Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 27 maart 2005

 

TIJDELIJK  BESLUIT  VERLENGING  HERLEVINGSTERMIJN  STARTENDE  ZELFSTANDIGEN  WW

Vervallen
m.i.v. 28 maart 2005
(art. 6 van dit besluit)

 
 

6 december 2000, Stb. 2000, 621
Inwerkingtreding: 28 maart 2001
Vervalt m.i.v. 28 maart 2005
(T.a.v. art. 130a WW)

 

 

 

 
BESLUIT van 6 december 2000 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 130a van de Werkloosheidswet (Tijdelijk besluit verlenging herlevingstermijn startende zelfstandigen WW)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 4 oktober 2000, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AVF/00/62935;
     Gelet op artikel 130a van de Werkloosheidswet;
     De Raad van State gehoord (advies van 3 november 2000, nr. W12.00 0465);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 1 december 2000, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AVF/00/75097;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. Algemene begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WW: Werkloosheidswet;
b. uitkeringsgerechtigde: werknemer op wie dit besluit op grond van artikel 3 van toepassing is;
c. WW-uitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

 

Art. 2. Beoogde resultaat besluit
Het met dit besluit beoogde resultaat is het verschaffen van inzicht in het effect van het verlengen van de herlevingstermijn van het recht op WW-uitkering bij het gaan verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep op de kans van uitkeringsgerechtigden om met die werkzaamheden structureel in het bestaan te kunnen voorzien.

 

Art. 3. Doelgroep
Dit besluit is van toepassing op de werknemer die recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb van de WW.

 

Art. 4. Verlenging van de herlevingstermijn
Op de uitkeringsgerechtigde die, op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, werkzaamheden gaat verrichten in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep is, in afwijking van de artikelen 8, tweede lid, van de WW en 21, eerste lid, van die wet, de termijn waarbinnen de hoedanigheid van werknemer wordt herkregen respectievelijk het recht op uitkering herleeft, drie jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen, indien:
a. de uitkeringsgerechtigde vóór aanvang van de werkzaamheden een aanvraag doet tot toepassing van dit besluit;
b. met betrekking tot die werkzaamheden geen toepassing wordt gegeven aan het Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen WW;
c. de werkzaamheden aanvangen binnen één jaar na de dag van inwerkingtreding van dit besluit;
d. de werkzaamheden aanvangen vóór de afloop van het kwartaal dat direct volgt op het kwartaal waarin het aantal uitkeringsgerechtigden op wie de aanhef toepassing vindt de duizend heeft bereikt.

 

Art. 5. Nadere regels inzake de aanvraag
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de aanvraag, bedoeld in artikel 4.
-2. De aanvragen worden behandeld in volgorde van binnenkomst.

 

Art. 6. Looptijd
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag gelegen drie maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt vier jaar na die dag.

 

Art. 7. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit verlenging herlevingstermijn WW.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 6 december 2000

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst

 

Uitgegeven de achtentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[6 december 2000]

 

Inleiding


     In
artikel 130a van de Werkloosheidswet (WW) is de mogelijkheid opgenomen om door middel van een algemene maatregel van bestuur ten behoeve van tijdelijke experimenten voor bepaalde groepen werkloze werknemers af te wijken van een aantal artikelen van de WW. Eén van de aldus gecreëerde experimenteermogelijkheden is dat voor werkloze werknemers de herlevingstermijn van het recht op WW-uitkering bij het gaan verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep wordt verlengd. In het onderhavige besluit wordt dat experiment nader vormgegeven. Bij het treffen van dit besluit is mede gebruik gemaakt van uitvoeringstechnisch commentaar van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] en commentaar met betrekking tot de toezichtsaspecten van het College van toezicht sociale verzekeringen [zie Inspectie Werk en Inkomen, red.].

 

Doel experiment


     De experimenten op grond van hoofdstuk Xa van de WW zijn erop gericht na te gaan of de middelen (instrumenten) bijdragen aan de reïntegratie van WW-uitkeringsgerechtigden. Onderzocht zal worden of het middel van de verlenging van de herlevingstermijn bijdraagt aan een zodanige verbetering van de start als zelfstandige dat uiteindelijk geen beroep meer hoeft te worden gedaan op de WW. Beoogd wordt een aantal deelnemers aan dit experiment te bereiken van ongeveer duizend. Dit aantal is voldoende groot om representatieve conclusies ten aanzien van het effect van het instrument te kunnen trekken.

 

Samenstelling doelgroep


     De doelgroep van het besluit bestaat uit geheel of gedeeltelijk werkloze werknemers met een WW-uitkering (zie artikel 3). Al die werknemers kunnen thans immers al werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep gaan verrichten, waarbij een herlevingstermijn van anderhalf jaar geldt. Dit experiment is erop gericht het effect van de verlenging van de herlevingstermijn te bezien voor deze totale populatie.

 

Voorwaarden voor de verlenging van de herlevingstermijn


     De mogelijkheid van verlenging van de herlevingstermijn geldt voor iedere werkloze die vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit een aanvang maakt met werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Om van die mogelijkheid gebruik te maken moet de aanvraag tot toepassing van dit besluit worden gedaan vóór de aanvang van de werkzaamheden (zie artikel 4, onderdeel a).
     Op grond van artikel 4, onderdeel b, kan geen gebruik worden gemaakt van de onderhavige regeling indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van inkomstenkorting in plaats van gehele of gedeeltelijke eindiging van het recht op WW-uitkering op grond van het Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen WW. Aldus wordt voorkomen dat dezelfde uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van beide faciliteiten en aldus de resultaten van beide experimenten worden vertroebeld.

     Alleen degenen die eerder dan drie jaar vóór het vervallen van de onderhavige regeling gebruik gaan maken van die regeling voldoen aan een belangrijke voorwaarde waarvan het experiment de resultaten wil toetsen, namelijk de herlevingstermijn van drie jaar. Alleen op deze groep kan de evaluatie betrekking hebben. Om deze reden wordt het bereik van de regeling beperkt tot degenen die binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit een aanvang maken met de werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep (zie artikel 4, onderdeel c).
     Indien in enig kwartaal het aantal deelnemers van duizend wordt bereikt, eindigt op grond van artikel 4, onderdeel d, de mogelijkheid tot gebruikmaking van het instrument van verlenging van de herlevingstermijn na afloop van het kwartaal, volgend op het kwartaal waarin dit aantal is bereikt. Dit hangt samen met het feit dat de informatie aan het Lisv omtrent het aantal deelnemers plaatsvindt middels kwartaalrapportages die handelen over het voorafgaande kwartaal. Dit laat onverlet dat reeds verlengde herlevingstermijnen, die op dat moment nog niet geëindigd zijn, pas eindigen zodra de termijn van drie jaar van artikel 4 verstreken is.

 

Looptijd experiment


     Een experiment op grond van artikel 130a van de WW heeft ten hoogste een looptijd van vier jaar. In verband met de lengte van de herlevingstermijn - drie jaar - en om een goed oordeel te kunnen vormen over de effecten van de verlenging van de herlevingstermijn alsmede om daarover tijdig verslag uit te kunnen brengen aan het parlement, is gekozen voor de maximale looptijd (zie artikel 6). Daarbij is tevens rekening gehouden met de periode die nodig is om de regeling te evalueren en de besluitvorming over een eventuele omzetting in een definitieve regeling voor te bereiden. Mocht dit nodig zijn, dan kan een experiment na afloop van de looptijd gedurende maximaal twee jaar worden voortgezet totdat een structurele wettelijke regeling is getroffen.

 

Informatievoorziening


     Teneinde een goed inzicht te krijgen in het effect van de verlenging van de herlevingstermijn op de werkhervattingskans van de WW-uitkeringsgerechtigde is monitoring van groot belang. Het belangrijkste instrument zal daarbij enquêtering zijn van de werkloze werknemers die, vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep gaan verrichten. De belangrijkste vragen die daarbij aan de orde zullen komen, zullen vragen zijn inzake het effect van de verlenging van de herlevingstermijn op de afweging om al dan niet te starten als zelfstandige en op de afweging na anderhalf jaar om al dan niet door te gaan met de werkzaamheden als zelfstandige.

 

Financiële effecten


     Met de toepassing van het instrument van verlenging van de herlevingstermijn wordt beoogd de uitstroom uit de WW van werklozen te bevorderen. Gezien de in de regeling opgenomen gunstiger voorwaarde, ten opzichte van de huidige regeling, waarbinnen werkzaamheden kunnen worden gestart die tot een gehele of gedeeltelijke eindiging van het recht op WW-uitkering leiden, is de verwachting gerechtvaardigd dat als gevolg van de inzet van dit instrument een besparing op de uitkeringen kan worden gerealiseerd. De hoogte van deze besparing hangt af van het aantal malen dat de verlengde herlevingstermijn leidt tot structurele uitstroom uit de WW. Over het aantal malen dat dat het geval zal zijn, kan op voorhand geen uitspraak worden gedaan.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x