Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 28 november 2002

 

UITKERINGSREGLEMENT  WW  1997

Vervallen
m.i.v. 29 november 2002
(art. 14 UW02)

 
 
17 september 1997, Stcrt. 1997, 183
Inwerkingtreding: 1 november 1997
(T.a.v. art. 101:1 WW)

 

 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 101, eerste lid, van de Werkloosheidswet;

     Besluit het navolgende Uitkeringsreglement WW 1997 vast te stellen:

 

 

§ 1.  Algemene bepaling

 

Art. 1.
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
b. werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet;
c. werkgever: de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet;
d. uitkering: de uitkering in de zin van hoofdstuk IIa en hoofdstuk IIb van de Werkloosheidswet;
e. inspecteur: een door of namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen aangewezen en schriftelijk gemachtigd persoon;
f. Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de instelling, bedoeld in artikel 2 van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1996, 618);
g. vakantiewaarde: het bedrag van de betaling die de werkgever bij werken aan het betreffende vakantiefonds moet verrichten ter verschaffing van een recht van de werknemer jegens dat fonds. Onder vakantiewaarde wordt mede verstaan een vakantiezegel of een vakantiebon;
h. vakantiefonds: een vakantiefonds als genoemd in de op grond van artikel 34, vijfde lid, Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1986, 567) getroffen regels.

 

 

§ 2.  Controlevoorschriften

 

Art. 2.
-1. Een werknemer die werkloos wordt, doet daarvan aangifte op het door het Landelijk instituut sociale verzekeringen daarvoor aangewezen adres.
-2. Een werknemer die werkloos wordt, dient een schriftelijke aanvraag om uitkering in op het door het Landelijk instituut sociale verzekeringen daarvoor aangewezen adres, door middel van een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen beschikbaar gesteld formulier waarop de voor het beoordelen van de aanvraag gewenste gegevens zijn vermeld en dat door de werknemer volledig is ingevuld en ondertekend.
-3. Het in het tweede lid bedoelde formulier bevat of is vergezeld van een bewijs van inschrijving van de werknemer als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, voor zover de inschrijving krachtens artikel 26, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet voor het geldend maken van het recht op uitkering is vereist.

 

Art. 3.
De werknemer legt desgevraagd aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen over een verklaring, afkomstig van en ondertekend door de werkgever of de werkgevers, bij wie hij voorafgaand aan het intreden van zijn werkloosheid werkzaam was, waarin de werkgever of elk van deze werkgevers de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor zover hij deze kan beoordelen, bevestigt.

 

Art. 4.
Ten minste voor elke betaling van uitkering verstrekt de werknemer, tegen een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan te geven tijdstip, op een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen voorgeschreven wijze en aangewezen adres, op een door hem ondertekend en volledig ingevuld formulier dat door het Landelijk instituut sociale verzekeringen beschikbaar wordt gesteld, ten minste een opgave betreffende:
a. de werkzaamheden die door hem zijn verricht gedurende de periode waarover door hem aanspraak op uitkering wordt gemaakt;
b. de inkomsten die door hem al dan niet uit bedoelde werkzaamheden over die periode zijn genoten;
c. de sollicitaties die door hem gedurende die periode zijn verricht.

 

Art. 5.
-1. De werknemer ten aanzien van wie aangifte van werkloosheid is gedaan:
a. verschijnt op een aangegeven plaats en tijd op verzoek van het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
b. verschijnt op verzoek van het Landelijk instituut sociale verzekeringen dagelijks één of meerdere malen op een aangegeven plaats en tijd ter ondertekening van een controlelijst;
c. is aanwezig op zijn woon- of verblijfplaats op door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan te wijzen uren;
d. maakt controle door inspecteurs, die zich met een daartoe strekkende machtiging kunnen legitimeren, mogelijk;
e. neemt, indien hij niet bereikbaar is op zijn woon- of verblijfplaats, de mededelingen op de door de inspecteur aldaar achtergelaten kaart in acht;
f. geeft van een wijziging in zijn woon- of verblijfplaats onverwijld kennis aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
g. verleent inzage en verstrekt tegen kostprijs kopieën, op verzoek van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, van boeken, bescheiden, stukken en andere gegevensdragers, voor zover deze betekenis kunnen hebben voor het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.
-2. De werknemer ten aanzien van wie aangifte van werkloosheid is gedaan, volgt, ook nadat hij uitkering ontvangen heeft, ten behoeve van de uitvoering van de Werkloosheidswet de verplichtingen gesteld in het eerste lid, onderdeel a en g, op.

 

 

§ 3.  Vakantie

 

Art. 6.
-1. De werknemer ten aanzien van wie aangifte van werkloosheid is gedaan en die voornemens is tijdens de duur van de uitkering met vakantie te gaan, doet zo spoedig mogelijk vóór de aanvang van die vakantie aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen mededeling van de voorgenomen duur van de vakantie en van de periode waarin deze zal plaatsvinden.
-2. De werknemer doet terstond mededeling aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen van overschrijding van de voorgenomen duur van de vakantie.

 

 

§ 4.  Betaling van de uitkering door tussenkomst van de werkgever

 

Art. 7.
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan toestaan dat de aangifte, bedoeld in artikel 2, eerste lid, namens de werknemer door de werkgever wordt gedaan en dat de betaling van de uitkering door tussenkomst van de werkgever plaatsvindt, indien de werknemer, terwijl de dienstbetrekking voortduurt, werkloos is geworden uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden, of als gevolg van een werktijdverkorting, waarvoor ingevolge artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 vergunning is verleend.
-2. De werkgever aan wie is toegestaan aangifte te doen van werkloosheid als bedoeld in het eerste lid, houdt een overeenkomstig de daaraan door het Landelijk instituut sociale verzekeringen gestelde eisen ingerichte administratie aan van de dagen waarop en de uren gedurende welke de werknemer of werknemers, namens wie hij genoemde aangifte heeft gedaan, uitsluitend als gevolg van de in het eerste lid genoemde omstandigheden niet hebben gewerkt.
-3. De werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming is verleend, doet aangifte overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en draagt er zorg voor dat de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aanvraag van ieder van de werknemers op wie de aangifte betrekking heeft, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, tweede en derde lid, wordt ingediend.
-4. De werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming is verleend, zendt de in artikel 4 bedoelde opgave van ieder van de werknemers namens wie hij aangifte van werkloosheid heeft gedaan, tegen een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan te geven tijdstip aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, op het in artikel 4 genoemde en door de betrokken werknemer ondertekende formulier.
-5. Indien de werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming is verleend één of meer verplichtingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten om de door de werkgever als voorschot op de uitkering aan de werknemer of werknemers gedane betalingen geheel of gedeeltelijk niet te vergoeden.
-6. Indien en voor zover de in het vijfde lid bedoelde betalingen naar het oordeel van het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten onrechte zijn vergoed in verband met het feit dat door de werkgever niet of niet behoorlijk is voldaan aan één of meer verplichtingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten om deze vergoeding geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. De werkgever is alsdan verplicht binnen een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vast te stellen termijn aan deze vordering te voldoen.

 

 

§ 5.  Voorschotten

 

Art. 8.
-1. De werknemer op wie het bepaalde in artikel 31, derde lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is, maakt op verzoek van het Landelijk instituut sociale verzekeringen zijn eventuele aanspraak naar burgerlijk recht geldend.
-2. De in het eerste lid bedoelde werknemer dient, op verzoek van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, zo spoedig mogelijk bij de bevoegde gemeente een aanvraag om bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Stb. 1995, 199) in.
-3. De in het eerste lid bedoelde werknemer machtigt het Landelijk instituut sociale verzekeringen desgevraagd tot het in ontvangst nemen van de gelden die hij, over de periode waarover voorschotten zijn verleend, ontvangt van degene jegens wie hij zijn aanspraak naar burgerlijk recht tracht geldend te maken, indien en voor zover deze gelden loon zijn of geacht kunnen worden loon te zijn en tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschotten.
-4. De in het eerste lid bedoelde werknemer machtigt het Landelijk instituut sociale verzekeringen desgevraagd tot het in ontvangst nemen van de bijstand die hij van de in het tweede lid bedoelde gemeente ontvangt, indien en voor zover deze bijstand betrekking heeft op de periode waarover voorschotten zijn verleend en tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschotten.
-5. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan aan de betaling van voorschotten als bedoeld in artikel 31, derde lid, van de Werkloosheidswet andere voorschriften verbinden.

 

 

§ 6.  Samenloop met inkomsten uit of in verband met arbeid

 

Art. 9.
-1. Onverminderd hetgeen elders bij of krachtens de Werkloosheidswet is bepaald omtrent (het recht op) loondoorbetaling, wordt op de uitkering geheel in mindering gebracht loon uit dienstbetrekking dat de werknemer geniet zonder hiervoor te werken.
-2. Het tweede en zesde lid van artikel 34 van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde loon.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt bij het daar bedoelde loon de overhevelingstoeslag op dat loon, bedoeld in artikel 1 van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies (Stb. 1989, 128), buiten beschouwing gelaten.

 

Art. 10.
-1. Onder de in artikel 35 van de Werkloosheidswet bedoelde verdiensten worden verstaan de bruto verdiensten.
-2. In geval van nachtarbeid wordt voor de toepassing van artikel 35 van de Werkloosheidswet de werknemer geacht deze arbeid geheel te hebben verricht in de kalenderweek waarin de nachtarbeid is aangevangen.

 

 

§ 7.  Bijdragen aan sociale fondsen

 

Art. 11.
-1. Indien in het dagloon een vakantiewaarde is opgenomen, wordt gedurende de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 18, eerste lid, en 42, tweede lid, van de Werkloosheidswet dan wel gedurende de eerste zes maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Werkloosheidswet, de aan de werknemer toekomende uitkering gedeeltelijk uitbetaald aan het desbetreffende vakantiefonds dan wel verstrekt in de vorm van een vakantiezegel of vakantiebon die de werknemer vóór aanvang van zijn werkloosheid genoot ingevolge de op hem van toepassing zijnde loonregeling.
-2. De in het eerste lid bedoelde betaling bedraagt de uitkering over de betreffende dag, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de vakantiewaarde die is begrepen in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht als dagloon zou zijn berekend indien bij die berekening artikel 9, eerste en negende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zou zijn toegepast en waarvan de noemer gelijk is aan het bedrag dat bij het ontstaan van het recht als dagloon zou zijn berekend indien bij die berekening artikel 9, eerste en negende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zou zijn toegepast.
-3. Indien het dagloon is vastgesteld met toepassing van artikel 11, derde of vierde lid, van het Bijzonder Dagloonbesluit IWS Bouwnijverheid dat krachtens artikel 7 van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 geldt als besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, is, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, de teller van de in het tweede lid bedoelde breuk gelijk aan de vakantiewaarde die is begrepen in het bedrag dat bij het ontstaan van het secundair recht als secundair dagloon zou zijn berekend indien bij die berekening artikel 9, eerste en negende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zou zijn toegepast.
-4. In afwijking van het eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen bepalen dat het bedrag van de volgens dat lid te verstrekken vakantiezegel of vakantiebon ten gunste van de werknemer wordt overgemaakt aan het desbetreffende vakantiefonds.

 

Art. 12.
-1. Indien een werknemer laatstelijk vóór het ontstaan van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet werkzaam was in een van de sectoren 3, 4, 56, 57, 58, 59 of 60 van de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren (Stcrt. 1997, 41) en in het dagloon een werknemersaandeel in de pensioenpremie is opgenomen, wordt gedurende de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 18, eerste lid, en 42, tweede lid, van de Werkloosheidswet dan wel gedurende de eerste zes maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Werkloosheidswet, de aan de werknemer toekomende uitkering gedeeltelijk uitbetaald aan de desbetreffende pensioenverzekeraar.
-2. De in het eerste lid bedoelde betaling bedraagt de uitkering over de betreffende dag, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het werknemersaandeel in de pensioenpremie die is begrepen in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht als dagloon zou zijn berekend indien bij die berekening artikel 9, eerste en negende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zou zijn toegepast en waarvan de noemer gelijk is aan het bedrag dat bij het ontstaan van het recht als dagloon zou zijn berekend indien bij die berekening artikel 9, eerste en negende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zou zijn toegepast.
-3. Indien het dagloon is vastgesteld met toepassing van artikel 11, derde of vierde lid, van het Bijzonder Dagloonbesluit IWS Bouwnijverheid dat krachtens artikel 7 van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 geldt als besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, is, in afwijking van het tweede lid, de teller van de in het tweede lid bedoelde breuk gelijk aan het werknemersaandeel in de pensioenpremie die is begrepen in het bedrag dat bij het ontstaan van het secundair recht als secundair dagloon zou zijn berekend indien bij die berekening artikel 9, eerste en negende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zou zijn toegepast.

 

Art. 13.
-1. Zolang in het dagloon van de werknemer op wie laatstelijk vóór het ontstaan van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet de CAO voor het Bouwbedrijf van toepassing was een werknemersaandeel in de invaliditeitspensioenpremie was opgenomen en wiens uitkeringsduur wordt bepaald op grond van artikel 18, eerste lid, of 42 van de Werkloosheidswet, wordt gedurende het eerste jaar van werkloosheid de aan de werknemer toekomende uitkering gedeeltelijk betaald aan de desbetreffende pensioenverzekeraar.
-2. De in het eerste lid bedoelde betaling wordt berekend overeenkomstig de berekening van het werknemersaandeel in de invaliditeitspremie volgens de CAO voor het Bouwbedrijf, waarbij onder premieloon WAO wordt verstaan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarnaar premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt geheven.

 

 

§ 8.  Slotbepalingen

 

Art. 14.
De uitkeringsreglementen van de bedrijfsverenigingen, die krachtens artikel 7 van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 gelden als besluiten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, worden ingetrokken.

 

Art. 15.
Dit reglement treedt in werking met ingang van 1 november 1997. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 oktober 1997, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 16.
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitkeringsreglement WW 1997.

 

 

     Dit reglement zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 17 september 1997.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

TOELICHTING
[17 september 1997]

 

Algemeen

 

A. Inleiding

     Krachtens artikel 101, eerste lid, WW dient het Landelijk instituut sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] een uitkeringsreglement vast te stellen. Aanleiding om een nieuw uitkeringsreglement WW vast te stellen is de wijziging geweest ingaande 1 maart 1997 van dit artikel 101 WW door de Invoeringswet Osv 1997 (Stb. 1997, 96). Daarbij werd, naast andere wijzigingen, in het eerste lid het Landelijk instituut sociale verzekeringen aangewezen als orgaan om een uitkeringsreglement vast te stellen in plaats van elke bedrijfsvereniging. Vóór 1 maart 1997 hadden alle bedrijfsverenigingen uitkeringsreglementen vastgesteld, waarbij de bedrijfsverenigingen grotendeels gebruik hebben gemaakt van het model-uitkeringsreglement (Circulaire C 815, laatstelijk gewijzigd d.d. 26 februari 1992) van de Federatie van Bedrijfsverenigingen [FBV, red.]. De bedrijfsverenigingen konden, indien zij gebruik maakten van de bepalingen van dit model-uitkeringsreglement, vooraf rekenen op goedkeuring van deze bepalingen.


B. Uitgangspunten

     De wet schrijft voor dat het uitkeringsreglement geen bepalingen mag bevatten die strijdig zijn met de wet en de daarop berustende bepalingen (artikel 101, derde lid, WW). Voorts geeft artikel 101, tweede lid, WW aan over welke onderwerpen het uitkeringsreglement in elk geval bepalingen dient te bevatten. De Invoeringswet Osv 1997 heeft met name in formeel opzicht de wijziging met zich meegebracht dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen een uitkeringsreglement moet vaststellen welke in de plaats dient te komen voor de diverse uitkeringsreglementen van de bedrijfsverenigingen. In inhoudelijk opzicht is alleen de verder niet relevante zinsnede komen te vervallen dat het uitkeringsreglement niet in strijd mocht zijn met de statuten van de bedrijfsvereniging. Omdat er inhoudelijk geen relevante wijzigingen zijn aangebracht met betrekking tot de onderwerpen die in het uitkeringsreglement geregeld dienden te worden, heeft het model-uitkeringsreglement van de FBV aan de basis gestaan van het onderhavige reglement, omdat de bepalingen van dit model-uitkeringsreglement hun waarde in de praktijk hebben bewezen en de in het verleden vereiste goedkeuring hebben verkregen. Voorts is als uitgangspunt gekozen dat het uitkeringsreglement zoveel mogelijk van algemene strekking diende te zijn, derhalve geldend voor elke uitkeringsgerechtigde, ongeacht de sector van het bedrijfs- of beroepsleven waarbij zijn werkgever is aangesloten. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een aantal dubbele regelingen te schrappen. In vergelijking met het model-uitkeringsreglement zijn ook een aantal bepalingen, met name controlebepalingen, komen te vervallen omdat er in de uitvoeringspraktijk geen behoefte meer aan bleek te bestaan.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 2

     De in dit artikel opgenomen bepalingen zijn aanvullende bepalingen op de administratieve verplichtingen die op de werknemer rusten krachtens artikel 26, eerste lid, onderdeel a, b, c en d, van de Werkloosheidswet. Krachtens deze bepalingen is de werkloos geworden werknemer onder meer verplicht uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid aangifte te doen van zijn werkloosheid. In het onderhavige artikel worden een aantal voorschriften gegeven die van belang zijn voor de administratieve stroomlijning van het proces van verwerking van de aanvraag. De gegeven voorschriften gelden voor elk nieuw ontstaan recht op werkloosheidsuitkering. Het eerste lid van artikel 2 geeft aan op welk adres de werknemer aangifte moet doen. Het is een taak van de uitvoeringsinstellingen om de adressen waar de werknemer aangifte moet doen of een aanvraag moet indienen, nader bekend te maken aan werknemers en werkgevers. Het tweede lid van dit artikel 2 schrijft voor dat de werknemer zijn aanvraag indient op een speciaal daartoe beschikbaar gesteld formulier, waarop de gewenste gegevens voor het beoordelen van het recht op uitkering moeten worden vermeld. Voorgeschreven is ook dat de werknemer het aanvraagformulier ondertekent, omdat hij er zich van bewust moet zijn dat hij dient in te staan voor de volledigheid en juistheid van de te verstrekken informatie. Op het aanvraagformulier kan van de werknemer verlangd worden te verklaren dat de opgave naar waarheid is verstrekt en dat geen relevante feiten en omstandigheden zijn verzwegen. Het derde lid van artikel 2 schrijft voor dat door de werknemer bij zijn aanvraag een inschrijvingsbewijs wordt overgelegd, om eenvoudig te kunnen controleren of aan de verplichting tot inschrijving van artikel 26, eerste lid, onderdeel d, van de WW is voldaan.

 

Artikel 3

     In sommige sectoren van het bedrijfs- en beroepsleven is het regel dat de werknemer zorg draagt voor een verklaring waarin zijn werkgever voor zover mogelijk de juistheid en volledigheid van de door hem verstrekte gegevens op het aanvraagformulier bevestigt. In de meeste sectoren wordt door of namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen spontaan aan de werkgever om een dergelijke verklaring gevraagd. Vanwege dit verschil in uitvoering wordt in dit artikel de werknemer de aanvullende plicht opgelegd om, indien hem dit expliciet wordt gevraagd, zorg te dragen voor een dergelijke verklaring. Het betreft hier uitsluitend de bevestiging van de juistheid van de gegevens die de werknemer op het aanvraagformulier heeft moeten verstrekken. Niet is aangegeven op welke periode de gewenste verklaringen of de overzichten betrekking kunnen hebben. Dit is vermeden omdat deze perioden van geval tot geval kunnen variëren. Zo zal ten aanzien van een werknemer die wegens ziekte geen arbeid heeft kunnen verrichten tijdens de referteperiode, over een langere periode dan 39 weken voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag moeten worden bezien of aan de referte-eis van artikel 17, onderdeel a, van de Werkloosheidswet is voldaan. In het verzoek aan de werknemer kan door of namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen nader worden aangegeven welke periode het betreft. In dit kader rust op de werknemer slechts de plicht om voorschriften op te volgen die zijn gesteld ten behoeve van een doelmatige controle.

 

Artikel 4

     In dit artikel is de plicht neergelegd voor de werknemer om tijdens de loop van de uitkering gegevens te verstrekken op een speciaal daarvoor aan hem ter beschikking gesteld formulier, ook werkbriefje genoemd. Het artikel is een aanvulling op de informatieverplichting neergelegd in artikel 25 van de Werkloosheidswet. Uitgangspunt bij het verstrekken van de gegevens is dat dit dient te geschieden door middel van dit werkbriefje. Het belang van dit voorschrift is wederom gelegen in de administratieve stroomlijning van de gegevensverwerking. Op grond van dit artikel dient de werknemer de aan hem gestelde vragen te beantwoorden. Uit de uitvoeringspraktijk van vóór de datum van invoering van dit uitkeringsreglement is gebleken dat er behoefte bestaat, naar gelang de situatie, gericht om specifieke informatie te vragen. Vanwege de duidelijkheid is ervoor gekozen om de voornaamste verplichtingen van de werknemer betreffende dit werkbriefje expliciet in het artikel zelf op te nemen. Dit betekent dat de werknemer vóór elke periodieke betaling van uitkering verplicht is over de desbetreffende periode een volledig ingevuld werkbriefje in te leveren op een daarvoor aangewezen adres. Op grond van dit artikel kan tevens van de werknemer verlangd worden dit in persoon te doen. Voorgeschreven is ook hier dat de werknemer het werkbriefje ondertekent, omdat hij er zich van bewust moet zijn dat hij dient in te staan voor de volledigheid en juistheid van de te verstrekken informatie. Op het werkbriefje kan tevens van de werknemer verlangd worden te verklaren dat de opgave naar waarheid is verstrekt en dat geen relevante feiten en omstandigheden zijn verzwegen.

 

Artikel 5

     In dit artikel zijn een aantal controlemaatregelen, die de werknemer moet opvolgen, nader geconcretiseerd. Het voorschrift in onderdeel a om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen is niet louter ingegeven uit een oogpunt van controle, zoals het geval is met het voorschrift in onderdeel b, maar dient met name om een gesprek mogelijk te maken met de werknemer over andere onderwerpen die op de uitvoering van de Werkloosheidswet betrekking hebben, zoals reïntegratie. Onderdelen c, d, en e van het eerste lid gaan ervan uit dat een werknemer thuis controle mogelijk moet maken. Niet is voorgeschreven dat de werknemer bij voortduring zich beschikbaar moet houden voor controle, noch dat de werknemer bij voortduring thuis bereikbaar moet zijn of dat de inspecteur kan vernemen, bijvoorbeeld uit achtergelaten mededelingen, waar de werknemer wel bereikbaar is. Wel is voorgeschreven dat de werknemer op aangegeven uren thuis dient te zijn, alsmede dat hij de aanwijzingen moet opvolgen die de inspecteur achterlaat op een kaartje in het geval hij niet thuis is. Deze aanwijzingen kunnen ertoe strekken om wel controle mogelijk te maken, bijvoorbeeld door alsnog een tijdstip voor te schrijven waarop de werknemer thuis dient te zijn.
     Aan zijn verplichting om tegen kostprijs kopieën te verstrekken kan de werknemer ook voldoen door de desbetreffende documenten ter beschikking te stellen aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, zodat kopieën kunnen worden vervaardigd. Met andere gegevensdragers wordt met name gedoeld op digitale gegevensdragers.
     In het tweede lid worden twee van deze controlevoorschriften, ten behoeve van de uitvoering van de Werkloosheidswet, ook van toepassing verklaard op de werknemer die geen uitkering meer ontvangt. Uit een oogpunt van controle kan het van belang zijn dat ook de werknemer die geen uitkering meer ontvangt, bijvoorbeeld omdat de betaling van de uitkering is geschorst of omdat het recht op uitkering is geëindigd, kan worden opgeroepen voor een gesprek of verplicht kan worden om inzage te verlenen in bepaalde documenten.

 

Artikel 6

     Met betrekking tot de verplichtingen van de werknemer in verband met vakantie is alleen opgenomen dat de werknemer begin, duur en einde van de vakantie dient te melden. De werknemer behoeft derhalve geen toestemming voor een vakantie te vragen aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Afgezien is van de mogelijkheid om vakantie te weigeren wegens het schaden van kansen op de arbeidsmarkt. Niet alleen omdat in het verleden van die mogelijkheid niet of uiterst zelden gebruik werd gemaakt, maar ook omdat andere bepalingen reeds waarborgen dat de werknemer zijn kansen op de arbeidsmarkt waarneemt, zoals de bepaling dat de werknemer voorkomt dat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Dit artikel dient derhalve uitsluitend controledoeleinden. Met betrekking tot de termijn waarbinnen de werknemer mededeling dient te doen van zijn vakantie is slechts opgenomen dat de werknemer dit zo spoedig mogelijk dient te doen. Het is derhalve mogelijk dat een zeer korte termijn ligt tussen het nemen van een beslissing omtrent vakantie en het uitvoering daaraan geven. De werknemer zal er wel rekening mee dienen te houden dat de uitvoeringsinstellingen in het algemeen een termijn van twee weken nodig zullen hebben om vast te stellen gedurende welke periode de werknemer met behoud van uitkering op vakantie kan gaan. Het is aan de uitvoeringsinstellingen om de werknemer te informeren over de benodigde tijd, alsmede over de rechtsgevolgen die het nemen van vakantie op zeer korte termijn voor de werknemer kan hebben.

 

Artikel 7

     In het eerste lid wordt omschreven in welke twee situaties toegestaan kan worden dat betaling van de uitkering plaatsvindt door tussenkomst van de werkgever en in verband daarmee wanneer toegestaan kan worden dat aangifte van werkloosheid namens de werknemer wordt gedaan door de werkgever. Deze toestemming kan alleen worden verleend indien de werknemer nog in dienst is bij de werkgever. In de leden twee, drie en vier van dit artikel wordt omschreven welke administratieve verplichtingen voor de werkgever verbonden zijn aan die toestemming. Ingevolge het vijfde lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten bij overtreding van één of meer van deze verplichtingen de gedane betalingen geheel of gedeeltelijk niet te vergoeden. Voor die gevallen waarin er reeds ten onrechte een vergoeding aan de werkgever is betaald, is in het zesde lid de bevoegdheid opgenomen om tot gehele of gedeeltelijke terugvordering over te gaan.

 

Artikel 8

     De werking van dit artikel 8 is in twee opzichten beperkt. Dit artikel heeft alleen betrekking op de werknemer als bedoeld in artikel 31, derde lid, van de Werkloosheidswet. In de tweede plaats is de werknemer alleen gehouden de verplichtingen van dit artikel op te volgen, indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen expliciet daarom verzoekt of, in het geval van het vijfde lid, dit mededeelt. Het vijfde lid is opgenomen om in voorkomende gevallen het mogelijk te maken andere verplichtingen aan de werknemer op te leggen, zoals het periodiek informeren van het Landelijk instituut sociale verzekeringen omtrent de stand van zaken van het geldend maken van de aanspraak naar burgerlijk recht. Dit artikel heeft ook betrekking op de werknemer op wie artikel 31, derde lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is via artikel 52j van de Werkloosheidswet.

 

Artikel 9

     Het eerste lid ziet op de situatie dat een werknemer, terwijl hij uitkering ontvangt, loon geniet uit een dienstbetrekking zonder daarvoor te werken. Dit lid is een aanvulling op het bepaalde in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de WW in verbinding met artikel 20, derde en vierde lid, van de WW en op het bepaalde in artikel 35 van de WW. Indien een werknemer, terwijl hij uitkering ontvangt, gaat werken, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal uren werkhervatting, dan wel wordt, bij een werkhervatting voor een beperkt aantal uren, 70% van de inkomsten uit die arbeid in mindering gebracht op de uitkering. Aan deze bepalingen kan alleen toepassing worden gegeven indien er feitelijk werkzaamheden worden verricht. In de wet is niet voorzien in de situatie dat een werknemer inkomsten heeft uit een dienstbetrekking zonder dat hij feitelijk werkzaamheden vervult, behoudens de regeling op grond van artikel 20, zesde lid, van de WW waarin uren waarin de werknemer zonder te werken loon heeft ontvangen worden gelijkgesteld met arbeidsuren. Het eerste lid maakt anticumulatie in deze gevallen mogelijk.
     De overhevelingstoeslag dient te worden verleend op de som van het inkomen, uit verzekeringsplichtige arbeid en aan uitkering, van de werknemer. Het derde lid verhindert dat rekenkundig met de verleende overhevelingstoeslag op een deel van het inkomen rekening wordt gehouden.

 

Artikelen 11 tot en met 13

     Deze artikelen zijn een uitwerking van het in artikel 101, tweede lid, onderdeel e, van de WW neergelegde voorschrift dat het uitkeringsreglement bepalingen dient te bevatten waarin het betalen van een deel van de uitkering in de vorm van bijdragen aan sociale fondsen is geregeld. Aanvullingen die krachtens een CAO op deze betalingen of verstrekkingen worden verleend, kunnen in dit kader buiten beschouwing blijven. Vakantiewaarden komen nog slechts voor in een beperkt aantal sectoren van het beroeps- en bedrijfsleven, namelijk in de agrarische sector en de hierna genoemde sectoren verwant aan de bouwnijverheid. Betalingen van delen van pensioenpremies aan pensioenverzekeraars komen alleen voor in de bouwnijverheid, te weten de sectoren Bouwbedrijf, Baggerbedrijf, Schildersbedrijf, Stukadoorsbedrijf, Dakdekkersbedrijf, Mortelbedrijf en Steenhouwersbedrijf. Betaling van een deel van het werknemersdeel van de invaliditeitspensioenpremie, gedurende het eerste jaar van werkloosheid, aan een sociaal fonds komt alleen voor bij werknemers op wie laatstelijk de CAO voor het Bouwbedrijf van toepassing was.
     Het eerste lid van artikel 11 bepaalt dat gedurende een bepaalde periode het deel van de uitkering dat betrekking heeft op vakantiewaarden, vakantiebonnen en vakantiezegels wordt betaald aan vakantiefondsen.
     De hoogte van de vakantiewaarde wordt berekend overeenkomstig de regels gesteld in de bijzondere dagloonbesluiten, zoals die getroffen zijn krachtens artikel 34, vijfde lid, Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid voor één of meer bijzondere groepen van werknemers.
     In het tweede lid wordt bepaald dat niet de volledige vakantiewaarde aan het desbetreffende vakantiefonds wordt betaald. Het van de vakantiewaarde uit te betalen bedrag komt overeen met 70% van de vakantiewaarde, zoals die in het dagloon is begrepen. Die waarde kan afwijken van de vakantiewaarde zoals de werkgever deze bij werken dient te betalen aan het vakantiefonds, bijvoorbeeld omdat het maximumdagloon of een garantiedagloon is aangehouden en de vakantiewaarde dienovereenkomstig is aangepast.
     Op grond van het tweede lid van artikel 11 wordt bij de betaling van de vakantiewaarde naar evenredigheid rekening gehouden met onder meer deelrechten en kortingen op de uitkering in verband met inkomsten.
     Met bijzondere situaties, zoals met de berekening van de vakantiewaarde bij de dagloongarantieregeling, is in de bijzondere dagloonregels voor de bouwnijverheid rekening gehouden.
     Hetgeen hiervoor is gesteld voor de vakantiewaarden geldt mutatis mutandis ook voor pensioenpremies. Voor de werknemers die laatstelijk voor hun werkloosheid werkzaam waren in de hiervoor genoemde sectoren in de bouwnijverheid wordt een deel van de uitkering besteed aan pensioenpremie. Dit deel wordt rechtstreeks betaald aan de pensioenverzekeraar. De berekening is geheel gelijk aan die van de vakantiewaarden.
     Op grond van het bepaalde in artikel 13 wordt voor de werknemers op wie laatstelijk de CAO voor het Bouwbedrijf van toepassing was en in wiens dagloon invaliditeitspensioen is opgenomen, bepaald dat de uitkering gedeeltelijk wordt betaald aan de desbetreffende pensioenverzekeraar.
     Het tweede lid verwijst voor de berekening van de hoogte van de betaling naar die CAO.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x