Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2001

 

BESLUIT  SUBSIDIEVERSTREKKING  WW

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2002
(art. I, onderdeel X, ISUWI)

 
 

28 april 1999, Stb. 1999, 200
Inwerkingtreding: 12 mei 1999
(T.a.v. art. 69 WW)

 

 

 

 
BESLUIT van 28 april 1999, houdende regels die het Landelijk instituut sociale verzekeringen in acht moet nemen bij de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 69 Ļ van de Werkloosheidswet (Besluit subsidieverstrekking WW)

1. Ingevolge artikel 43, onderdeel X, Invoeringswet SUWI is artikel 69 WW met ingang van 1 januari 2002 komen te vervallen en worden subsidies als de onderhavige met ingang van die datum op grond van artikel 20, eerste lid, Wet SUWI nader geregeld in de Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers, red.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 19 februari 1999, nr. SV/WV/99/1380;
     Gelet op artikel 69 van de Werkloosheidswet;
     De Raad van State gehoord (advies van 19 maart 1999, nr. W12.99.0079/IV);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 23 april 1999, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/99/15992;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. Algemene begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Lisv: Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
b. WW-uitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

 

Art. 2. Subsidiedoel
-1. Subsidie voor tijdelijke projecten die ten doel hebben het beroep op een WW-uitkering terug te dringen, wordt slechts verleend, indien de subsidieaanvrager:
a. aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van de voorgenomen activiteiten het aantal werknemers met recht op WW-uitkering gedurende het tijdvak waarin die activiteiten worden verricht, vermindert; of
b. heeft aangetoond dat het activiteiten betreft die zijn gericht op de ontwikkeling van nieuwe methoden om sectorspecifieke problemen ter zake van het ontstaan van werkloosheid te bestrijden.
-2. Subsidie wordt slechts verleend indien de subsidieaanvrager heeft aangetoond dat het project vernieuwende elementen bevat dan wel een feitelijk nieuwe combinatie van bestaande of nieuwe elementen.
-3. Geen subsidie wordt verleend, indien:
a. het aannemelijk is dat de voorgenomen activiteiten leiden tot oneerlijke concurrentie; of
b. de voorgenomen activiteiten bestaan uit het geven of doen geven van voorlichting.

 

Art. 3. Subsidieplafond
Het Lisv stelt per wachtgeldfonds, alsmede voor het Uitvoeringsfonds voor de overheid, een subsidieplafond vast, daarbij geadviseerd door de sectorraden, bedoeld in artikel 56 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.

 

Art. 4. Subsidieverlening
Subsidie wordt slechts verleend, indien de subsidieaanvrager:
a. zijn aanvraag heeft onderbouwd met een projectplan en een begroting;
b. aannemelijk heeft gemaakt dat zijn financiŽle middelen, met inbegrip van de subsidie, voldoende zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren;
c. een zodanige werkwijze toepast dat redelijkerwijs mag worden verwacht dat de met de subsidie beoogde doeleinden zullen worden bereikt;
d. geen reŽle mogelijkheden heeft om op andere wijze de benodigde gelden te verkrijgen;
e. aannemelijk heeft gemaakt dat de subsidiabele activiteiten voldoende kunnen worden beÔnvloed in kwalitatieve en kwantitatieve zin;
f. ervan mededeling doet indien hij voor dezelfde subsidiabele activiteiten tevens subsidie van een ander bestuursorgaan heeft aangevraagd of ontvangt, dan wel in verband daarmee van anderen inkomsten verwerft, in welk geval met die andere subsidies of inkomsten rekening wordt gehouden bij de subsidieverstrekking.

 

Art. 5. Wijziging uitgaven of ontvangsten
Blijkt tijdens de uitvoering van de subsidiabele activiteiten dat de werkelijke daarop betrekking hebbende uitgaven of ontvangsten aanzienlijk lager blijven dan wel hoger zijn dan de bedragen opgenomen in de begroting die aan de beschikking tot subsidieverlening ten grondslag ligt, dan deelt de subsidieontvanger dit zo spoedig mogelijk mee aan het Lisv, onder opgave van de verschillen en de oorzaken daarvan. Wijzigingen in het projectplan behoeven de toestemming van het Lisv.

 

Art. 6. Verplichtingen subsidieontvanger
-1. Het Lisv verbindt aan subsidieverlening in ieder geval de verplichtingen:
a. dat de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd conform het projectplan;
b. dat de subsidieontvanger zo spoedig mogelijk, onder overlegging van de relevante stukken, schriftelijk mededeling doet aan het Lisv van omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de beslissing omtrent de subsidie;
c. dat de subsidieontvanger een administratie voert die voldoet aan de eisen dat:
1ļ. de inrichting aansluit bij de ingediende en goedgekeurde begroting en het projectplan, en de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de subsidiabele activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking;
2ļ. de juistheid en volledigheid van de financiŽle gegevens er op eenvoudige wijze uit kunnen worden opgemaakt;
d. dat, indien het Lisv tussentijdse rapportages verlangt over de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten of over de besteding van de subsidie, deze rapportages uiterlijk ťťn maand na het verstrijken van de periode waarop de rapportage betrekking heeft, dienen te worden verstrekt; en
e. dat de subsidieontvanger aan het Lisv op verzoek inzage geeft van de in onderdeel c bedoelde administratie en alle inlichtingen verstrekt die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om een juist inzicht te verkrijgen in de uitvoering van het projectplan, de besteding van de subsidie en de mate waarin het project bijdraagt aan terugdringing van het beroep op een WW-uitkering.
-2. Het Lisv kan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

 

Art. 7. Informatieplicht Lisv
Het Lisv rapporteert jaarlijks vůůr 1 mei aan Onze Minister over het bedrag aan de in het voorafgaande kalenderjaar verstrekte subsidies, de aard van die subsidies, de effectiviteit daarvan en de mate waarin de in de betrokken projecten geformuleerde doelstellingen zijn bereikt.

 

Art. 8. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 9. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieverstrekking WW.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 28 april 1999

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst

 

Uitgegeven de elfde mei 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[28 april 1999]

 

Algemeen

 

     In de Veegwet SZW 1998 is, met de introductie van de artikelen 69 en 90, eerste lid, onderdeel j, van de Werkloosheidswet (WW), voorzien in een financieringsbron voor activiteiten die tot een verlaging van het volume in de WW kunnen leiden, doch die binnen de reguliere uitvoering van de WW niet financierbaar zijn. In artikel 69 van de WW is bepaald dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.], met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, subsidies kan verstrekken voor tijdelijke projecten die ten doel hebben het beroep op een uitkering op grond van de WW terug te dringen. In artikel 90 wordt geregeld dat die subsidies ten laste komen van de wachtgeldfondsen.
     In dit besluit wordt de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69 van de WW, vastgesteld. In dit besluit worden enkele randvoorwaarden en verplichtingen omschreven die door het Lisv bij alle subsidieverstrekkingen op grond van artikel 69 van de WW in acht moeten worden genomen. Bovendien is een aantal bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks van toepassing op de subsidieverhouding; dit betreft o.a. de rechtsgevolgen van het stellen van een subsidieplafond, algemene gronden om subsidie te kunnen weigeren en de mogelijkheid tot lagere vaststelling, wijziging en intrekking van de subsidie (zie de toelichting bij artikel 5). Daarnaast bevat de Awb nadere keuzemogelijkheden voor het bestuursorgaan, in casu het Lisv. Op verscheidene andere plaatsen in de toelichting wordt ingegaan op de relevante Awb-bepalingen.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2. Subsidiedoel

     Met het doel van artikel 69 van de WW, namelijk de terugdringing van de volumeontwikkeling in de WW, is tegelijkertijd de belangrijkste subsidievoorwaarde gegeven.
     In de daartoe op te stellen subsidieaanvraag dient dit aspect uitvoerig aandacht te krijgen.
     Het Lisv kan slechts subsidie verlenen, indien:
1. aannemelijk wordt gemaakt dat door de voorgenomen activiteiten het aantal WW-gerechtigden vermindert doordat, gedurende het tijdvak waarin die activiteiten worden verricht, de instroom in de WW wordt beperkt dan wel dat de uitstroom uit de WW naar arbeid wordt bevorderd. Dit is bijvoorbeeld het geval als aannemelijk kan worden gemaakt dat als gevolg van de activiteiten die voortvloeien uit het project een versnelde uitstroom naar een andere sector leidt tot een verlaging van het aantal WW-gerechtigden, of door gezamenlijke inspanning van meer sectoren, bijvoorbeeld door onderlinge uitwisseling van personeel, het aantal WW-ers vermindert (poolconstructies, uit- en inlenen van personeel, etc.). Toetssteen hiervan is met name de aannemelijkheid dat de baten die aan het project kunnen worden toegerekend (in termen van verminderde WW-uitgaven) de kosten daarvan overtreffen; of
2. aangetoond wordt dat het activiteiten betreft die gericht zijn op de ontwikkeling van vernieuwende methoden om sectorspecifieke problemen ter zake van het ontstaan van werkloosheid te bestrijden. Bijvoorbeeld het opzetten van risicofondsen, het bestrijden van werkloosheid als gevolg van onwerkbaar weer, etc.
     Voorts moet, op grond van het tweede lid, de subsidieaanvrager aantonen dat het voorgestelde project feitelijk vernieuwende elementen bevat dan wel leidt tot feitelijk vernieuwende elementen. Dat wil zeggen, elementen die nog niet eerder zijn uitgeprobeerd of nog niet in een dergelijke combinatie zijn verkend of nog niet in een duidelijk afwijkende context van de bedrijfstak zijn onderzocht.
     Het Lisv kan evenwel geen subsidie verlenen indien aannemelijk is dat de voorgenomen activiteiten in het kader van het project leiden tot oneerlijke concurrentie of de activiteiten betrekking hebben op het geven van voorlichting.
     Uiteraard kan geen subsidie worden verleend als de voorgenomen activiteiten leiden tot contra-legemuitvoering van de WW.

 

Artikel 3. Subsidieplafond

     In dit artikel is dwingend voorgeschreven dat door het Lisv per wachtgeldfonds een subsidieplafond wordt vastgesteld, daarbij geadviseerd door de sectorraden. De vaststelling van een subsidieplafond geschiedt bij afzonderlijk besluit van het Lisv. Gelet op de omschrijving van het begrip "subsidieplafond" in de Awb, wordt bij de vaststelling daarvan tevens bepaald voor welk tijdvak het subsidieplafond geldt. Ingevolge artikel 4:25 van de Awb wordt een subsidie geweigerd, voor zover door verstrekking daarvan het subsidieplafond zou worden overschreden.
     In artikel 116 van de WW zal, door middel van wetswijziging, worden bepaald dat de door het Lisv vastgestelde subsidieplafonds de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid behoeven.

 

Artikel 4. Subsidieverlening

     In dit artikel worden enkele algemene subsidievoorwaarden geformuleerd.
     Subsidieverstrekking vindt op aanvraag plaats. De aanvraag moet worden onderbouwd met een projectplan en een daarbij behorende begroting. Het projectplan en de begroting vormen de basis voor de subsidieverlening en (na verantwoording achteraf) voor de subsidievaststelling (zie artikel 5). Voorts worden enkele voorwaarden geformuleerd die erop gericht zijn voldoende zeker te stellen dat de doelstelling van het project wordt bereikt en dat niet meer subsidie wordt verstrekt dan strikt noodzakelijk is. Uiteraard vindt, indien niet aan alle voorwaarden is voldaan, weigering van de subsidie niet plaats dan na overleg met de aanvrager. Daarbij is van belang dat indien een aanvraag onvolledig is of de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld binnen een daarbij bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen (artikelen 3:18 en 4:5 van de Awb). In artikel 4:35 van de Awb worden enkele andere gronden genoemd die kunnen leiden tot weigering van de subsidie, namelijk indien er gegronde verwachting bestaat dat de activiteiten niet zullen plaatsvinden, dat niet zal worden voldaan aan de subsidieverplichtingen of dat geen behoorlijke rekening en verantwoording zal worden afgelegd indien de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of indien hij in staat van faillissement of surseance van betaling verkeert of een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. De artikelen 4:46, 4:48, 4:49 en 4:50 van de Awb regelen voorts dat in een aantal gevallen de subsidie lager kan worden vastgesteld dan bij de subsidieverlening is bepaald en de subsidieverlening of de subsidievaststelling kan worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger kan worden gewijzigd. Het gaat daarbij o.a. over gevallen waarin de gesubsidieerde activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, de subsidieontvanger niet aan de subsidieverplichtingen voldoet of onjuiste gegevens heeft verstrekt of waarin de subsidie op andere gronden onjuist was en de ontvanger dat wist of behoorde te weten. Ook het niet voldoen aan de in dit besluit of een subsidiebeschikking opgenomen verplichtingen kan derhalve tot een intrekking of wijziging aanleiding geven.
     Voor de vaststelling van de hoogte van de subsidie is relevant welke inkomsten of subsidies de subsidieontvanger daarnaast nog ontvangt in verband met de gesubsidieerde activiteiten of de gesubsidieerde resultaten en producten daarvan. Daarom moet hij daarin inzicht bieden bij de aanvraag. Aldus kan het te ontvangen subsidiebedrag worden afgestemd op de overige relevante financiŽle middelen van de aanvrager.

 

Artikel 5. Wijziging uitgaven of ontvangsten

     Een beschikking tot subsidieverlening bevat ingevolge de artikelen 4:30 en 4:31 van de Awb een omschrijving van de activiteiten of output waarvoor subsidie wordt verleend en het subsidiebedrag. De omschrijving van de activiteiten kan later worden uitgewerkt indien dat in de beschikking is bepaald (artikel 4:30, tweede lid, van de Awb). Indien (wat veelal het geval is) geen vast subsidiebedrag wordt verstrekt, wordt de wijze waarop het subsidiebedrag wordt vastgesteld vermeld en het maximaal vast te stellen bedrag (het individuele subsidieplafond; artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het projectplan worden de voorgenomen activiteiten of output en de nagestreefde doelstellingen weergegeven; per activiteit worden de daarvoor benodigde personele en materiŽle middelen vermeld. Om de nodige flexibiliteit in te kunnen bouwen, is bepaald dat het voornemen tot wijzigingen in het projectplan en aanzienlijke afwijking van de begroting moeten worden meegedeeld aan het Lisv. Daarna kan in voorkomende gevallen (indien een begrotingsoverschrijding of een bijstelling van het projectplan redelijk wordt bevonden en er - in geval van meeruitgaven of lagere ontvangsten - uiteraard nog geld beschikbaar is) de beschikking tot subsidieverlening worden aangepast.
     Indien de beschikking niet wordt aangepast, blijft - op grond van artikel 4:46 van de Awb - de oorspronkelijke begroting/projectplan basis voor de uiteindelijke vaststelling. Met betrekking tot outputsubsidiŽring wordt de subsidie vooral gerelateerd aan het projectplan waarin inzicht wordt gegeven over de nagestreefde output. De begroting is daarbij vooral relevant om inzicht te kunnen bieden in de subsidie per eenheid output.

 

Artikel 6. Verplichtingen subsidieontvanger

     Op grond van dit artikel kan het Lisv de subsidieontvanger verplichtingen opleggen. In ieder geval dient het Lisv de onder a tot en met e genoemde verplichtingen op te leggen. Bij de subsidiebeschikking kunnen voorts andere verplichtingen worden opgelegd, die betrekking hebben op de in artikel 4:37 van de Awb opgesomde onderwerpen, of anderszins strekken tot verwezenlijking van het subsidiedoel (artikel 4:38 van de Awb). Zo kunnen bijvoorbeeld verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot de openbaarmaking van de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten. Krachtens artikel 4:40 van de Awb kunnen de verplichtingen na de subsidieverlening nader worden uitgewerkt, voor zover de beschikking tot subsidieverlening dat vermeldt. De belangrijkste verplichting is uiteraard dat de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd overeenkomstig hetgeen in de subsidieverlening op basis van het projectplan (en daarbij behorende begroting) is bepaald en dat de subsidieverplichtingen worden nageleefd. De subsidie moet voorts op doelmatige wijze worden gebruikt voor de subsidiedoeleinden.

 

Artikel 7. Informatieplicht Lisv

     Teneinde de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in staat te stellen kennis te nemen van de uitkomsten van de gesubsidieerde projecten en daar zo nodig beleidsmatig op te reageren, is de verplichting opgenomen voor het Lisv om deze minister jaarlijks vůůr 1 mei te rapporteren over de in het voorafgaande kalenderjaar gesubsidieerde projecten. Deze datum stemt overeen met de datum waarvoor het Lisv met betrekking tot - onder meer - de wachtgeldfondsen jaarlijks de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een opgave dient te doen van de gerealiseerde baten en lasten alsmede de vermogenspositie met betrekking tot het voorafgaande jaar.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x