Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2003

 

BESLUIT  VRIJSTELLING  VERPLICHTINGEN  WW

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2004
(art. 4 RvvW)

 
 
12 november 1998, Stcrt. 1998, 248
Inwerkingtreding: 2 januari 1999
(T.a.v. artt. 24:7 en 26:3 WW)

 

 

 

 
17 december 1998/nr. SV/WV/98/36309c
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Gelet op artikel 24, zesde lid, en artikel 26, derde lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Goed te keuren het door het Landelijk instituut sociale verzekeringen op 12 november 1998 getroffen besluit tot vaststelling van het besluit betreffende vrijstelling van verplichtingen gericht op arbeidsinpassing.

 

 

     Dit besluit wordt, tezamen met het goedgekeurde besluit en de toelichting daarop, bekendgemaakt in de Staatscourant.

 

s-Gravenhage, 17 december 1998.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

BIJLAGE

 

Besluit tot vaststelling van het besluit betreffende vrijstelling van verplichtingen gericht op arbeidsinpassing

 

     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op de artikelen 24, zesde lid, en 26, derde lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
-1. Van de verplichting zich als werkzoekende te laten registreren bij de Centrale organisatie werk en inkomen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet, en van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1, 2 en 4, en artikel 26, eerste lid, onderdeel f en g, van de Werkloosheidswet, is vrijgesteld de werknemer wiens werkloosheid uitsluitend een gevolg is van:
a. vorst, sneeuwval, hoog water of daarmee gelijk te stellen buitengewone natuurlijke omstandigheden;
b. verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van het bepaalde in artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend.
-2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is vrijgesteld van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1, en artikel 26, eerste lid, onderdeel f en g, van de Werkloosheidswet, de werknemer van 57,5 jaar of ouder die werkloos is.
-3. De omschreven vrijstellingen gelden voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wiens werktijd tot nul uur is verkort, voor de duur van de eerst afgegeven vergunning.

 

Art. 2.
Van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1, 2 en 4, van de Werkloosheidswet, is vrijgesteld de werknemer die met het oog op verbetering van de kansen op de arbeidsmarkt een naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijke opleiding of scholing volgt.

 

Art. 3.
Het Besluit vrijstelling verplichtingen wordt ingetrokken.

 

Art. 4.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag van de eerste kalendermaand na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 5.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vrijstelling verplichtingen WW.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.

 

Amsterdam, 12 november 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

Behoort bij mijn besluit van 17 december 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/98/36309c.
Mij bekend:
de Staatssecretaris van Siociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

TOELICHTING
[12 november 1998]

 

     Aanleiding tot het vaststellen van een nieuw besluit inzake de vrijstelling van verplichtingen is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997. Ingevolge artikel 3 van het voorheen geldende besluit hadden bedrijfsverenigingen op twee punten een bevoegdheid om af te wijken van de "hoofdregel" in het besluit. In de eerste plaats kon een langere vrijstelling worden verleend bij de zogenaamde nulurenvergunning (op grond van de hoofdregel gold de vrijstelling alleen voor de duur van de eerste nulurenvergunning). Enkele bedrijfsverenigingen hadden van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. In de tweede plaats konden verplichtingen alsnog worden opgelegd aan "vrijgestelde" werknemers. In de praktijk werd van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt en was ter zake geen specifiek beleid vastgesteld. Bijgaand besluit is zodanig aangepast dat beide bevoegdheden zijn vervallen. Tevens is de bepaling waarin de werknemer van 55 jaar of ouder - in een aantal overgangssituaties - was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen vervallen. Deze bepaling is uitgewerkt nu de groep waarop deze bepaling betrekking heeft niet meer voorkomt. Verder zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. Door het vervallen van de bevoegdheid tot een langere vrijstelling na de eerste nulurenvergunning wordt van betrokkene onder meer verwacht zich in te schrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen, red.] en passende arbeid te zoeken bij verlenging van de nulurenvergunning tot werktijdverkorting. Bij de beoordeling van de nakoming van de verplichtingen zal een individuele toets plaatsvinden, waarbij met alle relevante aspecten rekening kan worden gehouden. In dit verband kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de situatie dat duidelijk is dat over twee weken het werk bij de eigen werkgever weer kan worden hervat. Ook komt het in de praktijk wel eens voor dat de werkgever "tussendoor" een beroep moet doen op een werknemer. Deze mogelijkheid moet behouden blijven. Ook hiermee zal bij de beoordeling van de sollicitatieplicht rekening moeten worden gehouden, bijvoorbeeld ingeval de werknemer een concreet aanbod heeft om opvularbeid te verrichten en tegelijkertijd bij de eigen werkgever (opvul)arbeid kan verrichten. Ook overigens zijn bij de beoordeling van de vraag of aan de sollicitatieplicht is voldaan de in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW opgenomen beoordelingscriteria van toepassing.
     Met betrekking tot de passende arbeid kan voor deze werknemers worden aangesloten bij de regels zoals opgenomen in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en met name bij sollicitatieplicht zoals deze is geregeld voor werknemers die een toezegging hebben of de verwachting hebben op korte termijn bij dezelfde of een andere werkgever het werk te kunnen hervatten. Voor deze werknemers is bepaald dat zij actief op zoek moeten gaan naar opvularbeid van allerlei aard. Ook wordt van deze werknemers verwacht dat zij zich minstens n maand vr het intreden van de werkloosheid inschrijven bij n of meerdere uitzendbureaus. Van de werknemers wiens werktijd is verkort tot nul uur zal inschrijving n maand van te voren niet verwacht worden. Daarbij is overwogen dat men al werkloos is en dat van te voren niet (altijd) duidelijk zal zijn dat de vergunning tot werktijdverkorting zal worden verlengd.
     Met het vervallen van de tweede bevoegdheid wordt bereikt dat de vrijstellingen onverkort blijven gelden, zolang de situatie op grond waarvan de vrijstelling van toepassing is, niet wijzigt.

 

Amsterdam, 12 november 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x