Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

BESLUIT  VASTSTELLING  REKENPREMIE  WACHTGELDFONDSEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. 5.2:4 BW)

 
 

19 februari 1996, Stb. 1996, 142
Inwerkingtreding: 1 maart 1996
(T.a.v. o.a. artt. 9:4 en 29:5 AOW, 2:2 Anw, 37:3 Wwb, 55:3 Abw, 10:2 Ioaw, 10:2 Ioaz, 18:4 Wwik, 6:2 Wamil, 28:2 Wfsv en 85:3 WW)

 

 

 

 
BESLUIT van 19 februari 1996, houdende vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen (Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 januari 1996, nr. SV/AVF/96/0204, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Gelet op de artikelen 9, vierde lid, en 29, achtste lid, van de Algemene Ouderdomswet, de artikelen 19, vierde lid, en 37b, vijfde lid, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, artikel 41a, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 55, derde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 6, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet, artikel 19a, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, artikel 36, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 32, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 43, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 26, derde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
     De Raad van State gehoord (advies van 6 februari 1996, nr. W12.96.0027);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 februari 1996, nr. SV/AVF/96/0586, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1.
-1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 9, vierde lid, en 29, achtste lid ¹, van de Algemene Ouderdomswet, artikel 2, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 41a, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 37, derde lid, van de Wet werk en bijstand, artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 18, vierde lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars, artikel 6, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet, artikel 19a, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, artikel 36, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 32, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 43, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 26, derde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
-2. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WW: Werkloosheidswet;
b. rekenpremie wachtgeldfondsen: de vervangende premie, bedoeld in artikel 85, derde lid, van de WW;
c. de verzekerde loonsom WW: het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 84 van de WW, waarover het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in een jaar de aldaar bedoelde premies ontvangt, met uitzondering van de uitkeringen en het loon waarop het derde lid van artikel 85 van die wet van toepassing is;
d. jaar: kalenderjaar.

1. Volgens de redactie dient "achtste lid" te worden vervangen door: vijfde lid.

 

Art. 2.
-1. De rekenpremie wachtgeldfondsen in een jaar wordt in het daaraan voorafgaande jaar vastgesteld op het gewogen gemiddelde van de premies zoals die op grond van artikel 85, eerste lid, van de WW voor dat jaar voor alle sectoren gelden.
-2. Het in het eerste lid bedoelde gewogen gemiddelde wordt in het jaar van vaststelling bepaald met behulp van de verzekerde loonsommen WW en het daaraan voorafgaande jaar zoals deze zijn of zullen worden gepubliceerd in het jaarverslag van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van dat jaar.
-3. In afwijking van het tweede lid wordt het in het eerste lid bedoelde gewogen gemiddelde in het eerste jaar van vaststelling na inwerkingtreding van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 bepaald met behulp van de verzekerde loonsommen WW in het daaraan voorafgaande jaar zoals deze zijn of zullen worden gepubliceerd in de jaarverslagen van de bedrijfsverenigingen van dat jaar, tenzij de verzekerde loonsommen WW in dat jaar zijn of zullen worden gepubliceerd in het jaarverslag van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

 

Art. 3.
Ingeval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor een wachtgeldfonds gedurende één jaar meerdere malen een premie vaststelt, worden bij de berekening van de rekenpremie de desbetreffende premiepercentages gewogen naar rato van het deel van het jaar waarin deze premiepercentages gelden.

 

Art. 4.
Voor de toepassing van de artikelen 9, vijfde lid ¹, en 29, zevende lid ², van de Algemene Ouderdomswet, artikel 2, eerste lid, onderdeel b en d, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 41a, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ³, artikel 37, eerste en tweede lid, van de Wet werk en bijstand, artikel 10, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, artikel 10, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 18, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars, artikel 6, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, artikel 19a, eerste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, artikel 36, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 32, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 43, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 26, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 wordt het deel van de premie WW dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds voor zover dat door de werknemer verschuldigd is, vastgesteld op de helft van de rekenpremie wachtgeldfondsen.

1. Volgens de redactie dient "vijfde lid" te worden vervangen door: derde lid.
2. Volgens de redactie dient "zevende lid" te worden vervangen door: vierde lid.
3. Volgens de redactie is artikel 41a AAW vervallen.

 

Art. 5.
In afwijking van artikel 2, eerste lid, wordt de rekenpremie wachtgeldfondsen voor het jaar 1996 vastgesteld op het gewogen gemiddelde van de wachtgeldpremies, zoals deze, in verband met de verlenging van de wachtgeldperiode van acht naar dertien weken, voor het jaar 1996 voor alle sectoren worden vastgesteld en in verband met de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte.

 

Art. 6.
Het Besluit vaststelling rekenpremies ZW en wachtgeldfondsen wordt ingetrokken.

 

Art, 6a.
Dit besluit berust mede op artikel 37, derde lid, van de Wet werk en bijstand en artikel 18, vierde lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars

 

Art. 7.
Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met loondoorbetaling door de werkgever bij ziekte van de werknemer (Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte; Kamerstukken II 1995-1996, 24 439) tot wet wordt verheven en in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

 

Art. 8.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

Lech, 19 februari 1996

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers

 

Uitgegeven de negenentwintigste februari 1996
De Minister van Justitie a.i.,
H.F. Dijkstal

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[19 februari 1996]

 

Algemeen

 

     Bij de berekening van een aantal socialezekerheidsuitkeringen wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen gemiddeld premiepercentage gehanteerd voor de Ziektewet (ZW) en voor het deel van de premie Werkloosheidswet (WW) dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds, aangezien bedoelde premies per bedrijfstak verschillen. Deze gemiddelde percentages, de zogenaamde rekenpremies, zijn nodig teneinde verschillen in inhoudingen en netto-uitkeringen als gevolg van per bedrijfstak verschillende percentages te voorkomen. Deze rekenpremies zijn met name van belang voor de berekening van uitkeringen die gekoppeld zijn aan het nettominimumloon, alsmede voor de berekening van de op een aantal uitkeringen en pensioenen in te houden vereveningsbijdrage, van de verschuldigde (werkgevers- en werknemers)premies over een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen en van de grondslag waarover de overhevelingstoeslag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen, wordt berekend. De vaststelling van deze gemiddelde percentages dient te geschieden met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Deze rekenregels zijn neergelegd in het Koninklijk besluit van 23 december 1992, Stb. 1992, 733. Op grond van dit besluit wordt voor beide rekenpremies een berekeningswijze gehanteerd die een weging inhoudt van de bedrijfstakspecifieke premiepercentages met behulp van zo recent mogelijke loonsommen. Daarbij wordt voor de vaststelling van de premie voor het komende jaar een gewogen gemiddelde van de premiepercentages van het lopende kalenderjaar gehanteerd.

     In het voorstel van Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Kamerstukken II 1995-1996, 24 439) (Wulbz) dat naar verwachting 1 maart 1996 in werking zal treden, is een tweetal maatregelen opgenomen die van invloed zijn op de premies voor de ZW en de wachtgeldfondsen. In dit wetsvoorstel wordt binnen de randvoorwaarden van het regeerakkoord vorm gegeven aan een nieuwe wijze van verzekering van het ziekterisico. De werkgever krijgt in dat kader een burgerrechtelijke verplichting opgelegd het loon van de werknemer gedurende een tijdvak van 52 weken door te betalen en is vrij dit risico zelf te dragen of dit risico elders te verzekeren. Dit leidt ertoe dat voor werknemers die in dienstbetrekking werkzaam zijn, de Ziektewet niet meer van toepassing is. De artikelen 60 en 61 ZW, waarin de vaststelling van de premie ZW en de rekenpremie ZW is geregeld, komen dan te vervallen. Wel wordt de Ziektewet als vangnet gehandhaafd voor bijzondere groepen waarvan niet duidelijk is of er een arbeidsovereenkomst bestaat, dan wel waarvan de arbeidsovereenkomst is opgehouden te bestaan. De financiering van deze vangnetvoorziening zal geschieden vanuit de premie welke geheven wordt in het kader van de WW. Daarbij is een verdeling gemaakt tussen lasten die voor rekening behoren te komen van de wachtgeldfondsen en lasten die gefinancierd zullen worden door het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Uitgangspunt is dat financiering uit het AWf alleen gewenst is voor groepen voor wie het risico niet bedrijfstakafhankelijk is. Dit betekent dat ten laste van de wachtgeldfondsen komen: de zogenaamde rariteiten, nawerkingsgevallen en ziektegevallen van werknemers wier dienstbetrekking binnen het tijdvak van 52 weken is geëindigd. Als gevolg van deze maatregelen zal de gemiddelde werknemerspremie voor de wachtgeldfondsen met 0,2% stijgen. Zoals reeds is opgemerkt, zal met ingang van de inwerkingtredingsdatum van de Wulbz geen ZW-premie meer bestaan en derhalve evenmin een rekenpremie ZW.
     Het Besluit vaststelling rekenpremies ZW en wachtgeldfondsen kan dan ook worden ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit, dat uitsluitend nog ziet op de vaststelling van rekenpremie wachtgeldfondsen. In de regel wordt de rekenpremie slechts één keer per jaar, en wel per 1 januari, vastgesteld. Gelet echter op de grote wijzigingen die de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wulbz voor de wachtgeldpremies tot gevolg heeft en de wens om de rekenpremie wachtgeldfondsen in de pas te laten lopen met de gemiddelde wachtgeldpremie in het bedrijfsleven, is een tussentijdse wijziging van de rekenpremie aangewezen. Derhalve dient voor de maanden van het jaar 1996, nadat de Wulbz in werking is getreden, bij ministeriële regeling een afwijkende rekenpremie voor de wachtgeldfondsen te worden vastgesteld, waarbij zowel rekening wordt gehouden met de gevolgen van de verlenging van de wachtgeldperiode van acht naar dertien weken per 1 januari 1996 als met de financiering van een gedeelte van de vangnetvoorziening ZW vanuit de wachtgeldfondsen in verband met de Wulbz.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2

     In artikel 2 is de omvang van de rekenpremie wachtgeldfondsen in de structurele situatie neergelegd. Deze premie is het gewogen gemiddelde van de premies die door de verschillende bedrijfstakken op grond van artikel 85, eerste lid, van de WW zijn vastgesteld.

 

Artikel 3

     Dit artikel geeft aan hoe gehandeld dient te worden indien een bedrijfsvereniging in de loop van een jaar de wachtgeldpremie wijzigt.

 

Artikel 4

     In artikel 4 zijn met betrekking tot het werknemersaandeel van de WW-premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds de regels gegeven die bij de berekening van de aan het nettominimumloon gekoppelde socialezekerheidsuitkeringen en de op een aantal uitkeringen en pensioenen in te houden vereveningsbijdrage gehanteerd dienen te worden. Het ten gunste van het wachtgeldfonds komende deel van de WW-premie dat door de werknemer verschuldigd is, is afgeleid van de rekenpremie wachtgeldfondsen. Gelet op het feit dat de premie voor de wachtgeldfondsen op grond van artikel 81, tweede lid, van de WW gelijkelijk is verdeeld over werkgever en werknemer, is het door de werknemer verschuldigde deel van de rekenpremie eveneens vastgesteld op de helft van de rekenpremie wachtgeldfondsen. Dit is derhalve hetzelfde percentage als het ten gunste van het wachtgeldfonds komende deel van de WW-premie dat door de werknemer verschuldigd is over uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen.

 

Artikel 5

     Dit artikel ligt in het verlengde van artikel 2 van het Koninklijk besluit van 22 december 1995, houdende afwijking van het Besluit vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen voor het jaar 1996 (Stb. 1995, 697). In verband met de gevolgen van de Wet aanscherping referte-eisen WW en het daarmee samenhangende Koninklijk besluit van 20 december 1995, houdende wijziging van het Besluit regeling premievaststelling en reservevorming wachtgeldfondsen (Stb. 1995, 688) wordt de rekenpremie wachtgeldfondsen voor het jaar 1996 gebaseerd op de gemiddelde premies wachtgeldfondsen voor 1996. Tevens dient bij de vaststelling van de rekenpremie voor de maanden van het jaar 1996, nadat de Wulbz in werking is getreden, de financiering van de vangnetvoorziening ZW vanuit de wachtgeldfondsen in aanmerking te worden genomen.

 

Artikel 6

     Met het intrekken van het Besluit vaststelling rekenpremies ZW en wachtgeldfondsen is tevens de basis voor het bij artikel 5 genoemde besluit vervallen.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x