Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 september 2006

 

BESLUIT  VASTSTELLING  FICTIEVE  OPZEGGINGSTERMIJN  WERKLOOSHEIDSWET

Vervallen
m.i.v. 1 oktober 2006
(art. 3 Bta16-24W06)

 
 

8 januari 1998, Stcrt. 1998, 11
Inwerkingtreding: 1 januari 1999
(T.a.v. art. 16:3 WW)

 

 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Voor de toepassing van artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet wordt onder het daarin genoemde begrip loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de voor de werkgever geldende termijn zou zijn geŽindigd, verstaan: het bedrag dat de werknemer per dag aan loon zou hebben ontvangen als de dienstbetrekking nog zou hebben voortgeduurd.

 

Art. 2.
-1. Voor de vaststelling van de termijn waarover de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beŽindiging van de dienstbetrekking gelijkgesteld worden met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, wordt uitgegaan van de volgende berekeningsmethode:
a. allereerst wordt de fictieve dan wel de nog in acht te nemen opzegtermijn vastgesteld;
b. het bedrag aan inkomsten in verband met de eindiging van de dienstbetrekking wordt gedeeld door het loon, bedoeld in artikel 1. Het verkregen cijfer wordt naar beneden afgerond op een geheel getal;
c. de uitkomst onder b is het maximale aantal uitkeringsdagen waarop de vergoeding betrekking heeft.
-2. Indien het onder het eerste lid, onderdeel c, bedoelde aantal dagen kleiner is dan het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel nog in acht te nemen opzegtermijn, dan wordt uitgegaan van dit laagste aantal uitkeringsdagen.
-3. Indien het onder het eerste lid, onderdeel c, bedoelde aantal dagen groter is dan of gelijk is aan het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel nog in acht te nemen opzegtermijn, dan wordt uitgegaan van het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel nog in acht te nemen opzegtermijn.

 

Art. 3.
Indien het bij koninklijke boodschap van 7 maart 1997 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten (flexibiliteit en zekerheid; Kamerstukken II 1996-1997, 25 263) tot wet wordt verheven, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking als de in deze wet vastgestelde inwerkingstredingsdatum met betrekking tot artikel 16, derde lid, van de WW
Indien dit besluit na inwerkingtreding van artikel 16, derde lid, van de WW wordt bekendgemaakt in de Staatscourant, treedt dit besluit in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

1. Bij Besluit van 2 juni 1998, Stb. 1998, 332, is het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet flexibiliteit en zekerheid ("Flexwet") en daarmee het derde lid van artikel 16 van de WW bepaald op 1 januari 1999, red.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling fictieve opzeggingstermijn Werkloosheidswet.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.

 

Amsterdam, 8 januari 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

TOELICHTING
[8 januari 1998]

 

     Het kabinet acht het onwenselijk dat de wijze waarop de dienstbetrekking wordt beŽindigd van invloed is op de ingangsdatum van de WW-uitkering.
     Met de (her)invoering van artikel 16, derde lid, WW wordt de oorspronkelijke doelstelling van het kabinet dat in die gevallen waarin het dienstverband zonder een (volledige) opzegtermijn is beŽindigd en de werknemer recht heeft op inkomsten in verband met die eindiging, deze inkomsten aan te merken zijn als loon over de niet in acht genomen opzegtermijn, gerealiseerd. Het recht op WW-uitkering wordt hierdoor voor zoveel mogelijk uitgesteld tot na het verstrijken van de nog in acht te nemen opzegtermijn.
     Het Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] is van mening op gelijke wijze uitvoering moet worden gegeven aan de berekening van de fictieve opzegtermijn op grond van artikel 16, derde lid, van de WW en daarbij uitgaan van hetzelfde loonbegrip.
     Met het Besluit vaststelling fictieve opzeggingstermijn Werkloosheidswet wordt hierin voorzien.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     In artikel 1 wordt geregeld wat verstaan moet worden onder het begrip "loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de voor de werkgever geldende termijn zou zijn geŽindigd". Uitgegaan wordt van het civielrechtelijke loonbegrip. Daarbij is overwogen dat de werknemer als het ware geacht wordt in dienst te zijn van de werkgever tijdens de fictieve opzegtermijn. De vergoeding die hij krijgt moet dan ook zoveel mogelijk op dezelfde wijze behandeld worden alsof het loon was geweest. De uitvoeringsinstellingen zullen moeten vaststellen wat het bedrag is dat de werknemer zou hebben ontvangen als de dienstbetrekking nog zou hebben voortgeduurd. Indien het niet mogelijk is het bedrag precies vast te stellen, moet dit uiteraard zo goed en kwaad als mogelijk is geschat en beredeneerd worden. Het aldus vastgestelde loon dient als basiselement voor de berekening van de periode waarover op grond van artikel 16, derde lid, van de WW gelijkstelling bestaat met het recht op onverminderde doorbetaling van het loon.

 

Artikel 2

     In dit artikel is aangegeven op welke wijze de periode waarover de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beŽindiging van de dienstbetrekking gelijkgesteld worden met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, berekend dient te worden.
     Allereerst dient de niet in acht genomen opzegtermijn te worden vastgesteld. Vervolgens wordt het bedrag aan inkomsten in verband met de eindiging van de dienstbetrekking gedeeld door het loon, bedoeld in artikel 1. Het verkregen cijfer wordt naar beneden afgerond op een geheel getal (bijvoorbeeld 26,9 wordt 26). Deze uitkomst is het maximale aantal uitkeringsdagen waarop de vergoeding betrekking heeft. Indien dit maximale aantal uitkeringsdagen kleiner is dan het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel nog in acht te nemen opzegtermijn, dan wordt uitgegaan van het laagste aantal uitkeringsdagen. Is het maximale aantal uitkeringsdagen echter groter dan het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel nog in acht te nemen opzegtermijn, dan wordt uitgegaan van het aantal uitkeringsdagen die liggen in de fictieve dan wel de nog in acht te nemen opzegtermijn.

 

Artikel 3

     Voor de inwerkingtreding van dit besluit is aangesloten bij de datum van inwerkingtreding van artikel 16, derde lid, WW als bepaald in het wetsvoorstel houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten (flexibiliteit en zekerheid). Hierbij is uitgegaan van publicatie van het besluit in de Staatscourant vůůr datum inwerkingtreding van artikel 16, derde lid, WW. Indien publicatie van dit besluit pas mocht plaatsvinden na de inwerkingtreding van artikel 16, derde lid, van de WW, dan treedt dit besluit in werking twee dagen na publicatie in de Staatscourant.

 

Amsterdam, 8 januari 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x