Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 september 2006

 

BESLUIT  VERWEER  TEGEN  ONTSLAG

Vervallen
m.i.v. 1 oktober 2006
(art. 3 Bta24-27W06)

 
 
19 november 1997, Stcrt. 1997, 229
Inwerkingtreding: 28 november 1997
(T.a.v. art. 24:2b WW)

 

 

 

 
     Het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 24, tweede lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen voert ter zake van verweer tegen ontslag een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

 

Art. 2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 3.
Besluiten van bedrijfsverenigingen met betrekking tot verweer tegen ontslag, welke besluiten krachtens artikel 7 van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 gelden als besluiten van het Landelijk Instituut sociale verzekeringen, worden ingetrokken.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verweer tegen ontslag.

 

 

Amsterdam, 19 november 1997.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

 

     Om verwijtbare werkloosheid te voorkomen, dient de werknemer verweer te voeren tegen een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de kantonrechter of een aanvraag om een ontslagvergunning bij de RDA [Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zie Centrale organisatie werk en inkomen, red.] indien aannemelijk is dat het verweer slaagt. De werknemer voert in het verweer al het mogelijke aan om te trachten de arbeidsovereenkomst in stand te houden.
     Indien aannemelijk is dat het verweer slaagt, is
- pro-formaverweer of
- pro-formaverweer in combinatie met een pro forma mondelinge behandeling niet voldoende om verwijtbare werkloosheid te voorkomen.
     Indien niet aannemelijk is dat het verweer slaagt, wordt dit niet verlangd. Een pro-formaverweer wordt ook niet verlangd. Een werknemer hoeft dan niet te staan op afgifte van een ontslagvergunning.
     Indien een werknemer afziet van mondelinge behandeling door de kantonrechter omdat alle argumenten tegen de ontbinding in het verweerschrift zijn opgenomen, of anderszins mondelinge behandeling niets zou toevoegen, wordt hem dat niet verweten.
     Een ontslagvergunning of beschikking van de kantonrechter is op zich niet voldoende om verwijtbare werkloosheid te voorkomen.
     Indien de beschikbare stukken (bijvoorbeeld van de ontbindings- of RDA-procedure) niet voldoende duidelijkheid geven over de feiten en omstandigheden die tot de beŽindiging van de arbeidsovereenkomst hebben geleid, stelt de uitvoeringsinstelling actief een onderzoek in.

 

 

 

TOELICHTING
[19 november 1997]

 

     Signalen van rechtshulpverleners en rechterlijke macht dat een werknemer, sinds de invoering van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, meer geneigd is om verweer te voeren tegen een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst of een aanvraag om een ontslagvergunning, zijn de aanleiding tot het nemen van dit besluit. Aangenomen kan worden dat in veel gevallen het verweer alleen is gericht op het recht op een werkloosheidsuitkering, maar dat ook zonder het volgen van een procedure bij de kantonrechter of RDA de werkloosheidsuitkering zou zijn toegekend. Dit besluit is gericht op het voorkomen van dergelijke onnodige procedures en dan ook, naast de uitvoeringsinstellingen, mede gericht op rechtshulpverleners.
     Blijkbaar veronderstelden vele rechtshulpverleners dat een vonnis van de kantonrechter en sinds de invoering van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid ook een behandeling ter zitting- of een ontslagvergunning vereist is voor een recht op werkloosheidsuitkering. Deze veronderstelling is onjuist hetgeen met dit besluit wordt bevestigd. Indien niet aannemelijk is dat het verweer van de werknemer slaagt is het voeren van een procedure zinloos en wordt dus niet verlangd. De werknemer staat aldus voor de keuze: ůf het is aannemelijk dat het verweer slaagt en wordt al het mogelijke aangevoerd om de arbeidsovereenkomst in stand te houden, ůf het is niet aannemelijk dat het verweer slaagt, zodat van een procedure of verweer (inclusief pro-formaverweer) kan worden afgezien. In laatstgenoemde situatie is een beŽindiging met wederzijds goedvinden geoorloofd mits de wettelijke opzeggingstermijn in acht wordt genomen.
     Het besluit bevestigt dat de werkelijke redenen van het ontslag en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond dienen vast te staan alvorens tot toekenning van een werkloosheidsuitkering wordt overgegaan. De wijze waarop de uitvoeringsinstelling deze informatie verkrijgt is niet relevant. Dit kan gebeuren door middel van de stukken van de ontslagprocedure, maar ook door een onderzoek dat de uitvoeringsinstelling instelt. Indien een pro-formaprocedure is gevoerd, geven de stukken van deze procedure onvoldoende informatie, zodat de uitvoeringsinstelling dan een nader onderzoek instelt. Een vonnis of een ontslagvergunning is op zich niet voldoende om het recht op werkloosheidsuitkering veilig te stellen.
     Het besluit is een weergave van de huidige uitvoeringspraktijk van de uitvoeringsinstellingen, zodat niet is voorzien in een implementatietermijn voor de uitvoeringsinstellingen.

 

Nadere inlichtingen kunnen worden verkregen bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen, postbus 74765, 1070 BT Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.].

 

Amsterdam, 19 november 1997.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x