Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

BESLUIT  VASTSTELLING  PREMIEPERCENTAGE  WACHTGELDFONDSEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. 5.2:3 BW)

 
 
16 december 1998, Stb. 1998, 705
Inwerkingtreding: 1 januari 1999
(T.a.v. artt. 28:1 Wfsv en 85:1 WW)

 

 

 

 
BESLUIT van 16 december 1998 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet, houdende regels voor de premievaststelling wachtgeldfondsen (Besluit vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 23 november 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AVF/98/36134;
     Gelet op artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet;
     De Raad van State gehoord (advies van 3 december 1998, nr. W12.98.0542);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 14 december 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AVF/98/40798;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. Algemene begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. het wachtgeldpremiepercentage: het percentage van het loon dat op grond van artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet wordt vastgesteld ter bepaling van het deel van de premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds;
b. de verzekerde loonsom: het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 84 van de Werkloosheidswet, waarover het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in n jaar ten gunste van een wachtgeldfonds de aldaar bedoelde premies ontvangt, met uitzondering van de uitkeringen en het loon waarop artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is;
c. de ziekengeldlasten: de uitkeringen die op grond van artikel 90, eerste lid, onderdeel c, van de Werkloosheidswet ten laste van een wachtgeldfonds komen alsmede de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over die uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, met uitzondering van hetgeen meer bedraagt dan het op grond van artikel 94, derde lid, van de Werkloosheidswet vastgestelde maximum;
d. de werkloosheidslasten: hetgeen op grond van artikel 90, eerste lid, van de Werkloosheidswet ten laste van een wachtgeldfonds komt, met uitzondering van de ziekengeldlasten en hetgeen meer bedraagt dan het op grond van artikel 94, eerste lid, van de Werkloosheidswet vastgestelde maximum;
e. het lastenplafond: het percentage van de verzekerde loonsom in n jaar, waarin de werkloosheidslasten in dat jaar tot uitdrukking komen, dat op grond van artikel 94, eerste lid, van de Werkloosheidswet wordt vastgesteld als maximum;
f. het jaar: het kalenderjaar;
g. het dekkingssaldo: het verschil tussen het feitelijke vermogen van een wachtgeldfonds en de op grond van artikel 51, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aan te houden reserve.

 

Art. 2. Wijze van vaststelling van het wachtgeldpremiepercentage
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt voorafgaand aan elk jaar een wachtgeldpremiepercentage over dat jaar vast ter dekking van de werkloosheidslasten in dat jaar. Het wachtgeldpremiepercentage bedraagt ten hoogste het lastenplafond.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt voor de dekking van de ziekengeldlasten een opslagpercentage vast waarmee het wachtgeldpremiepercentage met betrekking tot dat wachtgeldfonds wordt verhoogd.
-3. Indien in een wachtgeldfonds op 31 december van het jaar waarin het wachtgeldpremiepercentage wordt vastgesteld naar verwachting van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een positief of negatief dekkingssaldo aanwezig zal zijn, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van het eerste lid, in dat jaar en de daaropvolgende jaren een zodanig wachtgeldpremiepercentage vast dat dat overschot dan wel tekort binnen drie jaar na die datum is ingelopen onderscheidenlijk aangezuiverd.
-4. De toepassing van het derde lid mag er niet toe leiden dat een negatieve wachtgeldpremie wordt geheven.
-5. Voor zover een positief dekkingssaldo door de toepassing van het vierde lid niet binnen de termijn van drie jaar kan worden ingelopen, geldt een zodanig langere termijn tot 31 december van enig jaar dat het overschot wel kan worden ingelopen.
-6. Indien de toepassing van het derde lid leidt tot vaststelling van een wachtgeldpremiepercentage boven het lastenplafond, behoeft de aanzuivering van een negatief dekkingssaldo niet binnen de termijn van drie jaar te geschieden. In dat geval wordt het wachtgeldpremiepercentage vastgesteld op ten minste het lastenplafond.
-7. Indien een wachtgeldfonds bestaat uit onderdelen die niet afzonderlijk worden beheerd, terwijl het deel van de premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds voor elk van die onderdelen afzonderlijk wordt vastgesteld, zijn het eerste tot en met het zesde lid met betrekking tot deze onderdelen gezamenlijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder het wachtgeldpremiepercentage wordt verstaan het gewogen gemiddelde van de voor die onderdelen afzonderlijk vastgestelde wachtgeldpremiepercentages.

 

Art. 3. Vervallen.

 

Art. 4. Intrekking Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen
Het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen wordt ingetrokken.

 

Art. 5. Inwerkingtreding
-1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999.
-2. Indien de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst gelegen is na 31 december 1998, treedt dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 1999.

 

Art. 6. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 16 december 1998

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst

 

Uitgegeven de tweentwintigste december 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[16 december 1998]

 

Algemeen

 

     De wachtgeldpremiepercentages worden vastgesteld door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.]. Het onderhavige besluit geeft aangepaste (reken)regels die daarbij gehanteerd dienen te worden.
     Het kabinet heeft in het kader van de begroting 1999 besloten de premiegrondslag voor de wachtgeldpremieheffing te wijzigen door de franchise op nul te stellen. Deze wijziging is verwerkt in het beeld van de lastenontwikkeling en het premiebeeld dat gepresenteerd is in de Macro Economische Verkenningen 1999. De wijziging van de premiegrondslag voor de wachtgeldpremieheffing per 1 januari 1999 noopt tot het aanpassen van enige rekenregels die waren neergelegd in het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen.
     De wachtgeldpremie wordt berekend als een voortschrijdend gemiddelde gebaseerd op de lastenpercentages van de afgelopen vier jaar. Daarbij dienen aan deze lastenpercentages wel dezelfde vooronderstellingen ten grondslag te liggen ten aanzien van de premiegrondslag en wachtgeldperiode als welke gelden voor het jaar waarover de wachtgeldpremie wordt vastgesteld. De correctie van lastenpercentages van voorgaande jaren is geregeld in artikel 3.
     De premiegrondslag in 1998 week af van de premiegrondslag in voorgaande jaren. In het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen was daarom neergelegd dat lastenpercentages in andere jaren gecorrigeerd moesten worden voor de franchise. Aangezien de franchise in 1999 bij ministerile regeling op nul is gesteld, kan deze correctie achterwege blijven en dient slechts een correctiefactor opgenomen te worden voor de in 1998 afwijkende premiegrondslag. Dit is geschied door in artikel 3 (het oude artikel 6) een nieuwe bepaling op te nemen in het derde lid.

     Tevens zijn ten opzichte van het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen enige wijzigingen aangebracht die niet samenhangen met de wijziging van de premiegrondslag.
     In het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen werd in artikel 3 verwezen naar artikel IV van de Wet van 27 juni 1990, houdende nadere wijziging van de Werkloosheidswet (aanpassing van het financieringssysteem van de wachtgeldfondsen) (Stb. 1990, 404). Dat artikel heeft uitsluitend betrekking op de periode tot en met 31 december 1994. Derhalve kan bedoeld artikel 3 vervallen.
     Het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen kende ook regels voor de premievaststelling van onderdelen van wachtgeldfondsen. Sinds de inwerkingtreding van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 zijn er echter geen zogenaamde risicogroepen meer. Alle risicogroepen zijn sectoren met een eigen wachtgeldfonds geworden. Artikel 4 van het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen kon daarom vervallen. Artikel 5 van dat besluit, betreffende de zogenaamde premiegroepen, is - aangepast aan het niet meer bestaan van risicogroepen - opgenomen in artikel 2, zesde lid, van het onderhavige besluit.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2. Wijze van vaststelling van het wachtgeldpremiepercentage

     Dit artikel komt, onder redactionele aanpassing, overeen met de artikelen 2 en 5 van het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen.
     In artikel 2, eerste lid, wordt de wijze bepaald waarop de vaststelling van het wachtgeldpremiepercentage door het Lisv dient plaats te vinden. Daarbij is bepaald dat het wachtgeldpremiepercentage dat over 1999 en de daarop volgende jaren wordt vastgesteld ten minste gelijk is aan het gemiddelde van de lastenpercentages van de vier jaren voorafgaand aan het jaar waarin dat wachtgeldpercentage wordt vastgesteld. Als maximumpercentage voor de wachtgeldpremie wordt het lastenplafond, zoals dat door het Lisv wordt vastgesteld op grond van artikel 94 van de Werkloosheidswet, gehanteerd. In het tweede lid wordt bepaald dat ten behoeve van de dekking van de ziekengeldlasten een opslagpercentage wordt vastgesteld waarmee het wachtgeldpremiepercentage voor ieder wachtgeldfonds wordt verhoogd. Dit opslagpercentage is ten minste gelijk aan het lastenpercentage van de ziekengelduitkeringen van het jaar waarin de wachtgeldpremie wordt vastgesteld. In het derde lid is de bevoegdheid neergelegd voor het Lisv om het wachtgeldpremiepercentage hoger vast te stellen dan het lastenplafond, ten behoeve van het omlaag brengen van een eventueel dekkingstekort dat in voorafgaande jaren is ontstaan. In het vierde lid is bepaald dat het Lisv de bevoegdheid heeft om bij dekkingsoverschotten in een wachtgeldfonds het premiepercentage lager vast te stellen dan is voorgeschreven in het eerste lid.
     In het vijfde lid is bepaald dat vaststelling van de wachtgeldpremie niet mag leiden tot de heffing van een negatieve wachtgeldpremie.
     In het zesde lid is artikel 5 van het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen, betreffende de zogenaamde premiegroepen, met enige redactionele aanpassingen overgenomen.

 

Artikel 3. Correctie van de lastenpercentages van tijdvakken gelegen vr 1999

     In artikel 3, eerste en tweede lid, zijn de vermenigvuldigingsfactoren van de lastenpercentages voor de tijdvakken gelegen vr 1998 niet gewijzigd ten opzichte van het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen. In het derde lid is neergelegd dat een door het Lisv vastgestelde correctiefactor wordt toegepast in verband met de wijziging van de premiegrondslag voor de wachtgeldpremieheffing per 1 januari 1999.

 

Artikel 4. Intrekking Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen

     Dit besluit vervangt het Besluit premievaststelling wachtgeldfondsen, dat derhalve wordt ingetrokken.

 

Artikel 5. Inwerkingtreding

     Het Lisv hanteert als premiebetalingstijdvak het kalenderjaar, dat aanvangt op 1 januari. Uitvoeringsinstellingen en werkgevers treffen in december dan ook hun administratieve voorbereidingen gericht op 1 januari als ingangsdatum van een nieuw wachtgeldpremiepercentage. Het hanteren van een andere ingangsdatum zou gepaard gaan met zeer hoge uitvoeringskosten voor zowel uitvoeringsinstellingen als werkgevers.
     Vandaar dat ervoor gekozen is, mocht dit besluit onverhoopt niet vr 1 januari 1999 in het Staatsblad worden gepubliceerd, het een - beperkte - terugwerkende kracht te verlenen.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x