt. Afwezigheid van direct in een beroep toepasbare vaardigheden en/of kennis kan een gevolg zijn van het feit dat:
- iemand langdurig buiten het arbeidsproces heeft gestaan;
- dat het vorige beroep inmiddels op de relevante arbeidsmarkt is uitgestorven (bijvoorbeeld uitkeringsgerechtigden die voorheen in de grafische industrie werkzaam waren waar oude technieken inmiddels geheel zijn vervangen of in de textielindustrie die inmiddels grotendeels is verplaatst naar het buitenland;
- dat iemand vanwege medische belemmeringen zijn oude vaardigheden niet meer kan inzetten.

     Deze indicator, de afwezigheid van direct in een beroep toepasbare vaardigheden en kennis, zal voor slechts een kleine groep cliŽnten opgaan, omdat de meeste cliŽnten wel over enige vaardigheden beschikken of met een regulier traject voldoende vaardigheden bijgebracht kunnen worden.
     Direct in een beroep toepasbare vaardigheden en kennis zijn als volgt geoperationaliseerd:
- taalvaardigheid;
- administratieve vaardigheid;
- computervaardigheid;
- handvaardigheid;
- verzorgende, servicegerichte vaardigheid;
- sociale vaardigheden (= vermogen tot samenwerking).

     Een voorbeeld hiervan is een langdurige werkloze productiemedewerker die niet of nauwelijks beschikt over administratieve, computer- of handvaardigheden, die wel in staat is tot samenwerking, maar verder geen ervaring met verzorgende, servicegerichte werkzaamheden heeft.
     Het zeer moeilijk plaatsbaar zijn draait dus om de noodzaak van het oplossen van ťťn of van een combinatie van deficiŽnties op deze vaardigheden, waarbij deze oplossingen binnen een regulier gefinancierd traject niet mogelijk zijn. De extra investering in het oplossen van de deficiŽntie(s) maakt betrokkene wel plaatsbaar.
     In de praktijk zal het vaak gaan om cliŽnten die door een combinatie aan factoren (vaak leeftijd, opleidingsniveau en werkervaring) zeer veel moeite zullen hebben met het zich eigen maken van bepaalde vaardigheden. Dat wil zeggen dat de cliŽnt zich de nieuwe vaardigheden niet eigen kan maken binnen het kader van een regulier gefinancierd traject.


2. Aanwezigheid van belemmeringen in de persoonlijke situatie

     Het gaat hier om belemmeringen die ontstaan door de aanwezigheid van problemen in de persoonlijke situatie van de cliŽnt ťn/of door de beleving van de cliŽnt van deze problemen.
     Een cliŽnt is ZMP als gevolg van:
- verschillende beperkingen en/of de beleving daarvan; ťn
- het feit dat naar het oordeel van de arbeidsdeskundige/reÔntegratiecoach de desbetreffende beperking niet in een regulier (50-50) gefinancierd traject zodanig kan worden weggenomen dat betrokkene geplaatst kan worden in een baan.

     Essentie moet zijn dat het gaat om een complexe problematiek, die in principe wel oplosbaar is met behulp van reÔntegratie-instrumentarium of flankerende (vaak door de gemeente geboden) maatregelen, maar dat de inzet van dergelijk instrumentarium onwaarschijnlijk is (gezien de kosten en de financiŽle risicoís voor het RIB [reÔntegratiebedrijf, red.]) binnen reguliere trajecten.
     Het gaat hier niet om crisissituaties die zich voor kunnen doen bij bijvoorbeeld acute huisvestingsproblematiek, waarbij de cliŽnt in feite niet plaatsbaar is op de arbeidsmarkt. Er zijn ook andere, acute, omstandigheden waarom een cliŽnt op een bepaald moment niet plaatsbaar is. In het gesprek moet nagegaan worden of er sprake is van dergelijke acute crisissituaties, waarbij inzet van andersoortige interventies (door andere instanties) aan de orde is of dat het gaat om situaties die door bijvoorbeeld voorschakelmodules of flankerende maatregelen oplosbaar zijn.
     De belemmeringen in de persoonlijke situatie zijn als volgt geoperationaliseerd:
a. Medische beperkingen (fysiek en/of psychisch) en de beleving daarvan door de cliŽnt.
- Aanwezigheid van objectief vaststelbare medische beperkingen die werken moeilijk maken (bijvoorbeeld verstandelijke of auditief/visuele beperkingen).
- Aanwezigheid van medische beperkingen die in de beleving van de cliŽnt werken moeilijk maken. Het gaat hierbij vooral om cliŽnten die zich door de jaren heen zo vereenzelvigd hebben met hun (op enig moment wel aanwezige) belemmeringen/beperkingen dat zij het in de huidige situatie heel moeilijk vinden om zich te focussen op de dingen die ze nog wťl kunnen, of juist om cliŽnten die recent arbeidsongeschikt zijn geworden en nog in een rouwproces zitten vanwege het verlies van mogelijkheden/beroep en daarom geen oog hebben voor wat zij nog wel kunnen.
- Aanwezigheid van een negatieve prognose voor de ontwikkeling van de medische aandoening, waarmee in het traject rekening dient te worden gehouden.
- Aanwezigheid van een verslavingsproblematiek die zo ernstig is dat deze niet in een regulier gefinancierd traject in voldoende mate kan worden verholpen.
b. Rolidentificatie in uitkeringssituatie.
Binnen de uitkeringssituatie heeft cliŽnt zijn eigen zinvolle bezigheden/daginvulling opgebouwd:
- zorg voor gezinshuishouden;
- mantelzorg;
- vrijwilligerswerk.
     De cliŽnt ervaart een zeer grote belemmering in het loslaten van deze rol in een stabiele uitkeringssituatie en een overstap te maken naar een onzekere werksituatie.
c. Schuldenproblematiek.
Het gaat hier om de cliŽnten die te maken hebben met een schuldenproblematiek die zo ernstig is dat deze niet in een regulier gefinancierd traject in voldoende mate kan worden verholpen.
d. Problemen in de sociale situatie en de beleving daarvan door de cliŽnt.
- Sociaal isolement tengevolge van bijvoorbeeld een verslavingsproblematiek.
- Sociale druk vanuit de omgeving van de cliŽnt om niet te gaan werken. De omgeving kan betrekking hebben op de familie- en vriendenkring, maar ook op de directe buurt waarin iemand woont.
e. Problemen die zich voordoen in relatie cliŽnt en werk.
- Problemen met sociale vaardigheden in werksituaties (gezagsverhoudingen, zelfstandig werken).
- Realiteitsprobleem in verwachtingenpatroon van eigen functioneren op het werk (te hoge of juist te lage ambities en verwachtingen).
f. (Beleving van) psychologische belemmeringen door de cliŽnt, bijvoorbeeld een niet-realistisch zelfbeeld gelegen in een persoonlijke problematiek.


3. Vraagzijde van de arbeidsmarkt

     Hier wordt gekeken naar persoons- en achtergrondkenmerken die ertoe leiden dat de cliŽnt een moeilijke positie op de arbeidsmarkt heeft vanwege vooroordelen van werkgevers over bepaalde groepen, dan wel ten aanzien van bepaalde "probleemsituaties" of belemmeringen. Het mag echter geen automatisme zijn om cliŽnten uit bepaalde groepen om deze reden als ZMP te indiceren. Het zijn uitzonderingen waarbij individueel beoordeeld moet worden of een cliŽnt ZMP is. Hierbij moet gekeken worden naar enerzijds de mate waarin de cliŽnt voor plaatsing afhankelijk is van ťťn sector of beroep, anderzijds naar de cultuur van een sector of beroepsgroep en de krapte op het arbeidsmarktsegment waarop de cliŽnt is aangewezen.
     Gevolg voor het traject kan bijvoorbeeld zijn dat hier een zeer intensieve bemiddelingsfase moet worden ingezet die niet binnen een regulier gefinancierd traject kan plaatsvinden.
a. Oudere werknemers. Er wordt geen standaardleeftijdsgrens gehanteerd: ook hier volgt weer een individuele beoordeling. Een oudere werknemer met veelzijdige werkervaring of een uitgebreid netwerk met een korte uitkeringsduur hoeft niet ZMP te zijn. De leeftijdsgrens zal per sector/beroep verschillen.
b. Werknemers met een psychiatrische/psychische problematiek.
c. Werknemers met een bepaalde culturele achtergrond.
d. Zichtbaar fysiek gehandicapte werknemers, afhankelijk van de sector en/of het beroep.
e. Ex-gedetineerden.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x