|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 30 124
Invoering
van de Zorgverzekeringswet en aanpassing van
overige wetten aan die wet
(Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Algemeen |
| 2 |
Overgangsrecht Ziekenfondswet |
| 2.1 |
Afwikkeling Zfw |
| 2.2 |
Reserves
ziekenfondsen en vergunning uitvoering Zvw |
| 3 |
Overgangsrecht Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
1998 |
| 3.1 |
Omslagregeling |
| 3.2 |
Wtz 1998-verzekerden
in het buitenland |
| 3.3 |
Afbouw werkzaamheden
Stichting uitvoeringsorganisatie omslagregeling (Suo) |
| 3.4 |
Studenten |
| 4 |
Overgangsrecht Wet
medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden |
| 5 |
Overgangsrecht Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten |
| 6 |
Overgang verzekerden |
| 6.1 |
Algemeen |
| 6.2 |
Overgang verzekerden in
het kader van een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering |
| 7 |
Saldering in verband met CAO-afspraken |
| 8xxrx |
Adviesorganen |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1. Definities (art. 1) |
| Hoofdstuk
2. Invoering
van de Zorgverzekeringswet (artt. 2.1.1 - 2.5.9) |
| ||§
1 |
Overgangsrecht Zfw (artt.
2.1.1 - 2.1.13) |
| ||§
2 |
Overgangsrecht Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
1998 (artt. 2.2.1 - 2.2.4) |
| ||§
3 |
Overgangsrecht Wet MOOZ
(artt. 2.3.1 - 2.3.2) |
| ||§
4 |
Wijzigingen
in de Wzt en de Zvw (artt. 2.4.1 - 2.4.3) |
| ||§
5 |
Invoering
Zvw (artt. 2.5.1 - 2.5.9) |
| Hoofdstuk
3. Wijziging
van andere wetten (artt. 3.1.1 - 3.8.22) |
| ||§
1 |
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(artt. 3.1.1 - 3.1.7) |
| ||§
2 |
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, overige wetten
(artt. 3.2.1 - 3.2.32) |
| ||§
3 |
Justitie
(artt. 3.3.1 - 3.3.10) |
| ||§
4 |
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(artt. 3.4.1 - 3.4.6) |
| ||§
5 |
Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (artt. 3.5.1 - 3.5.2) |
| ||§
6 |
Financiën
(artt. 3.6.1 - 3.6.11) |
| ||§
7 |
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(artt. 3.7.1 - 3.7.2) |
| ||§
8 |
Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (artt. 3.8.1 - 3.8.22) |
| Hoofdstuk
4. Overige
bepalingen (artt. 4.1 - 4.2) |
| Hoofdstuk
5. Slotbepalingen (artt. 5.1 - 5.3) |
[Algemeen,
red.]
1.
Algemeen
Het
onderhavige wetsvoorstel regelt aspecten die voortvloeien uit de invoering van de
Zorgverzekeringswet (Zvw), de daarmee samenhangende intrekking van de
Ziekenfondswet (Zfw), de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
1998 (Wtz 1998) en de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging
oudere ziekenfondsverzekerden (Wet MOOZ), alsmede de noodzakelijke
technische overgangsregelingen. Deze Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet (IZvw) is aangekondigd in de memorie van
toelichting (algemeen deel, hoofdstuk
XII, Overgangssituatie)
bij het wetsvoorstel tot regeling van een sociale verzekering voor
geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking
(Zorgverzekeringswet) (Kamerstukken 2003-2004, 29 763, nr. 3).
Naast technische
wijzigingen van andere wetten bevat dit wetsvoorstel ook enkele inhoudelijke
voorstellen. In de brieven aan de Tweede Kamer van 3 december 2004
(Kamerstukken 2004-2005, 29 762 en 29 763, nr. 15) en van 18 maart 2005
(Kamerstukken 2004-2005, 29 762 en 29 763 nr. 27) is het voorstel van wet
toegelicht.
De overgang van het
bestaande naar het nieuwe verzekeringsstelsel dient uiteraard zorgvuldig te
gebeuren. Om dit te bewerkstelligen, wordt in dit
wetsvoorstel, globaal
geduid, het volgende geregeld:
- De werkzaamheden van
de ziekenfondsen zullen ophouden te bestaan. Dit wetsvoorstel voorziet
in de afwikkeling van de Zfw en in een soepele overstap van
ziekenfonds naar zorgverzekeraar, zowel in juridisch als in financieel
opzicht. De ziekenfondsen die ervoor kiezen te gaan werken als
zorgverzekeraar kunnen de door hen opgebouwde wettelijke reserves
inbrengen bij de start van de uitvoering van de Zvw.
- Wet- en regelgeving
die bij de invoering van de Zvw zal vervallen. Dit betreft de thans
bestaande specifieke wetgeving op het terrein van de ziektekostenverzekeringen,
naast de al genoemde Zfw, de Wtz 1998 en de Wet MOOZ. De
financiële afwikkeling van deze twee laatstgenoemde wetten wordt eveneens in
deze wet geregeld. De op deze wetten gebaseerde lagere
regelgeving komt van rechtswege te vervallen door het vervallen van deze wetten.
- In verband met het
verdwijnen van de Wtz 1998 zullen ook de
rblz.|2|
werkzaamheden van de
Stichting uitvoering omslagregelingen (Suo) worden afgebouwd. De wet
voorziet in deze afwikkeling.
- De Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) behoeft op een aantal punten aanpassing. Dit betreft
regels inzake de nu nog in de Zfw geregelde AWBZ-taken van het College
voor zorgverzekeringen (CVZ) en het College toezicht zorgverzekeringen
(CTZ),
toezicht en een overgangsregeling op het terrein van subsidies. De
vrijwillige AWBZ-verzekering wordt ingetrokken omdat vrijwel alle
betrokkenen onder de bescherming gaan vallen van de
EU-socialezekerheidsverordening of bilaterale socialezekerheidsverdragen. Er wordt voorzien in een overgangsregeling.
- Hoewel er in dit voorstel
van wet geen bepalingen over zijn opgenomen, wordt wel toegelicht hoe de
overgang van verzekerden van de bestaande verzekering naar een
verzekering uit hoofde van de Zvw plaatsvindt.
- Bij CAO wordt veelal een
tegemoetkoming inzake de ziektekostenpremie geregeld die de werknemer
van de werkgever ontvangt. De regering heeft de sociale partners
gevraagd te voorkomen dat werkgevers met ingang van 2006 zowel een
tegemoetkoming aan werknemers moeten betalen op grond van lopende
CAO-afspraken als - op grond van de Zvw - een vergoeding voor de
door de werknemers te betalen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Voor
het geval dat de sociale partners er niet in slagen een dergelijke
afspraak te maken, regelt dit wetsvoorstel dat de vergoeding door de
werkgever ingevolge bestaande CAO-verplichtingen in mindering mag worden
gebracht op de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zvw. Hiermee
geeft de regering invulling aan de motie van de Tweede Kamer bij de
behandeling van de Zvw waarin erop wordt aangedrongen om in dit
wetsvoorstel hierover een bepaling op te nemen (Kamerstukken 2004-2005, 29
763, nr. 54).
- Regelgeving die
noodzakelijk is om de invoering van de Zvw te ondersteunen. In ieder
geval wordt geregeld dat een particuliere ziektekostenverzekering van
rechtswege eindigt voor zover de dekking ervan gelijk is aan de dekking
van een ten behoeve van de verzekerde gesloten zorgverzekering.
Daarnaast bevat het wetsvoorstel een aantal wijzigingen van de Zvw, die
echter grotendeels niet meer zijn dan herstel van technische
onvolkomenheden.
2. Overgangsrecht
Ziekenfondswet
2.1. Afwikkeling Zfw
Bij de afwikkeling van de
Zfw
gaat het om de aanspraken van verzekerden op verstrekkingen en
vergoedingen en de afrekening door ziekenfondsen met de zorgaanbieders.
Voor zover nog niet onherroepelijk is beslist omtrent de verlening van
een verstrekking of vergoeding of een no-claimteruggave, zal dat nog wel
moeten gebeuren. De eerste beslissing over de toekenning van de
no-claimteruggave is voorzien uiterlijk 31 maart 2006. Dat betekent dat
er nog beslissingen moeten worden genomen, bezwaarschriften moeten
worden behandeld en procedures voor de rechter kunnen worden gevoerd
over zaken uit de jaren vóór de intrekking van de Zfw.
Ook wat betreft de status
van verzekerde zijn nog (doorlopende) procedures denkbaar. Ook die
zullen moeten worden afgewerkt voor zover dat voor het vaststellen van
rechten en plichten over jaren vóór de intrekking van de wet
noodzakelijk is. Voor zover een verzekerde over periodes gelegen vóór de
intrekking van de wet nog procentuele of nominale premie verschuldigd
mocht zijn of daaromtrent procedures aanhangig zijn, zullen die evenzo
moeten worden afgewikkeld.
Bij de afwikkeling van de
aanspraken en andere lopende zaken over de rblz.|3|
oude jaren blijven voor de
ziekenfondsen alle bepalingen van kracht die in het desbetreffende jaar
golden. Zo blijft onder andere ook gelden dat een ziekenfonds
toestemming nodig heeft voor het overdragen van verbintenissen aan een
ander ziekenfonds, doelmatig moet werken en de middelen slechts mag
besteden voor de uitvoering van de Zfw.
De door ziekenfondsen met
zorgaanbieders gesloten medewerkersovereenkomsten moeten correct worden
nageleefd voor de periode waarin de Zfw nog gold. Zo mag het ziekenfonds
van de zorgaanbieder verlangen dat die zijn verplichtingen nakomt, maar
blijft het ziekenfonds zelf ook gehouden de zorgaanbieder de
overeengekomen betalingen te doen.
Het CVZ en CTZ zullen in
2006, op dezelfde wijze als zij dat tot dusverre doen, taken uitvoeren
en beslissingen nemen met betrekking tot de uitvoering van de Zfw in
2005 en eerdere jaren; daarbij kan worden gedacht aan het controleren
van de ziekenfondsen inzake de rechtmatige en doelmatige uitvoering van
de Zfw en het vaststellen van de hoogte van de uitkeringen aan de
ziekenfondsen over 2005 of eerdere jaren. Zij zullen daarover ook moeten
rapporteren aan de minister.
Dit wetsvoorstel voorziet
erin om de Zfw
af te wikkelen vóór 1 januari 2010. Daartoe wordt
bepaald dat verzekerden verzoeken tot betaling van een vergoeding vóór 1
april 2008 bij het ziekenfonds moeten hebben ingediend. Voor de
aanspraken in natura hoeft naar de aard der zaak niets te worden
geregeld. Zorgaanbieders moeten hun declaratie vóór 1 januari 2008 aan
het ziekenfonds of verzekerden hebben gezonden op straffe van verval van
hun vorderingsrecht. Met deze termijn is rekening gehouden met naijlende
nota’s voor diagnose-behandelingcombinaties (DBC’s). Het CVZ
moet
uiterlijk 1 juli 2009 de eindafrekening (nadere vaststelling) met alle
ziekenfondsen over 2005 en eerdere jaren hebben afgerond. Verder wordt
bepaald dat het saldo van de Algemene Kas per 1 januari 2010 ten goede
of ten laste komt van ’s Rijks schatkist.
Deze zorgvuldige
afwikkeling van de Zfw
laat onverlet dat veel van de regels van de Zfw
voor de toekomst hun betekenis zullen verliezen. Zo zullen er in
beginsel geen nieuwe gevallen zijn waarin moet worden beoordeeld of
iemand verzekerd is; daarmee zullen ook vragen rond de inschrijving van
verzekerden al snel tot het verleden behoren. Er zal geen sprake meer
zijn van heffing van een procentuele of nominale premie voor de
ziekenfondsverzekering. De toelating van rechtspersonen als ziekenfonds
verliest met de intrekking van de Zfw haar betekenis; datzelfde geldt
daarmee ook voor de regels omtrent de taakuitoefening door
ziekenfondsen. Ziekenfondsen hoeven met zorgaanbieders geen
overeenkomsten meer te sluiten voor de uitvoering van de Zfw. De
informatiebepalingen, de bepalingen inzake bezwaar en beroep en de
regels over de invloed van de verzekering op het burgerlijk recht hebben
nog slechts belang voor de afwikkeling van de oude jaren.
2.2. Reserves
ziekenfondsen en vergunning uitvoering Zvw
Reserves ziekenfondsen
De werkzaamheden van de
ziekenfondsen zullen ophouden te bestaan. Met de inwerkingtreding van de
Zvw
houdt de huidige, verbrokkelde markt van ziektekostenverzekeringen
op te bestaan en ontstaat één nieuwe markt voor de wettelijke
ziektekostenverzekering, waarop alle zorgverzekeraars onder dezelfde
condities opereren. De zorgverzekeraars zullen moeten voldoen aan de
algemene wetgeving voor het verzekeringsbedrijf, zoals neergelegd in de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv 1993), en aan het algemene
recht inzake verzekeringsovereenkomsten. Daarnaast zullen zij uiteraard
moeten voldoen aan de regels uit de Zvw. In rblz.|4|
dit verband merkt de
regering op dat de Zvw voortbouwt op het wetsvoorstel tot vaststelling
van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken I 2002-2003, 19 529, nr. 206), dat bij de
Eerste Kamer in behandeling is. Het is derhalve van belang dat ook dat
wetsvoorstel uiterlijk met ingang van 1 januari 2006 in werking treedt.
De regering acht het,
gelet op de gewenste continuïteit in het functioneren van het
zorgverzekeringsstelsel als geheel, van bijzonder belang dat zowel de
bestaande ziekenfondsen als de bestaande particuliere
ziektekostenverzekeraars een reële mogelijkheid krijgen zich op de
nieuwe zorgverzekeringsmarkt te begeven. Tegelijkertijd is de
financiële gezondheid van de zorgverzekeringssector als geheel
vanzelfsprekend een belangrijke voorwaarde voor de toegankelijkheid van
de gezondheidszorg op langere termijn. In de transitie naar het nieuwe
verzekeringsstelsel dienen naar het oordeel van de regering bestaande
partijen dan ook niet alleen een reële startpositie te krijgen en de
gelegenheid zich aan te passen aan de nieuwe spelregels. Zij dienen zich
ook gebonden te weten aan dezelfde eisen die ten aanzien van financiële
en bestuurlijke soliditeit voor álle partijen op de nieuw gecreëerde
zorgverzekeringsmarkt gelden.
Voor de huidige
ziekenfondsen betekenen deze uitgangspunten dat zij, als zij opteren
voor de uitvoering van de Zvw, hun huidige reserves behouden. De
wettelijke reserves van de ziekenfondsen zijn, na de introductie van de
risicodragendheid in de uitvoering van de Zfw, vanaf 1991 in een
concurrentiële omgeving opgebouwd. De reservevereisten onder de Zfw
dienen dezelfde doelstelling als de solvabiliteitseisen die volgen uit
de Wtv 1993, namelijk om uitvoeringsrisico’s op te vangen en zo de
continuïteit van de onderneming veilig te stellen. Zonder behoud van
deze financiële reserves zouden de ziekenfondsen onder de Zvw niet
kunnen voldoen aan de minimaal vereiste solvabiliteitsmarge, zodat er
een reële dreiging ontstaat van onvoldoende verzekeringscapaciteit en
marktverstoringen bij de invoering van de nieuwe zorgverzekering.
Daardoor zou ook het maatschappelijke draagvlak voor de invoering van
het nieuwe stelsel worden ondermijnd.
Tegen deze achtergrond
wil de regering dat ziekenfondsen die besluiten tot uitvoering van de
Zvw de inmiddels opgebouwde wettelijke reserve kunnen inbrengen bij de
start van de uitvoering van de Zvw.
Omvang financiële
reserves
In
figuur 1 is een
overzicht opgenomen van de reserveposities van de ziekenfondsen per
ultimo 2004. Hieruit blijkt dat enkele ziekenfondsen per ultimo 2004
niet voldoen aan de per 1 januari 2006 te stellen minimale
solvabiliteitseisen. De regering gaat ervan uit dat die ziekenfondsen
die per ultimo 2004 nog niet aan de per 1 januari 2006 geldende eis
voldoen, dat per ultimo 2005 wel zullen doen. De regering gaat ervan
uit dat ziekenfondsen een positief financieel resultaat over 2005 mogen
verwachten. Dit resultaat komt ten goede aan de reserves, waarmee de
vermogensposities van de ziekenfondsen in 2005 verder wordt versterkt.
Ook in 2004 was dit het geval. De vermogenspositie van de ziekenfondsen
is in 2004 met ruim €|400 miljoen gestegen.
De huidige
Zfw
heeft in
totaal 21 uitvoerders. Deze ziekenfondsen beschikken over een vermogen
(ultimo 2004) van circa €|1,7 miljard. Deze aanwezige solvabiliteit
is voldoende om aan de huidige minimaal vereiste solvabiliteitsmarge in
de Zfw en aan de toekomstige marge in de Zvw, te weten
8% van
de totale schade, te voldoen. Figuur 1 geeft inzicht in de dekking van
de verwachte minimale solvabiliteitseis Zvw op basis van gegevens ultimo
2004. Hieruit blijkt dat zes ziekenfondsen per ultimo 2004 niet voldoen
aan de per 1 januari 2006 te stellen minimale solvabiliteitseis.
rblz.|5|
Figuur 1. Dekking
minimaal vereiste solvabiliteitsmarge Zvw
per ziekenfonds (op basis van gegevens ultimo 2004):

Zeventien ziekenfondsen
zijn onderdeel van een concern met andere (private) verzekeraars en/of
banken. Op de private zorgverzekeraars binnen deze concerns houdt De
Nederlandsche Bank NV (DNB) prudentieel toezicht en tevens houdt DNB
aanvullend groepstoezicht om te waarborgen dat de soliditeit van deze
concerns, inclusief de daarin opgenomen zorgverzekeraars, vanaf 1
januari 2006 ook de voormalige ziekenfondsen, gewaarborgd is. Hiermee
kan derhalve worden zeker gesteld dat voor deze zeventien voormalige
ziekenfondsen aan de prudentiële eisen wordt voldaan. Onder deze
zeventien ziekenfondsen vallen vier ziekenfondsen waarvan boven reeds is
aangegeven dat ze per ultimo 2004 niet voldoen aan de per 1 januari 2006
te stellen minimale solvabiliteitseisen.
Voor de vier
ziekenfondsen die op dit moment niet deel uitmaken van een concern
geldt dat zij, in samenspraak met DNB, een versterking in de
vermogenspositie zullen moeten bewerkstelligen, zodat ook zij zich per 1
januari 2006 kwalificeren om als private verzekeraar de markt te
betreden. Hierbij is voor twee ziekenfondsen op dit moment op basis van
cijfers 2004 nog in lichte mate sprake van een tekort aan solvabiliteit
op een totale schadelast van €|3,4 miljard. Op basis van nog
voorlopige inzichten bestaat de verwachting dat het tekort in 2005
grotendeels verdwijnt tengevolge van meevallende schadeontwikkeling en
premiegroei. Mogelijke oplossingen van de eventuele resterende
financiële tekorten zijn fusie met een financieel sterkere partner of
herstructurering, gedeeltelijke verkoop van de portefeuille en
herverzekering van een deel van de schade.
De regering verwacht dat
voormalige ziekenfondsen zonder gebruik te hoeven maken van bijzondere
wettelijke instrumenten uitsluitend als solvabele zorgverzekeraars
zullen voorzien in de uitvoering van de Zvw
per 1 januari 2006.
Europeesrechtelijk kader
ten aanzien van de reserves
Van meet af
aan is de
regering van mening dat bij het inbrengen van de bestaande wettelijke
reserves geen sprake is van (ontoelaatbare) staatssteun, rblz.|6|
omdat - gegeven het feit dat sprake is van het samenvoegen van twee gescheiden
zorgverzekeringsmarkten - het behoud van reserves voor ziekenfondsen
geen economisch voordeel met zich meebrengt en er in ieder geval sprake
is van een dienst van algemeen economisch belang. Overeenkomstig de
hiervoor geldende procedures is dit punt, tegelijk met het beoogde
systeem van risicoverevening, gemeld bij de Europese Commissie. De
Europese Commissie heeft op 3 mei 2005 bij beschikking bepaald dat de
maatregel "behoud reserves", waarbij de Nederlandse overheid besluit
dat ziekenfondsen de wettelijke reserves mogen behouden, verenigbaar is
met artikel 87 (3)c van het EG-verdrag. De regering verbindt overigens
wel een belangrijke voorwaarde aan de mogelijkheid de bestaande reserves
in te brengen bij de start van de uitvoering van de privaatrechtelijke
zorgverzekering. Die voorwaarde houdt in dat het inbrengen van bestaande
reserves alleen kan zolang een ziekenfonds ervoor kiest de Zvw
zonder
winstoogmerk uit te voeren. Indien bij de start van de zorgverzekering
of binnen tien jaar daarna alsnog wordt gekozen voor uitvoering van de
zorgverzekering met winstoogmerk, dan wel het bedrijf wordt beëindigd,
moeten de oude wettelijke reserves worden afgerekend.
Gelijke speelveld
Onderdeel van het gelijke
speelveld van zorgverzekeraars per 1 januari 2006 is een minimaal
vereiste solvabiliteitsmarge van ongeveer 8% van de totale
schade die voor iedere uitvoerder gelijk is. Het kunnen meenemen van de
opgebouwde wettelijk reserves door ziekenfondsen is essentieel voor de
ziekenfondsen om te kunnen voldoen aan deze vermogenseis. Zonder de
wettelijke reserves kan geen enkel ziekenfonds voldoen aan de
solvabiliteitseisen in de Zvw. De wettelijke reserves betreffen ultimo
2004 namelijk driekwart van het totale vermogen van een ziekenfonds
(circa €|1,3 miljard). Ook bij de motie-Omtzigt is gevraagd naar de
standpunten over een gelijk speelveld.¹ Volgens de regering is er sprake
van een gelijk speelveld voor alle zorgverzekeraars, omdat de Zvw
voorziet in een aantal verplichtingen voor alle zorgverzekeraars om een
voor alle Nederlanders gelijke toegang tot de gezondheidszorg te kunnen
waarborgen. Deze verplichtingen gelden voor alle zorgverzekeraars in
gelijke mate, zodat in dit opzicht sprake is van een gelijk speelveld
voor zorgverzekeraars. De belangrijkste verplichtingen zijn het
wettelijk voorgeschreven verzekerde pakket, de acceptatieplicht, de
verplichting om voor één polis dezelfde nominale premie in rekening te
brengen ongeacht de kenmerken van de verzekerden en de verplichte
deelname aan het risicovereveningssysteem.
1. Kamerstukken II 2004-2005,
29 763 nr. 53.
Het voorgaande laat
onverlet dat de uitgangspositie van de huidige ziekenfondsen en
particuliere en publiekrechtelijke ziektekostenverzekeraars op
onderdelen van elkaar verschilt. Het gaat daarbij achtereenvolgens om
omvang van het aantal verzekerden, landelijke versus regionale
marktoriëntatie, wel of niet deel uitmaken van een
multibrancheorganisatie, wel of geen ervaring met zorginkoop, verschil
in distributiekanaal, specialisatie in collectieve contracten, de mate
van solvabiliteit en het risicoprofiel van het verzekerdenbestand. In
een brief aan uw Kamer, die u ongeveer tegelijkertijd met het
onderhavige voorstel van wet zult ontvangen, wordt onder andere ingegaan
op het gelijke speelveld voor zorgverzekeraars. Daar zullen deze
verschillen worden geanalyseerd. De regering komt tot de conclusie dat
de Zvw
zo is opgezet dat alle typen zorgverzekeraars bij de
inwerkingtreding van de Zvw een gelijk speelveld betreden.
De voor het behoud van de
reserves gestelde voorwaarde dat het betreffende ziekenfonds gedurende
een periode van tien jaar niet-winstbeogend rblz.|7|
mag gaan functioneren, is erop gericht te voorkomen dat opgebouwde reserves aan de aandeelhouders
worden uitgekeerd. De omvang van het aantal verzekerden en de daarmee
door ziekenfondsen opgebouwde goodwill vanwege de beschikbaarheid van
het verzekerdenbestand verstoort een gelijk speelveld niet. Voor alle
zorgverzekeraars geldt dat zij hun bestand aan verzekerden meenemen. Van
een vast bestand aan verzekerden zal onder de Zvw
naar verwachting geen
sprake zijn. De verzekerden hebben immers onder de Zvw jaarlijks de
mogelijkheid om van zorgverzekeraar te wisselen aangezien ze jaarlijks
kunnen overstappen. De conclusie van de regering over het gelijke
speelveld zal nog worden versterkt door de verwachte integratie van de
huidige ziekenfondsen en particuliere ziektekostenverzekeraars.
Vergunning tot het
uitvoeren van de Zvw
Voor het uitvoeren van de
Zvw
is een vergunning van DNB op grond van de Wtv
1993 een vereiste.
Voor de verlening van een vergunning door DNB moet op grond van die wet
aan een aantal voorwaarden worden voldaan. De huidige particuliere
ziektekostenverzekeraars, die al langer als private schadeverzekeraar in
de markt van ziektekostenverzekeringen actief zijn, beschikken al over
de benodigde vergunning en voldoen dus daaraan al.
Een buitenlandse
verzekeraar die tot de Nederlandse markt wil toetreden voor de
uitvoering van de Zvw
moet eveneens voldoen aan de wettelijke vereisten
voor het verkrijgen van de vergunning, maar kan, vanwege het feit dat die
verzekeraar voor de uitvoering van de Zvw nog niet over een
verzekeringsportefeuille beschikt, volstaan met het voldoen aan de
vereisten ten aanzien van het minimumgarantiefonds. Deze zijn
aanzienlijk lager dan de eisen die de wetgever stelt aan de reeds op de
Nederlandse markt actieve verzekeraars (particulier en voormalig
ziekenfonds), louter vanwege het feit dat die verzekeraars reeds over
een verzekeringsportefeuille beschikken over de schade waarvan zij een
solvabiliteitsmarge moeten aanhouden.
De ziekenfondsen die de
Zvw
gaan uitvoeren, moeten met ingang van 1 januari 2006 eveneens aan
deze eisen voldoen. Zij moeten voor het kunnen uitvoeren van de Zvw
alsnog een vergunning voor de branches Ziekte (branche 1) en Ongevallen
(branche 2) van DNB verkrijgen. Zoals hiervoor al aan de orde kwam, is
één van de eisen waaraan in het kader van de vergunning moet worden
voldaan dat de verzekeraar voldoende solvabel dient te zijn. Voor de
Zvw geldt dat verzekeraars ongeveer 8% van de schade als
solvabiliteitsmarge moeten aanhouden.
De regering gaat ervan uit dat alle voormalige ziekenfondsen per ultimo 2005 aan deze eis
zullen voldoen. De regering verwacht dat voormalige ziekenfondsen zonder
gebruik te hoeven maken van bijzondere wettelijke instrumenten
uitsluitend als solvabele zorgverzekeraars zullen voorzien in de
uitvoering van de Zvw per 1 januari 2006.
De regering heeft, in
overleg met DNB, gezocht naar een aanvaardbare oplossing voor het zich
mogelijk voordoende vraagstuk dat niet al op of vóór 1 januari 2006 kan
worden vastgesteld of een ziekenfonds aan de vereisten ten aanzien van
de minimale solvabiliteit voldoet. Teneinde een soepele overgang van het
huidige naar het nieuwe verzekeringsstelsel mogelijk te maken, is in
overleg met DNB in het onderhavige wetsvoorstel een bepaling opgenomen
die erin voorziet dat ziekenfondsen die op 31 december 2005 een
toelating hebben voor de uitvoering van de Zfw
van rechtswege kunnen
beschikken over een vergunning voor de branches Ziekte en Ongevallen. Zo
kunnen alle zorgverzekeraars, voormalige rblz.|8|
ziekenfondsen en de huidige
particuliere ziektekostenverzekeraars, vanaf 1 januari 2006 het
zorgverzekeringsbedrijf uitoefenen.
Alle zorgverzekeraars die
de Zvw
uitvoeren, staan vanaf 1 januari 2006 onder volledig toezicht van
DNB conform de Wtv
1993. Dat betekent dat DNB vanaf de start van de Zvw
zijn toezichtinstrumentarium kan toepassen op alle zorgverzekeraars. Zo
kan DNB zo nodig van zorgverzekeraars sanerings- en financieringsplannen
verlangen ter versterking van de financiële positie. De rechtsvorm
waarin het ziektekostenverzekeringsbedrijf wordt uitgevoerd, moet die
van onderlinge waarborgmaatschappij, naamloze vennootschap of Europese
vennootschap zijn. Ook gelden eisen aan het bestuur, de deskundigheid en
betrouwbaarheid van bestuur en directie, goed intern toezicht en
dergelijke. Dit zijn overigens voorwaarden waaraan ziekenfondsen ook nu
al in belangrijke mate moeten voldoen op grond van de Zfw. DNB kan van
zorgverzekeraars een bestuurder heenzenden in geval van twijfel over
betrouwbaarheid of deskundigheid of een stille curator aanstellen.
Samenhangend met de
vergunning van rechtswege geldt een aantal bijzondere voorwaarden en
beperkingen. Een zorgverzekeraar met een vergunning van rechtswege moet
binnen één maand na de inwerkingtreding van de Zvw
aantonen dat wordt
voldaan aan de eisen van de artikelen 28 tot en met 30 en 32 van de Wtv
1993 en heeft één jaar de tijd om over het minimumbedrag van het
garantiefonds of van de solvabiliteitsmarge te beschikken. Ook mag de
zorgverzekeraar met een vergunning van rechtswege uitsluitend op de
Nederlandse markt zorgverzekeringen aanbieden. Deze bijzondere
voorwaarden en beperkingen vervallen op het moment dat deze
zorgverzekeraars volledig in het reguliere toezicht van DNB ingevoerd
zijn.
De regering heeft zich
bij de opstelling van de onderhavige artikelen in het wetsvoorstel
terdege rekenschap gegeven van de ter zake, ook voor de ziekenfondsen die
de Zvw
willen uitvoeren, geldende Europeesrechtelijke eisen. Het feit
dat de ziekenfondsen nu al zijn toegelaten voor de uitvoering van de Zfw
op aspecten die in belangrijke mate overeenkomen met de aspecten die ook
bij de vergunningverlening een rol spelen, rechtvaardigen de in het
wetsvoorstel opgenomen overgangsbepalingen, die zowel naar inhoud als
naar werkingsduur beperkt zijn. Deze beperkte overgangsbepalingen leiden
niet tot een overgangssituatie die strijdig is met de Europese
schadeverzekeringsrichtlijnen.
3. Overgangsrecht Wet op
de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998
3.1. Omslagregeling
Ook de Wtz 1998 zal bij
de invoering van de Zvw
worden ingetrokken. De Wtz 1998 kent een
omslagregeling ter zake van de schaden die voortvloeien uit deze
verzekering. Op basis van artikel 16 van de Wtz 1998 is een voorziening
gevormd die dient voor de vergoeding aan ziektekostenverzekeraars van
naijlende schaden in geval van beëindiging van de omslagregeling. De omvang
van deze voorziening blijft beperkt tot een bedrag ter grootte van de
jaarlijks gemiddeld naijlende schaden. Dit komt globaal overeen met de
Wtz 1998-schaden van drie kalendermaanden. De vorming van de voorziening
is gestart in 2002 en wordt in 2005 afgerond. Door de invoering van de
DBC’s is voor DBC’s die in 2005 worden geopend en eerst in 2006
worden afgesloten en gedeclareerd, verhoging van de benodigde
voorziening noodzakelijk. Er was al een bedrag van €|405 784 750,-
opgebouwd. Laatstelijk is bij Regeling van 10 december rblz.|9|
2004, Stcrt. 2004, 244, de voorziening voor het jaar 2005 vastgesteld op €|831 080
200,-.
De uiteindelijke baten of
lasten, wanneer de Wtz 1998 geheel afgewikkeld zal zijn, zullen ten
goede of ten laste komen van de Algemene Kas.
3.2. Wtz 1998-verzekerden
in het buitenland
Er is een beperkte groep
Wtz 1998-verzekerden in het buitenland. In 2002 en 2003 hebben in totaal
bijna 900 personen een Wtz 1998-verzekering gesloten, van wie er ruim
650 in België en Duitsland wonen. De verzekerden uit die twee landen
zijn hoofdzakelijk werknemers.
Voor alle in het
buitenland wonende Wtz 1998-verzekerden betekent de invoering van de Zvw
dat zij straks of ingevolge de Zvw verzekeringsplichtig worden of dat
zij aanspraken op vergoeding van ziektekosten krijgen op grond van de
EU-socialezekerheidsverordening of een socialezekerheidsverdrag. Degenen
die aanspraken krijgen ingevolge de socialezekerheidsverordening of -verdrag zullen aan het CVZ daarvoor een bijdrage verschuldigd zijn. Dit
vloeit voort uit het bepaalde in artikel 68, tweede lid, van de
Zvw.
3.3. Afbouw werkzaamheden
Stichting uitvoeringsorganisatie omslagregeling (Suo)
Met de intrekking van de
Wtz 1998 komt ook op termijn een einde aan de wettelijke taak van de Suo,
de rechtspersoon die ten behoeve van de Wtz 1998 als uitvoeringsorgaan
is aangewezen. De regering staat een snelle en kwalitatief goede
afhandeling van de uit de Wtz 1998 voortvloeiende claims voor. Gezien de
daarmee gemoeide tijd zal de Suo deze afwikkeling begeleiden tot 2009.
Vanaf dat jaar zal de bevoegdheid van rechtswege overgaan op het CVZ.
3.4. Studenten
Vóór de introductie van
het nieuwe zorgverzekeringsstelsel konden studerenden gebruik maken van
een speciale studentenstandaardpakketpolis op basis van de Wtz 1998. Met
de introductie van een nieuw stelsel van zorgverzekeringen ontstaan dan
ook inkomenseffecten voor studerenden. Deze worden grotendeels
gecompenseerd via de zorgtoeslag, waar studenten ook recht op hebben. De
regering heeft daarnaast besloten de particulier verzekerde studerenden
te compenseren via de aanvullende beurs in de
studiefinanciering.
Studenten met een aanvullende beurs raken de huidige tegemoetkoming in
de ziektekosten kwijt, die nu nog in de aanvullende beurs is opgenomen
voor particulier verzekerde studenten. Daarom is gekozen voor
compensatie in de aanvullende beurs en niet in de basisbeurs.
Compensatie via de aanvullende beurs zorgt voor een zo evenwichtig
mogelijke verdeling van inkomenseffecten.
Voor de compensatie via
de studiefinanciering is €|33 miljoen aan extra middelen beschikbaar
gesteld. De extra tegemoetkoming ziektekosten voor particulier
verzekerde studerenden in de aanvullende beurs komt te vervallen (€|450,- per jaar). Dit levert €|35 miljoen op. Het totaal van €|68
miljoen wordt ingezet om de aanvullende beurs structureel te verhogen
met €|330,- per jaar. Deze verhoging geldt voor alle studerenden met een
aanvullende beurs.
Daarnaast wordt de aanvullende beurs eenmalig verhoogd met €|70,- per
jaar in 2006, zodat de inkomenseffecten in 2006 worden beperkt.
rblz.|10|
4. Overgangsrecht Wet
medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden
De Wet MOOZ en het op
basis van die wet getroffen Besluit medefinancieringsregeling bewerkstelligen een
jaarlijkse solidariteitsoverdracht van particulier
verzekerden aan ziekenfondsverzekerden; die vindt plaats omdat in de
ziekenfondsverzekering verzekerden van 65 jaar of ouder relatief
oververtegenwoordigd zijn.
De systematiek van de Wet
MOOZ behelst - kort samengevat - dat jaarlijks wordt vastgesteld tot
welke extra lasten de oververtegenwoordiging van ouderen in de
ziekenfondsverzekering heeft geleid. Via het uitvoeringsorgaan van de Wet
MOOZ, de Suo,
wordt iedere particuliere ziektekostenverzekeraar jaarlijks aangeslagen
voor zijn aandeel in bedoelde solidariteitsbijdrage op
basis van het bij hem aangesloten aantal verzekerden. Eén jaar later kunnen
verzekeraars door middel van een premieopslag bedoelde bijdragen in rekening brengen aan hun verzekerden en
deze vervolgens - via de Suo - afdragen aan de Algemene Kas, bedoeld in de
Zfw.
Nu door de invoering van
de Zvw
met ingang van 1 januari 2006 het onderscheid tussen ziekenfondsverzekerden en particulier verzekerden
vervalt, is er niet
langer een groep particulier verzekerden aan wie de premieopslag in 2006 in
rekening kan worden gebracht.
De regering heeft ter
oplossing van dit vraagstuk een aantal opties verkend. Eén daarvan
betrof de mogelijkheid om de MOOZ-omslagbijdrage op te leggen aan alle
Nederlanders. Gevolg geven aan deze optie zou echter tot
aanzienlijke administratieve lasten leiden. Daarnaast is in deze optie sprake
van het rondpompen van geld. Een groot deel van de huishoudens
zou deze heffing immers terugkrijgen via de zorgtoeslag.
Gegeven deze bezwaren
heeft de regering ervoor gekozen om de MOOZ-omslagbijdrage voor 2005 niet te
heffen.
Hierdoor ontstaat er een incidenteel tekort van €|0,6 miljard
in de Algemene Kas van de ziekenfondsverzekering. Dit tekort zal niet
worden gedekt door hogere premies voor de ziekenfondsverzekering
(de premies 2005 staan immers vast en in 2006 wordt er geen
ziekenfondspremie meer geheven). Dit tekort zal er daarom toe leiden dat bij de
overdracht van het restvermogen van de Algemene Kas aan ’s Rijks
schatkist in 2010, dit restvermogen lager zal zijn dan eerder verwacht.
5. Overgangsrecht
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
De AWBZ behoeft op een
aantal punten aanpassing. Dit betreft regels inzake de taken van het CVZ
en het CTZ. Ook is voorzien in overgangsregelingen op het terrein van
subsidies, voor zover niet reeds eerder is besloten
subsidieregelingen te beëindigen.
Een ander onderdeel van
het overgangsrecht betreft de vrijwillige AWBZ-verzekering. De AWBZ-verzekering is
in beginsel een verzekering die voorziet in zorg in natura in
Nederland voor Nederlandse ingezetenen.
Bij de invoering van de
zogeheten "Oort-regelingen" in 1990 - in het kader van de vereenvoudiging
van regels betreffende de belasting- en premieheffing - is voorzien in een
verplichte AWBZ-verzekering voor buiten Nederland wonende rechthebbenden op
een langlopende Nederlandse socialezekerheidsuitkering of pensioen. Daarbij is
voor deze categorie een restitutieregeling in het
leven geroepen die betrokkenen recht geeft op restitutie van zorgkosten
voor zover die zorg niet wordt verleend op grond van de EU-socialezekerheidsverordening of een
socialezekerheidsverdrag. Zorg die wordt verleend
op grond van de EU-socialezekerheidsverordening rblz.|11|
of een
socialezekerheidsverdrag is de zorg zoals die is geregeld in de wetgeving van het
woonland van de betrokkenen (woonlandpakket).
Omdat de
EU-socialezekerheidsverordening en de socialezekerheidsverdragen slechts van toepassing
zijn op ziekenfondsverzekerden, komt in de praktijk de
restitutieregeling erop neer dat die regeling voor ziekenfondsverzekerden
een aanvullend karakter heeft naast de aanspraak op het woonlandpakket op
grond van een verdrag of de verordening, terwijl particulier
verzekerden alle in het buitenland gemaakte AWBZ-kosten gerestitueerd krijgen.
Op 1 januari 1999 is het
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden 1999 [Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, red.]
in werking getreden.
De regering beoogde hiermee invulling te geven aan de wens terug
te keren naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om
alleen ingezetenen te verzekeren, voor zover dat binnen het kader van internationale socialezekerheidsregelingen
mogelijk was. De
verplichte verzekering werd daarom beëindigd voor personen die buiten
Nederland woonachtig waren, behalve voor degenen op wie een socialezekerheidsverdrag of de EU-socialezekerheidsverordening
van toepassing was. Dat
zijn, zoals hiervoor uiteengezet, ziekenfondsverzekerden.
Die mensen bleven dus verplicht verzekerd voor de AWBZ.
Voor in het buitenland
wonende particulier verzekerde gepensioneerden werd een afwijkende
regeling gemaakt. Om te zorgen dat deze mensen in samenhang met hun
particuliere verzekering in het buitenland toch een volledige dekking konden
hebben, is met ingang van 1 januari 2000 de vrijwillige AWBZ-verzekering ingevoerd.
Op grond van de hiervoor
omschreven restitutieregeling konden de vrijwillig AWBZ-verzekerden
zorgkosten die zij in het buitenland maken, vergoed krijgen ten laste
van de AWBZ. Voor ziekenfondsverzekerden behield de
restitutieregeling haar aanvullende karakter, naast de aanspraken uit verdrag of
verordening. Op dit moment zijn er ongeveer 2000 vrijwillige
AWBZ-verzekerden in het buitenland die een restitutierecht hebben. Daarnaast zijn er
ongeveer 40 000 ziekenfondsverzekerden in het buitenland.
Op basis van de
restitutieregeling wordt uiteraard niet meer zorg vergoed dan is opgenomen in het
AWBZ-pakket. Wanneer, als gevolg van wettelijke maatregelen, delen uit
het AWBZ-pakket verdwijnen, wordt deze zorg ook niet meer vergoed
door de restitutieregeling. Dat is bijvoorbeeld het geval als het kabinet het
voornemen realiseert om per 1 januari 2006 de Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo) in te voeren. De aanspraak op enkelvoudige
huishoudelijke hulp gaat dan uit de AWBZ.
Bij
de invoering van de Zvw
komt het verschil tussen ziekenfonds- en particulier verzekerden
te vervallen. In beginsel wordt de Zvw op iedereen van toepassing. Omdat de
Zvw een sociale verzekering is, komt daarom iedereen te vallen onder
de EU-socialezekerheidsverordening of de socialezekerheidsverdragen.
Evenals dat geldt voor de huidige ziekenfondsverzekerden
kunnen de betrokkenen met toepassing van deze internationale
socialezekerheidsregelingen in hun woonland aanspraak maken op het
woonlandpakket. Daarom bestaat er geen noodzaak meer voor de vrijwillige
AWBZ-verzekering. Die wordt derhalve, tegelijk met de inwerkingtreding van de
Zvw, ingetrokken.
De regering heeft
vervolgens overwogen of de restitutieregeling, in aanvulling op de
aanspraken ingevolge een socialezekerheidsverdrag of de
EU-socialezekerheidsverordening, moet blijven bestaan.
rblz.|12|
Daarbij
is overwogen dat de huidige restitutieregeling berust op verzekering ingevolge de
AWBZ. Op
grond van een recentelijk door de Europese Raad aanvaarde wijziging
van de Europese socialezekerheidsverordening, die naar verwachting in
de loop van 2006 in werking zal treden, zal het niet langer toegestaan
zijn pensioengerechtigden verzekerd te maken ingevolgde de wetgeving
van een lidstaat wanneer zij niet in die lidstaat woonachtig zijn.
Dat betekent dat deze
groepen niet langer AWBZ-verzekerd kunnen zijn en dat de op de verzekering
berustende restitutieregeling niet meer van toepassing zal zijn.
Betrokkenen hebben dan in hun woonland recht op de medische zorg zoals
geregeld in de wetgeving van hun woonland. De kosten komen ten laste
van Nederland.
Vooruitlopende op de
inwerkingtreding van de genoemde verordening heeft de regering
besloten bedoeld woonlandbeginsel toe te passen met ingang van de
inwerkingtreding van de Zvw. Aldus handelt de Nederlandse regering overeenkomstig
de verplichtingen van internationale verdragen. Betrokkenen
krijgen de aanspraken volgens het pakket van hun woonland, niet meer en
niet minder. Zij worden daarmee gelijk behandeld met hun inlandse buren.
Voorkomen moet worden dat
mensen die nu zorg ontvangen op basis van de restitutieregeling in
de problemen komen na de toepassing van het woonlandbeginsel per 1
januari 2006. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van de Zvw
heeft onder meer de VVD-fractie hier aandacht voor gevraagd.
De regering onderschrijft
de wenselijkheid van een adequate overgangsregeling. Dit voorstel van wet
voorziet hierin. De overgangsregeling houdt in dat personen die bij
de inwerkingtreding van de deze wet al aanspraak hadden op een vergoeding
van de kosten van zorg op grond van de vrijwillige AWBZ-verzekering, die
vergoeding behouden. Ook is geregeld dat indien een zorggenietende
in aansluiting op de reeds verleende zorg een andere AWBZ-verstrekking
nodig heeft, ook daarin wordt voorzien. Bijvoorbeeld:
de gezondheidstoestand van een rechthebbende op vergoeding van de kosten van
thuiszorg verslechtert zodanig dat hij moet worden opgenomen in een
verpleeghuis. Voor zover de betrokkene op grond van een
internationale regeling aanspraak heeft op het zogenaamde woonlandpakket, wordt de
vergoeding in aanvulling daarop verleend. Op grond van de
internationale regelingen betaalt Nederland namelijk al voor het
woonlandpakket. Het is dan ook redelijk de vergoeding in aanvulling op de
verdragsaanspraken te verstrekken. De overgangsregeling bevat
verder bepalingen omtrent het vaststellen van de hoogte van de
vergoeding, waarbij wordt aangesloten bij in het woonland geldende
tarieven of - bij het ontbreken van een vastgesteld tarief - het kostenniveau van de
gezondheidszorg in dat land.
Verder wordt als
voorwaarde gesteld dat rechthebbenden op de overgangsregeling zich
binnen een termijn van vier maanden na inwerkingtreding van dit voorstel van wet
aanmelden bij het CVZ. De betrokkenen ontvangen hierover
voorlichting. Personen die zich na die termijn melden, worden
geaccepteerd indien zij aantonen dat zij zich hebben aangemeld binnen een
termijn van vier maanden nadat zij redelijkerwijs van de overgangsregeling
kennis hebben kunnen nemen.
Overgang geneeskundige
geestelijke gezondheidszorg
Bij koninklijk besluit
wordt geregeld dat de Zvw
(en de IZvw) met ingang van 1 januari 2006
in werking treden. Overigens zal in dat besluit worden geregeld dat
artikel 14, eerste en tweede lid, pas met ingang van 1 januari 2007 in werking
zullen treden. Dat is het gevolg van het feit dat de overgang van de geneeskundige gezondheidszorg
(ggz) van de AWBZ naar de Zvw met ingang
van die datum, in plaats van met ingang van rblz.|13|
1 januari 2006, plaats
zal vinden.¹ Partijen zijn eensgezind in hun inzet om de ggz in het Zvw-domein
onder te brengen. Voorop staat dat de overheveling zorgvuldig plaatsvindt,
praktisch werkbaar is en dat de verzekeraars met vertrouwen hun rol
kunnen vervullen. Hierom is besloten om de overheveling van delen
van de ggz van de AWBZ naar de Zvw gefaseerd in te voeren. Fase 1 gaat
in op 1 januari 2006 en houdt in dat het Zvw-besluit in werking
treedt, met daarin de geneeskundige ggz-aanspraken die per 1
januari 2007 zullen gelden. De financiering van de ggz zal in technische
zin in 2006 al plaatsvinden vanuit het Zorgverzekeringsfonds met vervolgens een
eenmalige storting aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
1. Kamerstukken II 2004-2005,
29 763, nr. 72, blz. 1, 2 en 3.
6. Overgang verzekerden
6.1. Algemeen
Op 1 januari 2006 vangt
voor iedere AWBZ-verzekerde de Zvw-verzekeringsplicht aan. In het nieuwe verzekeringsstelsel is voor verzekerden een
belangrijke rol weggelegd.
Beoogd wordt immers dat zorgverzekeraars concurreren om de gunst van
verzekerden op premie, kwaliteit en service. Verzekerden zijn vrij in de
keuze van hun zorgverzekeraar en vrij om te wisselen van verzekeraar.
Deze vrijheid geldt ook bij de overgang naar de Zvw. Tegelijkertijd is het
van belang voor zowel verzekerden als verzekeraars dat deze overgang
ordentelijk verloopt. Verzekerden dienen te weten waar ze in het nieuwe
verzekeringsstelsel aan toe zijn qua rechten en plichten en op de hoogte te
zijn van de stappen die ze in het kader van de overgang moeten of kunnen
zetten.
In dit verband is een
aantal zaken relevant. Om te beginnen bevat de Zvw een aantal sociale
waarborgen, waaronder de acceptatieplicht, het verbod op premiedifferentiatie en
het wettelijk omschreven pakket, dat overeenkomt met het huidige Zfw-pakket
aangevuld met een aanzienlijk deel van de geestelijke gezondheidszorg. De invoering van de Zvw leidt
ertoe dat
deze waarborgen straks voor
alle ingezetenen gelden. De gekozen premiestructuur in
combinatie met de zorgtoeslag leidt er bovendien toe dat alle Nederlanders tegen
redelijke kosten verzekerd zullen zijn.
Om verzekerden te
ondersteunen in dit overgangsjaar bij het maken van hun keuze voor een zorgverzekeraar zal voorafgaand aan de invoering van
de Zvw
een uitgebreide overheidsvoorlichtingscampagne in gang worden gezet. Daarbij zal een
belangrijke rol toekomen aan vertegenwoordigende organisaties van
consumenten en patiënten. Ook worden de vertegenwoordigende organisaties van de huidige
ziekenfondsen, particuliere ziektekostenverzekeraars en
publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren hier
intensief bij betrokken.
Verder streeft de regering
bij het geven van voorlichting naar samenwerking met vertegenwoordigende organisaties van onder meer sociale partners,
zorgaanbieders en
assurantietussenpersonen. Ter ondersteuning van verzekerden wordt
tevens vergelijkende informatie over verzekeraars beschikbaar gesteld via de
zorgportal www.kiesbeter.nl.
Bij een eventuele keuze
voor een zorgverzekering zullen veel verzekerden ook geïnteresseerd zijn in
het aanbod aan aanvullende verzekeringen. Hoewel de aanvullende
verzekeringen slechts een beperkt deel - nog geen 6% - betreffen van de
kosten van curatieve zorg, hebben veel burgers immers een dergelijke verzekering afgesloten. De genoemde website
www.kiesbeter.nl bevat ook
hierover keuze-informatie.
De aanvullende
verzekeringen maken per definitie geen deel uit van het wettelijke stelsel van
sociale zekerheid. Er hoeft in dit verband ook geen overgangsrecht te worden
opgesteld. Het is aan marktpartijen zelf, te rblz.|14|
weten de verzekeraars
enerzijds en de verzekerden en eventueel hun werkgevers anderzijds, om
zorg te dragen voor eventuele afspraken over aanvullende verzekeringen
in het licht van de invoering van de Zvw. Het aspect dat met het oog op
de acceptatieplicht en het voorkomen van risicoselectie bij de kamerbehandeling van de Zvw ruime aandacht heeft
gekregen, is de (ont)koppeling
van het basispakket en de aanvullende verzekering. Aangenomen is
het amendement-Heemskerk dat een beding van een verzekeraar die
een ziektekostenverzekering ter aanvulling van de zorgverzekering aanbiedt
nietig verklaart indien dit bepaalt dat de ziektekostenverzekering eindigt zodra met of ten
behoeve van de verzekerde een zorgverzekering met een
andere zorgverzekeraar wordt gesloten.¹ Dit amendement is opgenomen in
artikel 120 van de Zvw.
Voorts is een motie
aangenomen van de leden Omtzigt en Bakker, waarin de regering wordt verzocht
om vóór de behandeling van dit wetsvoorstel met een voorstel te
komen
waarmee het mogelijk wordt om de aanvullende verzekering voor
ziektekosten in een collectief contract te behouden bij het verlaten van de
collectiviteit.² Met genoemd artikel 120 van de
Zvw
wordt (materieel) invulling
gegeven aan deze motie. De nietigheid van het opzeggen van de aanvullende
verzekering bij het opzeggen van de zorgverzekering geldt in alle gevallen, dus
ook bij opzegging vanuit een collectiviteit.
1. Kamerstukken II 2004-2005,
29 763, nr. 61.
2. Kamerstukken II 2004-2005,
29 763, nr. 51.
Gedragslijn
Zorgverzekeraars Nederland
Vanuit het oogpunt van een
ordentelijke uitvoering van de Zvw
onderschrijft de regering het initiatief
van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) voor de overgang van
verzekerden. De voorzitter van ZN, de heer Wiegel, heeft in zijn brieven van 9
december 2004 en 12 april 2005 ¹ aangegeven dat ten behoeve van een
soepele overgang naar het nieuwe zorgstelsel zorgverzekeraars hun
verzekerden een non-select, integraal aanbod doen voor de hoofdverzekering en
aanvullende verzekering, dat zoveel mogelijk aansluit bij de huidige dekking. De verzekerden ontvangen dit aanbod
uiterlijk 16 december 2005.
Met het oog op de gewenste keuzevrijheid van de verzekerde zal daarbij
expliciet worden aangegeven dat de verzekerde gerechtigd is een keuze te
maken voor andere verzekeringsproducten dan wel voor een andere
zorgverzekeraar. Verzekerden kunnen tot 1 maart aangeven aan de verzekeraar
dat zij niet instemmen met het aanbod. Tot 1 mei kunnen
verzekeringsplichtigen een zorgverzekering afsluiten, met terugwerkende kracht tot 1
januari en zonder boete vanwege te laat verzekeren, Daarmee komen eventuele
zorgkosten en premie-inkomsten ten laste c.q. ten gunste van
de verzekeraar waarvoor de verzekerde kiest. ZN heeft het ministerie van
VWS geïnformeerd over het feit dat de NPCF [Nederlandse Patiënten en
Consumenten Federatie, red.] de gedragslijn ondersteunt.
1. Bijlage bij Kamerstukken
II 2004-2005 29 763, nr. 72.
Overigens ging de
gedragslijn van ZN oorspronkelijk uit van 1 november als datum waarop
verzekerden een aanbod van hun huidige verzekeraar ontvangen. Over de
achtergrond van de nieuwe afspraken is het parlement geïnformeerd in de brief
van ZN van 12 april 2005 en de brief van 13 april jongstleden.¹ Het verschuiven van de
datum waarop verzekerden
uiterlijk een non-select,
integraal aanbod krijgen voor de hoofdverzekering en aanvullende verzekering,
van 1 november naar 16 december, is een gevolg van de conclusies
die binnen ZN zijn getrokken op basis van onderzoek van
PricewaterhouseCoopers. Naar het oordeel van zorgverzekeraars biedt verschuiving van de
datum van 1 november de beste waarborg voor een kwalitatief verantwoorde invoering van de
Zvw, met
name met het oog op de
benodigde aanpassing van IT-processen. Zoals de voorzitter van ZN
aangeeft in zijn brief, vergt de voorbereiding namelijk meer tijd dan aanvankelijk
door de zorgverzekeraars was ingeschat. De regering heeft waardering
voor de zorgvuldige wijze waarop rblz.|15|
zorgverzekeraars vormgeven aan
de invoering en heeft begrip voor de verschuiving van de
uiterste datum naar 16 december.
Deze verschuiving mag
evenwel niet ten koste gaan van de keuzeperiode van de
verzekeringsplichtigen. Was het bij een aanbod vóór 1 november 2005 de bedoeling in
dit
voorstel van wet te regelen dat de verzekerde zich met terugwerkende kracht en
zonder boete wegens te laat verzekeren tot 1 maart 2006 kon verzekeren
(hij heeft dan vier maanden om een zorgverzekering en zorgverzekeraar te
kiezen), nu de uiterste datum op 16 december komt te liggen,
ligt het in de rede daar 1 mei van te maken (dit hoeft niet te worden
geregeld, maar volgt reeds uit de Zvw, die in
artikel 5 regelt dat iemand
vier maanden vanaf het ontstaan van de verzekeringsplicht heeft om
zich met terugwerkende kracht en zonder boete te verzekeren). De
datum van 1 mei zal in ieder geval gelden voor personen die aangeven niet
op het aanbod van hun huidige verzekeraar in te willen gaan en ook voor
mensen die nu geen verzekeraar hebben en dus geen aanbod krijgen.
Een belangrijke kwestie die
nog nadere beschouwing behoeft, is of verzekerden (ziekenfondsverzekerden,
particulier verzekerden en deelnemers aan de publiekrechtelijke
ambtelijke regelingen) die het aanbod van hun verzekeraar nog niet vóór 1
januari 2006 hebben geaccepteerd en die het ook niet hebben afgewezen, met ingang van 1 januari 2006 geacht dienen
te worden te zijn verzekerd
volgens het aanbod en bij de in het aanbod aangewezen zorgverzekeraar.
Daarbij zouden deze "niet-reageerders" dan nog tot 1 maart de gelegenheid krijgen om deze zorgverzekering alsnog te
ontbinden (waarna ze
vervolgens weer tot 1 mei 2006 hebben om een andere zorgverzekering te
sluiten). Een dergelijke optie heeft de voorkeur van de verzekeraars en kan
aantrekkelijk zijn met het oog op het bieden van duidelijkheid aan
verzekeraars, verzekerden en aanbieders in de overgangsfase, zonder inbreuk te doen op
de keuzevrijheid van verzekerden. In zijn brief van 12 april
geeft de voorzitter van ZN op hoofdlijnen aan hoe zal worden omgegaan met premies
en schades in de periode totdat de uiteindelijke keuze van de
verzekeringsplichtige vaststaat. Op dit moment bestudeer ik tezamen met ZN
de juridische en technische mogelijkheden van de geschetste optie.
1. Kamerstukken II 2004-2005
29 763, nr. 72.
6.2. Overgang verzekerden in
het kader van een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering
De Kontaktcommissie
Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren (KPZ) behartigt
op dit moment de belangen van IZA Nederland, de Interprovinciale
ziektekostenregeling (IZR) en de Regeling geneeskundige verzorging
politie (RGVP). Bij deze regelingen zijn ruim 860 000 personen tegen
ziektekosten verzekerd. Zij nemen op grond van hun arbeidsvoorwaarden
verplicht deel aan de ziektekostenregeling. De deelnemers zijn geen Wtz
1998- of Wet MOOZ-bijdragen verschuldigd. De gezinsleden zijn
meeverzekerd en de postactieven blijven deelnemen aan de regeling. De basis voor
deze ziektekostenregelingen ligt in de Wet
gemeenschappelijke regelingen en maakt deel uit van de collectieve arbeidsvoorwaarden van ambtenaren in dienst van de lagere overheden
en het politiepersoneel.
Op 11 oktober 2004 heeft de
KPZ opmerkingen gemaakt over het overgangsrecht in een brief aan de Tweede
Kamer. De KPZ behoorde overigens tot de organisaties die bij
de voorbereiding van het wetsvoorstel zijn geconsulteerd. In de
gesprekken die met het bestuur van deze organisatie zijn gevoerd, is het
onderwerp overgangsrecht ook nadrukkelijk aan de orde geweest. Daarbij is
een aantal specifieke vraagstukken op tafel gelegd die voortkomen uit
de beëindiging van de bestaande gemeenschappelijke regelingen als gevolg van
de invoering van de Zvw. Deze vraagstukken zijn inmiddels
grotendeels van een antwoord voorzien. Eén rblz.|16|
van deze vraagstukken, te
weten het waarborgen van de toegang tot de zorgverzekering en de
aanvullende verzekering voor de postactieve deelnemers aan de publiekrechtelijke
regelingen, wordt nader toegelicht. ZN heeft met betrekking tot
de invulling van genoemde gedragslijn het volgende aangegeven. Voor
het doen van een aanbod aan alle huidige deelnemers in de
publiekrechtelijke ziektekostenregelingen is het voldoende dat de deelnemers
worden aangeschreven over het aanbod voor de zorgverzekering en
de aanvullende verzekering. Dit wordt gedaan door de IZA/IZR,
respectievelijk de RGVP, voor de door IZA/IZR op te richten verzekeraar of door
de verzekeraar waarmee voor de deelnemers aan (één of alle) publiekrechtelijke regelingen een collectief contract wordt
overeengekomen. In
combinatie met de genoemde gedragslijn van ZN biedt dit voldoende
waarborgen voor de toegang tot de zorgverzekering en de aanvullende
verzekering van alle huidige deelnemers aan de publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen. Werkgevers- en werknemersorganisaties kunnen hier vervolgens
nadere afspraken over maken om tot een betekenisvolle regeling
voor de deelnemers aan de publiekrechtelijke regelingen te komen.
7. Saldering in verband met
CAO-afspraken
De regering wenst te
voorkomen dat werkgevers met ingang van 2006 zowel een tegemoetkoming
ten behoeve van de ziektekostenverzekering aan werknemers moeten
betalen op grond van lopende CAO-afspraken, als op grond van de Zvw
een
vergoeding voor de door de werknemers te betalen inkomensafhankelijke premie. Bij CAO wordt immers veelal een
tegemoetkoming inzake de
ziektekosten geregeld die de werknemer van de werkgever ontvangt.
Tegelijkertijd voorziet de Zvw erin dat werkgevers bijdragen aan de
financiering van de verzekering door middel van een verplichte vergoeding aan
hun werknemers van de door deze werknemers verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage over nader aangewezen loon. Deze verplichting
geldt ook voor uitkeringsinstanties met betrekking tot de door uitkeringsgerechtigden verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage over nader aan te
wijzen uitkeringen.
Om te voorkomen dat
werkgevers worden geconfronteerd met dubbele lasten is het van belang
dat de CAO’s tijdig worden herzien. Het is allereerst een verantwoordelijkheid
van de sociale partners zelf om te bepalen op welke wijze
arbeidsvoorwaardelijke afspraken worden afgestemd op de invoering van de Zvw. De
regeringsvoornemens met betrekking tot de Zvw zijn reeds geruime tijd
bekend. Daarnaast heeft de regering bij brief één en ander nadrukkelijk
onder de aandacht gebracht van de sociale partners in de Stichting
van de Arbeid.
Nochtans bestaat er, mede
gezien de in de Tweede Kamer aanvaarde motie-Schippers en Bakker,¹
aanleiding om een wettelijke voorziening te
treffen voor die gevallen
waarin partijen er niet in geslaagd zijn de desbetreffende overeenkomst tijdig te
wijzigen. Deze wettelijke regeling heeft het karakter van een overgangsmaatregel, waarbij de regering terughoudendheid
heeft betracht. Voorzien is
in een regeling die de werkgever de bevoegdheid geeft om
krachtens overeenkomst verschuldigde vergoedingen in mindering te brengen op
de wettelijk verschuldigde vergoeding voor de
inkomensafhankelijke bijdrage. De voorgestelde regeling heeft alleen betrekking op nog
niet gewijzigde overeenkomsten en het deel van de contractuele
vergoedingen dat evenredig is aan de vergoeding voor de wettelijke
zorgverzekering. De bevoegdheid tot salderen geldt dus niet voor zover de op grond van
een (collectieve) arbeidsovereenkomst of vergelijkbare overeenkomst
verplichte bijdrage functioneert als een tegemoetkoming in de kosten van een
aanvullende verzekering. Evenmin wordt afbreuk gedaan aan de
verschuldigdheid van de contractuele vergoeding; bepaald wordt
slechts of en in hoeverre deze in mindering rblz.|17|
mag worden gebracht op de
wettelijke vergoeding. De vermindering van de wettelijke vergoeding
van de inkomensafhankelijke bijdrage met de bedoelde contractuele
vergoedingen leidt niet tot wijzigingen in de middelen van het
Zorgverzekeringsfonds. Het Zorgverzekeringsfonds wordt (mede) gevoed door de
inkomensafhankelijke bijdragen (en niet door de hoogte van de
wettelijke vergoeding daarvan door de werkgever) en deze ondergaan geen
wijziging.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 29 763, nr. 54.
8. Adviesorganen
Het onderhavige voorstel
van wet bevat naast de veelal technische noodzakelijke overgangsmaatregelen ook
een aantal inhoudelijke voorstellen. De regering heeft dit
voorstel van wet daarom bezien op de effecten ten aanzien van de
administratieve lasten en deze gekwantificeerd. Het voorstel van wet is aan het
Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) aangeboden ter
beoordeling. Aangegeven is dat de administratieve lasten die met dit voorstel
van wet gemoeid zijn buitengewoon gering zijn. Actal heeft daarop
besloten dit wetsvoorstel niet niet te selecteren voor toetsing en advies.
Nu dit wetsvoorstel niet
voorziet in nieuwe regelgeving op het terrein van de verwerking van persoonsgegevens, heeft de regering dit wetsvoorstel
niet voor advies voorgelegd
aan het College bescherming persoonsgegevens.
Artikelsgewijs
Bij het opstellen van
dit
wetsvoorstel is ervan uitgegaan dat de volgende wetsvoorstellen tevoren tot
wet zijn verheven en in werking zijn getreden:
• de Wet
toelating zorginstellingen (Kamerstukken II 2003-2004, 27 659, A) (Wtzi);
• de wijziging van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 en de
Zfw
in verband
met invoering van een
identificatieplicht bij het verkrijgen van zorg, invoering van het sofinummer in de Wtz 1998, elektronisch berichtenverkeer in de Zfw en enige andere
wijzigingen (fraudebestrijding
zorgverzekeringswetten) (Kamerstukken II
2003-2004,
29 623). Dat is van belang voor het nieuwe
artikel 15, onderdeel f, van de AWBZ;
• de Wet tot vaststelling
van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken I 2002-2003, 19 529, nr. 206), alsmede de (nog
bij de Tweede Kamer in te dienen) Invoeringswet
titel 7.17 en titel 7.18 Burgerlijk Wetboek;
• de Wet financiering
sociale verzekeringen (Wfsv) en de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen
(IWfsv).
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1
De in dit artikel opgenomen
begripsomschrijvingen gelden voor de hele wet, behalve voor de
artikelen 2.1.3 en 2.1.4, 2.4.1 en
2.4.2, artikel
3.1.1 en de artikelen 3.2.1 tot en
met 3.8.23. De genoemde artikelen strekken (met uitzondering van de
artikelen 2.1.3 en 2.1.4) namelijk tot wijziging (of intrekking) van andere
wetten, die hun eigen definitiebepalingen kennen.
rblz.|18|
Hoofdstuk 2. Invoering
van de Zorgverzekeringswet
§ 2.1.
Overgangsrecht Zfw
Artikel 2.1.1
Bij de invoering van de
Zvw
op 1 januari 2006 vervalt de Zfw. Alle ingezetenen zijn vanaf 1 januari 2006
verzekeringsplichtig ingevolge de Zvw en moeten door de
zorgverzekeraars worden geaccepteerd voor een zorgverzekeringsovereenkomst
naar hun keuze. De voorheen
onder de dekking van de Zfw vallende zorg
die zij behoeven, is vanaf 1 januari 2006 gedekt door de zorgverzekering.
Hierbij zij opgemerkt dat dit uitzondering lijdt ingeval een behandeling
behoort tot een DBC die vóór 1 januari 2006 is begonnen en pas in 2006
wordt afgesloten; na die afsluiting wordt ingevolge de Wtg [Wet
tarieven gezondheidszorg, red.] één ongedeeld
tarief in rekening gebracht. Dit tarief komt ten laste van de
verzekeraar bij welke de betrokken patiënt verzekerd was op het tijdstip waarop de
DBC werd geopend. Dat betekent dat rekeningen voor in 2005 geopende en in
2006 afgesloten DBC’s van mensen die in 2005 ziekenfondsverzekerde waren nog ten laste komen van hun (oude) ziekenfonds.
Artikel 2.1.2
Met de intrekking van de
Zfw
zijn uiteraard nog niet de werkzaamheden ter uitvoering van
de wet
direct afgerond. De uitvoering van de verzekering over de vóór de intrekking
liggende periode dient uiteraard zorgvuldig te worden afgewikkeld. Voor
de vaststelling van rechten en plichten van de verzekerden en de ziekenfondsen jegens elkaar en van ziekenfondsen
en zorgaanbieders jegens
elkaar over die periode blijven op grond van artikel 2.1.2 in
beginsel de regels van toepassing die toen golden.
De bepalingen van de Zfw
die betrekking hebben op de uitvoering van die wet door ziekenfondsen en
de bepalingen die de verplichtingen van ziekenfondsen jegens het CVZ
en het CTZ regelen, alsmede de bepalingen die bevoegdheden van het
CVZ en het CTZ jegens de ziekenfondsen regelen, vervallen weliswaar, maar toch zullen de ziekenfondsen en de
colleges nog een zekere
tijd bezig zijn met de afwikkeling van de uitvoering van de wet; de bedoelde
bepalingen zullen daarom nog enige tijd van kracht moeten blijven.
Daarnaast moeten er enige bepalingen worden vastgesteld die specifiek
zijn toegesneden op de afwikkeling van de ziekenfondsverzekering; die
bepalingen bevatten verplichtingen voor de bestuursorganen die bij de
uitvoering van de wet een rol vervullen.
Het eerste lid geeft als
overgangsregel dat het bepaalde bij of krachtens de Zfw van kracht blijft
ter zake van de afwikkeling van die wet.
Aanspraken, rechten en
verplichtingen van verzekerden die voortvloeien uit het bepaalde bij of
krachtens de Zfw worden in beginsel beheerst door het oude recht. Dat geldt
ook voor de verhoudingen tussen ziekenfondsen, CVZ en CTZ. De afwikkeling
door de ziekenfondsen en colleges moet in beginsel gebeuren volgens
de regels van de dan inmiddels vervallen Zfw. Dat is noodzakelijk om te
komen tot een zorgvuldige afwikkeling.
Voorts brengt het eerste
lid met zich mee dat alle wettelijke bepalingen, met inbegrip van wettelijke
regels op het gebied van bezwaar en beroep, die betrekking hebben op of
verband houden met de uitvoering van de Zfw eveneens van
toepassing blijven, behoudens voor zover ter zake in die wet afwijkende regels
zijn gesteld. Dit geldt ook ten aanzien van bezwaar en beroep tegen een
besluit op grond van de Zfw indien dat na de inwerkingtreding van
artikel 2.1.1 is genomen.
Besluiten die zijn
gebaseerd op paragraaf 2.1 vloeien niet voort uit de werking van de
Zfw en
vallen daarom niet onder het bereik van het eerste lid [van artikel 2.1.2,
red.]. Om die reden geeft het
tweede lid voor dergelijke besluiten een regeling rblz.|19|
voor bezwaar en beroep die aansluit bij de regeling voor geschillen in het recht zoals dat gold
vóór 1 januari 2006. Dit betekent feitelijk, net als in de huidige situatie,
dat de concrete rechtsgang afhankelijk is van het concrete geschil. Zo zal
bijvoorbeeld op een beroep van een verzekerde op grond van artikel 2.1.5
uiteindelijk in hoogste instantie uitspraak worden gedaan door de
Centrale Raad van Beroep, omdat de Zfw op de bijlage bij de Beroepswet
is opgenomen. Anderzijds zal bijvoorbeeld een beroep door een ziekenfonds
in verband met het bepaalde in artikel 2.1.9 op grond van artikel 77 van
de Zfw
worden behandeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State.
Het derde lid regelt
uitdrukkelijk dat een ziekenfonds dat vóór 2006 als zodanig werkzaam was, die
hoedanigheid behoudt ter zake van de afwikkeling van de Zfw. Een ziekenfonds
dat met ingang van 2006 actief is als zorgverzekeraar blijft
derhalve gehouden tot de afwikkeling van de Zfw en behoudt in zoverre ook
de hoedanigheid van bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht.
In het vierde lid is op de
bestuursorganen die bij de uitvoering van de Zfw een taak hadden de
verplichting gelegd zorg te dragen voor een zorgvuldige afwikkeling van de
uitvoering van de Zfw. Die bestuursorganen zijn de ziekenfondsen en de
genoemde colleges. De kern van deze bepaling wordt gevormd door de woorden
"overeenkomstig de bepalingen van
deze wet". Daarmee is tot
uitdrukking gebracht dat zij daarbij te werk moeten gaan volgens de
regels van paragraaf 2.1 van de IZvw. Dat op deze bestuursorganen
(mede) het bepaalde bij of krachtens de Zfw van toepassing is, vloeit
reeds voort uit het bepaalde in het eerste lid. Op de naleving van deze
verplichting kan worden toegezien en zo nodig kan ook corrigerend worden
ingegrepen met behulp van het oude instrumentarium.
Artikelen 2.1.3 en
2.1.4
Door het intrekken van de
Zfw
vervallen ook de artikelen die regelen dat er een CVZ
en een CTZ is.
De continuïteit van deze
bestuursorganen wordt in de artikelen 2.1.3 en
2.1.4 geregeld door vast te
stellen dat het bestaan van de colleges voortaan berust op de
nieuwe wettelijke grondslag. De leden van het CVZ en het CTZ zijn benoemd tot
1 januari 2006, zodat kan worden afgezien van een overgangsregeling
met betrekking tot benoemingen uit het verleden.
Artikel 2.1.5
In het eerste lid wordt
bepaald dat zorgaanbieders tot 1 januari 2008 bij de ziekenfondsverzekerde
kosten van zorg kunnen vorderen ter zake waarvan de verzekerde
aanspraak heeft op vergoeding door het ziekenfonds. Met inachtneming van het
bepaalde bij en krachtens de artikelen 9 tot en met 11b
van de Zfw
kunnen verzekerden in gevallen waarin de zorg
niet in natura is verstrekt aanspraak maken op vergoeding van de kosten van zorg door het
ziekenfonds. Zorgaanbieders zijn ten behoeve van de facturering van de kosten
doorgaans op de hoogte van de wijze van verzekering van degene aan wie de zorg
is verleend. Bovendien hebben zorgaanbieders er geen belang bij om het
in rekening brengen van kosten van verleende zorg lang uit te
stellen; aannemelijk is dat zij ruim vóór 1 januari 2008 hun nota’s zullen
hebben verzonden. Nochtans is in het belang van een zorgvuldige en
voortvarende afwikkeling van de Zfw
uitdrukkelijk bepaald dat de
zorgaanbieder de nota vóór 1 januari 2008 aan de verzekerde zendt.
In het tweede lid van dit
artikel wordt bepaald dat aanspraken van verzekerden op vergoeding van kosten
ingevolge de Zfw vervallen indien verzoeken tot betaling van
de vergoeding niet vóór 1 april 2008 bij het rblz.|20|
ziekenfonds zijn ingediend.
Aan de verzekerde staat derhalve een toereikende periode (van ten minste
drie maanden) ter beschikking om de rekening bij het ziekenfonds in te
dienen. Gelet op het feit dat verstrekking in natura in de Zfw voorop
staat en er slechts beperkt sprake is van vergoeding van door verzekerden zelf
gemaakte kosten, zal die periode naar verwachting voor
verzekerden voldoende zijn om hun vergoedingen aan te vragen. Voor de
aanspraken in natura behoeft in dit verband uit de aard der zaak niets te worden
geregeld.
Voor de aanspraak op een
no-claimteruggave ligt het initiatief bij het ziekenfonds; het
ziekenfonds zal ultimo maart 2006 de eerste no-claimteruggave met de
verzekerden verrekenen en kan, als daar in verband met later ontvangen
informatie over door de verzekerde gemaakte zorgkosten
aanleiding toe is, ultimo maart 2007 een herziene afrekening aan de
verzekerde zenden.
Artikel 2.1.6
De door ziekenfondsen met
zorgaanbieders in het kader van de Zfw
gesloten (medewerkers)overeenkomsten hebben betrekking op de levering
van zorg door de
zorgaanbieders aan de Zfw-verzekerden van het ziekenfonds. De Zvw
geeft
de zorgverzekeraars de vrijheid zelf te bepalen of zij aan hun verzekerden
zorg zullen leveren (en daartoe overeenkomsten met zorgaanbieders sluiten)
dan wel de kosten van zorg zullen vergoeden. In die wet zijn
dan ook geen bepalingen meer opgenomen die verplichten tot het sluiten van overeenkomsten met zorgaanbieders of die
de inhoud daarvan regelen.
Zorgverzekeraars die kiezen voor het vergoeden van gemaakte
kosten, zullen daarom geen belang meer hebben bij het voortzetten
van onder het Zfw-regime gesloten overeenkomsten. Zorgverzekeraars die hun
verzekerden wel zorg in natura willen leveren, zullen wellicht
tot andere afspraken met de zorgaanbieders willen komen dan zij onder het Zfw-regime hebben gemaakt. Mogelijk willen ook
zorgaanbieders de nieuwe
situatie aangrijpen om nieuwe overeenkomsten te sluiten. Indien beide
partijen de oude overeenkomst willen opzeggen of wijzigen, is
dat uiteraard zonder meer mogelijk. Voor het geval één van de partijen
daaraan niet wil meewerken, bepaalt artikel
2.1.6, eerste lid, dat
beide partijen het recht hebben de bestaande overeenkomsten met een termijn
van twee
maanden op te zeggen, ook voor zover die overeenkomst
anders bepaalt. Hierbij dient overigens te worden bedacht dat de bepaling
slechts in een beperkt aantal gevallen betekenis zal hebben, omdat alle betrokkenen sinds lange tijd op de hoogte zijn van
de invoering van de Zvw per
1 januari 2006 en daarop dus hebben kunnen anticiperen. Veel
overeenkomsten zullen daarom al voordien zijn opgezegd of vervangen door een
nieuwe.
In het tweede lid is
geregeld dat de zorgaanbieders die op grond van een overeenkomst in het kader
van de Zfw nog een vordering hebben op een ziekenfonds, hun declaratie vóór 1 januari 2008 aan het ziekenfonds moeten zenden op straffe
van verval van hun vorderingsrecht. Deze afwijking van de algemene regeling in
het Burgerlijk
Wetboek is redelijk, noodzakelijk en gerechtvaardigd in het
licht van het belang van een zorgvuldige en voortvarende afwikkeling
van de Zfw. Bij het bepalen van de termijn is rekening gehouden met het
naijlen van de afrekening van DBC’s.
Artikel 2.1.7
Op grond van de van
toepassing blijvende artikelen van de Zfw
moeten ziekenfondsen in 2006 een
verslag en verantwoording indienen over de uitvoering van de Zfw in
2005. Na controle stelt het CVZ in beginsel in 2006 een eerste afrekening
op. Het zal duidelijk zijn dat de definitieve afrekening over 2005, en
mogelijk ook over een aantal voorafgaande jaren, in de praktijk nog
enige jaren op zich laat wachten. Zie ook de rblz.|21|
voorgaande artikelen en
paragraaf 2.1 van het algemeen deel van de memorie van toelichting, die
duidelijk maken dat ook de ziekenfondsen in 2006 nog geen volledig beeld kunnen
hebben van de voor rekening van de Zfw komende kosten.
Als de ziekenfondsen de
stukken over 2005 hebben ingediend, hebben zij in beginsel voldaan aan de verplichting om op grond van de
artikelen
43e en 43f Zfw
jaarlijks een
verslag en verantwoording in te dienen. Toegespitst op de afwikkeling van de
uitvoering van de Zfw is nu in artikel 2.1.7 expliciet geregeld dat de
ziekenfondsen uiterlijk 1 november 2008 een eindafrekening en
verantwoording moeten indienen.
Verder is in het tweede lid
geregeld dat het CVZ uiterlijk 1 juli 2009 de eindafrekening (nadere
vaststelling) met alle ziekenfondsen over 2005 en eerdere jaren moet hebben
afgerond.
Het derde lid houdt
rekening met de mogelijkheid dat pas na het in het eerste lid bedoelde
tijdstip waarop de in dat lid bedoelde verslagen aan het CVZ zijn gezonden (dat
variabel is, maar uiterlijk 31 oktober 2008), komt vast te staan dat een
ziekenfonds nog een vordering aan een zorgaanbieder of aan een verzekerde moet
voldoen in het kader van de uitvoering van de Zfw, dan wel pas na
het in het eerste lid bedoelde tijdstip betaling ontvangt ter zake
van een door het ziekenfonds ingestelde vordering. Een dergelijke gedane of
ontvangen betaling kan dan niet worden meegenomen in de
eindafrekening. Alleen vorderingen van zorgaanbieders die zijn ingesteld vóór 1
januari 2008 komen op grond van artikel 2.1.5 en
2.1.6 voor vergoeding door het ziekenfonds in aanmerking. Als
het een vordering betreft
die is ingesteld vóór 1 januari 2008, maar ten aanzien waarvan pas na het
in het eerste lid bedoelde tijdstip onherroepelijk wordt vastgesteld dat het
ziekenfonds gehouden is tot betaling, komt die betaling ten laste van
(de reserve van) het ziekenfonds of zijn rechtsopvolger onder algemene titel.
Betalingen die het ziekenfonds ontvangt na het in het eerste lid
bedoelde tijdstip komen ten gunste van (de reserve van) het
ziekenfonds.
Artikel 2.1.8
Nadat het
CVZ - op basis van
door het CTZ uitgevoerd onderzoek - heeft afgerekend met de
ziekenfondsen, zal het CTZ een eindrapportage aan de minister
moeten verzorgen
per ziekenfonds over de rechtmatigheid van de uitvoering van de
afwikkeling van de Zfw. In het jaar 2006 zal een dergelijke rapportage,
zoals jaarlijks gebruikelijk, dan al zijn uitgebracht over het jaar 2005.
Artikel 2.1.9
Artikel
43d Zfw
regelt dat
ziekenfondsen de met de uitvoering van de Zfw
opgebouwde reserves moeten afdragen
in geval van (in de sfeer van het
ziekenfonds liggende)
liquidatie of verlies van toelating door een ziekenfonds. Deze collectieve middelen
blijven daardoor beschikbaar voor de uitvoering van de artikel 2.1.2. Die bepaling is weliswaar
niet toegesneden op de aan
de orde zijnde situatie, waarbij het wettelijke systeem van de
Zfw komt te vervallen, maar ook in die situatie geldt uiteraard het uitgangspunt dat het gaat om collectieve middelen die
voor de sociale
ziektekostenverzekering beschikbaar moeten blijven. Daarom bepaalt artikel
2.1.9 dat de ziekenfondsen na de afrekening met het CVZ
per 1 juli 2009 in
beginsel de voor de uitvoering van de Zfw gereserveerde gelden (de
ziekenfondsreserve) moeten afdragen aan de Algemene Kas.
Het is echter de bedoeling
dat ziekenfondsen die dat wensen werkzaam kunnen zijn als
zorgverzekeraar in het kader van de Zvw. Het is niet onaannemelijk dat veel
ziekenfondsverzekerden per 1 januari 2006 verzekerd willen blijven bij het
ziekenfonds (als zorgverzekeraar) waarbij zij voordien rblz.|22|
ingeschreven waren.
Daarom
is in het tweede lid bepaald dat afdracht aan de Algemene Kas achterwege
kan blijven, mits het ziekenfonds (of zijn rechtsopvolger onder
algemene titel) heeft voldaan aan artikel 25, eerste en tweede lid, van de Zvw
(dat wil zeggen zich heeft aangemeld als zorgverzekeraar en zijn modelpolissen heeft
overgelegd). Aldus kan het ziekenfonds voldoen aan de op grond van
de Wtv
1993 geldende solvabiliteitseisen.
Ingevolge het derde lid
geldt daarbij echter nog een andere voorwaarde. De ziekenfondsreserve kan
door het ziekenfonds of de rechtsopvolger slechts worden behouden
indien en voor zover de statuten waarborgen dat het ziekenfonds
gedurende minimaal tien jaren na 1 januari 2006 werkzaam is
als zorgverzekeraar zonder winstoogmerk.
Artikel 2.1.10
Artikel
1s van de Zfw
verplicht het CVZ jaarlijks een financieel verslag met betrekking tot de Algemene
Kas in te dienen over de uitgaven en ontvangsten in het voorafgaande
kalenderjaar. Zo zal het CVZ eind 2006 moeten rapporteren over de
uitgaven en ontvangsten in 2005. Voor de resterende periode van de afwikkeling
van de Zfw
kan worden volstaan met een slotafrekening inzake de
Algemene Kas. In artikel 2.1.10 is geregeld dat zo’n verslag over de
periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2009 vóór 1 maart 2010 moet worden
ingediend.
Artikel 2.1.11
Deze bepaling regelt dat
het saldo van de Algemene Kas naar de situatie op 1 januari 2010 ten bate
of ten laste komt van ’s Rijks schatkist.
Artikel 2.1.12
Bepaald is dat baten en
lasten van afrekeningen met ziekenfondsen ten goede komen aan of ten
laste komen van de Algemene Kas.
Artikel 2.1.13
Omdat tevoren niet volledig
is te voorzien of er nog andere voorzieningen moeten worden getroffen
inzake de afwikkeling van de Zfw, is voorzien in de bevoegdheid voor de minister
om regels te stellen die daarvoor noodzakelijk zijn.
§ 2.2.
Overgangsrecht Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
1998
Artikel 2.2.1
Door de totstandkoming van
de Zvw
is er sprake van één wettelijk verzekeringsregime voor
noodzakelijke zorg voor alle ingezetenen van Nederland. Aan een
wettelijk vastgestelde standaardpolis voor risicogroepen die zonder een dergelijke
voorziening voorheen niet op acceptabele voorwaarden toegang tot de gezondheidszorg zouden hebben,
bestaat daarmee niet langer
behoefte. Om die reden wordt de Wtz 1998 met ingang van 1 januari
2006 ingetrokken (artikel 2.2.1).
De intrekking van de Wtz
1998 heeft niet rechtstreeks gevolgen voor de op grond van die wet gesloten
overeenkomsten van standaardverzekering. Deze privaatrechtelijke
overeenkomsten kunnen door partijen uiteraard op de gebruikelijke wijze
worden opgezegd, maar vervallen (gedeeltelijk) op grond van artikel 2.5.2 van
de onderhavige wet, waarin overeenkomstig artikel 119
Zvw
wordt
geregeld dat ziektekostenverzekeringen voor personen voor wie met
ingang van 1 januari 2006 een zorgverzekering rblz.|23|
wordt aangegaan, voor zover
daaraan rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die welke
uit de zorgverzekering voortvloeien, vervallen. Degenen die nu een
standaardpakketpolis hebben, maar niet verzekeringsplichtig zijn ingevolge de Zvw (dat
wil zeggen: in het buitenland wonende Wtz-verzekerden), zullen (na aanpassing van een bijlage bij
Verordening (EEG) nr. 1408/71)
recht hebben op geneeskundige zorg zoals voorzien in de wetgeving van hun
woonland en zullen op grond van artikel 69 Zvw
daarvoor een bijdrage
aan het CVZ verschuldigd zijn.
Artikel 2.2.2
Op grond van
artikel 2.2.2,
eerste lid, blijft de Wtz 1998, zoals die op het tijdstip van intrekking
luidde, van toepassing op de afwikkeling van die oude jaren.
Dat betekent dat
verzekerden en ziektekostenverzekeraars gehouden blijven met betrekking tot
vóór het tijdstip van intrekking van de wet verstreken kalenderjaren
hun verplichtingen na te komen. Zo zullen verzekerden verplicht blijven de premie
en omslagbijdragen over verstreken jaren te betalen en recht houden op vergoeding van kosten over die jaren.
Ook blijft voor de
ziektekostenverzekeraars verrekening van de omslagbijdragen met het uitvoeringsorgaan
plaatsvinden. Het betekent ook dat het uitvoeringsorgaan gedurende de afwikkeling gehouden blijft aan de in
de wet gestelde regels te
voldoen (waaronder de jaarlijks in te dienen begroting van
uitvoeringskosten en de goedkeuring ervan ingevolge artikel 22, eerste lid, van
de Wtz 1998). De kosten van de afwikkeling komen in beginsel ten laste
van de voorziening die ingevolge artikel 16 van de Wtz 1998 is
getroffen met het oog op de beëindiging van de omslagregeling.
Het jaar 2005 is het
laatste jaar waarvoor ziektekostenverzekeraars door middel van een
omslagbijdrage schadeloos worden gesteld voor de uitvoering van de Wtz 1998.
Uiteraard zal de afwikkeling van claims van de ziektekostenverzekeraars
over oude jaren nog enige tijd kosten; dat hangt samen met de
vertraging die kan optreden bij de indiening van claims over die oude jaren
door verzekerden bij de ziektekostenverzekeraars. Overigens is in de
voorwaarden van de standaardpakketpolis veelal opgenomen dat de te
vergoeden nota’s binnen twaalf maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de behandeling heeft
plaatsgevonden, bij de verzekeraar moeten
worden ingediend.
Op enkele punten is
voorzien in een specifieke voorziening ten opzichte van de Wtz 1998. Om te
voorkomen dat de afwikkeling van de Wtz 1998 zich te lang zou
voortslepen, is bepaald dat toepassing van artikel 8 van de Wtz 1998 slechts
plaatsvindt voor zover de ziektekostenverzekeraar vóór 1 juli 2008 daarom
heeft verzocht. Dit betekent dat ziektekostenverzekeraars hun claims uiterlijk 30
juni 2008 zullen moeten indienen bij de aangewezen rechtspersoon
(de Stichting uitvoering omslagregelingen te Houten, hierna te noemen Suo). Het
toezicht op de uitvoering van de afwikkeling van de Wtz 1998
blijft bij de PVK [Pensioen- & Verzekeringskamer, red.], thans
DNB.
In artikel 2.2.2, tweede
lid, is bepaald dat het door de uitvoering van de Wtz 1998 gevormde vermogen,
exclusief de discontinuïteitsvoorziening die ten behoeve van de
wachtgeldregeling is opgebouwd, op 1 januari 2009 ten gunste of ten
laste van de Algemene Kas van de Zfw
komt. Dit is in lijn met het publieke
karakter van de gelden die omgaan in de omslagregeling. Hiermee wordt aangesloten
bij de afbouw van de Zfw en verloopt de afwikkeling van
beide wetten via de Algemene Kas van de Zfw en via het CVZ.
In het derde lid is bepaald
dat het CVZ vanaf 1 januari 2009 de afwikkeling voor zijn rekening neemt.
Het CVZ treedt van rechtswege in de rechten en verplichtingen van de Suo
met betrekking tot de afwikkeling. De Suo blijft verantwoordelijk voor de
uitvoering van de wachtgeldregeling die voor haar werknemers is
ingesteld. In de afgelopen periode is op basis van rblz.|24|
artikel 16 juncto artikel 38,
derde lid, van de Wtz 1998 zorg gedragen voor het opbouwen van een
voorziening die in beginsel voldoende is voor de financiering van de
bedragen die het uitvoeringsorgaan bij beëindiging van de omslagregeling aan
de ziektekostenverzekeraars per saldo verschuldigd is. Burgers
zullen in 2006 geen omslagbijdrage meer verschuldigd zijn. Mocht er
na afwikkeling van de Wtz 1998 sprake zijn van een tekort of een
overschot, dan komt dit ingevolge artikel
2.2.2, tweede lid, ten laste of ten
gunste van de Algemene Kas van de Zfw.
Het vierde lid bepaalt dat
baten en lasten in verband met de afwikkeling van de Wtz 1998 die zich manifesteren nadat het
CVZ de verantwoordelijkheid
voor de afwikkeling heeft gekregen, ten goede komen aan of ten laste komen van de Algemene
Kas. Indien dit zich voordoet na de opheffing van de Algemene Kas, geldt
hetzelfde, maar dan met betrekking tot ’s Rijks schatkist.
In het vijfde en zesde lid
is bepaald dat indien de voorziening die is opgebouwd ten behoeve van de
wachtgeldregeling op enig moment onbenut blijft, het resterende deel
daarvan op vordering van Onze Minister in ’s Rijks schatkist
vloeit. De reden daarvan is dat deze voorziening met publieke middelen (ten
laste van de begroting van VWS) is opgebouwd. Het resterende deel van de
voorziening is alleen opvorderbaar indien vaststaat dat ook in de
toekomst geen uitkeringen ten laste zullen komen van de voorziening. Op
grond van het vijfde lid dient de Suo uit eigen beweging Onze Minister te
informeren indien de voorziening die is opgebouwd ten behoeve van de
wachtgeldregeling op enig moment onbenut blijft. De minister kan
gegevens verlangen met betrekking tot de voorziening, voor zover die van belang
zijn voor de hem in het zesde lid gegeven bevoegdheid. Op eventuele
geschillen hieromtrent is artikel 2.2.4 van toepassing.
In het zevende lid is
voorzien in de bevoegdheid voor de minister om eventueel noodzakelijke
aanvullende overgangsregels te stellen.
Artikel 2.2.3
In dit artikel is bepaald
dat artikel 14, derde lid, van de Wtz, welk artikel van de oude wet is blijven
gelden ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wtz 1998, vervalt. Daarmee
is thans de gehele oude Wtz vervallen.
In het tweede lid van
artikel 2.2.3 is thans opnieuw voorzien in de verplichting voor de ziekenfondsen om de
reserves van de vrijwillige verzekering aan te wenden op een door
de Ministers van VWS en van
Financiën aan te geven wijze. In 1999 zijn
in een convenant daarover goede afspraken neergelegd; dat convenant
houdt in dat deze gelden zijn ondergebracht in een Stichting Centraal
Fonds RVVZ [RVVZ: Reserves Voormalige Vrijwillige
Ziekenfondsverzekeringen, red.] en in een tijdvak van 20 jaren zullen worden besteed aan
projecten.
De formulering van het
artikel komt overeen met die in de vervallen bepaling, met dien verstande dat
thans expliciet tot uitdrukking is gebracht dat de verplichting met
toestemming van de betrokken ministers aan een andere rechtspersoon kan
worden overgedragen; aldus is uitgesloten dat de ziekenfondsen
uitsluitend in verband met deze verplichting nog vele jaren zouden moeten
voortbestaan.
Artikel 2.2.4
Artikel 34 van de Wtz 1998
bepaalt dat tegen een op grond van die wet genomen beschikking een belanghebbende beroep kan instellen bij het
College van Beroep voor het bedrijfsleven. Artikel
2.2.2, eerste lid, brengt met zich mee dat artikel 34
van de Wtz 1998 van toepassing is op de afwikkeling van de wet. Besluiten die
zijn gebaseerd op het overgangsrecht zelf rblz.|25|
(bijvoorbeeld artikel
2.2.3, tweede lid) vloeien niet voort uit de werking van de Wtz 1998 tot 1
januari 2006 en vallen daarom niet onder het bereik van artikel
2.2.2. Om die
reden geeft artikel 2.2.4 een regeling die ertoe leidt dat ook ten aanzien
van het overgangsrecht beroep kan worden ingesteld bij het College
van Beroep voor het bedrijfsleven.
§ 2.3.
Overgangsrecht Wet MOOZ
Artikel 2.3.1
Nu de Zfw
vervalt, moet ook
de Wet oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden (Wet MOOZ) vervallen. Deze wet regelde dat de
particulier verzekerden
jaarlijks een bijdrage moesten betalen om de extra kosten van de relatieve
oververtegenwoordiging van ouderen in de ziekenfondsverzekering te compenseren.
Artikel 2.3.2
De Wet MOOZ en het op basis
van die wet getroffen Besluit medefinancieringsregeling bewerkstelligen een
jaarlijkse solidariteitsoverdracht van particulier verzekerden
aan ziekenfondsverzekerden aangezien in de ziekenfondsverzekering
ouderen (van 65 jaar of ouder) relatief oververtegenwoordigd zijn.
De systematiek van de Wet
MOOZ behelst - kort samengevat - dat jaarlijks wordt vastgesteld tot welke
extra lasten de oververtegenwoordiging van ouderen in de
ziekenfondsverzekering heeft geleid. Via het uitvoeringsorgaan van de
Wet MOOZ (de Suo) wordt iedere particuliere ziektekostenverzekeraar
jaarlijks aangeslagen voor zijn aandeel in bedoelde
solidariteitsbijdrage op basis van het bij hem aangesloten aantal verzekerden.
Eén jaar later kunnen
verzekeraars door middel van een premieopslag bedoelde bijdragen in
rekening brengen aan hun verzekerden en deze vervolgens - via de Suo - afdragen aan de Algemene Kas, bedoeld in de
Zfw.
De werkzaamheden van de Suo
met betrekking tot de omslagbijdrage 2004 zullen op 1 januari
2006 nagenoeg afgerond zijn. Voor het geval er nog enige werkzaamheden
dienen te worden uitgevoerd, is in dit artikel geregeld dat dat geschiedt
overeenkomstig de regels van de Wet MOOZ zoals die golden tot dat tijdstip. Indien bij de afwikkeling van de Wet
MOOZ over 2004 een positief
of negatief saldo resteert, wordt dit op grond van het tweede lid
ten bate of ten laste van de Algemene Kas gebracht. Dit vloeit strikt
genomen reeds voort uit het eerste lid, maar is ter wille van de
duidelijkheid uitdrukkelijk bepaald. Voorts is voorzien in de mogelijkheid voor de
minister
om eventueel noodzakelijke aanvullende regels te stellen.
§ 2.4. Wijzigingen
in de Wzt en de Zvw
Artikel 2.4.1
A
Subonderdeel 1
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 2.4.2, onderdeel S, onder 2 [artikel
2.4.2, onderdeel U, onder 2, red.].
Subonderdeel 2
Tengevolge van het
amendement met stuknummer 19 op het wetsvoorstel Wet op de zorgtoeslag (Kamerstukken II
2003-2004, 29 762 e.v. [Kamerstukken II 2004-2005, 29 762, red.]) is een
artikel
2a toegevoegd, dat
in de versie van het wetsvoorstel zoals dat naar
rblz.|26|
de Eerste Kamer is
gezonden artikel 3 is geworden. Daardoor is ook het oorspronkelijke
artikel 3,
waarin de standaardpremie werd geregeld, tot artikel 4 vernummerd.
Vergeten is echter tegelijkertijd de verwijzing in artikel
1, onderdeel f,
naar artikel 3 mee te wijzigen. Dat gebeurt hier alsnog.
B
In dit onderdeel worden de
percentages, genoemd in artikel 2, derde lid, eerste zin, gewijzigd. Deze percentages voor de zorgtoeslag zorgen voor
een duidelijk zichtbare en
herkenbare compensatie.
C
Dit onderdeel betreft een
louter redactionele wijziging.
Artikel 2.4.2
A
Subonderdeel 1
De verwijzing naar "geneeskundige" zorg in
artikel 1, eerste lid, onderdeel
f, van de Zvw
kan ten
onrechte de indruk wekken dat een verzekeringsovereenkomst reeds een overeenkomst is
indien deze slechts het risico van behoefte aan zorg,
bedoeld in artikel 10, onderdeel a, dekt. Maar een zorgverzekering dient
uiteraard het risico van behoefte aan alle vormen van de in artikel 10
bedoelde zorg en overige diensten te dekken. Daarom wordt voorgesteld het woord
"geneeskundige" in onderdeel f te schrappen en en "overige
diensten" [en "of overige diensten", red.] toe te voegen. Voor de passage "als bedoeld in artikel
10" is,
hoewel dit niet overeenkomt met aanwijzing voor de regelgeving 82, een
komma geplaatst, om aan te geven dat deze clausule niet alleen geldt
voor de "overige diensten", maar ook voor de "zorg".
Subonderdeel 2
Op grond van
artikel 3 Zvw
dient een zorgverzekeraar iedere door hem aangeboden variant van de zorgverzekering in een modelovereenkomst
neer te leggen en aan aspirant-verzekeringnemers ter beschikking te stellen. Daarbij geldt wel
dat varianten die slechts wat betreft de staffels vrijwillig eigen risico en
de daarbij behorende premiekortingen van elkaar afwijken of die slechts van
elkaar afwijken omdat in geval van deelnemerschap aan een collectiviteit een
premiekorting geldt en anders niet, in één modelovereenkomst mogen
worden neergelegd.
Bij amendement
met stuknummer 37 op het wetsvoorstel Zvw (Kamerstukken II
2003-2004, 29 763, nrs. 1-2) is een definitie van "modelovereenkomst" in
artikel 1, onderdeel
i, opgenomen. Die definitie is niet geheel juist. Allereerst
strookt de definitie daar waar deze stelt dat de modelovereenkomst een
"voorbeeld zorgpolis (van de zorgverzekering) is, bestaande uit
polisbladen"
niet met de definitie van "zorgpolis" in onderdeel j van
artikel 1. De
zorgpolis is namelijk de schriftelijke neerslag van de werkelijk tussen de
zorgverzekeraar en de verzekeringnemer gesloten zorgverzekering, oftewel
een "geïndividualiseerd" stuk. Een "voorbeeld zorgpolis" is daarmee een
contradictio in terminis. Om gelijksoortige redenen is het onmogelijk
om "de premie, (...), het gekozen eigen risico en de
collectiviteitskorting" in een modelpolis op te nemen: ook deze hangen af van wat de
verzekeringnemer in zijn individuele geval gekozen heeft, komen in de
zorgpolis terecht, maar kunnen niet al in de modelovereenkomst staan. Kort gezegd is de
volgorde aldus dat een aspirant verzekeringnemer een keuze
maakt uit de beschikbare rblz.|27|
modelovereenkomsten, deze keuze kenbaar maakt aan de zorgverzekeraar die
dat model voert, dat aldus
een - nog niet in een schriftelijk stuk belegde - zorgverzekering tot stand komt zodra de
verzekeringnemer de gegevens, bedoeld in artikel 5
Zvw, heeft verschaft en dat vervolgens de inhoud van
de gesloten zorgverzekering
in de zorgpolis - die tevens als bewijsstuk dient - terechtkomt.
Het voorgestelde onderdeel
i bevat een juiste definitie van de modelovereenkomst: een model van een
zorgverzekering waarin een overzicht
wordt gegeven van de
rechten en plichten die de verzekeringnemer, de verzekerde en de
zorgverzekeraar jegens elkaar zullen hebben indien een overeenkomst volgens het
desbetreffende model wordt gesloten. Dat betekent dat in de
modelovereenkomst in ieder geval moeten staan:
- bepalingen over het
begin en het einde van de verzekering (hoofdstuk 2
Zvw);
- wat het te
verzekeringen risico is (artikel 10 Zvw);
- wat de verzekerde
prestaties zijn, welke vormen van zorg de verzekerde van gecontracteerde zorgaanbieders moet betrekken, hoe de
(gedeeltelijke)
kostenvergoeding wordt vastgesteld indien hij dat niet doet en voor welke vormen van
zorg hij een verwijzing of een toestemming vooraf moet hebben (artikelen
11 tot en met 14 Zvw);
- de premiegrondslag (artikelen 16 en 17
Zvw);
- de voorwaarden voor de
no-claimteruggave (artikel 18 Zvw);
- of, en zo ja, welke
staffels eigen risico worden aangeboden en wat de bijbehorende
premiekortingen zijn (artikelen 19 tot met 21
Zvw);
- of de mogelijkheid
bestaat om een collectiviteitskorting te bedingen (artikel 18
Zvw);
- wederzijdse
administratieve verplichtingen (zoals bij een restitutieverzekering bijvoorbeeld een bepaling
over wanneer een verzekerde uiterlijk zijn nota’s kan indienen,
willen deze nog vergoed worden).
Het is niet nodig al deze
onderwerpen afzonderlijk in de definitie van modelovereenkomst te
benoemen. De verplichting dat deze "een overzicht moet geven van de rechten
en plichten die de verzekeringnemer, de verzekerde en de
zorgverzekeraar jegens elkaar zullen hebben", leidt daar namelijk al toe. Overigens
is op enkele plaatsen in de wet, namelijk daar waar anders mogelijk
onduidelijkheid zou bestaan over de verplichting of iets in een
modelovereenkomst moet worden opgenomen, wel geëxpliciteerd dat dat moet (zie
bijvoorbeeld de artikelen 17, zesde lid, en 19, derde lid,
Zvw).
B,
R, subonderdeel
1, en S
Na aanvaarding van de
wetsvoorstellen Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en
Invoeringswet
Wet financiering sociale verzekeringen (IWfsv) door de Staten-Generaal zijn de artikelen van die wetten doorlopend genummerd. De voorliggende
wijzigingen strekken ertoe naar de juiste hernummerde bepaling van de Wfsv, zoals gepubliceerd in
Staatsblad
2005, 36, te verwijzen.
C
Deze wijziging sterkt ertoe
artikel 3, vierde lid, van de Zvw
gemakkelijker leesbaar te maken.
D
Indien DNB een vergunning
tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf (gedeeltelijk) intrekt,
leidt dat ertoe dat de desbetreffende schadeverzekeringen niet meer mogen worden
aangeboden. Ze mogen echter rblz.|28|
nog wel worden afgewikkeld.
Daarom is de toevoeging "of uitvoeren" in artikel
6, eerste lid,
onderdeel a, Zvw
niet juist. Overigens leidt het schrappen van deze woorden
voor de zorgverzekeringen niet tot een beleidswijziging, aangezien
het intrekken van de vergunning tot het uitoefenen van het schadeverzekeringsbedrijf voor de branches 1 of 2
tengevolge van de aanhef van
artikel 6, eerste lid, en (de rest van) onderdeel a, nog steeds leidt tot het
van rechtswege eindigen van de zorgverzekeringen van de desbetreffende
verzekeraar. De regering acht het, gezien het belang van de
zorgverzekeringen, namelijk ongewenst dat een verzekeraar die tengevolge
van de (gedeeltelijke) intrekking van zijn vergunning geen zorgverzekeringen meer mag aanbieden, zijn bestaande
zorgverzekeringen nog zou
mogen blijven uitvoeren.
E
Zoals in de memorie van
toelichting bij artikel 8 Zvw is aangegeven
(Kamerstukken II 2003-2004,
29 763, nr. 3, blz. 98 en 99), beoogt artikel
8, eerste lid, onder meer
ervoor te zorgen dat bij beëindiging van de zorgverzekering wegens het niet betalen
van de premie, partijen reeds jegens elkaar verrichte
prestaties niet ongedaan hoeven te maken. Gezien de artikelen 6:269 juncto
6:271 BW, regelt het huidige artikel 8, eerste lid,
Zvw dit echter
onvolledig. Met voorliggende wijziging wordt alsnog een dekkende regeling tot
stand gebracht.
F,
H, M (deels),
V
en AP [AF, red.]
Door middel van het
amendement met het stuknummer 40 op het wetsvoorstel Zvw is een tweede zin aan
artikel 11, derde lid, Zvw
toegevoegd. De eerste wijziging in
onderdeel F strekt ertoe van die nieuwe zin een afzonderlijk lid te
maken en daarmee de redactie van artikel 11 gelijk te maken aan die van de rest
van de wet. Die gaat namelijk uit van één zin per artikellid.
Het amendement
met stuknummer 40 beoogde ervoor te zorgen dat de nadere invulling van de
inhoud en de omvang van het te verzekeren pakket zoveel mogelijk
bij AMvB [algemene maatregel van bestuur, red.] geschiedt. De eigen bijdragen mogen echter, zo is in de
toelichting op het amendement aangegeven, tezamen met de indexering van
ervan, worden vastgesteld in een op die AMvB berustende ministeriële
regeling. De wijze waarop deze uitzondering in onderdeel c is
geformuleerd, kan echter verwarring wekken over de vraag of nu de hoogte bij
ministeriële regeling mag worden vastgesteld dan wel of slechts de wijze
waarop de verschuldigde bijdragen wordt vastgesteld, mag worden geregeld,
alsmede de indexering van die bijdragen (waarvan dan de initiële hoogte
bij AMvB wordt vastgesteld). Het eerste is, gezien eerder genoemde
toelichting, de bedoeling. Dat wordt in voorliggend onderdeel duidelijker
geregeld. Nu indexering onderdeel uitmaakt van de bepaling van de hoogte
van de eigen bijdragen, hoeft niet meer afzonderlijk te worden geregeld dat
ook regels over de indexering kunnen worden gesteld.
H
Zoals bij onderdeel F
reeds is aangegeven, beoogde het amendement met stuknummer 40 op het
wetsvoorstel Zvw ervoor te zorgen dat de nadere invulling van de inhoud
en de omvang van het te verzekeren pakket zoveel mogelijk bij AMvB geschiedt. De hoogte van een eigen bijdrage mag echter bij een op die
AMvB te baseren ministeriële regeling worden bepaald. Omdat uiteraard
de hoogte van de bijdrage ook voor de toepassing van artikel
13, derde
lid, Zvw
van belang is, dient het "Indien bij de rblz.|29|
AMvB, bedoeld in
artikel 11, derde lid" van de aanhef van dat
lid, te worden veranderd in "Indien bij of krachtens de
AMvB, bedoeld in artikel
11".
I
Na aanvaarding van het
wetsvoorstel Zvw door de Tweede Kamer is mij gebleken dat werkgevers
vaak niet alleen collectiviteitskortingen op verzekeringen voor hun werknemers
bedingen, maar ook voor de gezinsleden van die werknemers. Naar
de letter van het huidige artikel 18 Zvw
zou dit voor zorgverzekeringen
slechts mogelijk zijn met gebruikmaking van het vijfde lid van dat
artikel, hetgeen ertoe zou leiden dat de werkgever een afzonderlijke
rechtspersoon zou moeten oprichten die tot doel zou moeten hebben de
belangenbehartiging van zijn werknemers én hun gezinsleden. Omdat werkgevers aldus
met onnodige administratieve lasten te maken zouden krijgen, wordt met
voorliggend onderdeel artikel 18 Zvw
zo gewijzigd dat werkgevers ook direct
tezamen met kortingen voor hun werknemers kortingen voor hun gezinsleden kunnen bedingen.
J en
K
Bij amendement
met stuknummer 39 is artikel 20 Zvw
zo
gewijzigd dat een zorgverzekeraar de
premiekorting voor een eigen risico van het aantal kalenderjaren waarvoor
een eigen risico geldt, mag laten afhangen. Dit amendement kende echter
een aantal technische onvolkomenheden, die met de onderdelen J en
K
worden hersteld. Allereerst dient de mogelijkheid om de premiekorting van
het aantal jaren eigen risico te laten afhangen, gezien de
inhoud van beide artikelen, in artikel 19 Zvw
in plaats van in
artikel 20 Zvw
te
worden opgenomen. Daarnaast is het de bedoeling dat de extra korting voor
het aantal jaren eigen risico gaat lopen vanaf het jaar waarvoor
men een eigen risico heeft gekozen (waarbij, in geval van overstap van de
ene naar de andere verzekeraar, de nieuwe verzekeraar het aantal
bij de vorige verzekeraar opgebouwde jaren mag laten meetellen, mits hij
dit in zijn modelovereenkomst aangeeft). Met de bij het amendement
ingevoegde formulering "De premiekorting geldt vanaf de dag waarop de
nieuwe verzekering ingaat." wordt dit echter niet afdoende geregeld. Zo
brengt deze formulering bijvoorbeeld met zich dat het aantal verzekerde
jaren niet mee mag tellen als een verzekerde bij dezelfde zorgverzekeraar
voor een andere variant van de zorgverzekering - dus een nieuwe
zorgverzekering - kiest of als hij naar een nieuwe zorgverzekeraar overstapt. Het in
onderdeel J voorgestelde artikel 19, derde lid,
Zvw
bereikt het
beoogde doel wél. De beoogde inhoud van artikel
19, derde lid, en artikel 20,
eerste lid, is aldus in een betere redactie in artikel
19, derde en vierde lid, Zvw
opgenomen. Voorts is de inhoud van
artikel 20, tweede lid, gezien de
samenhang met hetgeen in artikel 19 wordt geregeld, in een nieuw
vijfde lid van laatstgenoemd artikel opgenomen.
In het aldus vrijvallende
artikel 20 wordt met onderdeel K een nieuw onderwerp geregeld,
waarop in het hiernavolgende wordt ingegaan.
Eind maart 2005 hebben
VWS, ZN en het bestuur van de Landelijke Huisartsen Vereniging
(LHV) een
principeakkoord gesloten over een nieuw bekostigingssysteem voor
huisartsenzorg. De hoofdlijnen van dat systeem zijn bij brief van 8
april 2005 aan de Tweede Kamer uiteengezet (Kamerstukken II 2004-2005, 29 247, nr.
24).
Daarin is onder meer
aangegeven dat huisartsen of instellingen die huisartsenzorg verlenen
bij inschrijving van een patiënt en vervolgens ieder jaar als
tegenprestatie voor hun beschikbaarheid een bedrag in rekening zullen mogen
brengen ter hoogte van (maximaal) een op grond van de Wtg
vast te
stellen "beschikbaarheidstarief". Voorts is aangegeven rblz.|30|
dat zorgverzekeraars met
huisartsen of eerder bedoelde instellingen extra vergoedingen overeen
kunnen komen indien zij extra werkzaamheden verrichten indien hun
patiëntenbestand zodanig afwijkt van het gemiddelde patiëntenbestand dat een
hogere vergoeding in de rede ligt of indien zij de zorg op
dure lokaties verlenen. Afgesproken is dat dergelijke vergoedingen, indien
overeengekomen, versleuteld over de verzekerden van de desbetreffende
zorgverzekeraars die de afspraken met de huisarts of instelling hebben
gemaakt, tegelijk met het inschrijftarief in rekening zullen worden gebracht.
Daarnaast zal voor ieder
consult een bedrag in rekening kunnen worden gebracht.
De verplichting om voor
het ingeschreven staan een beschikbaarheidsvergoeding te betalen, zou verzekerden die een zorgverzekering met een
eigen risico hebben
ertoe kunnen bewegen zich pas bij een huisarts in te schrijven op het moment
waarop zij zorg nodig hebben. Zowel vanuit het oogpunt van continuïteit
van de zorgverlening aan de verzekerde als vanuit het doel van het
beschikbaarheidstarief, te weten het verlenen van een vergoeding aan de
aanbieder voor zijn beschikbaarheid als leverancier voor zorg zoals
huisartsen die plegen te bieden, wordt dit ongewenst geacht. Daarom is
besloten dat deze beschikbaarheidsvergoeding, alsmede eventuele tussen
de huisarts of instelling en de zorgverzekeraar overeengekomen extra
vergoedingen die de huisarts of instelling tegelijk met de beschikbaarheidsvergoeding in rekening mag brengen, buiten het
eigen risico moeten
blijven.
Het voorgestelde
artikel
20 Zvw
bevat daartoe de delegatiebasis. Bij het Besluit
zorgverzekering zal worden geregeld dat de beschikbaarheidsvergoeding en eerder bedoelde extra
vergoedingen buiten een eigen risico blijven. Aangezien deze
kosten ook buiten de no-claimteruggave blijven (dit zal in het Besluit zorgverzekering worden geregeld), komen deze
kosten in de praktijk
derhalve voor rekening van de zorgverzekeraar waarbij de in te
schrijven patiënt verzekerd is.
Hoewel voor het jaar 2006
reeds vaststaat dat van de delegatiebasis gebruik zal worden
gemaakt, is geregeld dat vormen van zorg of diensten bij AMvB kunnen worden
aangewezen. Aldus bestaat de mogelijkheid om, indien ontwikkelingen in
het zorgstelsel daar aanleiding toe geven, in het geheel geen zorg aan te
wijzen waarvan de kosten buiten het eigen risico valt.
L
Subonderdelen 1 tot en
met 3
Personen die voor hun
zorgverzekering geen premie verschuldigd zijn, dienen ook geen
no-claimteruggave te kunnen ontvangen. Bij het schrijven van de Zvw
is
ervan uitgegaan dat het hier slechts om personen jonger dan 18 jaar
zou kunnen gaan. Premie voor een zorgverzekering is immers pas
verschuldigd vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op
de maand waarin de verzekerden 18 wordt. Op zich is dit
juist. Echter, op grond van de Europese socialezekerheidsverordening (Verordening
(EEG) nr. 1408/71), de
Europese Economische Ruimte (EER) en
socialezekerheidsverdragen hebben niet-verzekeringsplichtige onderdanen van de
Europese Unie (EU), de EER en de andere verdragsstaten die in Nederland
wonen
recht op prestaties uit een zorgverzekering als zouden zij een
zorgverzekering hebben gesloten. Dat geldt, als zij 18 jaar of ouder zijn,
inclusief de no-claimteruggave bij beperkt zorggebruik. Daartegenover staat
echter niet de plicht om de bijbehorende premie te betalen. (Als
zij al premie betalen, doen zij dat aan het orgaan van de andere
verdragsstaat en vervolgens wordt de in Nederland geleverde rblz.|31|
zorg door het
orgaan van de verdragsstaat vergoed of wordt er tussen Nederland en de
verdragsstaat verrekend). Nu deze groep niet-verzekeringsplichtigen voor hun
(semi-)zorgverzekering
geen premie hoeft te betalen, ligt het in
de rede hen bij beperkt zorggebruik ook geen no-claimteruggave toe te
kennen. Dat wordt met voorliggende wijzigingen bereikt.
Subonderdeel 4
In onderdeel C van de
eerste nota van wijziging op de Zvw
(Kamerstukken II 2004-2005, 29 763, nr.
8) werd artikel 23, tweede lid, Zvw
zo aangepast dat daar - dus bij wet
- in plaats van in de AMvB op grond van artikel
22, geregeld wordt dat
zorggebonden eigen bijdragen alsmede een deel van de rekening van de zorgaanbieder dat op grond van de vertaling, in de
zorgpolis, van artikel 13 Zvw
voor rekening van de verzekerde blijft, niet meetellen voor het
bepalen van de hoogte van de no-claimteruggave. Ten onrechte is niet
tegelijkertijd uit het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 22
Zvw
de delegatiebepaling
geschrapt die bepaalde dat dit onderwerp bij AMvB geregeld zou worden.
Dat gebeurt in subonderdeel 4 alsnog.
M
De wijziging die ertoe
leidt dat mede naar artikel 11, vierde lid,
Zvw
wordt verwezen, hangt samen met
onderdeel F. De wijziging in de manier waarop naar artikel
13,
eerste lid, wordt verwezen, hangt samen met het feit dat niet op grond
van dat artikel een deel van de zorgkosten voor rekening van de
verzekerde kan blijven, maar op grond van zijn zorgpolis, welke overigens een
vertaling van artikel 13 dient te bevatten.
N
Door middel van het
amendement met stuknummer 38 op het wetsvoorstel Zvw is geregeld dat
generieke verevening slechts tot 31 december 2010 mogelijk is. Dat dient
uiteraard "tot en met" 31 december 2010 te zijn.
O
Omdat in de
Zvw
slechts
één soort inkomensafhankelijke bijdrage wordt geregeld, dient de
aanduiding daarvan in het opschrift van hoofdstuk 5 in het enkelvoud te staan.
P
Subonderdeel 1
In
onderdeel U, onder 3, wordt voorgesteld aan artikel 69
Zvw
een lid toe te voegen op
grond waarvan het CVZ een boete op kan leggen aan verdragsgerechtigden
die zich te laat bij het CVZ melden. Subonderdeel 1 regelt dat
die boeten ten goede komen aan het Zorgverzekeringsfonds.
Subonderdeel 2
Artikel
39, derde lid,
onderdeel b, verwijst naar subsidies als bedoeld in artikel
68 Zvw
inclusief
vergoedingen die zorgverzekeraars kunnen ontvangen indien zij het CVZ
bijstand verlenen bij de verstrekking daarvan. Deze
vergoedingen zijn echter niet in het derde lid van artikel 68 geregeld, maar in het
tweede.
Q
Subonderdeel 1
In de aanvankelijk
voorgestelde tekst van artikel 43, eerste lid, onderdeel
rblz.|32|
a, was nog geen rekening
gehouden met de wijzigingen die voortvloeien uit de Invoeringswet Wet
financiering sociale verzekeringen (IWfsv). De tekst is thans op dit
punt aangepast.
Subonderdeel 2
Overeenkomstig
artikel 19
van de Wfsv wordt in het nieuwe vierde lid van artikel 43
Zvw
bepaald
dat geen maximumgrens voor het bijdrage-inkomen geldt voor zover dat
inkomen loon is en de betrokken werknemer niet of niet goed in de
administratie van de werkgever staat. De belastingdienst zal in dit geval bij de
desbetreffende werkgever dus de inkomensafhankelijke bijdrage over het gehele
loon heffen. De werkgever is inhoudingsplichtig. Omdat in artikel
46,
tweede lid, Zvw
niet wordt geregeld dat ook het nieuwe artikel
43, vierde lid, Zvw
van overeenkomstige toepassing is, is de werkgever niet
verplicht ook de bijdrage over het gedeelte van het loon dat de
bijdrage-inkomensgrens overschrijdt te vergoeden. Hij kan dit meerdere dus
voor
rekening van de werknemer laten.
R
Subonderdeel 2
Met deze wijziging wordt
de mogelijkheid om teruggave te vragen van het bedrag van de te veel
ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage in overeenstemming gebracht met de regeling
zoals die geldt in de Wfsv. Dat betekent dat het verzoek
om teruggave pas na afloop van het kalenderjaar kan worden ingediend.
Naast het feit dat de in eerste instantie opgenomen mogelijkheid om dit
verzoek voorafgaand aan of in de loop van het kalenderjaar in te
dienen een afwijking van het systeem van de Wfsv betekende, waren aan die
mogelijkheid ook grote uitvoeringstechnische bezwaren verbonden.
Indien is vastgesteld dat
te veel inkomensafhankelijke bijdrage is ingehouden, staat in de situatie dat
de inhoudingsplichtige een vergoeding voor die
inkomensafhankelijke bijdrage aan de werknemer heeft gegeven tevens vast dat een te
hoge vergoeding is verstrekt. Gelet op het feit dat de teruggaaf van de
te veel ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage aan de inhoudingsplichtige
plaatsvindt, ontstaat op dat moment derhalve enerzijds een recht van
de werknemer op de uitbetaling van dit bedrag door de
inhoudingsplichtige en anderzijds tot hetzelfde bedrag een recht van de
inhoudingsplichtige op de terugbetaling van het ten onrechte uitbetaalde deel van de
vergoeding. De terugbetaling van de ten onrechte ontvangen vergoeding leidt tot negatief loon voor de werknemer. Dit is
eveneens het geval indien
deze terugbetaling plaatsvindt in de vorm van een uitsluitend
boekhoudkundige verrekening met de te veel ingehouden inkomensafhankelijke
bijdrage.
Subonderdeel 3
De beslistermijn voor
beschikkingen op aanvraag van de belastinginspecteur is maximaal één jaar.
Aangezien de premies voor de sociale verzekeringen op grond
van de Wfsv (alle sociale verzekeringen behalve de Zfw/Zvw) en de
Invoeringswet Wfsv (Zfw) met ingang van 1 januari 2006 door de belastingdienst
zullen worden geheven met - onder meer - overeenkomstige
toepassing van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Awr), bedraagt de
beslistermijn van door de belastinginspecteur te geven beschikkingen op aanvraag
doorgaans één jaar. Bij amendement met stuknummer 15 op het
wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wfsv en bij amendement met stuknummer
10 op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Invoeringswet
Wfsv, is
in artikel 4.1.3, tiende lid (inmiddels artikel
59, tiende lid), Wfsv
respectievelijk artikel 16, vierde lid, Zfw
in afwijking hiervan geregeld dat voor
beschikkingen die zijn aangevraagd om te voorkomen dat over een te hoog loon
premies worden ingehouden, de rblz.|33|
beslistermijn gelijk is
aan de redelijke termijn uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze
termijn is in ieder geval verstreken, zo volgt uit de artikelen
4:13, tweede
lid, en 4:14, derde lid, Awb, indien de
belastinginspecteur niet binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag een beschikking heeft geven,
tenzij hij de beslistermijn tijdig met een redelijke termijn heeft verlengd.
In de amendementen is voorts nog neergelegd dat in gevallen waarin in
het buitenland informatie moet worden ingewonnen de verlenging maximaal
zes maanden is. Met het oog op de consistentie worden deze
regels door middel van onderdeel P, onder
3 [onderdeel R, onder 3, red.], ook in de
Zvw
opgenomen.
T en
Y
Op 30 oktober 2004 trad
de Wet van 13 oktober 2004, houdende bepalingen in verband met de fusie
van De Nederlandsche Bank NV en de Stichting Pensioen- &
Verzekeringskamer (Stb. 2004, 556), in werking. Daarmee ging de Pensioen-
& Verzekeringskamer in De Nederlandsche Bank NV op. Hoewel de in
bestaande wetten gebezigde term "Pensioen- & Verzekeringskamer" pas
in het kader van de Wet op het financieel
toezicht (Kamerstukken II 2003-2004,
29 708) zal worden omgezet in "De Nederlandsche
Bank NV", zal is het kabinetsbeleid [is het kabinetsbeleid, red.]
dat in nieuwe wetten wel al direct laatstgenoemde
term wordt gebezigd. De voorliggende wijzigingen strekken hiertoe.
U
Subonderdeel 1
Artikel 69 regelt de
administratie en de bijdragebetaling van in het buitenland wonende personen die niet
verzekeringsplichtig zijn ingevolge de Zvw, maar op grond van
Verordening (EEG) nr. 1408/71 of een socialezekerheidsverdrag (waaronder de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte) recht hebben op
zorg ten laste van Nederland. Deze categorie "verdragsgerechtigden"
bestaat in de eerste plaats uit mensen die een Nederlands pensioen
of een Nederlandse socialezekerheidsuitkering ontvangen en hun gezinsleden. Naast deze groep verdragsgerechtigden is
er nog een categorie van
personen die hun rechten ontlenen aan de verordening of een
socialezekerheidsverdrag. Dit zijn de gezinsleden van mensen die in Nederland
werken. Deze werkenden zijn zelf verzekeringsplichtig voor de Zvw en dienen een
zorgverzekering te sluiten met een zorgverzekeraar. Hun
gezinsleden zijn echter niet verzekeringsplichtig voor de Zvw. In
Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de verdragen is bepaald dat deze mensen toch recht hebben
op medische zorg ten laste van het verzekeringsland van de werknemer indien de wetgeving van hun woonland hen als gezinslid van een
werknemer aanduidt. In het algemeen gaat het hierbij om huwelijkspartners en kinderen tot
18 jaar. Die situatie
is anders geworden dan
die onder de Zfw, die gezinsleden als "medeverzekerden" onder de verzekering
bracht.
Omdat gezinsleden van
werknemers, anders dan gepensioneerden of uitkeringsgerechtigden en
hun gezinsleden, in de verordening of de verdragen als zodanig
juridisch worden aangewezen, was het aanvankelijke voornemen de inschrijving
en de bijdragebetaling eveneens uitsluitend in de verordening of de
verdragen op te nemen. Daarom beperkte de tekst van artikel 69
Zvw
zich tot gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden. Nader overleg met de
instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van de verordening en de
verdragen in Nederland heeft uitgewezen dat het aanbeveling
verdient de inschrijving en bijdrageverplichting van gezinsleden van
werknemers ook in artikel 69 van de Zvw
op te nemen. Met de wijziging van
artikel 69 in het eerste deel van subonderdeel 1 wordt dit alsnog gedaan.
Hiermee ontstaat een
volledig transparante situatie voor de zogenaamde rblz.|34|
verdragsgerechtigden.
Voor alle verdragsgerechtigden geldt dezelfde procedure. Zij dienen
zich te registreren bij het CVZ, zij betalen aan het CVZ een bij ministeriële
regeling te bepalen bijdrage. Door of vanwege het CVZ wordt een
formulier verstrekt waarmee de betrokkenen zich ten laste van Nederland
kunnen inschrijven bij de voor hen relevante uitvoeringinstantie
(bijvoorbeeld een daar werkend ziekenfonds) in hun woonplaats in het
buitenland. Die buitenlandse verzekeringsinstantie verzorgt de zorgverlening
aan de betrokkenen voor rekening van Nederland. De hiervoor geschetste
administratieve procedure is op zichzelf niet bepalend voor het
ontstaan van het recht op zorg voor de betrokkenen. Dat recht vloeit
rechtstreeks voort uit de verordening of het verdrag. Daarom zijn betrokkenen
(nadat de Zvw in werking is getreden) vanaf het moment waarop het
verdragsrecht op hen van toepassing wordt een bijdrage verschuldigd.
Materieel gezien
verandert er voor de genoemde verdragsgerechtigden niets voor zover zij
eerst ziekenfondsverzekerd waren: zij waren en blijven ingeschreven bij de
uitvoeringsinstantie in hun woonplaats in het buitenland dat voor hen de zorg ter
plaatse organiseert. Nieuw is dat dit ook gaat gelden voor personen
die tot nu toe particulier verzekerd waren, zowel waar het gaat om
gepensioneerden en hun gezinsleden als om gezinsleden van
werknemers.
Nederland maakt een
onderscheid tussen zorg die onder de AWBZ valt ("care") en zorg die
onder de zorgverzekeringen valt ("cure"). Noch
Verordening (EEG) nr. 1408/71 of de verdragen,
noch de andere EU-lidstaten of de verdragslanden kennen
echter een dergelijk onderscheid. Artikel 69, eerste lid,
Zvw
kan op
dit moment door het gebruik van het woord "geneeskundige" voor
het woord "zorg" nog ten onrechte de indruk wekken dat dit artikel
slechts geldt voor mensen die ingevolge de verordening of zo’n verdrag recht
hebben op cure. Door het woord "geneeskundige"
te schrappen, wordt
duidelijk dat het zowel om cure als om care gaat. De zorg die in het
woonland van de betrokken personen wordt verstrekt, komt voor rekening van
Nederland. Daarom is in het tweede lid van artikel 69
Zvw
bepaald dat
betrokkenen een bijdrage aan het CVZ dienen te betalen. Deze bijdrage
zal zodanig worden vastgesteld dat daarin ook rekening wordt gehouden
met het feit dat bovenbedoelde personen recht hebben op het care-deel
van hun woonlandpakket.
Subonderdeel 2
Personen die onder
artikel 69 Zvw
vallen, zijn niet verzekeringsplichtig, hebben geen
zorgverzekering en hoeven dus ook geen premie voor een zorgverzekering te
betalen. Zij hebben recht op zorg volgens het pakket van hun woonland (cure en
care) en dienen daarvoor op grond van het tweede lid van artikel 69
Zvw
een bijdrage te betalen. De wijziging van het tweede lid van artikel
69
strekt er allereerst toe betrokkene (indien hij 18 jaar of ouder is) recht
te geven op een no-claimteruggave indien de waarde van de door hem
geconsumeerde zorg minder is dan het bedrag dat op grond van artikel
22, eerste lid, bij AMvB wordt vastgesteld (voor 2006: €|255,-). Voorts
strekt de wijziging er, in combinatie met die in artikel 2.4.1,
onderdeel
A, onder 1, toe dat betrokkenen, indien zij ouder zijn dan 18 jaar,
een zorgtoeslag zullen kunnen ontvangen. Hoewel de werkelijk betaalde
premie voor de hoogte van de zorgtoeslag niet van belang is, wordt in het
voorgestelde tweede lid van artikel 69 Zvw
toch geregeld dat in de
ministeriële regeling waarin de bijdrage wordt vastgesteld, wordt aangegeven welk
deel van de bijdrage voor de zorgtoeslag als premie voor een
zorgverzekering wordt beschouwd. De bijdrage zal namelijk bestaan uit een
deel dat gezien kan worden als een bedrag dat in plaats komt van premie
voor een zorgverzekering, een deel dat betaald wordt in plaats van de
inkomensafhankelijke bijdrage en een deel dat betaald wordt in plaats
van de inkomensafhankelijke AWBZ-premie. Door in de ministeriële
regeling het bijdragegedeelte dat in de plaats komt van rblz.|35|
de premie voor de
zorgverzekering aan te wijzen, wordt duidelijk dat de zorgtoeslag slechts
bedoeld is ter (gedeeltelijke) compensatie van dat gedeelte van de bijdrage.
Subonderdelen 3 en
4
Op grond van het eerste
lid van artikel 69 Zvw
dienen verdragsgerechtigden zich te melden bij het
CVZ. In
Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de verdragen zal worden
bepaald dat zij dit binnen vier maanden na het ontstaan van hun recht
uit de verdragen dienen te doen. Om te voorkomen dat mensen zich pas
melden op het moment waarop zij voor rekening van Nederland zorg wensen
te genieten, wordt voorgesteld in het derde lid van artikel 69
Zvw
op te nemen dat zij die zich niet binnen vier maanden na het ontstaan
van hun verdragsgerechtigdheid bij het CVZ hebben gemeld van het
CVZ een bestuurlijke boete krijgen. Net zoals in artikel 96
Zvw
is
geregeld voor verzekeringsplichtigen die te laat een zorgverzekering sluiten, geldt dat die
boete gelijk is aan 130% over de periode gelegen tussen het ontstaan van de verdragsgerechtigdheid en de uiteindelijke aanmelding bij het
CVZ.
De 130% wordt genomen over een bij ministeriële regeling te
bepalen gedeelte van de bijdrage, bedoeld in artikel
69, tweede lid, Zvw. Omdat de bijdrage uit meerdere onderdelen zal bestaan (ook dat wordt in
de ministeriële regeling geregeld), was het hier, anders dan in artikel 96
Zvw, namelijk niet mogelijk bij wet het bedrag te bepalen waarover de boete
wordt berekend. Op de boeteoplegging zijn de artikelen 101 tot en
met 113 Zvw
van toepassing.
W
Zorgverzekeraars nemen
het sofinummer in hun administratie op en maken bij
gegevensuitwisseling gebruik van het sofinummer. Artikel 86, tweede lid, wekt de
suggestie dat zorgverzekeraars altijd het sofi-nummer dienen te verifiëren,
zelfs indien de gegevens afkomstig zijn van een bron die het gegeven al heeft
geverifieerd of indien door controle van andere gegevens genoegzaam
blijkt dat het desbetreffende sofinummer verbonden is aan een
bepaalde persoon. Dit is echter niet de bedoeling. Verzekeraars zullen naar
het zich laat aanzien bijvoorbeeld ook ingevolge artikel 9
Zvw
aan een
opvolgende verzekeraar gegevens doorgeven. Deze gegevens, waaronder onder
meer het sofinummer, zijn reeds door die eerdere verzekeraar
geverifieerd. Een onjuist sofinummer zal door de informatieketen van
gegevensuitwisseling met derden zeer snel blijken, bijvoorbeeld wanneer de
belastingdienst de zorgtoeslag moet uitkeren. Ook uit het oogpunt van
administratievelastenverlichting is het onwenselijk dat (drie)dubbele
verificatie plaatsvindt. De gewijzigde redactie laat de mogelijkheid aan een
verzekeraar om het nummer te verifiëren indien bijvoorbeeld twijfel
ontstaat over de juistheid van een nummer of over andere nummers die al in
zijn administratie zijn opgenomen.
X
De verstrekking van
gegevens door de belastingdienst aan niet-bestuursorganen vond in het verleden niet
plaats. Artikel 89, eerste lid, Zvw
voorziet thans mede
in verstrekking van gegevens aan niet-bestuursorganen, namelijk zorgverzekeraars
in de zin van de Zvw. In aansluiting op de lijn
die recentelijk is ingezet bij andere wetgevingstrajecten wordt er ook hier voor
gekozen om met betrekking tot de verstrekking van gegevens aan deze zorgverzekeraars, nadere regels te
stellen op het niveau van
een AMvB. Deze keuze is verwerkt in de voorgestelde wijziging. In de
AMvB zal
in ieder geval worden bepaald welke gegevens op verzoek door de belastingdienst aan de zorgverzekeraars
mogen worden verstrekt.
rblz.|36|
Z en
AA
Op grond van
artikel 114 Zvw
dient een zorgverzekeraar zijn verzekeringnemers en verzekerden in de
gelegenheid te stellen geschillen over de uitvoering van hun
zorgverzekering voor te leggen aan een onafhankelijke instantie. Het
aangesloten zijn bij zo’n instantie kon door het CTZ echter nog niet met een last
onder dwangsom worden afgedwongen, noch kon het niet aangesloten zijn
worden beboet. Door voorliggende wijzigingen zal dat alsnog mogelijk
zijn.
AB en
AC
Voor een toelichting op
deze onderdelen wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel U,
onder 3.
AD
Bij amendement
met stuknummer 65 zijn het tweede en derde lid aan artikel 114
Zvw
toegevoegd. Voorliggende wijzigingen daarin zijn van louter redactionele aard.
AE
Het bij amendement
met stuknummer 61 ingevoegde artikel 120 Zvw
beoogt te verbieden dat
aanvullende ziektekostenverzekeringen door een verzekeraar worden
beëindigd indien de verzekerde voor zijn zorgverzekering naar een andere
verzekeraar gaat. Daartoe verklaart artikel 120
bedingen in de ziektekostenverzekeringspolis die regelen dat deze
verzekering eindigt
indien men voor de basisverzekering overstapt, van rechtswege nietig. Gezien
het doel van het amendement dient echter hetzelfde te gelden voor bedingen krachtens welke de verzekeraar de
aanvullende verzekering
om deze reden mag opzeggen.
Artikel 2.4.3
Zoals in de
memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Zvw is aangegeven, gaat dat wetsvoorstel
ervan uit dat het wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.17
(verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk
Wetboek (Kamerstukken I 2002-2003, 19 529, nr. 206) in werking treedt vóór of op de dag
met ingang waarvan de Zvw
in werking treedt. De Zvw verwijst daarom
ook in diverse artikelen naar artikelen van de toekomstige titel 7.17
van het Burgerlijk
Wetboek (BW). In het wetsvoorstel Invoeringswet
titel 7.17 en titel 7.18 Burgerlijk Wetboek, dat naar verwachting in de eerste
helft van 2005 bij de Tweede Kamer zal worden ingediend en dat daarom
ook op of vóór 1 januari 2006 in werking zal moeten treden, is onder
meer geregeld dat de huidige nummering van titel 7.17 BW
vóór
plaatsing in het Staatsblad wordt gewijzigd in een doorlopende nummering. Hoe deze
nummering zal luiden, is nu echter nog niet bekend. Artikel
2.4.3 van voorliggend wetsvoorstel zorgt
ervoor dat de nieuwe nummering van
de artikelen van titel 7.17 BW
ook in de Zvw zal kunnen worden
doorgevoerd.
§ 2.5. Invoering
Zvw
Artikel 2.5.1
¹
1. Bij nota van wijziging
(Kamerstukken II 2004-2005, nr. 10) is artikel 2.5.1 ingrijpend
gewijzigd, red.
In
artikel 9 van de
AWBZ zoals dit zal komen te luiden na inwerkingtreding van
deze wet (zie
artikel
3.1.1, onderdeel E) is geregeld dat een verzekering bij een zorgverzekeraar
van rechtswege een AWBZ-inschrijving bij diezelfde zorgverzekeraar
met zich brengt. Dit is slechts anders indien die rblz.|37|
zorgverzekeraar (in de
zin van de Zvw) geen zorgverzekeraar in de zin van de AWBZ wenst te zijn, in
welk geval hij zich niet overeenkomstig artikel 33 van de AWBZ
bij het
CTZ zal hebben aangemeld.
Artikel 2.5.1 regelt de
inschrijving voor de AWBZ voor die Zvw-verzekeringsplichtingen
die ondanks hun verzekeringsplicht geen zorgverzekering sluiten.
Het eerste en tweede lid
bepalen dat verzekeringsplichtigen in dat geval voor de AWBZ ingeschreven
blijven bij de zorgverzekeraar die als opvolger kan worden
beschouwd van het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan
van een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren (tezamen in de AWBZ zoals deze
tot de inwerkingtreding
van deze wet zal luiden gedefinieerd als "uitvoeringsorganen")
waarbij zij vóór 1 januari 2006 waren ingeschreven. Net als in artikel 9
AWBZ, wordt geregeld dat dit niet geldt indien de zorgverzekeraar
zich niet als zorgverzekeraar in de zin van de AWBZ heeft gemeld. In dat
geval zal de verzekeringsplichtige zich voor de AWBZ derhalve bij een in
zijn woongemeente werkende andere zorgverzekeraar (die zich wel
overeenkomstig artikel 33 AWBZ heeft gemeld) moeten inschrijven (zie
het voorgestelde artikel 9 AWBZ).
Indien de verzekeringsplichtige tussen 1 januari en 1 mei 2006 een zorgverzekering sluit, werkt deze tot en
met 1 januari 2006 terug (artikel 5, zevende lid,
Zvw). Op
grond van artikel 9, eerste lid, tweede volzin, AWBZ, zoals dat na
inwerkingtreding van deze wet komt te luiden, werkt ook de inschrijving voor de AWBZ
dan tot en met die datum terug. Indien de zorgverzekeraar waar de
zorgverzekering uiteindelijk wordt gesloten een andere is dan de
zorgverzekeraar, bedoeld in het eerste lid van artikel
2.5.1, vervalt de
inschrijving, bedoeld in dat lid, met terugwerkende kracht. Oftewel, met
terugwerkende kracht wordt de zorgverzekeraar waar de zorgverzekering
uiteindelijk is gesloten, ook voor de AWBZ de zorgverzekeraar van de verzekerde.
Het voorgaande geldt niet
indien pas op 1 mei 2006 of later een zorgverzekering wordt gesloten. In dat
geval blijft de eerste zorgverzekeraar op grond van het eerste lid
van artikel 2.5.1 de AWBZ-zorgverzekeraar tot de dag waarop de
uiteindelijk gesloten zorgverzekering ingaat (vanaf welk moment de zorgverzekeraar
waar de zorgverzekering gaat lopen voor betrokkene tevens de
AWBZ-uitvoerder is).
Artikel 2.5.2
Artikel 119
van de Zvw
bevat een regeling voor het (partieel) vervallen van ziektekostenverzekeringen
vanaf het moment waarop en voor zover deze zaken dekken die aan de
dekking van de zorgverzekering worden toegevoegd. Ook is daarin
gedeeltelijke premierestitutie geregeld. De tekst van artikel 119
ziet slechts
op situaties waarin de inhoud van de zorgverzekering wordt uitgebreid. Met de
onderhavige bepaling wordt nu ook voorzien in een
vergelijkbare regeling voor ziektekostenverzekeringen die bestaan op het tijdstip
van invoering van de Zvw.
Artikel 2.5.2 is een bepaling van burgerlijk recht, die
de rechten en verplichtingen van thans particulier verzekerden afbakent ten
opzichte van hun verzekeraar. Bij geschillen staat de weg
naar de burgerlijke rechter (of een eventueel bestaande
geschillenprocedure) open.
Artikel 2.5.3
Om de invoering van de
Zvw
zo soepel mogelijk te doen verlopen, is voorzien in een
overgangsbepaling voor degenen die een zorgverzekering hebben gesloten waarin
procedurele of administratieve voorwaarden zijn opgenomen voor het
verkrijgen van de verzekerde prestaties. Hierbij kan worden gedacht aan de eis
dat men door een arts is doorverwezen of rblz.|38|
beschikt over een recept
of dat men eerst toestemming van de zorgverzekeraar moet hebben verkregen.
Voor zover zo’n verzekerde onder de eerder toepasselijke verzekeringsvoorwaarden al over een toestemming
of recept of
doorverwijzing beschikte, hoeft hij die niet nogmaals te verwerven en geldt dit
als titel voor het verkrijgen van de verzekerde prestaties. De zorgverzekeraar mag op grond van dit artikel niet verlangen
dat betrokkene opnieuw
aan die verplichting voldoet. Deze bepaling is van burgerlijk recht; bij
geschillen over de toepassing ervan staat de weg naar de rechter open.
Artikel 2.5.4
Ook is een
overgangsregeling getroffen voor verzekerden die gekozen hebben voor een
zorgverzekering waarbij de zorg wordt geleverd door zorgaanbieders waarmee de
zorgverzekeraar tot dat doel een overeenkomst heeft gesloten (vgl.
artikel 44, derde en vierde lid, Zfw
en artikel
42, vierde en vijfde lid,
AWBZ, zoals toegevoegd bij amendement-Van de Vlies; Kamerstukken II 2003-2004, 28 994, nr. 18). Voor zover deze verzekerden onmiddellijk
vóór de
inwerkingtreding van deze wet
nog onder een doorlopende behandeling zijn bij een zorgaanbieder waarmee hun zorgverzekeraar
geen overeenkomst heeft
gesloten, moet de zorgverzekeraar die zorg toch vergoeden
tot het einde van de behandeling. Die verplichting voor de zorgverzekeraar
geldt niet als de verzekerde vóór 1 januari geen verzekering voor die
zorg had afgesloten of de zorg nog ten laste van de vóór 1 januari van
kracht zijnde verzekering komt. Deze bepaling is van burgerlijk recht; bij
geschillen over de toepassing ervan staat de weg naar de rechter open.
Artikel 2.5.5
In
artikel 29, tweede
lid, van de Zvw
is bepaald dat een zorgverzekeraar zijn werkgebied tot
één
of meer gehele provincies van Nederland kan beperken, zolang bij hem
minder dan 850 000 verzekerden op basis van een zorgverzekering
verzekerd zijn. Voor de bepaling van dit aantal verzekerden wordt op grond van het
derde lid van dat artikel uitgegaan van het gemiddelde aantal
verzekerden in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bepaling
geschiedt.
Voor de jaren 2006 en
2007 kan op basis van deze methode niet het aantal verzekerden worden
vastgesteld, omdat in de refertejaren 2004 (voor 2006) en 2005 (voor 2007)
geen sprake is van verzekerden in de zin van de Zvw. Om ten behoeve van
het toezicht toch de beschikking te hebben over een instrument waarmee
kan worden vastgesteld of een zorgverzekeraar die zijn werkgebied tot
één of meer provincies beperkt inderdaad minder dan 850 000 verzekerden
heeft, wordt het aantal verzekerden in de eerste twee jaren na de inwerkingtreding van de Zvw vastgesteld op basis
van de administratie die het CVZ inricht ingevolge
artikel 35, eerste lid, van de Zvw. Als maatstaf voor
dit overgangsregime geldt het aantal verzekerden op 1 juli 2006.
Indien aan een
zorgverzekeraar een aanwijzing (ex artikel 94
Zvw) of een last onder dwangsom (ex
artikel 95, eerste lid, Zvw) inhoudende dat landelijk moet worden
gewerkt, wordt opgelegd, is het bij die artikelen bepaalde omtrent de
rechtsbescherming van toepassing. Hetzelfde geldt in het - onwaarschijnlijke
- geval dat op grond van artikel 97 Zvw
een bestuurlijke boete zou
worden opgelegd. Dat het aantal verzekerden is vastgesteld op basis van
artikel 2.5.5, is daarbij niet relevant.
Artikel 2.5.6
Zoals in het
algemeen
deel van deze memorie van toelichting is aangegeven, is het de intentie van de
verzekeraars hun verzekerden vóór rblz.|39|
1 november 2005 een brief
te zenden waarin is aangegeven welk zorgverzekeringsmodel en, indien betrokkenen
aanvullend verzekerd zijn, welke aanvullende
verzekeringen die zij als zorgverzekeraar zullen gaan voeren het meest met de
bestaande verzekering overeenkomen.
In de aanloop naar de
nieuwe situatie is niet uit te sluiten dat bestaande particuliere verzekeraars
hun ziektekostenverzekeringsportefeuilles aan een andere verzekeraar
overdragen of hun rechtsvorm omzetten. Zo kunnen onderlinge
waarborgmaatschappijen bijvoorbeeld besluiten naamloze vennootschap te
worden. Op grond van de artikelen 123, 125 en 128 Wtv
1993 kan het
overdragen van verzekeringsportefeuilles of het omzetten van de
rechtsvorm zonder toestemming van de verzekeringnemers plaatsvinden, maar hebben
die verzekeringnemers vervolgens wel drie maanden om de bij de
nieuwe verzekeraar doorlopende verzekeringen op te zeggen.
Artikel 2.5.6 stelt
buiten discussie dat deze opzegmogelijkheid niet geldt indien de verzekerde van
de oude verzekeraar - door middel van bovengenoemde brief - reeds de
mogelijkheid heeft gehad om naar een andere zorgverzekeraar over te
stappen. Het zou merkwaardig zijn indien een verzekerde die van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt (en die
ook de eerste premienota
heeft betaald) met ingang van 1 januari 2006 nog eens een
opzegmogelijkheid te geven (waarvan hij tot 1 april 2006 gebruik zou mogen
maken).
Deze bepaling heeft
civielrechtelijke gevolgen, zodat de rechtsbescherming bij de rechter ligt.
Artikel 2.5.7
Teneinde voor
ziekenfondsen een soepele overgang naar het nieuwe zorgverzekeringsstelsel
te bevorderen, voorziet het eerste lid van dit artikel erin dat aan
ziekenfondsen die op 31 december 2005 een toelating hebben voor de uitvoering
van de Zfw
van rechtswege kunnen beschikken over een vergunning voor
de branches Ongevallen en Ziekte. Om te bewerkstelligen dat
alleen ziekenfondsen die daadwerkelijk voornemens zijn de Zvw
uit te voeren
van rechtswege een vergunning verkrijgen, stelt het eerste lid de voorwaarde dat het ziekenfonds voldaan moet hebben
aan de meldingsplicht van
artikel 25, eerste lid, van de Zvw. Dat artikel bepaalt dat ziekenfondsen
die de Zvw willen uitvoeren dit aan het CTZ moeten melden.
Ziekenfondsen die
beschikken over een vergunning van rechtswege staan onder het volledige
toezicht van DNB. Uitgangspunt is dat ziekenfondsen aan alle door de Wtv
1993 gestelde vergunningsvereisten voldoen. Dit uitgangspunt komt tot
uiting in het tweede lid. Een ziekenfonds dat een vergunning van rechtswege
heeft gekregen, dient binnen één maand na inwerkingtreding van de Zvw
aan te tonen dat het voldoet aan de
vergunningseisen uit de
artikelen 28 tot en met 30 en 32 van de Wtv
1993. Het gaat daarbij met name
om de rechtsvorm, om deskundigheid en betrouwbaarheid van
bestuurders en om de omvang van het garantiefonds en de
solvabiliteitsmarge.
Het derde lid voorziet
erin dat het ziekenfonds dat zich ter voldoening aan de eisen van de Wtv
1993
moet omzetten in een andere rechtsvorm daarvoor een termijn van
uiterlijk drie maanden ter beschikking heeft.
Zoals is toegelicht in
paragraaf 2.2 van de algemene toelichting, wil de regering rekening houden
met de mogelijkheid dat enkele ziekenfondsen bij de invoering van de Zvw
er nog onvoldoende in zijn geslaagd hun solvabiliteitsmarge op
het voor de uitvoering van de Zvw vereiste niveau (circa 8% van de schade)
te brengen. Het vierde lid bepaalt dat dergelijke ziekenfondsen een
overgangstermijn van één jaar krijgen om aan artikel 32, aanhef en onder
a, van de Wtv
1993 te voldoen. Dat artikel bepaalt rblz.|40|
dat het ziekenfonds moet
beschikken over het minimumbedrag van het garantiefonds of over
het minimumbedrag van de solvabiliteitsmarge. Het hoogste van beide
minimumbedragen is daarbij bepalend. Omdat ziekenfondsen als bedoeld
in dit artikel geen "startende" zorgverzekeraars, maar going concern zijn,
zullen de meeste voormalige ziekenfondsen over het
minimumbedrag van het solvabiliteitsmarge moeten beschikken. Een voormalig ziekenfonds dat niet beschikt over de
vereiste
solvabiliteitsmarge dient binnen één maand na inwerkingtreding van de Zvw een voorstel
bij DNB in waaruit blijkt hoe de solvabiliteitsmarge binnen de overgangstermijn van
één jaar op het vereiste niveau zal
zijn gebracht. Een
dergelijk voorstel kan worden vergeleken met het financieringsplan of het
saneringsplan, bedoeld in artikel 138 van de Wtv
1993.
Het vijfde en zesde lid
bevatten enkele bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op
ziekenfondsen die niet aan alle in het tweede lid genoemde
vergunningvereisten voldoen.
Het vijfde lid bepaalt
dat ook ziekenfondsen die niet over voldoende solvabiliteit beschikken gedurende de
overgangstermijn onder toezicht van DNB staan. DNB kan haar
toezichtinstrumentarium inzetten jegens een ziekenfonds dat over een
vergunning van rechtswege beschikt, maar hierop wordt een tweetal uitzonderingen gemaakt. DNB zal tijdens de
overgangstermijn van één
jaar de vergunning van rechtswege niet intrekken uitsluitend
vanwege het feit dat niet aan artikel 32, aanhef en onder a, van de
Wtv
1993 is voldaan. Het intrekken van de vergunning van rechtswege zou
strijdig zijn met het voornemen om een soepele overgang naar het nieuwe
zorgverzekeringsstelsel mogelijk te maken. Omdat met het geven van een aanwijzing tot overdracht van de gehele portefeuille
hetzelfde effect kan
worden bereikt als met een vergunningintrekking, zal DNB tijdens de
overgangstermijn ook een dergelijke aanwijzing niet geven uitsluitend
vanwege het feit dat nog niet aan artikel 32, aanhef en onder a,
van de Wtv
1993 is voldaan. Het vierde lid laat overigens onverlet dat
DNB om andere redenen dan het niet voldoen aan artikel 32, aanhef en
onder a, van de Wtv
1993 de vergunning kan intrekken of een
aanwijzing kan geven tot portefeuilleoverdracht, bijvoorbeeld indien het ziekenfonds
niet over voldoende technische voorzieningen beschikt. DNB kan ook
ingrijpen bijvoorbeeld door middel van een aanwijzing tot
gedeeltelijke portefeuilleoverdracht indien tijdens het overgangsjaar blijkt dat
de financiële ontwikkelingen bij het ziekenfonds sterk in negatieve zin
afwijken van de ontwikkelingen die ingevolge het (op grond van het vierde
lid) ingediende voorstel tot herstel werden voorzien en er geen afdoende
maatregelen worden genomen om die trend te keren.
Het zesde lid bepaalt dat
een voormalig ziekenfonds dat niet over een voldoende
solvabiliteitsmarge beschikt zich in de uitvoering van het verzekeringsbedrijf dient
te beperken tot de uitvoering van de Zvw. Dat houdt in dat het
voormalig ziekenfonds geen andere (ziektekosten)verzekeringen dan zorgverzekeringen mag
aanbieden en zich niet met andere verzekeringen op de
buitenlandse markt mag begeven. Dit voorkomt dat het risico van het nog
niet beschikken over een voldoende solvabiliteitsmarge zich uitstrekt tot andere
verzekeringsactiviteiten dan de uitvoering van de Zvw.
Het zevende lid geeft een
voorziening voor de berekening van de solvabiliteitsmarge. Dit
is nodig omdat artikel 1 van het Besluit solvabiliteitsmarge
verzekeringsbedrijf 1994 voorschrijft dat de solvabiliteitsmarge wordt
berekend met gebruikmaking van de schadecijfers van de afgelopen drie
boekjaren. Dat betekent dat een voormalig rblz.|41|
ziekenfonds voor de
berekening van de solvabiliteitsmarge in 2006 moet uitgaan van de schadecijfers over de jaren 2003 tot en met 2005, in 2007
van de schadecijfers over
de jaren 2004 tot en met 2006, enz. Omdat een voormalig
ziekenfonds in de jaren 2003 tot en met 2005 nog niet als private
zorgverzekeraar actief was, dient het voor die jaren gebruik te maken van de
schadecijfers van zijn activiteiten als ziekenfonds. Hierbij is gekozen voor de
definitie van het schadebegrip, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de
Regeling solvabiliteitsmarge en maximum reserve Zfw, zoals dat
onmiddellijk vóór inwerkingtreding van deze wet
luidde. Dit schadebegrip sluit het
best aan bij het schadebegrip zoals dat gedefinieerd is in de Wtv
1993, zodat
de voormalige ziekenfondsen te maken krijgen met een
solvabiliteitseis die in verhouding staat tot het te lopen risico bij aanvang als
zorgverzekeraar. De gemiddelde schade van de afgelopen drie boekjaren
is een inschatting van de verwachte schade in het komende boekjaar en
de daaraan verbonden risico’s. Uit het Besluit solvabiliteitsmarge
verzekeringsbedrijf 1994 volgt dat voormalige ziekenfondsen vanaf het jaar 2009
geen
gebruik meer maken van de schadecijfers van hun activiteiten als
ziekenfonds.
Het achtste lid bepaalt
dat ten aanzien van besluiten genomen op grond van dit artikel de Wtv
1993 van overeenkomstige toepassing is. Dat geldt ook ten aanzien van
bezwaar en beroep tegen dergelijke besluiten, waarvoor artikel 188 van de
Wtv 1993
een regeling geeft. Zo is op grond van artikel 188, eerste lid,
van de Wtv
1993 de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
Ook artikel 188, derde
lid, van de Wtv
1993 is van overeenkomstige toepassing. Dat artikel
bepaalt dat de terechtzitting wordt gehouden met gesloten deuren in het
geval van besluiten genomen op grond van de aldaar genoemde
artikelen. Voor artikel 2.5.7, derde lid, betekent dit dat indien een besluit wordt
genomen over het voorstel dat aangeeft hoe aan de
solvabiliteitsvereisten zal worden voldaan, de terechtzitting eveneens met gesloten deuren wordt
gehouden.
Artikel 2.5.8
In de
Zvw
is bepaald dat
50% van de macrolasten wordt gedekt door de bij de
verzekeringsplichtigen geheven inkomensafhankelijke bijdrage. Verzekeringsplichtigen
die een werkgever hebben, ontvangen van de werkgever een verplichte
vergoeding van de over het loon verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage. Thans wordt voorgesteld dat de hiervoor genoemde vergoeding mag
worden verminderd met vergoedingen die op grond van een op 31
december 2005 bestaande arbeidsovereenkomst, collectieve
arbeidsovereenkomst of andere overeenkomst na 2005 door
de inhoudingsplichtige
aan de verzekeringsplichtige worden verstrekt ter zake van de premie voor
een ziektekostenverzekering of een andere verzekering die prestaties als
bedoeld bij of krachtens artikel 11 van de Zvw
dekt, tot ten hoogste het
met die dekking evenredige deel. Voor vergoedingen waarop de
verzekeringsplichtige op grond van de arbeidsovereenkomst recht heeft volgens een
door de inhoudingsplichtige vastgestelde regeling geldt hetzelfde.
Het kan hierbij gaan om
een vergoeding van de kosten met betrekking tot de werknemer zelf die de
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is, maar mede om een
vergoeding van de kosten van andere verzekeringsplichtigen (waaronder de echtgenoot
zonder inkomen en eventuele kinderen jonger dan 18
jaar van de werknemer).
Voor zover de uit de
overeenkomst voortvloeiende bijdrage hoger is dan de wettelijke bijdrage,
wordt de wettelijke bijdrage verminderd tot nihil. De voorgestelde bepaling
heeft geen gevolgen voor de verplichting van de inhoudingsplichtige
tot nakoming van CAO-afspraken en daarmee rblz.|42|
vergelijkbare afspraken.
Aan de nakoming van dergelijke afspraken wordt door het voorstel geen
afbreuk gedaan.
Deze overgangsmaatregel
beoogt te voorkomen dat tengevolge van de invoering van de Zvw c.q.
de verplichte werkgeversbijdrage zich ten aanzien van het
basispakket een ongewenste/onbedoelde cumulatie zou voordoen van reeds
bestaande werkgeversbijdragen op grond van een CAO of vergelijkbare overeenkomst en de wettelijke bijdrage van de werkgever.
Door de voorgestelde
bepaling kunnen op de vergoeding die de inhoudingsplichtige op
grond van artikel 46 Zvw
zou moeten betalen in mindering worden gebracht
de kosten van gezondheidszorgafspraken in collectieve
arbeidsovereenkomsten (en in individuele arbeidsovereenkomsten).
De bevoegdheid tot
salderen geldt niet voor zover de op grond van een (collectieve)
arbeidsovereenkomst of vergelijkbare overeenkomst verplichte bijdrage
functioneert als een tegemoetkoming in de kosten van een aanvullende
verzekering. Indien de tegemoetkoming bedoeld is voor een verzekering die zowel
het zorgverzekeringspakket omvat als aanvullende zorg, mag de werkgever
van die tegemoetkoming alleen dat deel op de wettelijke vergoeding
in mindering brengen dat strekt tot dekking van de prestaties, bedoeld in
artikel 11 Zvw.
Indien niet op basis van
de overeenkomst kan worden vastgesteld in hoeverre de
tegemoetkoming strekt tot dekking van de prestaties, bedoeld in artikel 11
Zvw, wordt
op grond van het tweede lid dat deel vastgesteld op het bedrag van de
standaardpremie, bedoeld in de Wzt, zoals die is vastgesteld op 1 november
van het voorafgaande jaar. Om onevenredige uitvoeringslasten en
administratieve lasten voor inhoudingsplichtigen te voorkomen, blijft een
eventuele nieuwe vaststelling van de standaardpremie per 1 april (ingevolge
artikel 4, tweede lid, van de Wzt) voor de toepassing van het tweede
lid buiten beschouwing.
Het is te verwachten dat
de in CAO’s en andere overeenkomsten opgenomen vergoedingen voor gezondheidszorg beëindigd zullen worden of
zullen wijzigen in
verband met de inwerkingtreding van de Zvw. Omdat hiermee enige tijd kan
zijn gemoeid, wordt de hiervoor beschreven maatregel voorgesteld. De bepaling
geldt niet voor afspraken die tot stand komen na de
inwerkingtreding van de Zvw.
Het derde lid voorziet in
een zelfde aanpak voor ambtelijke rechtspositieregelingen waarin een aanspraak op
een tegemoetkoming in de kosten van gezondheidszorg is
geregeld. De uit dergelijke aanspraken van ambtenaren voortvloeiende
vergoedingen kunnen eveneens worden gesaldeerd. Ook hier geldt uiteraard
dat de salderingsbepaling uitsluitend van toepassing is op aanspraken die
voortvloeien uit bepalingen in rechtspositieregelingen die vóór de datum van
inwerkingtreding van de Zvw tot stand zijn gekomen.
Met de voorgestelde
regeling wordt uitvoering gegeven aan de motie-Schippers en Bakker
(Kamerstukken II 2004-2005, 29 763, nr. 54), die door de Tweede Kamer is aanvaard.
Eventuele geschillen over
de toepassing van dit artikel zullen langs civielrechtelijke weg moeten worden
beslecht.
Artikel 2.5.9
Zoals in het
algemeen
gedeelte van deze toelichting is aangegeven, wordt de geneeskundige ggz van
de AWBZ naar de Zvw
en daarmee naar de dekking van de
zorgverzekeringen tot 1 januari 2007 uitgesteld. In het inwerkingtredingsbesluit
voor de Zvw zal dan ook worden bepaald dat artikel
14, tweede en
derde lid, pas met ingang van 1 januari 2007 in werking treedt. Eén en
ander betekent dat de financiering van deze onderdelen van de ggz in
2006 nog uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ) dient
te geschieden. Echter, bij het berekenen van de rblz.|43|
koopkrachtgevolgen van de
Zvw, van de Wzt en van de AWBZ is ervan uitgegaan dat deze
ggz-onderdelen wél met ingang van 1 januari 2006 zouden worden overgeheveld. Er is derhalve van uitgegaan dat de kosten
voor deze onderdelen
vanaf 2006 niet meer in de AWBZ-premie tot uitdrukking komen en
juist wel in de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, in de rijksbijdrage voor
jeugdigen aan het Zorgverzekeringfonds, in de door de zorgverzekeraar
te heffen (nominale) premie en daarmee op zijn beurt weer in de
zorgtoeslagen. Het voor het jaar 2006 terugdraaien van deze veronderstellingen
ten aanzien van premies, bijdragen en toeslagen zou koopkrachteffecten
met zich brengen waar tot nog toe geen rekening mee is gehouden en die
mogelijk door middel van nieuwe maatregelen zouden moeten worden
gerepareerd. Bovendien zouden dan met ingang van 1 januari 2007, omdat
de overheveling dan alsnog geschiedt, weer nieuwe maatregelen
getroffen moeten worden. Dat acht de regering onwenselijk. Daarom is
besloten de ramingen voor de premies voor de zorgverzekeringen en voor
de AWBZ, de bijdragen en de toeslagen in stand te houden en in
artikel 2.5.9 van voorliggend wetsvoorstel te regelen dat met het oog
op de financiering van de geneeskundige ggz voor het jaar 2006 een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag uit het
Zorgverzekeringsfonds
naar het AFBZ wordt overgeheveld.
Hoofdstuk 3. Wijziging
van andere wetten
§ 3.1.
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Artikel 3.1.1
(wijzigingen AWBZ)
Algemeen
De
AWBZ moet technisch
worden aangepast in verband met de invoering van de Zvw.
Daarbij gaat het om
wijzigingen die voortvloeien uit het feit dat in de Zvw niet, zoals voorheen wel
in de Zfw, de taken van het CVZ en het CTZ in het kader van de AWBZ zijn
geregeld; zo wordt met voorliggende wijziging onder andere geregeld dat
het CVZ subsidies ten laste van het AFBZ verstrekt.
Verder wordt voorzien in
het vervallen van de vrijwillige AWBZ-verzekering en overgangsrecht voor
degenen die thans vrijwillig AWBZ-verzekerd zijn.
Voorts moesten op een
groot aantal plaatsen technische wijzigingen worden aangebracht die
samenhangen met de vervanging van ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars
en uitvoerende organen als uitvoerders van de AWBZ door de
zorgverzekeraars die zich daartoe aanmelden. Deze aangemelde
zorgverzekeraars zijn, net als thans, bestuursorgaan voor wat betreft de uitvoering van
de AWBZ. De gelegenheid is aangegrepen om, waar dat kan, in de wet
in plaats van de aanduiding "personen en instellingen" het begrip
"zorgaanbieders" te gebruiken. Ook zijn de formuleringen
met het oog op de
transparantie van wetgeving zoveel mogelijk gelijkluidend gemaakt met
bepalingen in de Zvw. Tot slot zijn ook de bepalingen die de verstrekking van
gegevens in het kader van de AWBZ regelen, aangepast. Op
deze wijzigingen wordt hierna verder ingegaan.
Bij het invoegen van
bepalingen in de AWBZ is zoveel mogelijk aangesloten bij de indeling en
volgorde van de Zvw; ook is een aantal bestaande bepalingen
verplaatst met hetzelfde oogmerk.
rblz.|44|
Per onderdeel
A
De
zorgverzekeraars die
de Zvw
uitvoeren, zijn, als zij zich daartoe hebben aangemeld, degenen die
voor hun verzekerden ook de AWBZ uitvoeren. In
artikel 1, eerste lid,
moeten in verband daarmee de definities van "ziekenfonds",
"ziektekostenverzekeraar", "uitvoerend orgaan" en
"uitvoeringsorgaan" worden geschrapt
(onderdelen b, c, e en h (oud)). De definitie van zorgverzekeraar
(onderdeel b (nieuw)), alsmede een daarmee verband houdende definitie van
verzekeraar (onderdeel a (nieuw)), moeten worden toegevoegd. In de hele
wet worden in verband daarmee de oude benamingen vervangen door de
aanduiding zorgverzekeraar; die wijzigingen zullen in beginsel niet
steeds afzonderlijk worden toegelicht.
Verder moeten de
verwijzingen naar de Zfw
in andere onderdelen worden gewijzigd in verwijzingen
naar de Zvw (onderdelen f en g (nieuw)). De definitie van het begrip
instelling is gelijk aan die in artikel VI van de Wet
Hoz [Wet
herziening overeenkomstenstelsel zorg, red.]. Toegevoegd is een
definitie van zorgaanbieder (onderdeel i).
In overeenstemming met
aanwijzing 238 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving (Ar) wordt
voorgesteld het eerste lid van een doorlopende letteraanduiding te
voorzien. Om die reden wordt voorgesteld het hele eerste lid opnieuw vast
te stellen.
C
Artikel
5a vervalt op
deze plaats, maar keert in het hoofdstuk dat betrekking heeft op de invloed van
de verzekering op het burgerlijk recht terug als artikel
65. Deze
verplaatsing hangt ook samen met het streven om de indeling zoveel mogelijk
parallel te doen zijn aan die van de Zvw.
E
Artikel 9 moest worden
aangepast in verband met de vervanging in de Zvw
van ziekenfondsen en ziektekostenverzekeraars door zorgverzekeraars.
Om de wijziging
inzichtelijk te maken, is het gehele artikel opnieuw geredigeerd.
Overeenkomstig de
systematiek in de Zfw
is het uitgangspunt gehanteerd dat degene die een zorgverzekering heeft gesloten, bij dezelfde zorgverzekeraar
terecht kan voor de
uitvoering van de AWBZ, tenzij deze die rol niet wenst te spelen
en zich daarom niet als zodanig heeft aangemeld. Dat ligt ook in de rede.
Er wordt van uitgegaan dat er geen verzekeraars zullen zijn die, zonder
tevens werkzaam te zijn als zorgverzekeraar, belangstelling hebben
voor de niet-winstbeogende uitvoering van de AWBZ.
In het eerste lid is dus
bepaald dat de AWBZ-verzekerden die een zorgverzekering hebben, van rechtswege
bij dezelfde zorgverzekeraar zijn ingeschreven voor de
toepassing van de AWBZ, mits deze zorgverzekeraar zich heeft aangemeld voor
de uitvoering van de AWBZ. Op grond van artikel
5, vijfde lid,
werkt een zorgverzekering terug tot en met de dag waarop de
Zvw-verzekeringsplicht ontstond, indien de zorgverzekering binnen vier maanden na
het ontstaan van die verzekeringsplicht werd gesloten. Het ligt in de
rede dit ook voor de AWBZ te laten gelden (tweede volzin van het eerste
lid).
In het eerste lid kan de
term "zorgverzekeraar" als gedefinieerd in het nieuwe artikel
1,
onderdeel b, van de AWBZ niet goed gebruikt worden, omdat in de context van
dit lid wordt gedoeld op de zorgverzekeraar waarmee de verzekerde een
zorgverzekering heeft gesloten. De verzekerde wordt bij die
zorgverzekeraar (in de zin van de Zvw) alleen als AWBZ-verzekerde
ingeschreven als die zorgverzekeraar zich voor de AWBZ heeft aangemeld. In
de overige leden van artikel 9 wordt het begrip
rblz.|45|
zorgverzekeraar wél
gebruikt overeenkomstig de betekenis die dat begrip heeft in (artikel
1,
onderdeel b, van de) AWBZ.
Aangetekend zij voorts
dat dit dus ook de eventuele in het buitenland wonende Zvw-verzekerden
van de zorgverzekeraar zijn.
Zorgverzekeraars zijn
niet verplicht de AWBZ uit te voeren. In artikel 33 is voorzien dat de
zorgverzekeraars die dat willen zich daartoe bij het CVZ
moeten aanmelden. Indien
een zorgverzekeraar in de zin van de Zvw zich onverhoopt niet mocht
hebben aangemeld als uitvoerder van de AWBZ, zullen zijn verzekerden
voor de uitvoering van de AWBZ onderdak moeten zoeken bij een
zorgverzekeraar die dat wel heeft gedaan. Dat vloeit voort uit de definitie van
zorgverzekeraar in artikel 1. Daarbij wordt
ervan uitgegaan dat de zorgverzekeraar, evenals in de huidige situatie, zijn verzekerde
behulpzaam is,
bijvoorbeeld door hierover afspraken te maken met collega-zorgverzekeraars.
Het tweede lid regelt dat
verzekerden die voor de uitvoering van de AWBZ niet bij een
zorgverzekeraar zijn ingeschreven zich bij een zorgverzekeraar moeten aanmelden ter
inschrijving. Het moet dan gaan om een zorgverzekeraar die werkzaam is in hun
woonplaats. De formulering is zodanig dat zij zowel omvat de mensen die niet hebben voldaan aan hun
verzekeringsplicht
ingevolge de Zvw en dus geen zorgverzekering hebben gesloten, als degenen
(zie hiervoor) wier zorgverzekeraar zich niet heeft aangemeld voor de uitvoering van de AWBZ. Maar ook
AWBZ-verzekerden
die geen zorgverzekering
hebben omdat zij militair zijn (zie artikel 2 van de
Zvw),
zullen zich ter inschrijving moeten aanmelden bij een zorgverzekeraar naar
keuze.
De zorgverzekeraar is
verplicht betrokkene in te schrijven. Die zorgverzekeraar moet dan, tenzij het om
een in het buitenland wonende verzekerde gaat, wel werkzaam zijn
in de gemeente waar de verzekerde woont. Tevens is voorzien in de
bevoegdheid, net als thans (huidige derde lid), om bij AMvB regels te
stellen ter zake van de inschrijving.
Het oude vierde en vijfde
lid konden vervallen, omdat de vrijwillige verzekering niet langer bestaat
(vervallen van de artikelen 32a tot en met 32c).
Het bestaande artikel 41a, dat zorgverzekeraars verbiedt anderen als verzekerde in te
schrijven dan personen die woonachtig zijn in zijn werkgebied, is thans opgenomen als
derde lid. Daarbij is rekening gehouden met de noodzakelijke
uitzondering voor in het buitenland wonenden.
F en
G
Direct na
artikel 9 is,
in enigszins gewijzigde vorm, opgenomen wat tot nu toe is geregeld in het
oude artikel 9c (dat wordt geschrapt, zie onderdeel
G). Regeling op deze
plaats is aangewezen door het verband met wat in artikel
9, tweede lid, is
geregeld. Nieuw is het voorschrift dat de verzekerde die zich aanmeldt ter
inschrijving daarbij zijn sociaal-fiscaal nummer moet vermelden; nieuw is
ook de expliciete verplichting voor de zorgverzekeraar om de identiteit van de
aangemelde persoon vast te stellen. Het artikel is afgestemd
op de tekst van artikel 4 van de Zvw, doch beperkt tot aanmelders als
bedoeld in artikel 9, tweede lid. Voor degenen die al een zorgverzekering
hebben gesloten, bestaat geen behoefte aan een dergelijke bepaling, omdat ten aanzien van hen
artikel 4 van de Zvw
al
toepassing heeft
gevonden.
Zoals aangegeven, is nu
ook de plicht opgenomen tot het overleggen van het sociaal-fiscaal
nummer.
In het oude artikel 40a (in de nieuwe opzet
artikel 52) is geregeld
dat dit nummer in de administratie van de zorgverzekeraar moet worden opgenomen.
rblz.|46|
H,
I, J en
K
De wijzigingen in de
artikelen 10, 12, 12a
en 14, zoals die sinds de Wet
Hoz in de AWBZ
zijn komen te
luiden, betreffen het vervangen van de term uitvoeringsorgaan door
zorgverzekeraar. Verder is de aanleiding aangegrepen om de bevoegdheid om in
een reglement te bepalen hoe vaak een verzekerde zich in een bepaalde periode ten name van een andere zorgverlener
kan inschrijven te
vervangen door de verplichting dit in voorkomend geval schriftelijk te
doen. Ook in de andere bepalingen is "reglement" vervangen
door "schriftelijk". Daarvoor zijn twee gronden. In de
eerste plaats kan de Zvw
ook worden uitgevoerd door andersoortige rechtspersonen dan die
voorheen de Zfw
uitvoerden. Aangezien daaronder ook rechtspersonen zijn
die geen leden kennen, is het reglement bij die rechtspersonen niet
het aangewezen instrument voor het vastleggen van nadere regels inzake
rechten en plichten van de verzekerden. Voor zover de zorgverzekeraar wel een organisatie met leden is (onderlinge
waarborgmaatschappij),
was een nadeel van de oude constructie dat onduidelijkheid kan
bestaan over de vraag of wat in het privaatrechtelijke reglement is
bepaald ook
geldt voor verzekerden die van die waarborgmaatschappij zelf geen lid zijn.
Voorts is in onderdeel I
(onder 2) bepaald dat in artikel 12, tweede lid, AWBZ
de van
overeenkomstige toepassing verklaring van artikel
9, tweede tot en met vijfde
lid, van die wet vervalt. Wat betreft het vierde en vijfde lid van
artikel 9
vloeit dat voort uit het vervallen van de vrijwillige AWBZ-verzekering. Voor
wat betreft het tweede en derde lid van artikel
9 steunt dat op het feit
dat inschrijving bij een zorgverzekeraar reeds een voorwaarde is om voor
restitutie in aanmerking te komen en dat daarvoor het van overeenkomstige toepassing verklaren van die leden niet nodig is.
In onderdeel J is tevens
voorzien in toevoeging aan artikel 12a
van een vierde lid, dat
overeenkomt met het derde lid dat met de Wet Hoz is toegevoegd aan artikel
11a Zfw. Deze
bepaling, in combinatie met het zesde lid van het in onderdeel O
voorgestelde artikel 36, beoogt een oplossing te bieden in gevallen waarin
zorgaanbieders weigeren op aanvaardbare voorwaarden een
overeenkomst met een zorgverzekeraar te sluiten. De ontheffing door het CTZ
van de verplichting om onder bepaalde omstandigheden overeenkomsten te
sluiten, maakt het de zorgverzekeraars mogelijk hun verzekerden
in die gevallen de zorg te vergoeden die zij hebben verkregen zonder
dat er van een overeenkomst sprake was en voorkomt aldus dat er een
beletsel zou zijn voor de externe accountant van de zorgverzekeraar om
een rechtmatigheidsverklaring af te leggen. Voor een meer uitvoerige
toelichting op de achtergronden van deze bepaling zij verwezen naar de
(tweede) nota van wijziging (Kamerstukken II 2004-2005, 28 994, nr. 15),
waarin de genoemde toevoeging aan artikel 11a
Zfw is vervat.
L
Het oude
artikel 14, bij
de Wet Hoz vernummerd tot artikel
15, is geschrapt en opnieuw opgenomen als
artikel 34 (deze verplichting past beter in het hoofdstuk over de
zorgverzekeraars). Ook voor het oude artikel 16 geldt dat dit eerder samenhangt
met de bepalingen over zorgverzekeraars dan met de aanspraken van de verzekerden. Daarom is ook die bepaling
geschrapt en opnieuw
opgenomen als artikel 40.
Op de vrijgekomen plaats
zijn thans opgenomen de met de Wet Hoz geheel herschreven
artikelen inzake overeenkomsten (oude hoofdstuk
VI, artikelen 42 tot en met 46). De artikelen 15 tot en met 16c
verschillen inhoudelijk niet van de
vervangen artikelen, behalve wat betreft het gebruik van de termen
zorgverzekeraars en zorgaanbieders in plaats van de voorheen gebruikte termen.
rblz.|47|
Op
grond van artikel 16,
eerste lid, onderdeel f, bevat de overeenkomst ten minste bepalingen
over de administratieve voorwaarden die bij de uitvoering van de
overeenkomst in acht zullen worden genomen, waaronder in elk geval de in
artikel 10a, tweede lid, genoemde verplichting. Dit is de verplichting van de
zorgaanbieder om de identiteit van degene aan wie de zorg wordt
verleend vast te stellen aan de hand van het ter inzage verstrekte document. Het
wetsvoorstel fraudebestrijding
zorgverzekeringswetten (Kamerstukken II
[2003-2004, red.], 29
623), dat ter behandeling voorligt in de Eerste Kamer,
voorziet in invoering van artikel 10a
AWBZ.
N
Tot 1999 waren
rechthebbenden op een Nederlandse socialezekerheidsuitkering die in het buitenland
woonden, verzekerd voor de volksverzekeringen, waaronder de AWBZ. In dat
jaar koos de regering voor de beleidslijn dat volksverzekeringen
uitsluitend bedoeld zijn voor ingezetenen. De regering stelde zich
daarbij op het standpunt dat de overheid niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor
het bieden van een verplichte sociale verzekering in
het kader van de volksverzekeringen voor deze categorie. Geregeld werd dat buiten Nederland geen sociale verzekering
mogelijk is, tenzij de
EU-socialezekerheidsverordening nr. 1408/71 of een socialezekerheidsverdrag
anders bepaalt. Als gevolg hiervan ontstond de situatie dat ziekenfondsverzekerden die wonen in een EU-lidstaat of een
verdragsland de
bescherming hebben van de sociale ziektekostenverzekering van hun woonland
(woonlandbeginsel), omdat op hen de EU-socialezekerheidsverordening
en de socialezekerheidsverdragen van toepassing zijn. Niet-ziekenfondsverzekerden vallen echter niet onder die
verordening of die
verdragen. Daardoor ontstond voor hen een probleem, omdat hun particuliere
verzekering doorgaans minder dekking biedt dan de sociale verzekering van
hun woonland. Als oplossing is toen de vrijwillige AWBZ-verzekering
ingevoerd voor de betrokken groep van personen. Evenals dat het geval was
in de regeling die vóór 1999 gold, betrof dat een verzekering voor
rechthebbenden op een langlopende socialezekerheidsuitkering, waar ter wereld
zij ook
woonden.
Met de invoering van de
Zvw
verdwijnt het onderscheid tussen ziekenfondsverzekering en
particuliere ziektekostenverzekering. Aangezien de huidige particulier
verzekerden na het sluiten van een zorgverzekering ook op grond van een
sociale verzekering verzekerd zijn voor ziektekosten, vallen zij als zij
woonachtig zijn in het buitenland, onder
Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de socialezekerheidsverdragen. Zij hebben dan recht op geneeskundige zorg of
vergoeding van kosten zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor
geneeskundige zorg van hun woonland.
De
vrijwillige AWBZ-verzekering zou alleen nog van belang zijn voor mensen die zich vestigen
in een land dat noch onder het toepassingsbereik van Verordening (EEG) nr.
1408/71, noch onder een bilateraal socialezekerheidsverdrag valt.
Met betrekking tot deze laatste groep acht de regering het standpunt
gerechtvaardigd dat de Nederlandse overheid geen verantwoordelijkheid
draagt voor de sociale ziektekostenverzekering van deze personen.
Immers, men kiest er vrijwillig voor om zich te vestigen in een land
waarmee geen verdragsregeling is getroffen. Men kan zich tevoren
informeren over de consequenties daarvan voor wat betreft de financiering
van de medische zorg.
Door het schrappen van
hoofdstuk IVa komt er een einde aan de vrijwillige
AWBZ-verzekering.
Uiteraard is bezien of de
opheffing van de vrijwillige AWBZ-verzekering noopt tot het treffen van overgangsmaatregelen voor de groep van
personen die thans
vrijwillig is verzekerd. In artikel 3.1.2
[van deze wet, red.] is dit overgangsrecht rblz.|48|
opgenomen. Dat
recht is van toepassing op alle voormalig vrijwillig verzekerden waar ter
wereld men woont.
O
In dit onderdeel wordt
een aantal hoofdstukken van de wet vervangen door nieuwe.
Hoofdstuk
V. De
zorgverzekeraars
De
bepalingen van
hoofdstuk V inzake de uitvoeringsorganen zijn, nu toegespitst op de
zorgverzekeraars, in de artikelen 33 tot en met
40, geheel herschreven. Zoals
al vermeld, zijn daarin nu ook opgenomen de bepalingen die tot nu toe
waren vervat in de artikelen 15 en 16.
Uitgangspunt is dat, net
als tot nu toe, de zorgverzekeraars bevoegd, en dus niet verplicht, zijn
de AWBZ uit te voeren. Er wordt echter van uitgegaan dat de
zorgverzekeraars het van belang zullen achten voor hun verzekerden in het kader
van de Zvw
ook de uitvoering van de AWBZ te kunnen behartigen. De zorgverzekeraars die dit willen, dienen zich als
zodanig aan te melden.
Uit artikel 9, in combinatie met de definitie van zorgverzekeraar, vloeit
voort dat een verzekerde zich bij een andere zorgverzekeraar ter inschrijving moet
aanmelden als de zorgverzekeraar met wie hij een
zorgverzekering heeft gesloten onverhoopt niet bereid zou zijn ook de AWBZ uit te voeren
en zich niet daartoe heeft aangemeld.
Thans kent de
AWBZ voor
ziekenfondsen het uitgangspunt dat zij voor hun verzekerden van
rechtswege ook de AWBZ uitvoeren. Voor de organen die een
publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren uitvoeren, geldt al dat
zij voor die verzekerden ook de AWBZ kunnen uitvoeren als zij zich
daartoe hebben aangemeld (artikel 38 (oud)). Thans is er een toelatingssysteem
voor de particuliere ziektekostenverzekeraars die voor hun verzekerden ook
de AWBZ wensen uit te voeren. De daarvoor geldende
toelatingsvoorwaarden (artikel 33, tweede
lid) kunnen gevoeglijk worden gemist. Aan de eis
dat de zorgverzekeraar ten doel moet hebben het
ziektekostenverzekeringsbedrijf uit te oefenen, is in de nieuwe opzet al voldaan door de
aansluiting bij de uitvoering van de Zvw. De toelatingsvoorwaarde dat
de zorgverzekeraars moeten voldoen aan de in de AWBZ gestelde eisen
is thans rechtstreeks geformuleerd als verplichting; daarop wordt door het
CTZ
toegezien. Aan de laatste, open geformuleerde voorwaarde wordt niet
langer gehecht. Door de aan zorgverzekeraars gestelde eisen in
combinatie met de voorschriften in de AWBZ is voldoende
gewaarborgd dat zorgverzekeraars de wet op de juiste wijze zullen uitvoeren.
Met de komst van de Zvw
is er - zes wat betreft de verzekering in het eerste compartiment - niet
langer sprake van uiteenlopende verzekeringsstelsels met verschillende soorten
verzekeraars. Het ligt daarom in de rede alle zorgverzekeraars die
de Zvw uitvoeren, net zoals dat voor ziekenfondsen en uitvoerende organen al
het geval was, door een simpele aanmelding het recht te
geven voor hun verzekerden uitvoerder te zijn van de AWBZ. Daarbij dient te
worden bedacht dat op grond van artikel 16 (oud, thans
artikel 40)
een belangrijk deel van de taken van de zorgverzekeraars wordt uitgevoerd door de
aangewezen rechtspersonen (verbindingskantoren/zorgkantoren),
die bovendien ook andere werkzaamheden van de zorgverzekeraars voor dezen verrichten op grond van
mandaat- en
volmachtarrangementen.
Het is niet langer zinvol
een afzonderlijke toelatingsbeslissing te nemen. Door de koppeling aan de
uitvoering van de Zvw is het niet nodig de zorgverzekeraars te
toetsen aan toelatingseisen; er hoeven geen extra eisen te worden gesteld
naast de Zvw en de Wtv
1993. De AWBZ bevat de voorschriften, waaraan de aangemelde zorgverzekeraars zullen hebben te
voldoen, die waarborgen
dat de wet goed wordt uitgevoerd en bepalingen rblz.|49|
om op te treden tegen
eventuele afwijkingen van de regels. Het is in het verlengde daarvan ook
niet zinvol om de bestaande voorbereidingsprocedure ten aanzien van de
toelatingsbeslissing te handhaven.
Aan de in artikel 33
(oud) vervatte bepaling inzake het werkgebied bestaat naast de regeling van de
Zvw geen behoefte meer; de zorgverzekeraar voert de AWBZ uit voor
zijn eigen verzekerden; daarmee is al gekoppeld aan zijn werkgebied;
alleen voor mensen die niet elders zijn verzekerd, is van belang bij wie zij
zich kunnen aanmelden ter inschrijving; dat is in artikel 9 geregeld. Ook
aan de bepaling (artikel 35) inzake het intrekken van
toelatingsbeschikkingen bestaat geen behoefte meer. Wel is in artikel
33, tweede lid,
bepaald
dat de zorgverzekeraars moeten voldoen aan de voorschriften van de wet;
dit is geen zelfstandige bevoegdheid tot het opleggen van
voorschriften; de bepaling heeft betrekking op die in of krachtens andere artikelen van de
AWBZ zijn opgelegd. In het derde lid is artikel 26
Zvw
van
overeenkomstige toepassing verklaard; daarmee wordt bewerkstelligd dat het
CTZ de zorgverzekeraar ook in dit geval na aantekening van de datum van
ontvangst een ontvangstbewijs moet zenden.
Aanmelding van een
zorgverzekeraar als uitvoerder van de AWBZ in combinatie met de aan zorgverzekeraars in
die wet oplegde taken heeft
tot gevolg dat de
zorgverzekeraars, net als thans, voor de uitvoering van de AWBZ een
bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht zijn, zoals ziekenfondsen
dat ook waren voor de uitvoering van de Zfw. Voor de uitvoering
van de Zvw
zijn de zorgverzekeraars geen bestuursorgaan. Nu de
uitvoering van de AWBZ niet risicodragend is, vormt de uitvoering van
de AWBZ voor zorgverzekeraars geen verboden nevenactiviteit in de zin
van het EU-recht. Er zij nogmaals op gewezen dat op grond van artikel 16
(oud, artikel 40 nieuw) in combinatie met volmacht- en mandaatverlening op vrijwillige basis veel van de werkzaamheden
van zorgverzekeraars in
het kader van de uitvoering van de AWBZ feitelijk geschieden
door daartoe aangewezen rechtspersonen.
In
artikel 34, voorheen
vervat in artikel 15 (oud), wordt de zorgverzekeraars de verplichting opgelegd
doelmatig te werken en onnodige uitgaven te voorkomen.
In artikel 35 is bepaald
dat zorgverzekeraars die de AWBZ uitvoeren het daarvoor beschikbaar
gestelde geld gescheiden van de overige gelden moeten administreren.
Deze verplichting komt overeen met de in artikel 25b, eerste lid, van de
Mededingingswet vervatte regel voor ondernemingen die overeenkomstig
artikel 86, tweede lid, van het EG-verdrag met het beheer van een dienst
van algemeen economisch belang zijn belast en die met betrekking tot
deze dienst in enigerlei vorm overheidssteun ontvangen. Die bepaling
beoogt kruissubsidiëring tegen te gaan. In de AWBZ wordt dit
voorschrift opgenomen met het oogmerk het wegvloeien van AWBZ-middelen naar
andere bestemmingen te voorkomen. In de eerste plaats is dit van belang omdat, anders dan voor de
Zvw, de voor de
uitvoering van de AWBZ
beschikbaar gestelde middelen uitsluitend zullen mogen worden aangewend
voor de rechtmatige en doelmatige uitvoering van die wet. Verder is
van belang dat kruissubsidiëring van de uitvoering van de Zvw of andere
activiteiten van schadeverzekeraars met AWBZ-gelden wordt voorkomen. De
bepaling van de Mededingingswet
geldt voor de zorgverzekeraars
in hun hoedanigheid van uitvoerder van de Zvw; zij zijn in dat verband
te zien als ondernemingen die een dienst van algemeen economisch belang
uitvoeren. Bij de uitvoering van de AWBZ is er geen sprake van een
onderneming waarop de Mededingingswet van toepassing is. Toch is
het van belang ook vanuit de AWBZ kruissubsidie aan andere activiteiten
te voorkomen.
In
artikel
38a AWBZ was
artikel 38b Zfw
van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat hield in
dat zorgverzekeraars in bepaalde gevallen toestemming rblz.|50|
van het CVZ
nodig
hadden alvorens zij verbintenissen in het kader van de uitvoering van de
AWBZ konden overdragen aan een andere zorgverzekeraar. Indien er sprake was van
fusie, gingen de rechten van derden jegens de betrokken
zorgverzekeraars van rechtswege over op de nieuwe verzekeraar. Deze
bepaling is geschrapt. In de Wtv
1993 zijn regels gesteld om te waarborgen dat
verzekeraars hun portefeuilles zorgvuldig overdragen; daarbij is in de Zvw
aangesloten. Het wordt niet noodzakelijk geacht de
zorgverzekeraars in het kader van de uitvoering van de AWBZ nog een afzonderlijke
verplichting op te leggen. Bij het overdragen van de zorgverzekeringenportefeuille
aan een andere verzekeraar gaat de rol als uitvoerder van de AWBZ
voor de betrokken verzekerden vanzelf over naar de andere
zorgverzekeraar. Voor zover het gaat om verbintenissen van de zorgverzekeraar jegens
anderen dan de verzekerden, zullen partijen daarover overeenstemming moeten
bereiken; er is geen aanleiding daarover in de wet
iets te
regelen.
In artikel 38a
AWBZ
waren
ook de artikelen 43e en 43f
Zfw
van overeenkomstige toepassing verklaard. Die
bepalingen betroffen het indienen van een uitvoeringsverslag en
een financieel verslag. In artikel 36 is thans, afgestemd op artikel 37
Zvw, een verplichting voor de zorgverzekeraars opgenomen om jaarlijks
een jaarrekening te zenden aan het CTZ. Er dient een verklaring van een
accountant te zijn bijgevoegd waarin wordt ingegaan op de getrouwheid en
rechtmatigheid en op de ordelijkheid en controleerbaarheid van
het gevoerde beheer. In het zesde lid is, zoals toegelicht bij artikel
12a, vierde lid, een voorziening getroffen die inhoudt dat het CTZ kan besluiten
dat voor bepaalde baten en lasten het ontbreken van een overeenkomst met
een zorgaanbieder geen gevolgen heeft voor de inhoud van de
verklaring van de accountant; deze kan dan ondanks het ontbreken van
overeenkomsten toch een verklaring omtrent de rechtmatigheid afgeven.
In
artikel 37 is,
afgestemd op artikel 38 Zvw, voorzien in een verplichting voor de zorgverzekeraars
om een uitvoeringsverslag in te zenden. Deze bepaling spreekt voor
zich.
In de
artikelen 36 en 37
zijn bevoegdheden voor de minister opgenomen om regels te stellen over
de inhoud van het financieel verslag en het uitvoeringsverslag.
Artikel 40 (oud)
AWBZ verklaarde artikel 1x7
Zfw
van overeenkomstige toepassing. Die bepaling
betrof het stellen van regels inzake administratie, controle en verslagen
waaraan zorgverzekeraars zich dienen te houden. In de Zvw
is een
vergelijkbare bepaling opgenomen in artikel 84. Die bepalingen zijn thans vervat in
het
vierde lid van artikel 36 en het derde lid van
artikel 37.
Artikel 38 bevat de
regels inzake het door een zorgverzekeraar zelf leveren van zorg die onder de
wettelijke aanspraken valt die tot nu toe waren opgenomen in artikel 41
(oud) AWBZ. Dit verbod wordt gehandhaafd omdat - anders dan bij de
Zvw
- bij de AWBZ sprake is van uitvoering van een verzekering van
rechtswege met een gescheiden administratie, waarbij winstoogmerk niet
is toegestaan en waarbij nadrukkelijk wordt toegezien op de
rechtmatige en doelmatige besteding van de beschikbaar gestelde middelen. In de
gewijzigde formulering van het eerste lid is verduidelijkt dat deze
bepaling er niet aan in de weg staat dat de zorgverzekeraar in het kader van de
uitvoering van de zorgverzekering desgewenst wel een eigen instelling in stand houdt.
Zoals al vermeld, is de
inhoud van artikel 41a overgebracht naar
artikel 9, derde lid,
(inschrijfverbod voor personen van buiten het werkgebied van de zorgverzekeraar).
rblz.|51|
Als artikel 39 is thans
in enigszins gewijzigde vorm opgenomen wat tot nu toe is geregeld in
artikel 49 AWBZ; dit betreft de verplichting voor het CVZ
om in voorkomend geval te
zorgen voor betaling van vorderingen van zorgaanbieders voor
verleende zorg als de zorgverzekeraar heeft opgehouden te betalen. Wel is
daaraan toegevoegd dat het CVZ ook garant staat voor de betaling
van vergoedingen die verzekerden nog tegoed mochten hebben, aangezien
in de AWBZ in een aantal gevallen sprake is van recht op een
vergoeding. De redactie van artikel 39 is voorts afgestemd op die van artikel 31
Zvw, zoals ook de redactie van
artikel 1t Zfw
en artikel 49 AWBZ
op dit
punt overeenkwamen. Het CVZ betaalt de in het eerste lid omschreven
vorderingen indien krachtens hoofdstuk IX van de Wtv
1993 jegens een
(voormalige) zorgverzekeraar de noodregeling is uitgesproken of deze
failliet is verklaard. Deze aanpassing is noodzakelijk omdat op de voormalige
ziekenfondsen die zorgverzekeraar worden de Wtv
1993 van toepassing
is.
Zoals al eerder
aangegeven, is het oude artikel 16 nu opgenomen als
artikel 40. Deze bepaling
is de basis voor het aanwijzen van de zogenaamde verbindingskantoren, ook
wel genoemd zorgkantoren, en het Centraal Administratiekantoor (CAK).
Hoofdstuk
VI. Taken van
het college zorgverzekeringen
Het
oude hoofdstuk VI had
betrekking op overeenkomsten. Die bepalingen zijn nu opgenomen in de
artikelen 15 tot en met 16c.
Eertijds bevatte hoofdstuk VII
AWBZ de regeling van de taken en bevoegdheden van de
Ziekenfondsraad. Bij gelegenheid van de Wet van 27 maart 1999 tot
wijziging van de Ziekenfondswet, de
Wet tarieven
gezondheidszorg en de Wet
ziekenhuisvoorzieningen in verband met wijzigingen in de taak, samenstelling en
werkwijze van de in die wetten geregelde bestuursorganen, alsmede wijziging van
andere wetten in verband daarmee (uitvoeringsorganen
volksgezondheid) (Stb. 1999, 185), zijn de bepalingen over het CVZ
en - toen
nog - de Commissie toezicht zorgverzekeringen opgenomen in de artikelen
1a tot en met 1x10 Zfw.
Nu de Zfw zal vervallen
en de Zvw
één en ander slechts regelt voor het bereik van die
wet,
regelt het nieuwe hoofdstuk
VI de taken en bevoegdheden van het CVZ voor de
uitvoering van de AWBZ. In hoofdstuk VII gebeurt hetzelfde voor
het CTZ. In de Zvw zijn de
algemene regels inzake het CVZ (artikelen 58 tot en met 76) en het CTZ
(artikelen
77 tot en met 85) opgenomen. Voor zover die bepalingen het
functioneren van het CVZ en CTZ in het algemeen betreffen, behoeven die
in de AWBZ uiteraard niet te worden herhaald; de formulering is zodanig
gekozen dat zij gelden voor de gehele taakuitoefening.
In de
Wfsv is het beheer
van het AFBZ door het CVZ geregeld. Op deze plaats behoeven
nog slechts geregeld te worden de specifieke taken en bevoegdheden van
beide bestuursorganen.
Artikel 41 regelt,
parallel aan artikel 64 Zvw, dat het CVZ tot taak heeft de eenduidige uitleg van
aanspraken op grond van de AWBZ te bevorderen. Het
College kan met het
oog op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet regels stellen
waaraan zorgverzekeraars moeten voldoen. Artikel 42
(vgl. artikel
65 Zvw) betreft de voorlichtingstaak van het CVZ met betrekking tot de AWBZ.
Artikel 43 (vgl. artikel
66 Zvw) verplicht het CVZ de minister te rapporteren over voorgenomen beleid
inzake de aard, inhoud en omvang van de aanspraken. Dit omvat ook
de zogenaamde uitvoeringstoetsen. Ook moet het college
ontwikkelingen signaleren die aanleiding kunnen zijn aanspraken te
heroverwegen of toe te voegen.
rblz.|52| Artikel 1p
van de Zfw
voorzag in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling subsidies te regelen die
ten laste kwamen van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ)
en uit de Algemene Kas. In de memorie van toelichting bij de
Zvw
is aangegeven dat is besloten de basis voor de subsidies uit het AFBZ in
de AWBZ zelf op te nemen. Artikel 44 bevat die regels. Net als bij de
Zvw
is het aantal doelen waarvoor subsidie kan worden verstrekt in de
AWBZ beperkt.
Artikel 44, eerste lid,
vormt de basis voor de subsidies ten behoeve van zwangerschapsafbreking en
overtijdbehandeling, zoals die sinds jaar en dag worden verstrekt (vgl.
artikel 2.7.19.1 e.v. van de Regeling subsidies AWBZ en Zfw). Gehandhaafd
blijft dat de zwangerschapafbrekingen niet worden gefinancierd uit
de premiemiddelen, maar uit belastingmiddelen die via een rijksbijdrage
aan het AFBZ worden toegevoegd.
Verder biedt artikel 44
de grondslag voor de subsidies waarmee een zogenaamd persoonsgebonden budget
(PGB,
middelen waarmee verzekerden zelf hun zorg kunnen
inkopen) worden mogelijk gemaakt (vgl. de artikelen 2.5.1.1 e.v. van de
genoemde regeling).
Er kan verder nog slechts
subsidie worden verstrekt voor zorg of andere diensten ten aanzien
waarvan het voornemen bestaat deze op te nemen in het pakket te verzekeren
prestaties. In verband daarmee is in het eerste lid, onderdeel a, net als
in artikel 68, eerste lid, Zvw, bepaald dat deze subsidies tijdelijk zijn.
Er is echter van afgezien om in de wet een strikte termijn op te nemen,
waardoor het mogelijk blijft dat per regeling specifiek aan te geven.
Met deze regeling is
aangesloten bij het subsidiebeleid zoals dat in de brief van 13 november
2003 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer is meegedeeld (Kamerstukken
II 2003-2004, 29 214, nr. 5). In de brief van 9 september 2004 aan de
Voorzitter van de Tweede Kamer is aangegeven dat alle bestaande
premiesubsidies zullen worden beëindigd en elders zullen worden
ondergebracht (Kamerstukken II 2003/04, 29 214, nr. 9). Omdat met het elders
regelen enige tijd gemoeid is, is in artikel 3.1.7
[van deze wet, red.] een overgangsmaatregel
getroffen. Tot uiterlijk 1 januari 2009 kunnen bestaande subsidies nog
worden voortgezet.
In het tweede lid is er
(net als in artikel 1p Zfw) in voorzien dat ingevolge de ministeriële regeling
door het CVZ
aangewezen rechtspersonen kunnen worden verplicht
bevoegdheden uit te oefenen bij de verstrekking van de subsidies. Het CVZ
is de verstrekker van de subsidies.
Het derde lid legt vast
dat de minister
per categorie van subsidies een plafond kan vaststellen.
De vergoedingen voor door zorgverzekeraars uitgeoefende bevoegdheden
als bedoeld in het tweede lid dienen te worden meegerekend voor
de beantwoording van de vraag of het plafond is bereikt.
Het vierde lid kent de
mogelijkheid het CVZ de bevoegdheid toe te kennen nadere regels te stellen.
Te denken valt daarbij aan op de subsidiepraktijk toegespitste uitwerking
van in de ministeriële regeling gestelde regels. Die nadere regels
behoeven goedkeuring van de minister (vijfde lid). De goedkeuring kan niet
alleen wegens strijd met het geschreven of ongeschreven recht, maar ook wegens
strijdigheid met het belang van de volksgezondheid worden
onthouden (zesde lid).
De bestaande
- op artikel
1p Zfw
gebaseerde - subsidieregeling zal vervallen en worden vervangen door
een nieuwe, gebaseerd op artikel 44 AWBZ.
Artikel 45 regelt het
afleggen door het CVZ van verantwoording met betrekking tot het AFBZ
(vgl.
artikel 1s Zfw
en artikel 74
Zvw, dat de verantwoording over het
Zorgverzekeringsfonds regelt). Wel is de termijn voor het uitbrengen van
de jaarrekening hier, anders dan in de Zvw, gesteld op 31 december,
zodat het CVZ voldoende tijd heeft voor de rblz.|53|
opstelling daarvan na
ontvangst van de jaarrekeningen van de zorgverzekeraars.
Artikel 46 bevat, net als
artikel 76 Zvw, de verplichting om de goedkeuring van de minister
op de
jaarrekening te verkrijgen.
Artikel
47, ten slotte,
draagt het CVZ op de minister
gevraagd en ongevraagd te adviseren over de
middelen die nodig zijn voor de uitvoering van de AWBZ
en de premie
daarvoor.
Hoofdstuk
VII. Taken van
het College toezicht
De
inhoud van het oude
hoofdstuk VII is opgegaan in de Wfsv (artikel 48 (oud)) en in artikel 39
(nieuw) AWBZ (artikel
49 (oud)). Het nieuwe hoofdstuk regelt de taken en
bevoegdheden van het CTZ (zie aanhef toelichting hoofdstuk
VI).
Het nieuwe
artikel 48
regelt dat het CTZ is belast met het toezicht op de rechtmatige en doelmatige
uitvoering van de AWBZ door zorgverzekeraars en zorgkantoren en
CAK.
Daarnaast ziet het CTZ toe op naleving van enige bepalingen van
de Wfsv.
Artikel 49 kent een
algemene rapportageverplichting van het CTZ inzake de rechtmatige en
doelmatige uitvoering van de AWBZ. Deze bepaling is analoog aan
artikel 80 Zvw; in vergelijking daarmee is doelmatigheid toegevoegd als onderwerp
van rapportage. In het kader van de AWBZ vormt doelmatig werken (vgl.
artikel 34), anders dan voor de toepassing van de Zvw, eveneens een
wettelijke verplichting, zodat ook daarover moet worden
gerapporteerd.
Artikel 50 regelt analoog
aan artikel 81 Zvw
dat het CTZ zoveel mogelijk gebruik moet maken van controleactiviteiten die door anderen al zijn
verricht.
Artikel 51
(vgl. artikel
82 Zvw) legt het CTZ de verplichting op de minister
te rapporteren over de
uitvoerbaarheid van AWBZ-beleid. Ook moet het college op verzoek van de
minister en kan het op verzoek van het CVZ onderzoek instellen bij
zorgverzekeraars.
Hoofdstuk
VIII.
Gegevensverstrekking
Ook voor dit hoofdstuk is
de regeling in de Zvw
(artikelen 86 tot en met 93) als uitgangspunt
genomen. De nieuwe bepalingen zijn zodanig geformuleerd dat expliciet is bepaald
in hoeverre de gegevensuitwisseling ook kan bestaan uit
persoonsgegevens als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp).
Deze wijze van gegevensverstrekking is doorgetrokken naar de AWBZ, met dien
verstande dat de toepasselijke artikelen in de AWBZ zijn
toegeschreven op de gegevensverstrekking die voor die wet relevant is. Voor
een toelichting op die artikelen is daar waar dit mogelijk is, aangesloten
bij het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting
bij de Zvw.
Artikel 52 regelt dat de
zorgverzekeraar in zijn administratie het sociaal-fiscaal nummer van zijn verzekerden
moet
opnemen met het oog op de uitvoering van de AWBZ
(vgl. artikel 40a (oud)) en de gegevensverstrekking aan andere partijen
binnen het sofidomein. De tekst komt in hoge mate overeen met die van
artikel 86 Zvw, maar bevat een extra bepaling (vierde lid). Daarin is geregeld
dat de zorgaanbieders, voor zover bij AMvB aangewezen, eveneens het
sociaal-fiscaal nummer in hun administratie moeten opnemen.
rblz.|54|
Artikel 53 is
gemodelleerd naar artikel 87 Zvw. Het artikel legitimeert expliciet de verstrekking van
persoonsgegevens omtrent de gezondheid tussen de aangegeven personen en
instanties en voor de aangegeven doelen. Het artikel kan worden
gezien als een uitwerking van artikel 21 van de Wbp
voor de AWBZ-sfeer.
Voorts is artikel 53 AWBZ, net als
artikel 87 Zvw, een wetsbepaling die de
zwijgplicht, neergelegd in artikel 7:457 van het Burgerlijk
Wetboek,
doorbreekt. Het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel Zvw (Kamerstukken II
2003-2004, 29 763, nr. 3, blz. 176 en 177)
gaat hier nader op in.
Bij de uitvoering van de
AWBZ zijn meer soorten organisaties betrokken dan bij de afwikkeling
van zorgverzekeringen en de uitvoering van de Zvw. Immers, anders dan voor
de zorgverzekeringen, wordt de vraag of een verzekerde is aangewezen
op AWBZ-zorg beoordeeld door een afzonderlijk indicatieorgaan, te weten
het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Daarnaast is, met behoud
van de eindverantwoordelijkheid voor de zorgverzekeraars, de uitvoering van de AWBZ
deels door die zorgverzekeraars en deels door de Minister
van VWS opgedragen aan zorgkantoren en het CAK. De ingewikkelder
uitvoeringsstructuur van de AWBZ noopte tot een bepaling over de
verstrekking van (gezondheids)persoonsgegevens die iets ingewikkelder is dan
artikel 87 Zvw.
Op grond van het eerste
lid verstrekken zorgaanbieders enerzijds en zorgverzekeraars, zorgkantoren en het
CAK
anderzijds elkaar de persoonsgegevens, waaronder
gezondheidspersoonsgegevens, van de AWBZ-verzekerden, voor zover dit
noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de AWBZ. Hetzelfde geldt voor het berichtenverkeer tussen het CIZ en de
zorgverzekeraars,
zorgkantoren en het CAK.
Vaak weten zorgvragers op
het moment waarop zij een indicatiebesluit van het CIZ krijgen al
naar welke zorgaanbieder zij willen. Het zou dan tot tijdverlies leiden indien
het indicatieorgaan zou volstaan met verzending van het indicatiebesluit
aan de zorgvrager en aan het zorgkantoor: vanuit het oogpunt van doelmatigheid is het wenselijk dat ook de zorgaanbieder
zo snel mogelijk een
indicatiebesluit ontvangt, opdat deze de betrokkene alvast kan inschrijven of
zelfs kan starten met de zorgverlening. Niet gesteld kan echter worden dat een dergelijke verzending noodzakelijk is voor een goede uitvoering
van de AWBZ. Daarom geschiedt verzending slechts met
uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene, zo bepaalt het tweede lid van
artikel 53.
Op grond van de
artikelen 11, 12 en
12a AWBZ is het mogelijk dat een zorgverzekeraar
AWBZ-zorg
niet voor zijn rekening door een zorgaanbieder laat verstrekken, maar
slechts de verzekerde de door hem gemaakte kosten van de
zorg vergoedt (restitutie). Daartoe zal een verzekerde dan wel de rekeningen van
de zorgaanbieder bij de zorgverzekeraar/het
zorgkantoor moeten indienen. Het derde lid zorgt ervoor dat de zorgaanbieder
die gegevens op de rekening zet die voor de
zorgverzekeraar, het
zorgkantoor en het CAK noodzakelijk zijn om de rekening te controleren en
vervolgens te kunnen vergoeden. Overigens zal restitutie zich binnen de
AWBZ vooralsnog weinig voordoen. Iets anders geldt voor de PGB’s,
die op grond van de in artikel 44 AWBZ
bedoelde ministeriële regeling
veelvuldig verstrekt zullen worden. PGB’s worden vooraf verstrekt en de
verzekerde dient zich achteraf over de besteding ervan jegens de
zorgkantoren te verantwoorden. Op grond van het derde lid zullen de
zorgaanbieders hun rekeningen voor de budgethouders zo moeten opstellen dat
deze die voor hun verantwoording aan de zorgkantoren kunnen gebruiken.
rblz.|55|
Het vierde lid zorgt ervoor dat
personen werkzaam ten behoeve van een zorgaanbieder of indicatieorgaan verplicht zijn die zorgaanbieder of dat indicatieorgaan die
(gezondheids)persoonsgegevens
over hun patiënten of klanten te verschaffen die die zorgaanbieder of dat indicatieorgaan nodig heeft om aan zijn
verplichtingen op grond van het eerste, tweede of derde lid te voldoen.
Ziet het eerste lid derhalve op de beperking van de zwijgplicht van
zorgaanbieders, het vierde lid ziet op de beperking van de zwijgplicht van
het
daarvoor werkende personeel. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een
verpleeghuisarts of een arts die een indicatieorgaan bij de indicatie van
individuele verzekerden adviseert.
Het is de bedoeling dat
personen werkzaam bij de instanties die de gegevens op grond van de eerdere
leden ontvangen deze geheimhouden, tenzij enig wettelijk
voorschrift hen tot verstrekking ervan verplicht. Het vijfde lid legt daartoe
een geheimhoudingsplicht op aan personen aangewezen door de zorgverzekeraars
of door Onze Minister, dus op dit moment in ieder geval aan
de zorgkantoren en het CAK. Het opleggen van een geheimhoudingsplicht
aan de zorgverzekeraars zelf is hier, anders dan in artikel 87
Zvw, niet
nodig, aangezien zij in hun rol van uitvoerder van de AWBZ, anders dan in hun
rol van aanbieder en uitvoerder van zorgverzekeringen, bestuursorganen zijn.
Voor het personeel van bestuursorganen bevat artikel 2:5
Awb al een geheimhoudingsplicht. Om dezelfde
redenen - het CIZ is
een bestuursorgaan - is het niet nodig nog eens een geheimhoudingsplicht voor
het personeel van het indicatieorgaan op te nemen. Hoewel artikel 2:5
Awb tevens een geheimhoudingsplicht bevat voor (personeel van)
organisaties waaraan bestuursorganen werkzaamheden uitbesteden, is wél een
afzonderlijke geheimhoudingsplicht voor het personeel van door zorgverzekeraars of de
Minister van VWS (immers
ook een bestuursorgaan)
aangewezen personen opgenomen. De reden hiervan is dat een
aanwijzing niet noodzakelijkerwijs met uitbesteding gepaard hoeft te gaan.
Het zesde lid bevat de
mogelijkheid een aantal onderwerpen bij ministeriële regeling nader te
regelen.
De
artikelen 54 en 55 (de
huidige artikelen 56 en 57
AWBZ) corresponderen met de artikelen 88
en 89 van de Zvw.
Artikel 54 verplicht een ieder, waaronder verzekerden en werkgevers, gegevens te verstrekken
die voor die zorgverzekeraars en de in artikel 54 bedoelde instanties en
personen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de AWBZ. Het kan hierbij
zowel om persoonsgegevens in de zin van de Wbp
gaan als om andere gegevens en inlichtingen, mits deze noodzakelijk
zijn voor de uitvoering
van de AWBZ. Voor de wijze waarop dit noodzakelijkheidsbegrip
dient te worden ingevuld, zij verwezen naar de Wbp.
Artikel 53 kan worden
beschouwd als een specialis van artikel 54, waarbij
artikel 53 vooral gaat om
gegevens betreffende de gezondheid en artikel 54 meer om andere
(persoons)gegevens.
In
artikel 55 is de
gegevensuitwisseling tussen de in artikel 54, eerste lid, genoemde instanties
geregeld.
De
artikelen 56 en 57
corresponderen met de artikelen 90 en 91
van de Zvw.
Het College toezicht of
het College zorgverzekeringen kunnen bij regeling bepalen welke gegevens en
inlichtingen regelmatig door de zorgverzekeraars moeten worden verstrekt.
Het gaat hierbij niet om persoonsgegevens in de zin van de Wbp. Het
tweede lid regelt dat het CTZ respectievelijk het CVZ
tevens kunnen
bepalen wanneer en op welke wijze de inlichtingen worden verstrekt en dat zij kunnen vragen dat een externe
rblz.|56|
accountant de juistheid
van de verstrekte gegevens bevestigt. Het woord "regeling" in het
eerste lid en het woord "regels" in het tweede lid geven aan dat de door het CTZ
en CVZ in hun regelingen op te nemen voorschriften algemeen verbindende
voorschriften zullen zijn en derhalve de zorgverzekeraars zullen binden.
Artikel 57 beoogt dat het
CVZ en het CTZ de minister en de andere genoemde instanties
kunnen informeren over ontwikkelingen die de taakuitoefening van de minister en deze
instanties raken op het gebied van de AWBZ, bijvoorbeeld indien
het College toezicht constateert dat er een opvallende stijging is in
een bepaald uitgavenpatroon binnen de AWBZ.
In
artikel
57a is de
wettelijke basis gelegd voor de elektronische uitwisseling van gegevens. Het gaat
hier om standaardpersoonsgegevens (waarvan de bevoegdheid
tot doorgifte overigens op grond van artikel 52 of
55 geoorloofd dient te
zijn), bijvoorbeeld met betrekking tot de vraag of iemand ingevolge de AWBZ
verzekerd is. Het gaat daarbij vooral om intersectorale gegevensuitwisseling met
onder meer de belastingdienst, de gemeentelijke
basisadministratie of de Sociale verzekeringsbank.
In het tweede lid wordt
aan het CVZ de mogelijkheid gedelegeerd om ter zake van die elektronische
uitwisseling regels te stellen omtrent bepaalde, in de verschillende
onderdelen aangeduide onderwerpen die van wezenlijk belang zijn voor het goed
functioneren van die gegevensuitwisseling.
Artikel
57b AWBZ (geheimhoudingsplicht) is geënt op
artikel 93 Zvw. Voor een toelichting hierop
wordt verwezen naar de toelichting op dat
artikel, dat overigens in de bij
de Tweede Kamer ingediende versie van de Zvw
artikel 92 was (Kamerstukken II
2003-2004, 29 763, nr. 3, blz. 182 en 183).
Hoofdstuk VIIIa.
Handhaving
Toegevoegd wordt een
hoofdstuk Handhaving. Hiervoor is uiteraard gekeken naar de
bepalingen van de artikelen 1x8 tot en met 1x10
Zfw. Omdat het bij de
AWBZ gaat om uitvoering zonder winstoogmerk, is afgezien van het mogelijk maken
van een administratieve boete. Het opleggen van een dergelijke boete
zou immers ofwel impliceren dat deze betaald zou mogen worden ten
laste van de voor de uitvoering van de AWBZ beschikbare middelen,
ofwel met zich brengen dat de zorgverzekeraar daarvoor andere - eigen - middelen zou moeten aanspreken. Het eerste zou geen werkelijke
sanctie betekenen; het laatste wordt niet passend geacht, nu de uitvoering
van
de wet
zonder winstoogmerk geschiedt. Voorts zou een (als
gevolg van de boetemogelijkheid) risicodragende uitvoering van de AWBZ
mogelijk leiden tot strijdigheid met de uit de Europese
schaderichtlijnen voortvloeiende verbod op risicodragende nevenactiviteiten. De
zorgverzekeraars die de Zvw
uitvoeren, zouden de AWBZ dan niet mogen
uitvoeren.
Aanwijzingen
Artikel
57c bevat
materieel wat voorheen geregeld was in artikel 1x8
Zfw
(vgl. ook artikel 94
Zvw). Het CTZ kan een zorgverzekeraar een aanwijzing geven om aan
de wet te
voldoen. Die aanwijzing kan niet betrekking hebben op individuele
gevallen. Als niet aan de aanwijzing wordt voldaan, kan bestuursdwang worden
toegepast. Het instrumentarium is uitgebreid met de mogelijkheid om
ruchtbaarheid te geven aan het handelen in strijd met de wet.
Last onder dwangsom
In
artikel
57d is (vgl.
artikel 95 Zvw) nu toegevoegd de mogelijkheid om een last onder dwangsom
op te leggen. Hoewel de bevoegdheid tot het toepassen van
bestuursdwang, voorzien in artikel 57c, vierde lid, ingevolge de Awb
ook de bevoegdheid
met zich brengt om een last onder dwangsom op te leggen, is
toch gekozen voor deze afzonderlijke bepaling.
rblz.|57|
Het verschil met de
impliciete mogelijkheid bij bestuursdwang is dat een last onder dwangsom
ingevolge artikel 57d direct zou kunnen worden opgelegd zonder
voorafgaande aanwijzing. Het spreekt voor zich dat deze mogelijkheid slechts zal
worden gebruikt indien de aard van de geconstateerde schending van de wettelijke bepalingen daartoe noopt.
Artikel
1x9 Zfw
keert
niet terug. Dat artikel maakte het mogelijk dat het CVZ
een ziekenfonds onder
bewind stelde. De bepaling gold ook in het verleden al niet voor
particuliere verzekeraars die de AWBZ uitvoerden. Het wordt, gelet op het
toepasselijke regime van de Wtv
1993, niet noodzakelijk noch wenselijk geacht dat
in de toekomst nog een bewindvoerder wordt aangesteld. De
aanwijzingsbevoegdheid, met de bestuursdwangmogelijkheid, en de mogelijkheid van
een last onder dwangsom waarborgen genoegzaam dat de goede
naleving van de wet kan worden gerealiseerd.
Ook
artikel
1x10 Zfw
keert niet terug. Het vorderen van schadevergoeding van een bestuurder of
gewezen bestuurder van een zorgverzekeraar door het CTZ kan gevoeglijk
aan die zorgverzekeraar worden overgelaten.
Q
In het verlengde van de
Zvw
(artikel 115) is er in het nieuwe artikel 62 in voorzien dat de
rechtbank
te Rotterdam bij uitsluiting bevoegd is kennis te nemen van beroepen tegen
beschikkingen tot oplegging van een aanwijzing of een last onder
dwangsom. Daartoe bestaat aanleiding omdat in de praktijk een zekere verwevenheid aanwezig kan zijn tussen zaken ingevolge
de Zvw
en zaken op grond
van de AWBZ.
In artikel 63 is het oude
artikel 62 in enigszins gewijzigde formulering, afgestemd op de tekst van
artikel 116 Zvw, opgenomen.
S
In het hoofdstuk dat de
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht regelt (IXa) is nu
opgenomen de bepaling van voorheen artikel 5a. Deze regelt dat overeenkomsten
van ziektekostenverzekering vervallen voor zover daarin geregelde
zaken onderwerp worden van de wettelijke aanspraken. Tevens moet
dan verlaging van de premie en restitutie van te veel betaalde premie
plaatsvinden.
T
Artikel
65a ziet op het
regres van kosten van zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de AWBZ. In
artikel 44 is de basis voor de subsidies uit het AFBZ in de AWBZ zelf
opgenomen. In verband hiermee wordt de reikwijdte van artikel 65a
uitgebreid tot subsidies ingevolge artikel 44.
V
Deze wijziging is nodig
in verband met de invoering van de Wet financiering sociale
verzekeringen. In
artikel 48, derde lid, van de Invoeringswet
Wet financiering sociale
verzekeringen (Stb. 2005, 37) wordt de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV)
ingetrokken. De verwijzing naar artikel 16a
CSV in artikel 65c
AWBZ
behoeft
daarom aanpassing bij de inwerkingtreding van artikel 48
Wfsv [IWfsv, red.]. Daarin
wordt in onderdeel V voorzien.
rblz.|58|
X en
AA
Aan een bepaling die
derden verbiedt werkzaamheden te verrichten die op grond van de AWBZ
uitsluitend door zorgverzekeraars mogen worden verricht, bestaat geen
behoefte meer, daar gelaten dat er geen bepalingen in de wet
staan die
werkzaamheden aan zorgverzekeraars voorbehouden. Nu de toelating is geschrapt, zijn er voorts geen toelatingsvoorwaarden
meer die kunnen worden
overtreden. Handhaving van de wet geschiedt op basis van hoofdstuk VIIIa.
Artikel 66 en de vermelding daarvan in
artikel 76 kunnen dus vervallen.
Z
Deze wijziging houdt
verband met de overbrenging van artikel 41a
naar het derde lid van artikel 9.
Artikel 3.1.2
(overgangsrecht opheffing vrijwillige AWBZ)
In het algemeen deel van
deze toelichting en in de toelichting op artikel 3.1.1, onderdeel
N, is
aangegeven dat de invoering van de Zvw
in combinatie met
Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de socialezekerheidsverdragen ertoe leidt dat de noodzaak
voor de vrijwillige AWBZ-verzekering komt te vervallen. In de
toelichting op artikel 3.1.1, onderdeel
N, is al vermeld dat de vrijwillige
AWBZ-verzekering alleen nog van belang zou zijn voor mensen die zich in een
land vestigen waarmee Nederland geen internationale socialezekerheidsrelatie
heeft. In het betreffende onderdeel van de toelichting is met
redenen omkleed aangegeven dat de regering de vrijwillige AWBZ-verzekering voor die
- betrekkelijk geringe - categorie van mensen niet wenst voort
te zetten.
Door het vervallen van
hun vrijwillige AWBZ-verzekering hebben de betrokkenen - zonder
nadere voorziening - niet langer recht op de in artikel
20, eerste lid, onderdeel
b, en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ
(BZA) (juncto de
Regeling Ziekenfondsraad hulp in bijzondere gevallen) geregelde vergoeding van
kosten van zorg in het buitenland. Daardoor zouden zij in financiële
problemen kunnen komen. Daarom wordt voor de belanghebbenden een
overgangsregeling getroffen.
Artikel 3.1.2 voorziet
erin dat een persoon van wie de vrijwillige AWBZ-verzekering als gevolg van de
inwerkingtreding van deze wet wordt
beëindigd en die op de dag
voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze wet op basis van
de niet langer op hem van toepassing zijnde regeling van het BZA al
aanspraak had op een vergoeding van de kosten van zorg, die vergoeding
behoudt.
Dat recht op vergoeding
blijft bestaan zolang de zorg wordt verleend. Er is geen termijn gesteld aan
het recht op vergoeding, omdat een dergelijke termijn voor de
betrokkene alsnog tot financiële problemen kan leiden. Ook is geregeld dat
betrokkene als hij aansluitend aangewezen raakt op andere vormen van zorg
die op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet bij of krachtens de
AWBZ als aanspraak zijn geregeld, ook aanspraak heeft op vergoeding van
de kosten van die zorg (als de gezondheidstoestand van een rechthebbende op
vergoeding van de kosten van thuiszorg bijvoorbeeld zodanig
achteruit gaat dat hij moet worden opgenomen in een verpleeghuis). Er is
van afgezien hiervoor een voorafgaande toetsing door een indicatieorgaan
te verlangen; wel is door middel van de woorden "in redelijkheid" erin voorzien dat het
CVZ
in geval van twijfel over de noodzaak van de
vervolgzorg van de belanghebbende mag verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij op die zorg aangewezen is.
De betrokkenen ontvangen
hierover voorlichting.
rblz.|59|
Artikel 3.1.3
Artikel
3.1.3, eerste
lid, bepaalt dat, voor zover de betrokkenen op grond van een internationale
regeling aanspraak hebben op het zogenaamde woonlandpakket, de vergoeding in
aanvulling daarop zal worden verleend. Op grond van die regelingen
moet de Nederlandse verzekeringsinstelling die in de desbetreffende internationale regeling is aangewezen als het zogeheten
bevoegde orgaan, aan het
orgaan van de woonplaats dat de verstrekkingen verleent,
voor elke rechthebbende een bedrag betalen dat is gebaseerd op de
gemiddelde kosten van zorg die in dat land aan de "eigen" verzekerden
wordt verleend. Voor (een deel van de) desbetreffende zorg is dan ook al
betaald. Het is dan ook redelijk de vergoeding in aanvulling op de verdragsaanspraken te verstrekken en niet in plaats
daarvan.
Voor de redactie van deze
bepaling is aansluiting gezocht bij artikel 2 van de Regeling
Ziekenfondsraad hulp in bijzondere omstandigheden AWBZ, zoals die luidde op de
dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet.
In het tweede lid is
nader bepaald hoe de vergoeding wordt berekend ingeval het een woonland
betreft waarmee Nederland geen internationale socialezekerheidsrelatie
heeft. Als voor de zorg in het woonland een tarief is vastgesteld of een
tarief in rekening pleegt te worden gebracht, vormt dat tarief de basis voor
de vergoeding. Deze bepaling is met name van belang voor voormalig
vrijwillig AWBZ-verzekerden die in een niet-verdragsland wonen.
Het derde lid ziet op de
mogelijkheid dat in het woonland geen tarief is vastgesteld, noch een
tarief in rekening pleegt te worden gebracht. In dat geval wordt bezien in
hoeverre de kosten aanvaardbaar zijn in relatie tot het kostenniveau van de
gezondheidszorg in dat land.
Het vierde lid impliceert
dat bij de bepaling van de vergoeding een in ons land bij het verstrekken
van de AWBZ-zorg eventueel verschuldigde eigen bijdrage in mindering
wordt gebracht.
Artikel 3.1.4
In artikel 3.1.4 wordt
als voorwaarde waaraan moet zijn voldaan, geregeld dat rechthebbenden zich
binnen een termijn van vier maanden na inwerkingtreding van deze wet
voor de
overgangsregeling als rechthebbende moeten aanmelden bij het CVZ.
Uiteraard zullen
inspanningen worden verricht om de vrijwillig AWBZ-verzekerden op de hoogte te stellen
van de wijzigingen in de wetgeving. Personen die zich na die
termijn melden, worden geaccepteerd indien zij aantonen dat zij zich
hebben aangemeld binnen een termijn van vier maanden nadat zij
redelijkerwijs van de overgangsregeling kennis hebben kunnen nemen.
Het CVZ is het
bestuursorgaan dat na de aanmelding van een rechthebbende in beginsel
verantwoordelijk is voor de verlening van de vergoeding. Voor het CVZ is de
uitvoering van de overgangsregeling een nieuwe taak. Hierin is
aanleiding gevonden om in het tweede lid te bepalen dat het CVZ een zorgkantoor
naar keuze kan mandateren en volmacht kan verlenen om namens hem de
nodige besluiten te nemen en de feitelijke afhandeling te
verrichten.
Artikel 3.1.5
Artikel 3.1.5 bepaalt dat
de vergoedingen en de kosten voor het verlenen daarvan ten laste komen
van het AFBZ, zowel wanneer het CVZ die werkzaamheden zelf verricht als in het
geval dat het CVZ op basis van met een zorgkantoor te maken
afspraken een mandaat en volmacht heeft gegeven als hiervoor bedoeld.
Deze uitgaven vormen vervolgens onderdeel van de rblz.|60|
verantwoording van het
CVZ over het beheer van het AFBZ (zie artikel 45 AWBZ).
Artikel 3.1.6
In artikel 3.1.6 is de
rechtsbescherming zoals die geldt voor "verstrekkingengeschillen"
in de AWBZ van overeenkomstige toepassing verklaard voor geschillen
tussen de belanghebbende en het CVZ over de vergoeding. Daarop is een
voor de hand liggende uitzondering gemaakt wat betreft artikel 58
van de AWBZ, dat de uitvoeringsorganen verplicht, alvorens afwijzend te
beslissen op een bezwaarschrift, eerst het CVZ om advies te vragen.
Artikel 3.1.7
Door de gewijzigde
bepaling inzake subsidies ten laste van het AFBZ in artikel 44 AWBZ
ontvalt
de basis aan een groot aantal subsidiestromen die nu wel ten laste van dat
fonds komen. Het is de bedoeling deze subsidies te beëindigen dan wel
onder te brengen in een ander wettelijk kader. Het gaat daarbij om de Wet
maatschappelijke ondersteuning en de Kaderwet VWS-subsidies. In
afwachting daarvan bestaat er behoefte aan een tijdelijke wettelijke basis voor
voortzetting tot uiterlijk 1 januari 2009. Dit artikel regelt die basis.
§ 3.2.
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, overige wetten
Artikel 3.2.1
De wijziging in de
Kwaliteitswet
zorginstellingen betreft slechts de vervanging van een
verwijzing naar (zorg als omschreven bij of krachtens) de Zfw
door een
verwijzing naar (zorg als omschreven bij of krachtens) de Zvw.
Artikel 3.2.2
In artikel
5a van de Wet
collectieve preventie volksgezondheid wordt een verwijzing aangepast
die niet langer correct was, omdat het daar genoemde besluit
inmiddels is vervangen door het thans in de wijzigingsbepaling genoemde.
Artikel 3.2.3
De
Wet van 12 mei 1999 tot wijziging van enkele wetten
in verband met invoering van het regresrecht in de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten en versterking van het regresrecht in de
Ziekenfondswet, alsmede enkele technische
wijzigingen (Wet invoering en versterking
regresrecht in AWBZ en Zfw) (Stb. 1999, 239), is volledig uitgewerkt en
wordt daarom ingetrokken.
De artikelen I tot en met
III van die wet voorzien in de wijziging van andere
wetten en waren
daarom direct na de inwerkingtreding uitgewerkt. Artikel IV bevat een
overgangsbepaling die de werking van artikel 65b
van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten beperkt tot feiten die na het tijdstip van
inwerkingtreding van de in het artikel genoemde wijzigingswet hebben plaatsgevonden.
Deze bepaling heeft inmiddels geen betekenis meer en kan
daarom vervallen. Artikel V bevat eveneens een overgangsregeling, in dit
geval voor personen die bij de inwerkingtreding al 65 jaar waren. Ook
deze bepaling is inmiddels van belang ontbloot. Artikel VI voorzag in
wijziging van het wetsvoorstel dat tot de Wet invoering en versterking
regresrecht in AWBZ en Zfw heeft geleid voor het rblz.|61|
geval een ander
wetsvoorstel tot wet zou worden verheven. Deze bepaling is inmiddels uitgewerkt.
Artikel VII regelt de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.4
De wijziging in de
Wet klachtrecht
cliënten zorgsector betreft slechts de vervanging op twee
plaatsen van een verwijzing naar (zorg als omschreven bij of
krachtens) de Zfw
door een verwijzing naar (zorg als omschreven bij of
krachtens) de Zvw.
Artikel 3.2.5
Met artikel 52 van de
Wtzi is abusievelijk in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder
2°, van de Wet
medezeggenschap cliënten zorginstellingen een wijziging aangebracht.
Beoogd werd een wijziging van onderdeel b, onder 1°, zodanig dat daarin niet
langer zou worden gesproken over een toelating ingevolge de Zfw
of de AWBZ. Nu in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, in verband met invoering van
de Zvw
het woord "Ziekenfondswet" moet worden vervangen, is
ervoor gekozen het gehele onderdeel opnieuw vast te stellen en aldus deze
fout te herstellen.
Artikel 3.2.6
In dit artikel wordt
voorzien in wijziging van artikel 29, eerste lid, van de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Op grond van de Zvw
geldt er geen
verwijsplicht meer voor de toegang tot de fysiotherapeut, zoals die gold op grond
van de Zfw. In lijn daarmee vervalt thans ook de beperking in het deskundigheidsgebied van de
fysiotherapeut.
Op
grond van de huidige
bepaling behoort tot het deskundigheidsgebied van de fysiotherapeut het
verrichten van nader te omschrijven handelingen op het gebied van
fysiotherapie, voor zover zij liggen op het gebied van de geneeskunst en het
verrichten ervan geschiedt op verwijzing van een arts. Door de
toegenomen deskundigheid van de fysiotherapeut en zijn rol in de
eerstelijnszorg kan de verwijsrelatie als begrenzing van het deskundigheidsgebied van
de fysiotherapeut thans vervallen.
Fysiotherapeuten leveren
een aanzienlijk deel van de zorg in de eerste lijn, waarbij er sprake is van
grote zelfstandigheid in het behandelen. Huisartsen erkennen deze
deskundigheid van de fysiotherapeut. Bij directe toegankelijkheid van de
fysiotherapeut moet de individuele fysiotherapeut kunnen beoordelen of het
klachtenpatroon dat een cliënt presenteert, toebehoort aan een
gezondheidsprobleem dat valt binnen het competentiegebied van de
fysiotherapeut. Dit is mogelijk wanneer er voldoende waarborgen zijn
voor de kwaliteit van zorg. Inmiddels is het curriculum van de
opleiding tot fysiotherapeut aangepast en wordt de zittende beroepsgroep
bijgeschoold, zodat directe toegankelijkheid van de fysiotherapeut op
verantwoorde wijze kan worden ingevoerd. Fysiotherapeuten hebben bovendien veel
geïnvesteerd in het verbeteren en waarborgen van kwaliteit. Zij werken
in toenemende mate volgens richtlijnen en protocollen. Directe toegankelijkheid van fysiotherapie komt tegemoet
aan deze inspanningen en
doet recht aan de deskundigheid van de fysiotherapeut. Een uitgebreid onderzoek
van het CVZ heeft ook uitgewezen dat invoering van directe
toegankelijkheid, mede dankzij de hoge kwaliteit van fysiotherapie,
verantwoord is. Het deskundigheidsgebied van de fysiotherapeut kan op
verantwoorde wijze worden uitgebreid met directe toegankelijkheid. Dit
past binnen opvattingen over taakherschikking en het slimmer organiseren van
de toegang tot de eerstelijnszorg.
Voor andere paramedische
beroepen zijn bovengenoemde waarborgen onvoldoende aanwezig om
tot uitbreiding van het deskundigheidsgebied over te gaan. Zij zijn
bovendien, in tegenstelling tot fysiotherapeuten, niet tuchtrechtelijk aan te
spreken op hun beroepsmatig handelen.
rblz.|62|
Met
het schrappen van de
passage wordt tevens voldaan aan de toezegging die ik zowel mondeling
als schriftelijk aan de Tweede Kamer heb gedaan om de directie
toegankelijkheid van fysiotherapie per 1 januari 2006 mogelijk te maken
((Kamerstukken II 2004-2005, 29 247, nr. 22, en 29 800 XVI, nr. 100).
Artikel 3.2.7
In artikel 13, eerste
lid, van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening wordt gesproken van een
krachtens artikel 8a van de Zfw
als ziekenhuis toegelaten instelling. In
het derde lid van artikel 13 is sprake van een op grond van de AWBZ
toegelaten instelling. In de Wtzi ontbreekt de aanpassing van deze
bepalingen die nodig is in verband met de regeling van de toelating in de
Wtzi. Nu in verband met invoering van de Zvw
het woord "Ziekenfondswet"
moet worden vervangen, is ervoor gekozen die omissies te herstellen.
Artikel 3.2.8
In de Wet
op de jeugdzorg wordt slechts een verwijzing naar zorgverzekeraars aangepast aan de nieuw
ontstane situatie.
Artikel 3.2.9
In artikel 1, onderdeel
f,
van de Wet op de
orgaandonatie wordt gesproken van voor de
toepassing van de Zfw
of de AWBZ
toegelaten instellingen. Deze
verwijzing is thans aangepast in dier voege dat de verwijzing naar de Zfw en
de AWBZ nu is vervangen door een verwijzing naar de Wtzi.
Artikel 3.2.10
De
Wet sociaal-fiscaal nummer Ziekenfondswet bevat bepalingen tot wijziging van andere
wetten, alsmede enig overgangsrecht; alle bepalingen zijn uitgewerkt; verder
kent de wet nog een inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus vervallen.
Artikel 3.2.11
De Wet stelselwijziging
ziektekostenverzekering tweede fase bevat slechts bepalingen
tot wijziging van andere wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en
een bepaling inzake inwerkingtreding; zij kan dus vervallen.
Artikel 3.2.12
De
Wet tarieven
gezondheidszorg (Wtg) is laatstelijk gewijzigd door de Wtg ExPres en de
Wet Hoz. Thans wordt de Wtg aangepast in verband met de invoering
van de Zvw.
De wijziging in onderdeel
A betreft het vervangen van de drieledige definitie van
ziektekostenverzekeraar, waarin de ziekenfondsen en de organen die publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen uitvoerden apart werden benoemd, door de
omschrijving die tot nu toe het tweede subonderdeel van onderdeel e vormt. Deze
omvat zowel verzekeraars die zich hebben aangemeld voor de
uitvoering van de Zvw als ziektekostenverzekeraars die andere
ziektekostenverzekeringen aanbieden.
De eerste wijziging in
onderdeel B betreft artikel 15, zesde lid, Wtg
en voorziet in vernummering van enige
daar genoemde artikelen. In artikel 15 Wtg
gaat het om een
uitzondering op de contracteerplicht en de omgekeerde rblz.|63|
contracteerplicht in Zfw
en AWBZ. De daar genoemde artikelen van de Zfw hoeven niet te worden
vervangen door een verwijzing naar artikel 12
Zvw; dat artikel gaat
immers ervan uit dat (omgekeerde) contracteerplicht slechts geldt voor zover
die bij AMvB is opgelegd; daaraan zal vooralsnog geen toepassing worden
gegeven; in voorkomend geval kan in die AMvB worden gekozen voor een
zodanige formulering dat artikel 15 Wtg
voor het terrein van de Zvw
geen rol hoeft te spelen. De artikelen 45 en
46 (oud) AWBZ
regelen ook de
(omgekeerde) contracteerplicht; die artikelen zijn bij de Wet
Hoz gewijzigd, maar niet zodanig dat dat hier van belang is. De mogelijkheid om in een
beleidsregel ingevolge de Wtg
een uitzondering te maken op de
contracteerplicht blijft hier wel van belang. In artikel 3.1.1,
onderdeel L, van
dit wetsvoorstel is erin voorzien dat de artikelen 45 en
46 AWBZ
in die wet
worden opgenomen als de artikelen 16b
en 16c. Daarom is in het zesde
lid van artikel 15 Wtg
nu verwezen naar die bepalingen.
Artikel 15, zevende lid, Wtg
is geschrapt. Dat lid bevatte een verwijzing naar artikel 11
Zfw.
Artikel
11 Zfw, zoals dat artikel door de Wet Hoz is komen te luiden, biedt de
verzekerden de keuze tussen levering van de zorg in natura en vergoeding van
de kosten van door henzelf verkregen zorg. Artikel 15, zevende lid,
eerste volzin, Wtg
maakt het mogelijk te bepalen dat die keuzemogelijkheid
voor de verzekerden buiten toepassing wordt gesteld; het ontbreken
van die mogelijkheid zou belemmerend kunnen werken voor een
experiment met vrije prijsvorming (Kamerstukken II 2003-2004, 29 379, nr. 8).
Die bepaling bewerkstelligt dus dat voor de desbetreffende zorg dan nog slechts het
naturastelsel geldt.
In het stelsel van de Zvw
is er, behoudens vaststelling van een AMvB op grond van artikel 12 van
die wet, geen sprake van een verplicht naturastelsel (geen overeenkomstenstel)
en geen contracteerplicht. In die opzet is toepassing van artikel
15, zevende lid, Wtg
niet denkbaar. Indien dat voor een experiment met
prijzen in het kader van de Wtg noodzakelijk wordt geacht, zou eventueel
kunnen worden bezien of er gronden zijn om voor de desbetreffende zorg
tijdelijk artikel 12, eerste lid, Zvw
toe te passen.
Onderdeel C betreft het
personeel van het CTG; dit wordt, net als het personeel van het CVZ
en
het CTZ, onder het materiële ambtenarenrecht gebracht (met een elders
geregelde overgangstermijn tot 1 januari 2010). Onderdeel D regelt de
financiering van het CTG uit de rijkskas op dezelfde wijze als dat voor CVZ en
CTZ is bepaald.
Artikel 3.2.13
In artikel 20, eerste
lid, van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 is geregeld dat uitkeringsgerechtigden die ter
verpleging of verzorging
in een daartoe bestemde inrichting verblijven een toeslag op hun
uitkering krijgen die in beginsel gelijk is aan het bedrag van de betaalde
premie voor een ziektekostenverzekering. De toeslag is thans
gemaximeerd op de premie voor de standaardpakketpolis ingevolge de Wtz 1998.
Het bedrag van de maximale toeslag zal ingevolge de wijziging in onderdeel
A voortaan bij AMvB worden vastgesteld. Als gevolg van de intrekking
van de Wtz 1998 is het niet langer mogelijk de maximumtoeslag te
relateren aan de premie voor de standaardpakketverzekering ingevolge die
wet, die
kon verschillen voor personen die behoren tot verschillende
categorieën van verzekerden. De maximumtoeslag ligt daardoor voor
verschillende groepen van verzekerden op een ander niveau. Om te bewerkstelligen dat de uitkeringsgerechtigden ook in
de toekomst financieel in
staat blijven om hun huidige verzekeringsdekking voort te zetten, zullen
er voor de verschillende categorieën (naar leefsituatie en inkomen)
verschillende bedragen moeten worden vastgesteld, rekening houdend met de
algemene fiscale compensatiemaatregelen rblz.|64|
bij invoering
van de Zvw; daarom is vaststelling bij AMvB aangewezen.
Ook artikel 21 (onderdeel
B) regelt dat de uitkeringsgerechtigde met een uitkering op basis van
een minimumgrondslag een toeslag voor zijn ziektekostenverzekeringspremie
ontvangt. Uitkeringen op basis van een hogere grondslag kunnen
met een gedeeltelijke toeslag worden verhoogd. Dit artikel
kent hetzelfde maximum als artikel 20. Ook hier is de tekst zodanig gewijzigd
dat een bij AMvB vast te stellen maximum daarvoor in de plaats treedt.
In een nieuw artikel 27a
(onderdeel C) is voorzien in aanpassing van de bij AMvB vast te stellen
bedragen door de minister. De aanpassing zal plaatsvinden aan de hand van de
ontwikkeling van (de geraamde gemiddelde premie voor een
zorgverzekering die wordt gehanteerd bij de berekening van) de standaardpremie
zoals die voor de toepassing van de Wzt wordt gehanteerd. De
standaardpremie is de geraamde gemiddelde premie voor een zorgverzekering,
verminderd met de geraamde gemiddelde no-claimteruggave. Voor
de betrokken uitkeringsgerechtigden wordt ervan uitgegaan dat zij
veelal geen no-claimteruggave zullen ontvangen; daarom wordt voor de
aanpassing geabstraheerd van de no-claimteruggave.
In artikel 32 (onderdeel
D) is de mogelijkheid vervat dat uitkeringsgerechtigden bepaalde extra kosten
vergoed krijgen. Het vijfde lid bepaalt dat de vergoeding slechts wordt
verleend als het gaat om kosten die niet ten laste kunnen worden
gebracht van een ziekenfondsverzekering of van een andere ziektekostenverzekering als die zou zijn gesloten. Nu alle in Nederland
wonende
uitkeringsgerechtigden verzekeringsplichtig zijn ingevolge de Zvw, moest de tekst
daarmee in overeenstemming worden gebracht.
Artikel 3.2.14
Artikel 14, tweede lid,
van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 is geregeld
dat uitkeringsgerechtigden die ter verpleging of verzorging
in een daartoe bestemde inrichting verblijven een toeslag op hun
uitkering krijgen die in beginsel gelijk is aan het bedrag van de betaalde
premie voor een ziektekostenverzekering. De toeslag is thans
gemaximeerd op de premie voor de standaardpakketpolis ingevolge de Wtz 1998.
Het bedrag van de maximale toeslag zal ingevolge de wijziging in onderdeel
A voortaan bij AMvB worden vastgesteld. Als gevolg van de intrekking
van de Wtz 1998 is het niet langer mogelijk de maximumtoeslag te
relateren aan de premie voor de standaardpakketverzekering ingevolge die
wet, die
kon verschillen voor personen die behoren tot verschillende
categorieën van verzekerden. De maximumtoeslag ligt daardoor voor
verschillende groepen van verzekerden op een ander niveau. Om te bewerkstelligen dat de uitkeringsgerechtigden ook in
de toekomst financieel in
staat blijven om hun huidige verzekeringsdekking voort te zetten, zullen
er voor de verschillende categorieën (naar leefsituatie en inkomen)
verschillende bedragen moeten worden vastgesteld, rekening houdend met de
algemene fiscale compensatiemaatregelen bij invoering van de Zvw;
daarom is vaststelling bij AMvB aangewezen.
Onderdeel B betreft
artikel 15, eerste lid. Dit regelt dat de uitkering onder omstandigheden wordt
vermeerderd met een toeslag [die de uitkeringsgerechtigde, red.] voor zijn ziektekostenverzekeringspremie
ontvangt. Dit artikel kent hetzelfde maximum als artikel 14.
Ook hier is de tekst zodanig gewijzigd dat een bij AMvB vast te stellen
maximum daarvoor in de plaats treedt.
In een nieuw artikel 18a
(onderdeel C) is voorzien in aanpassing van de bij AMvB vast te stellen
bedragen door de minister. De aanpassing zal plaatsvinden aan de hand van de
ontwikkeling van (de geraamde gemiddelde premie voor een
zorgverzekering die wordt gehanteerd bij de berekening rblz.|65|
van) de standaardpremie
zoals die voor de toepassing van de Wzt wordt gehanteerd.
De standaardpremie is de
geraamde gemiddelde premie voor een zorgverzekering, verminderd met de geraamde gemiddelde
no-claimteruggave. Voor
de betrokken uitkeringsgerechtigden wordt ervan uitgegaan dat zij
veelal geen no-claimteruggave zullen ontvangen; daarom wordt voor de
aanpassing geabstraheerd van de no-claimteruggave.
Onderdeel D betreft
artikel 20, waarin de mogelijkheid is vervat dat uitkeringsgerechtigden bepaalde extra
kosten
vergoed krijgen. Het vierde lid bepaalt dat de vergoeding
slechts wordt verleend als het gaat om kosten die niet ten laste kunnen
worden gebracht van een ziekenfondsverzekering of van een andere ziektekostenverzekering als die zou zijn
gesloten. Nu alle in
Nederland wonende uitkeringsgerechtigden verzekeringsplichtig zijn ingevolge de Zvw,
moest de tekst daarmee in overeenstemming worden gebracht.
Artikel 3.2.15
De Wet versterking
Wzv-instrumentarium bevat slechts bepalingen tot wijziging van andere
wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, alsmede een
inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken.
Artikel 3.2.16
De
Wet van 20 december 1995 tot wijziging van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enige andere wetten in verband
met afschaffing van verzekeraarsbudgettering ten aanzien van de kosten
van AWBZ-verstrekkingen (Stb. 1995, 681) bevat slechts bepalingen
tot wijziging van andere
wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een
inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken.
De
artikelen I tot en met
III van die wet voorzien in de wijziging van andere
wetten en zijn
door de inwerkingtreding uitgewerkt. Artikel IV bevat een
overgangsregeling voor nominale premie over periodes voorafgaande aan het moment van
inwerkingtreding van de wet. Deze bepaling is inmiddels van
feitelijk belang ontbloot.
Artikel V regelt dat
artikel 40 van de Wet financiering volksverzekeringen, zoals dat
vóór de
wetswijziging luidde, van toepassing blijft ten aanzien van de financiering van
kosten ten laste van de AWBZ over periodes voorafgaande aan de inwerkingtreding
van de wet. Ook deze bepaling heeft thans geen feitelijk
belang meer. Artikel VI regelt dat reserves gevormd over de jaren 1992 tot en
met 1995 ten gunste komen van het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten; het artikel bevat verder regels over de vaststelling van het
bedrag van die reserves en de termijn en wijze van afdragen daarvan. Ook
deze bepaling is inmiddels feitelijk uitgewerkt. Artikel VII houdt in dat
de premie, bedoeld in artikel 17 AWBZ, zoals die bepaling door
de wijzigingswet
is komen te luiden, niet is verschuldigd
over perioden als verzekerde voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de in dat artikel
bedoelde AMvB. Deze bepaling kan gevoeglijk worden gemist; het
spreekt voor zich dat een eventueel bij AMvB in te voeren nominale premie in
de AWBZ slechts verschuldigd zal zijn vanaf het tijdstip van
inwerkingtreding van die AMvB. Dus ook deze bepaling kan vervallen.
Hetzelfde geldt voor artikel VIII waarin de inwerkingtreding van de wet is geregeld.
rblz.|66|
Artikel 3.2.17
De
Wet van 21 december 2000 tot wijziging van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in verband met de invoering van het
gebruik van het sociaal-fiscaal nummer in die wet alsmede enkele
wijzigingen van de Ziekenfondswet en enige andere wetten (Stb.
2001, 50) bevat slechts
bepalingen tot wijziging van andere wetten en overgangsrecht, die zijn
uitgewerkt, en een inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken.
De
artikelen I en II van die wet voorzien in de wijziging van andere
wetten en zijn door de inwerkingtreding uitgewerkt.
Artikel III bevat een
overgangsregeling met
betrekking tot het verkrijgen van het sociaal-fiscaal nummer van de degenen die
verzekerde zijn bij de inwerkingtreding van de wetswijziging en van wie dat nummer nog niet bekend was bij
de betrokken organisaties.
Ook deze bepaling is inmiddels uitgewerkt. Artikel
IV, inhoudende een
wijziging van de Overgangswet verzorgingshuizen, is nimmer in werking
getreden. Artikel V houdt in dat artikel IV vervalt indien de artikelen 1 tot en met
25 van de Overgangswet verzorgingshuizen zijn vervallen
vóór de datum
van inwerkingtreding van artikel IV. Aangezien inmiddels ook
die wet is
komen te vervallen, kunnen deze beide bepalingen ook vervallen. Artikel VI
regelt dat het ontvangen van een uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet slechts voor personen onder de 65 jaar geldt
als rechtsgrond voor ziekenfondsverzekering. Nu de Zfw
wordt ingetrokken,
heeft deze bepaling geen betekenis meer. De artikelen VII en
VIII
voorzagen in aanpassing van de wet waar zij onderdeel van uitmaakten
respectievelijk een ander wetsvoorstel indien dat andere wetsvoorstel
eerder respectievelijk later dan het onderhavige wetsvoorstel tot wet
zouden worden verheven. Die bepalingen zijn naar hun aard uitgewerkt en
kunnen dus vervallen. Artikel IX regelt slechts de inwerkingtreding van de
wetswijziging inzake het sociaal-fiscaal nummer.
Artikel 3.2.18
De
Wet van 24 december 1997 tot wijziging van de
regeling betreffende het verlenen van bijdragen van rijkswege aan de
Algemene Kas, bedoeld in artikel 71 van de Ziekenfondswet, en het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, alsmede tot het treffen van een
wettelijke basis voor het verlenen van rijksbijdragen aan de
instellingen die een publiekrechtelijke ziektekostenvoorziening
uitvoeren (Stb. 1997, 779), bevat slechts bepalingen tot wijziging van andere
wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een
inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken. De artikelen I en
II van die wet voorzien in de wijziging van andere
wetten en zijn door de
inwerkingtreding uitgewerkt. Artikel III bevat een overgangsregeling die is
uitgewerkt. Artikel IV regelt de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.19
De
Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten in verband met de invoering van de
mogelijkheid tot een vrijwillige voortzetting van de bijzondere
ziektekostenverzekering ingevolge die wet en
van de Wet financiering volksverzekeringen in
samenhang daarmee (vrijwillige verzekering AWBZ)
(Stb. 2000, 605), bevat slechts bepalingen tot wijziging van andere
wetten en
overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een inwerkingtredingsbepaling;
zij kan dus worden ingetrokken.
De artikelen I en II van
die wet voorzien in de wijziging van andere
wetten en zijn door de inwerkingtreding uitgewerkt.
Artikel III bevat een
overgangsregeling voor
personen van wie de AWBZ-verzekering is geëindigd
rblz.|67|
vóór de
inwerkingtreding van de wetswijziging. Die bepaling is uitgewerkt. Artikel IV regelt de
inwerkingtreding.
Artikel 3.2.20
De
Wet van 20 november 1991, houdende beperking van de contracteerplicht in
de ziekenfondsverzekering en de bijzondere ziektekostenverzekering,
invoering van de mogelijkheid een lager tarief in rekening te brengen
dan het overeenkomstig de Wet
tarieven gezondheidszorg goedgekeurde of
vastgestelde tarief, alsmede enige andere wijzigingen in de Ziekenfondswet,
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de
Wet tarieven gezondheidszorg (Stb. 1991, 584), bevat slechts
bepalingen tot wijziging van andere
wetten en overgangsrecht,
die zijn uitgewerkt, en een inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden
ingetrokken.
De artikelen I, II en III
van die wet voorzien in de wijziging van andere wetten en zijn door de
inwerkingtreding uitgewerkt. Artikel IV bevat een overgangsregeling voor
overeenkomsten die waren gesloten vóór het tijdstip van
inwerkingtreding en regelt de inwerkingtreding. Deze bepaling is uitgewerkt.
Artikel 3.2.21
De
Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de
Ziekenfondswet in verband met de beëindiging van de medeverzekering van
WSF-gerechtigden (Stb. 1997, 305), bevat slechts bepalingen tot wijziging van andere
wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een
inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken. Artikel I
[van die wet, red.]
bevat een
wijziging van een andere wet en is uitgewerkt. Artikel II bevat een
overgangsregeling voor kinderen met studiefinanciering, welke inmiddels eveneens is
uitgewerkt. Artikel III regelt de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.22
De
Wet van 5 juli 2000 tot wijziging van de artikelen
19 en 77 van de Ziekenfondswet, artikel 62 van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten en artikel 51 van de Wet financiering
volksverzekeringen (Stb. 2000, 338) bevat slechts
bepalingen tot wijziging van andere
wetten en overgangsrecht,
die zijn uitgewerkt, en een inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden
ingetrokken.
De artikelen I, II en
III
van die wet voorzien in de wijziging van andere
wetten en zijn door de
inwerkingtreding uitgewerkt. Artikel IV bevat overgangsrecht voor lopende beroepen
(opdracht tot overdragen aan de rechtbank). Die bepaling is uitgewerkt.
Artikel 3.2.23
De
Wet van 24 december 1997, houdende wijziging van de Ziekenfondswet
in verband met aanpassing van de gronden voor de ziekenfondsverzekering
(herstructurering Ziekenfondswet) (Stb.
1997, 777), bevat slechts bepalingen tot wijziging van andere
wetten en
overgangsrecht, die zijn
uitgewerkt, en een inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden
ingetrokken.
De artikelen I, IV en
VII [van die wet,
red.] bevatten wijzigingen van andere wetten en zijn uitgewerkt.
Artikel II
bevat een overgangsbepaling die regelt dat bepaalde personen geacht worden
aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering te voldoen. Artikel III
maakt het mogelijk dat AOW-gerechtigden kunnen
worden ontheven van de ziekenfondsverzekering. Artikel V bevat nadere
bepalingen inzake eerder verleende ontheffingen van de
ziekenfondsverzekering. Artikel VI voorziet een
rblz.|68|
uitvoerings-AMvB van een
nieuwe wettelijke basis. Artikel VIII regelt de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.24
De
Wet van 24 december 1997 tot wijziging van de
artikelen 3a en 15 van de Ziekenfondswet (Stb. 1997,
780) bevat slechts bepalingen tot wijziging van andere
wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een
inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken.
De artikelen I en II
[van die wet, red.] bevatten wijzigingen van een andere wet en zijn uitgewerkt.
Artikel III bevat een
overgangsbepaling inzake het te hanteren indexcijfer. Artikel IV
betreft de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.25
De
Wet van 13 december 2000 tot wijziging van de Ziekenfondswet
en enige andere wetten in verband met de
instelling van een onafhankelijk College van toezicht op de
zorgverzekeringen (instelling College van toezicht
op de zorgverzekeringen) (Stb. 2001, 23) bevat
slechts bepalingen tot wijziging van andere wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een
inwerkingtredingsbepaling;
zij kan dus worden ingetrokken.
De artikelen I tot en met
IX [van die wet, red.] bevatten wijzigingen van
andere wetten en zijn uitgewerkt. De
artikelen X tot en met XIII bevatten uitgewerkte overgangsregelingen ten
aanzien van het CVZ. Artikel XIV bevat een uitgewerkte overgangsbepaling ten
aanzien van het CTZ. Artikel XV verleent de
minister de bevoegdheid tijdelijk overgangsregels te stellen.
Artikel XVI
legt een verplichting op
de (vernummerde) tekst van de AWBZ en de Zfw
in het Staatsblad te
plaatsen. Artikel XVII regelt de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.26
De
Wet van 24 december 1998 tot wijziging van de
Ziekenfondswet en de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen in
verband met het invoeren van de aanspraak op medisch-specialistische
zorg, verleend door of vanwege een ziekenhuis (Stb. 1999,
16), bevat op een uitzondering na slechts bepalingen tot wijziging van andere
wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een
inwerkingtredingsbepaling.
De artikelen I en II
[van die wet, red.] bevatten wijzigingen van
andere wetten en zijn uitgewerkt. Het nog niet uitgewerkte
artikel III legt vast dat de verantwoordelijkheid voor behandeling ligt bij
de medisch-specialist, die op zijn beurt het organisatorische en
financiële kader van het ziekenhuisbestuur in acht moet nemen; verder is
overleg verplicht alvorens afspraken met zorgverzekeraars worden gemaakt. Deze
bepaling is niet langer nodig nu de aanspraken in de Zvw
functioneel zijn omschreven en er afspraken zijn gemaakt over DBC’s. Dat
er, alvorens met verzekeraars wordt overlegd, eerst met de specialisten
moet worden gesproken, is inmiddels in het kader van de DBC-operatie
een vaststaand uitgangspunt geworden. Artikel IV stelt de
nieuwe wettelijke basis van twee uitvoeringsbesluiten vast. Artikel V schrijft
een evaluatie voor. Die heeft inmiddels plaatsgevonden. Artikel VI regelt de
inwerkingtreding.
Artikel 3.2.27
De
Wet van 16 juli 2001 tot wijziging van de Ziekenfondswet in verband met
samentelling van uitkeringstijdvakken ingevolge de Werkloosheidswet
voor de toepassing van artikel 3, eerste lid,
onderdeel a, van die wet, administratieve
vereenvoudiging van de overgang van een particuliere
ziektekostenverzekering naar de rblz.|69|
ziekenfondsverzekering en afschaffing
van de nominale ziekenfondspremie voor personen jonger dan 18 jaar (knelpunten
Ziekenfondswet) (Stb. 2001, 386) bevat slechts bepalingen tot wijziging van andere
wetten en
overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een inwerkingtredingsbepaling;
zij kan dus worden ingetrokken.
De artikelen I tot en met
VIII [van die wet, red.] bevatten wijzigingen van
andere wetten en zijn uitgewerkt. Artikel
IX bevat overgangsrecht; voor de daarin aangewezen personen geldt een
bepaalde voorwaarde niet. Nu de Zfw wordt ingetrokken, bestaat
daaraan geen behoefte meer. Artikel X regelt de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.28
De
Wet van 20 januari 2000 tot wijziging van de Ziekenfondswet
in verband met wijzigingen met betrekking tot de financiering van
ziekenfondsen (maximering reserves ziekenfondsen)
(Stb. 2000, 42) bevat slechts bepalingen
tot wijziging van andere
wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en
een inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken.
Artikel I en de artikelen IV tot en met VIII
[van die wet, red.] bevatten wijzigingen van
andere wetten en zijn uitgewerkt. Artikel II verplicht de ziekenfondsen om de
voorheen gevormde reserves te brengen ten gunste of ten laste van de met
de onderhavige wet geregelde reserve Zfw. Artikel III regelt dat de oude
regels inzake de financiering van ziekenfondsen van kracht blijven voor de
(afrekening over de) inmiddels verstreken jaren. Beide bepalingen zijn
inmiddels uitgewerkt. Artikel IX schrijft een evaluatie voor. Die heeft
inmiddels plaatsgevonden. Artikel X regelt de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.29
De
Wet van 28 oktober 1999, houdende uitbreiding van de kring van
verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet met
zelfstandigen voor wie, gelet op hun inkomen, toegang tot de sociale
ziektekostenverzekering is aangewezen en tijdelijke wijziging van de
indexering van de loongrens alsmede wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (zelfstandigen in Zfw)
(Stb. 1999, 461), bevat slechts bepalingen tot
wijziging van andere
wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een
inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken.
De artikelen I en III
[van die wet, red.] bevatten wijzigingen van andere wetten en zijn uitgewerkt.
Artikel II bevat een
overgangsregeling die verplicht tot het compenseren van de toename van het
aantal ziekenfondsverzekerden die het gevolg is van de
onderhavige wet door toepassing van een tijdelijk afwijkende indexeringsmethode.
Door
het intrekken van de Zfw
bestaat daaraan niet langer
behoefte. Artikel IV regelt de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.30
De
Wet van 9 juni 1994 tot wijziging van de Ziekenfondswet
en enige andere wetten in verband met
uitbreiding van de personele werkingssfeer van de Ziekenfondswet met een
bepaalde categorie van AOW-gerechtigden
(verplichte ziekenfondsverzekering AOW-gerechtigden) en aanpassing van
AOW-rechten in verband met te betalen premies ziektekostenverzekering (Stb.
1994, 465) bevat slechts bepalingen tot
wijziging van andere wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een
inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken.
De artikelen I tot en met
V [van die wet, red.] bevatten wijzigingen van andere wetten
en zijn uitgewerkt. Artikel VI
bevat een uitzonderingsbepaling voor personen die deelnamen aan een
publiekrechtelijke ziektekostenregeling. Nu de Zfw
rblz.|70|
vervalt, bestaat aan die
bepaling geen behoefte meer. Artikel VII stelt het mede te financieren
bedrag in het kader van de Wet MOOZ in afwijking van de wettelijke
systematiek voor één keer op een afwijkend bedrag vast. Die bepaling is
uitgewerkt. Artikel VIII regelt de inwerkingtreding.
Artikel 3.2.31
De
Wet van 27 maart 1999 tot wijziging van de Ziekenfondswet,
de Wet
tarieven gezondheidszorg en de Wet ziekenhuisvoorzieningen in
verband met wijzigingen in de taak, samenstelling en werkwijze van de in
die wetten geregelde bestuursorganen, alsmede wijziging van andere wetten
in verband daarmee (uitvoeringsorganen
volksgezondheid) (Stb. 1999, 185), bevat
slechts bepalingen tot
wijziging van andere wetten en overgangsrecht, die zijn uitgewerkt, en een
inwerkingtredingsbepaling; zij kan dus worden ingetrokken.
De artikelen I tot en met
XIII [van die wet, red.] bevatten wijzigingen van andere wetten en zijn uitgewerkt.
Artikel
XIV bevat een overgangsbepaling ten aanzien van de Ziekenfondsraad, die
werd vervangen door het CVZ. De artikelen XV en
XVI bevatten
overgangsbepalingen met betrekking tot toelatingen van zorgaanbieders en
zorgverzekeraars. Artikel XVII betreft overgangsrecht inzake richtlijnen van
het CTG. Artikel XVIII treft een overgangsregeling voor voordien afgegeven
vergunningen ingevolge de Wet ziekenhuisvoozieningen. Artikel XIX betreft
overgangsregels inzake lopende rechtsgedingen. Artikel XX regelt de
termijn waarbinnen de nieuwe bestuursorganen hun bestuursreglement
moeten vaststellen. Artikel XXI geeft de minister
de bevoegdheid
tijdelijk overgangsregels te stellen. Al deze overgangsbepalingen zijn uitgewerkt.
Artikel
XXII is al eerder vervallen. Artikel XXIII regelt de
inwerkingtreding.
Artikel 3.2.32
In de
Wet
toelating zorginstellingen (Wtzi) zijn enkele strikt technische wijzigingen aangebracht
die te herleiden zijn tot de vervanging van de Zfw
door de Zvw
(verwijzing naar uitvoeringsorganen en colleges). In artikel 5 van de Wtzi
wordt onderscheid gemaakt tussen collectief en particulier gefinancierde
ziekenhuizen en ZBC’s (zelfstandige behandelcentra). Met de Zvw verdwijnt dat
onderscheid, zodat in de Wtzi de begrippen ziekenhuis en
ZBC kunnen vervallen. Daarom wordt (in onderdeel
B, onder 3) voorgesteld
de definitie van zelfstandig behandelcentrum in artikel 1, eerste lid,
onderdeel h, te schrappen. Voorts is - op dezelfde wijze als in de Zvw is
geschied voor CVZ
en CTZ - de bepaling opgenomen dat op het personeel van
het College bouw (CB) en van het College sanering zorginstellingen (CSZ) de
arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren werkzaam in de sector Rijk van toepassing zijn.
Ook is geregeld dat de
kosten van de colleges ten laste van de rijkskas komen.
Met onderdeel B wordt
voorts de verwijzing naar het AFBZ geactualiseerd. Ten slotte zijn (in
onderdeel I) enkele redactionele misstellingen in artikel 12
rechtgezet die
tijdens de parlementaire behandeling van de Wtzi
zijn ontstaan.
§ 3.3. Justitie
Artikel 3.3.1
De vermelding in de
bijlage bij de Beroepswet, onderdeel C, van de Zfw
(onderdeel 22) blijft
voorlopig gehandhaafd, omdat op grond van het overgangsrecht nog
geruime tijd procedures mogelijk zijn over de Zfw. Na onderdeel 22 wordt een
onderdeel 22a in de bijlage gevoegd, waarin
rblz.|71|
artikel 96 Zvw
wordt
vermeld. Dat artikel betreft het opleggen van een bestuurlijke boete door
het CVZ aan verzekeringsplichtigen die hebben verzuimd een
zorgverzekering te sluiten. Aldus wordt bereikt dat belanghebbenden desgewenst, na
indiening
van een bezwaarschrift tegen de oplegging van een boete
en na behandeling van een beroep bij de rechtbank, in hoogste ressort het
oordeel van het CRvB [Centrale Raad van Beroep,
red.] kunnen vragen. Ingevolge artikel 19 van de
Beroepswet wordt de werking van een uitspraak
met betrekking tot een
besluit dat is genomen op grond van artikel 96
Zvw opgeschort tot op
het hoger beroep is beslist. Artikel 22 van de
Beroepswet regelt welk griffierecht men verschuldigd is voor een hoger
beroep tegen een
boetebesluit op grond van artikel 96 Zvw.
Artikel 3.3.2
Met dit artikel wordt een
drietal wijzigingen in het BW
aangebracht. Onderdeel A betreft de
schrapping van een zinsnede uit artikel 53, tweede lid, van Boek
2 die
slechts daarin was opgenomen met het oog op de Zfw; de wettelijk verzekerden
ingevolge de Zfw gingen immers geen verzekeringsovereenkomst
met hun ziekenfonds aan. Nu de Zfw vervalt, kan ook die zinsnede
vervallen.
Onderdeel B betreft het
schrappen van een verwijzing in artikel 197, eerste lid, onderdeel a, van
Boek 6 naar artikel 83b, eerste lid, van de
Zfw.
Artikel 83b Zfw
regelde dat
ziekenfondsen voor de door hen krachtens de Zfw gemaakte kosten een
verhaalsrecht toekomt op degene die jegens de verzekerde naar
burgerlijk recht schadeplichtig is. Door artikel 197, eerste lid, van Boek
6 wordt
bewerkstelligd dat een aantal artikelen van het BW
inzake aansprakelijkheid
(voor anderen of in bijzondere situaties) buiten toepassing blijven bij de
vaststelling van het bedrag waarvoor het verhaalsrecht ingevolge
artikel 83b Zfw
bestaat. Op feiten die hebben plaatsgevonden vóór het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet blijft artikel 197, zoals
dat op dat tijdstip luidde, van toepassing (zie artikel
3.3.10 [van deze wet, red.]).
Onderdeel C voorziet in
een wijziging in artikel 462, tweede lid, van Boek
7. Bij gelegenheid van de
totstandkoming van de Wtzi
is de toelating van zorginstellingen uit de
Zfw en de AWBZ
overgeheveld naar deze nieuwe wet; nu de Zfw vervalt,
wordt de redactie met de Wtzi in overeenstemming gebracht.
Artikel 3.3.3
In de Overgangswet
nieuw Burgerlijk Wetboek staan nog enige bepalingen van overgangsrecht die
inmiddels geheel zijn uitgewerkt en waarin sprake is van
ziekenfondsen, Zfw
of ziektekostenverzekeraars. Dat betreft de artikelen 48, 49 en
54. Deze bepalingen komen met deze wet te vervallen. Artikel 48
hield in dat ziekenfondsen die op het tijdstip van inwerkingtreding van Boek
2 BW geen stichting waren van rechtswege werden aangemerkt als
onderlinge waarborgmaatschappij. Artikel 49 bepaalde hetzelfde voor
een ziektekostenverzekeraar die geen coöperatieve of andere vereniging,
naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid of stichting was. Artikel 54 bepaalde dat een instelling van
weldadigheid die niet een vereniging, een zelfstandig onderdeel van een
kerkgenootschap of een ziekenfonds was, vanaf dat tijdstip een
stichting was. Deze uitgewerkte bepaling, waarin werd verwezen naar de
Rompwet instellingen van weldadigheid, is abusievelijk niet
geschrapt bij de intrekking van die wet (zie Stb. 2004, 24).
Artikel 3.3.4
In de Remigratiewet
(artikel 4, tweede lid) is voorzien in de mogelijkheid om remigranten onder de
ziekenfondsverzekering te brengen. Ook bepaalt rblz.|72|
die wet (artikel 4, derde
lid) dat aan remigranten die niet onder de Zfw
worden gebracht een
tegemoetkoming wordt verstrekt in de kosten van een zelf te sluiten ziektekostenverzekering. Nu de Zfw is vervallen, dient
het tweede lid te
vervallen. Nu de Zvw
nadrukkelijk beoogt slechts een ziektekostenverzekering
te bieden aan degenen die ook verzekerde zijn in de zin van de AWBZ, wordt
het niet wenselijk geacht remigranten, voor zover zij niet
verzekeringsplichtig zijn, in plaats van de bestaande ziekenfondsverzekering
een verzekeringsplicht ingevolge de Zvw
op te leggen.
Niettemin kunnen
remigranten die een remigratie-uitkering
hebben en die in een EU/EER-lidstaat
of een verdragsland wonen, aanspraak maken op zorg ten laste van
Nederland, mits de remigratie-uitkering voor de toepassing van die
internationale socialezekerheidsregelingen is gelijkgesteld met een pensioen in de
zin van die regelingen of als zij naast hun remigratie-uitkering
aanspraak hebben op een pensioen of uitkering in de zin van die regelingen
(bijvoorbeeld een AOW-, WAO-,
AAW-, Anw-uitkering). In die
gevallen wordt dus geen tegemoetkoming in de kosten van een
verzekering verleend op basis van de Remigratiewet.
Sedert de
inwerkingtreding van de Remigratiewet worden hierover besprekingen gevoerd. De
gelijkstelling is tot op heden niet gerealiseerd, zodat op basis van de
remigratie-uitkering alléén geen verzekering ingevolge de Zfw heeft kunnen
ontstaan. De reden daarvan is enerzijds dat in die zin aangepaste
verdragsregelingen nog niet in werking zijn getreden en anderzijds dat de
Europese Commissie onderzoek doet naar de verenigbaarheid van de Remigratiewet met
het Europese recht en hangende dat onderzoek zich niet
wil committeren door de remigratie-uitkering voor de toepassing van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 gelijk te stellen met een pensioen of uitkering
in de zin van die verordening.
In het nieuwe tweede lid
is geregeld dat degenen die niet ten laste van Nederland in het
bestemmingsland recht hebben op zorg ingevolge een internationale sociale
zekerheidsregeling aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de
kosten van een door hemzelf te sluiten ziektekostenverzekering.
Artikel 3.3.5
Door de toevoeging aan de
bijlage bij de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie van
een aantal artikelen van de Zvw
wordt bewerkstelligd dat het College van
Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) competent is wat betreft hoger
beroep tegen een aanwijzing, last onder dwangsom of bestuurlijke
boete van het CTZ als bedoeld in de artikelen 94,
95, 97,
98, 99 en 100
van de Zvw, nadat daartegen eerst bezwaar is gemaakt en vervolgens een
beroep is behandeld bij de rechtbank te
Rotterdam.
Artikel 3.3.6
In verband met de
wijziging van de AWBZ in artikel 3.1.1 wordt de strafbaarstelling van
artikel
5a van die
wet gewijzigd in artikel 65, tweede lid. Voorts worden in verband
met het vervallen van de Zfw, de Wtz 1998 en de Wet MOOZ de daarop
betrekking hebbende vermeldingen in artikel 1, onder 4e, van de Wet
op de economische delicten (WED) geschrapt. Overtreding van de daar
genoemde bepalingen is daarmee niet langer een economisch delict.
Aan het vervallen van de strafbaarstelling ligt geen gewijzigd inzicht van de
wetgever ten grondslag betreffende de strafwaardigheid van de betreffende
feiten. Op grond van het tweede lid blijft de WED, zoals deze luidde
direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan ook van toepassing op feiten welke vóór dat tijdstip
hebben plaatsgevonden.
rblz.|73|
Artikel 3.3.7
Artikel 415 van het
Wetboek van Koophandel bevat bepalingen inzake de geneeskundige
verzorging van schepelingen. In het vijfde lid is een uitzondering gemaakt op
het recht op verpleging en behandeling. Die uitzondering betreft de
schepeling die van rechtswege verzekerd is ingevolge de Zfw
en die in
Nederland verblijft. In verband met de intrekking van de Zfw en de
totstandkoming van de Zvw
is de tekst zodanig aangepast dat de uitzondering geldt
voor een verzekeringsplichtige schepeling.
Artikel 3.3.8
Artikel
90sexies van het Wetboek
van Strafrecht bevat een definitie van psychiatrisch ziekenhuis.
Deze definitie speelt een rol bij een aantal strafbepalingen. In de definitie wordt
onder andere naar de Zfw
verwezen, reden om de definitie aan
te passen. Voorts is bij gelegenheid van de totstandkoming van de Wtzi
de toelating van zorginstellingen uit de Zfw en de AWBZ
overgeheveld
naar deze nieuwe wet; daarbij is abusievelijk nagelaten te voorzien in
aanpassing van deze bepaling. In de voorgestelde nieuwe redactie is ook
daarmee rekening gehouden.
Op grond van het tweede
lid blijft artikel 90sexies van toepassing op feiten welke hebben
plaatsgevonden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. Aan de
wijziging van dat artikel ligt namelijk geen gewijzigd inzicht
van de wetgever ten grondslag betreffende de strafwaardigheid van de
betreffende feiten.
Artikel 3.3.9
Artikel 23 van de
Wet
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen voorziet in een verplichting van een
aantal instanties om aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
kosteloos alle inlichtingen te verstrekken. Die verplichting is in het
leven geroepen om het Bureau in staat te stellen alimentatieplichtigen op
te sporen. Daarbij zijn ook genoemd de ziekenfondsen. De wijziging voorziet in
schrapping van de vermelding van de ziekenfondsen. Het wordt
niet wenselijk geacht de verplichting te leggen op de zorgverzekeraars,
die anders dan de andere genoemde instanties geen bestuursorgaan zijn,
te meer niet nu er geen sprake meer zal zijn van medeverzekerden. Er wordt
van uitgegaan dat het Bureau met de verplichte medewerking
van de overige genoemde instanties voldoende armslag zal hebben.
Artikel 3.3.10
Artikel 197,
eerste lid, van Boek
6 BW wordt in artikel 3.3.2, onderdeel
B, gewijzigd. Genoemd artikel 197
strekt er in de huidige vorm toe om - wat het ziekenfonds betreft - het verhaal door het ziekenfonds uit te sluiten voor zover de
aansprakelijkheid berust op een aantal bepalingen van Boek
6 waarmee nieuwe
risicoaansprakelijkheden zijn ingevoerd. Voorgesteld wordt om deze beperkingen
te schrappen (zie artikel 3.3.2). Het is echter gewenst dat deze
beperking blijft bestaan ten aanzien van door een ziekenfonds krachtens de
ziekenfondsverzekering gemaakte kosten ter zake van feiten die
vóór de inwerkingtreding van de Zvw
hebben plaatsgevonden. Hierin voorziet artikel
3.3.10.
rblz.|74|
§ 3.4.
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Artikel 3.4.1
Het
CVZ vindt niet langer
zijn basis in de Zfw, maar in artikel 58
Zvw. Daarom moest in artikel
119, tweede lid, van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers een verwijzing worden aangepast.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om in dit artikellid tevens de omschrijving van de eigen
bijdrage ingevolge de AWBZ die rechtstreeks aan het CVZ mag worden
betaald te actualiseren. Daarbij is ook rekening gehouden met de
gewijzigde redactie en de nieuwe bepalingen die met de Wet
Hoz in de AWBZ
zijn
aangebracht. Thans is nog slechts verwezen naar de artikelen 6 en
13 van
de AWBZ; in de overige gevallen ontvangt de verzekerde in plaats van
zorg in natura steeds een vergoeding van door hem gemaakte kosten en
kennen de desbetreffende artikelen een zodanige formulering dat bij het
betalen van deze vergoeding rekening kan worden gehouden met de
eigen bijdrage die hij in geval van zorg in natura zou hebben moeten
betalen.
Artikel 3.4.2
In artikel 2, eerste lid,
van de Ambtenarenwet is geregeld dat de voorzitters, de leden en het personeel
van een vijftal bestuursorganen op het zorgterrein niet onder
het materiële ambtenarenrecht vallen.
Artikel 61 Zvw
regelt dat
op de rechtspositie van het personeel van het CVZ
(vgl. artikel 78,
tweede lid, Zvw
voor het CTZ) de regels van het materiële ambtenarenrecht van
toepassing zijn met dien verstande dat de daarin voorkomende
bevoegdheden voor de minister aan het CVZ toekomen. Door middel van
met de onderhavige wet in de Wtzi
en de Wtg
aangebrachte
wijzigingen is voor de overige colleges een gelijke regeling getroffen.
Artikel 3.4.2 past in het
eerste lid met betrekking tot het CVZ en het CTZ slechts in technische zin
de verwijzing naar artikelen in de Zfw
in artikel 2 van de Ambtenarenwet
aan.
De andere leden regelen dat de uitzonderingspositie voor het personeel van de
colleges wat betreft het materiële ambtenarenrecht
verdwijnt. Door middel van een in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen
overgangsbepaling (artikel 4.1) is voorzien in een overgangsperiode van
vier jaren gedurende welke de colleges, in afwijking van artikel 61
[Zvw, red.]
en de daarmee vergelijkbare bepalingen, nog de arbeidsvoorwaarden van
het personeel vaststellen, zoals dat ook tot nu toe het geval is.
In het
inwerkingtredingsbesluit zal worden geregeld dat de leden van artikel 3.4.2 die de
uitzonderingspositie voor het personeel van de colleges opheffen pas in
werking treden met ingang van 1 januari 2010.
Artikel 3.4.3
Het
CVZ vindt niet langer
zijn basis in de Zfw, maar in artikel 58
Zvw. Daarom moest in artikel
31, eerste lid, van de Toeslagwet
Indonesische pensioenen 1956 een
verwijzing worden aangepast.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om in dit artikellid tevens de omschrijving van de eigen
bijdrage ingevolge de AWBZ die rechtstreeks aan het CVZ mag worden
betaald te actualiseren. Daarbij is ook rekening gehouden met de
gewijzigde redactie en de nieuwe bepalingen die met de Wet
Hoz in de AWBZ
zijn
aangebracht. Thans is nog slechts verwezen naar de artikelen 6 en
13 van
de AWBZ; in de overige gevallen ontvangt de verzekerde in plaats van
zorg in natura steeds een vergoeding van door hem gemaakte kosten en
kennen de desbetreffende artikelen een zodanige formulering dat bij het
betalen van deze vergoeding rekening kan rblz.|75|
worden gehouden met de
eigen bijdrage die hij in geval van zorg in natura zou hebben moeten
betalen.
Artikel 3.4.4
Het
CVZ vindt niet langer
zijn basis in de Zfw, maar in artikel 58
Zvw. Daarom moest in artikel 27a, eerste lid, van de
Wet
aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps een verwijzing worden aangepast.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om in dit artikellid tevens de omschrijving van de eigen
bijdrage ingevolge de AWBZ die rechtstreeks aan het CVZ mag worden
betaald te actualiseren. Daarbij is ook rekening gehouden met de
gewijzigde redactie en de nieuwe bepalingen die met de Wet
Hoz in de AWBZ
zijn
aangebracht. Thans is nog slechts verwezen naar de artikelen 6 en
13 van
de AWBZ; in de overige gevallen ontvangt de verzekerde in plaats van
zorg in natura steeds een vergoeding van door hem gemaakte kosten en
kennen de desbetreffende artikelen een zodanige formulering dat bij het
betalen van deze vergoeding rekening kan worden gehouden met de
eigen bijdrage die hij in geval van zorg in natura zou hebben moeten
betalen.
Artikel 3.4.5
In artikel 13, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer wordt
de Zfw
genoemd. Omdat artikel 13 inmiddels geheel is uitgewerkt, kan
deze bepaling vervallen.
Artikel 3.4.6
De wijziging van artikel
99, eerste lid, van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA)
houdt verband met het feit dat zorgverzekeraars
voor het aanbieden en uitvoeren van zorgverzekeringen gegevens nodig hebben die
zij alleen uit de GBA kunnen verkrijgen. Omdat de gegevensverstrekking een structureel karakter heeft,
hebben zorgverzekeraars
een GBA-aansluiting nodig, zodat de noodzakelijke GBA-gegevens op
systematische wijze verstrekt kunnen worden. Systematische verstrekking van GBA-gegevens is mogelijk aan bestuursorganen
(artikel 91) en aan
zogenaamde bijzondere derden, die aangewezen zijn op grond van artikel
99 van de Wet
GBA.
Zorgverzekeraars kunnen
- in tegenstelling tot ziekenfondsen - niet worden aangemerkt als
bestuursorganen in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht.
Zorgverzekeraars vallen daarom niet onder het begrip "buitengemeentelijk
afnemer" in de zin van de Wet
GBA en komen daarom niet in aanmerking
voor systematische gegevensverstrekking op grond van artikel 91 van
de wet. De wijziging van artikel 99, eerste lid, beoogt systematische
gegevensverstrekking voor zorgverzekeraars mogelijk te maken door deze categorie instellingen aan te merken als bijzondere
derde.
De persoonsgegevens uit
de GBA zijn nodig voor het vaststellen en het voortduren van de
verzekeringsplicht. De zorgverzekeraar van een persoon die zich meldt om
een zorgverzekering af te sluiten, moet beoordelen of diegene van rechtswege
verzekerd is ingevolge de AWBZ en de daarop gebaseerde
regelgeving. De administratie van de AWBZ bestaat alleen uit verzekerden
die daadwerkelijk gebruik maken van de AWBZ. Zij die wel verzekerd zijn
maar geen daadwerkelijk gebruik maken van de AWBZ staan niet in deze registratie. Daarom dient de verzekeraar uit de
gemeentelijke
basisadministratie de gegevens te betrekken of deze persoon woonachtig is in
Nederland en voldoet aan de in de AWBZ rblz.|76|
gestelde voorwaarden voor rechtmatig verblijf. Ook wijzigingen in deze
gegevens kunnen van
belang zijn voor het voortbestaan van de verzekeringsplicht, zoals
gegevens inzake het overlijden van een persoon, wijziging van de
verblijfsstatus of verhuizing naar een regio gelegen buiten de regio waar de
zorgverzekeraar actief is.
Alleen díe gegevens
zullen aan zorgverzekeraars verstrekt worden die noodzakelijk zijn bij de
uitvoering van de taak op grond van de Zorgverzekeringswet. Eén en ander zal nader
worden uitgewerkt in het Besluit
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en de autorisatiebesluiten.
§ 3.5. Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap
Voor de introductie van
het nieuwe zorgverzekeringsstelsel konden studerenden gebruik maken van een
speciale studentenstandaardpakketpolis op basis van de Wtz 1998.
Met de introductie van een nieuw stelsel van zorgverzekeringen
ontstaan dan ook inkomenseffecten voor studerenden. Deze worden grotendeels
gecompenseerd via de zorgtoeslag, waar studenten ook recht op
hebben. Het kabinet heeft daarnaast besloten de particulier verzekerde
studerenden te compenseren via de aanvullende beurs in de
studiefinanciering. Studenten met een aanvullende beurs
raken de huidige
tegemoetkoming in de ziektekosten kwijt, die nu nog in de aanvullende beurs is
opgenomen voor particulier verzekerde studenten. Daarom is
gekozen voor compensatie in de aanvullende beurs en niet in de basisbeurs.
Compensatie via de aanvullende beurs zorgt voor een zo evenwichtig
mogelijke verdeling van inkomenseffecten.
Voor de compensatie via
de studiefinanciering is €|33 miljoen aan extra middelen beschikbaar
gesteld. De extra tegemoetkoming ziektekosten voor particulier
verzekerde studerenden in de aanvullende beurs komt te vervallen (€|450,- per
jaar). Dit levert €|35 miljoen op. Het totaal van €|68 miljoen wordt ingezet om de
aanvullende beurs structureel te verhogen met €|330,- per jaar. Deze verhoging
geldt voor alle studerenden met een aanvullende beurs. Daarnaast wordt de
aanvullende beurs eenmalig verhoogd met €|70,- per jaar in 2006, zodat de inkomenseffecten in 2006 worden beperkt.
Artikel 3.5.1
A
De
Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000) kent (artikel 3.2) de mogelijkheid dat het budget wordt
verhoogd met onder andere een normbedrag voor de ziektekostenverzekering.
Tot nu toe wordt een normbedrag voor ziektekosten voor particulier
verzekerden toegevoegd aan de aanvullende beurs. Nu iedere
ingezetene verzekeringsplichtig zal zijn ingevolge de Zvw, is een apart
normbudget voor particulier verzekerden niet meer nodig. In verband daarmee
vervalt artikel 3.2, tweede lid, onderdeel a (onderdeel
A, onder 1). Daarmee vervalt in artikel 3.18, overzicht
1, de afzonderlijke
vermelding van de
bedragen van dit normbedrag (onderdeel D).
Omdat in dit overzicht
niet van verschillende maatstaven kan worden uitgegaan, worden alle bedragen omgerekend naar dezelfde (actuele)
maatstaf. De bedragen
worden na inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingen op grond van
artikel 11.1 WSF
2000 jaarlijks geïndexeerd en vastgesteld bij ministeriële regeling.
In artikel 3.2, vierde
lid, is de aanspraak op het normbedrag voor ziektekostenpremie
gekoppeld aan de voorwaarde dat betrokkene een ziektekostenverzekering
als bedoeld in de Wtz 1998 heeft gesloten. Dit artikel kan, met de
invoering van een verplichte verzekering en het vervallen van het
normbedrag voor de ziektekosten, vervallen (onderdeel
A, onder 2).
rblz.|77|
C
In artikel 3.17 van de
WSF 2000 is geregeld dat studerenden met een zogenaamd meerinkomen in bepaalde
gevallen een bedrag aan de IB-Groep [Informatie
Beheer Groep, red.] verschuldigd zijn. In het tweede lid,
onderdeel a, van dat artikel is met het oog op de berekening van het
toetsinkomen dat daarbij een rol speelt ook de door de werkgever en de werknemer verschuldigde premie voor de
Zfw
genoemd als factor die
van belang is. Die vermelding dient uiteraard te worden aangepast aan de
nieuwe situatie: de vermindering van het loon in dit verband zal bestaan uit de (door de verzekerde verschuldigde, maar
door de werkgever te
betalen) inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zvw. Daarmee wordt
materieel aangesloten bij de huidige situatie.
D
In artikel 3.18
moet
naast overzicht 1 (zie hiervoor bij artikel
3.2) ook overzicht 2 aangepast
worden. De hoogte van de aanvullende beurs wordt niet meer mede
bepaald door het type ziektekostenverzekering dat een studerende heeft.
Iedereen is vanaf 2006 op dezelfde wijze verzekerd. Het onderscheid van vier
verschillende categorieën aanvullende beurs wordt gereduceerd tot
twee: aanvullende beurs voor thuiswonende en aanvullende beurs voor
uitwonende studerenden.
E
In artikel 3.21 vervalt
de verwijzing naar het normbedrag voor de ziektekostenverzekering.
F
In artikel 3.22 is een
voorziening getroffen die bewerkstelligt dat een studerende tijdens een
ziekteperiode verzekerd kan blijven ingevolge de tijdens het studeren voor
hem toepasselijke ziektekostenregeling. Nu de Zvw
voor alle ingezetenen
toegang biedt tot een zorgverzekering waarbij een eventuele
ziekteperiode niet van belang is, kan dit artikel vervallen.
G en H
In de artikelen 4.7
(zoals dat luidt na inwerkingtreding - naar verwachting per 1 augustus
2005 - van
het wetsvoorstel tot wijziging van onder meer de Wet
studiefinanciering 2000 in verband met invoering prestatiebeurs in een deel van de
beroepsopleidende leerweg en meeneembaarheid studiefinanciering voor deze leerweg in het
buitenland (Kamerstukken I 2004-2005, 29 719, A)), 5.2, 5.4 en
10.3 wordt het bedrag aangepast naar de maatstaf van 1 januari 2005, zodat
uitgegaan wordt van dezelfde maatstaf als in artikel 3.18.
I,
J en K
In artikel 9.2, vierde
lid, vervalt in de tweede volzin een specifieke bepaling om de IB-Groep
inlichtingen over zichzelf te verschaffen bij wijziging in de ziektekostenverzekeringssituatie
(onderdeel I). Hetzelfde geldt voor de artikelen 9.6 en 11.4; de
ziektekostenverzekeringsinstellingen hoeven niet langer inlichtingen te verstrekken aan de
IB-Groep en de IB-Groep hoeft niet langer
gegevens door te geven
aan verzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wtz 1998.
rblz.|78|
L
De
aanvullende beurs
wordt in 2006 eenmalig verhoogd met €|70,- per jaar (€|5,84 per maand),
zodat de inkomenseffecten in 2006 worden beperkt. Gelijktijdig wordt de
basislening eenmalig verlaagd met €|70,- per jaar, zodat het totale
normbedrag (basisbeurs + maximale aanvullende beurs/lening (of veronderstelde
ouderlijke bijdrage + basislening) gelijk blijft. Aangezien het een
eenmalige wijziging betreft, is ervoor gekozen in hoofdstuk 12 hiervoor een
overgangsbepaling op te nemen (onderdeel K).
Artikel 3.5.2
A
In de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) (artikel 2.20) is
een met artikel 3.22 van de WSF
2000 vergelijkbare voorziening getroffen die
bewerkstelligt dat een leerling tijdens een ziekteperiode verzekerd kan blijven
ingevolge de voor hem toepasselijke ziektekostenregeling. Nu
de Zvw
voor alle ingezetenen toegang biedt tot een zorgverzekering
waarbij een eventuele ziekteperiode niet van belang is, kan dit artikel
vervallen.
B
In artikel 10.6, eerste
lid, onderdeel a, van de WTOS
zijn met het oog op de berekening van het
toetsinkomen ook de tegemoetkoming in de ziektekosten
ingevolge de
Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 en de door de werkgever en de
werknemer verschuldigde premie voor de Zfw
genoemd als factoren die
van belang zijn. Die vermelding wordt aangepast aan de nieuwe situatie.
De vermindering van het loon in dit verband zal voortaan bestaan uit
de (door de verzekerde verschuldigde, maar door de werkgever te betalen)
inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zvw. Daarmee wordt
materieel aangesloten bij de huidige situatie.
§ 3.6. Financiën
Artikel 3.6.1
A
Als gevolg van het
vervallen van de Zfw
kan artikel 3.13, eerste lid, onderdeel e, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) vervallen. Gelet op het feit dat de Zvw
niet tot als winst uit onderneming te beschouwen voordelen
bestaande uit uitkeringen en aanspraken op verstrekkingen kan leiden, is het niet nodig om een aan de Zvw gekoppelde,
vergelijkbare bepaling op
te nemen.
B
Deze wijziging hangt
samen met het vervallen van de Zfw
en de invoering van de Zvw. Met deze
aanpassing is in beginsel geen inhoudelijke wijziging beoogd.
C
Als gevolg van het
vervallen van de Zfw
kan artikel 3.103, tweede lid, vervallen. Gelet op het
feit dat de Zvw
niet tot als belastbare periodieke uitkeringen en
verstrekkingen te beschouwen aanspraken kan leiden, is het niet nodig om een aan
de Zvw gekoppelde, vergelijkbare bepaling op te nemen.
rblz.|79|
D
Deze wijziging hangt
samen met het vervallen van de Zfw
en de invoering van de Zvw. Met deze
aanpassing is geen inhoudelijke wijziging beoogd.
E
Subonderdeel 1
De in
onderdeel E
voorgestelde aanpassing van artikel 6.18 Wet
IB 2001 moet in samenhang
worden gezien met de in onderdeel H voorgestelde aanpassing van artikel
6.24 Wet
IB 2001. Onder het huidige fiscale regime worden premies en
bijdragen voor een ziektekostenregeling in aanmerking genomen als
uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling in de zin van de regeling
voor buitengewone uitgaven. Dit geldt zowel voor in het kader van de Zfw
verschuldigde premies en bijdragen als voor premies voor particuliere
ziektekostenverzekeringen. Voorgesteld wordt om deze lijn niet door te
trekken naar de premies die krachtens paragraaf
3.3 van de Zvw
zijn
verschuldigd. Het gaat hierbij om de premie voor het zogenoemde basispakket. Premies voor aanvullende verzekeringen
blijven wel aftrekbaar
als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling.
In samenhang met de
bovengenoemde aanpassing wordt in onderdeel G voorgesteld om de bij de berekening van de buitengewone uitgaven in
aanmerking te nemen
drempel te verlagen. Voorgesteld wordt om deze drempel te verminderen
met het saldo van enerzijds de standaardpremie als bedoeld in artikel 4 van de
Wzt en anderzijds de zorgtoeslag als
bedoeld in artikel 2 van
de Wzt. Om een kringverwijzing te voorkomen, wordt voorgesteld om hier
bij de berekening van het bedrag van de zorgtoeslag uit te gaan van het
toetsingsinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.
Gemiddeld genomen pakken
de bovengenoemde wijzigingen per saldo neutraal uit. Voor een belastingplichtige die een lagere premie betaalt dan
de gemiddelde premie
leiden deze wijzigingen per saldo tot een voordeel, terwijl voor een
belastingplichtige die een hogere premie betaalt dan gemiddeld per saldo een
nadeel ontstaat. Deze wijzigingen vormen derhalve een extra
stimulans om op zoek te gaan naar de goedkoopste aanbieder.
Subonderdeel 2
De voorgestelde wijziging
van het tot onderdeel d verletterde onderdeel c van het eerste lid vloeit
voort uit het vervallen van de Zfw. Deze bepaling blijft van belang voor
aanvullende verzekeringen.
Subonderdeel 3
De voorgestelde wijziging
van het tot onderdeel e verletterde onderdeel d van het eerste lid vloeit
voort uit artikel 40 van het wetsvoorstel Wtzi. Op grond van dat artikel zal
onder meer artikel [artikel 8, red.] AWBZ
vervallen. In plaats daarvan zal een AWBZ-instelling op grond van artikel 5 van de
Wtzi kunnen worden toegelaten.
In het wetsvoorstel Wtzi is de in artikel 6.18 van de
Wet IB 2001
opgenomen verwijzing naar artikel 8 AWBZ abusievelijk nog niet aangepast. Omdat
op dit moment niet geheel zeker is welke wet eerder in werking zal treden, de
Wtzi of
voorliggende wet, en het
opnemen van een
verwijzing hier bovendien niet noodzakelijk is, wordt voorgesteld het
desbetreffende onderdeel van artikel 6.18 Wet
IB 2001 zo te wijzigen dat de wet
op grond waarvan de toelating moet worden verstrekt niet meer
wordt genoemd.
rblz.|80|
F,
G en H
Subonderdeel 1
Voor een toelichting op
de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 6.20a, eerste lid,
onderdeel f, 6.22, eerste lid, onderdeel f, en 6.24, eerste lid, onderdeel
f, van de Wet
IB 2001 wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel
E, onder 3.
Subonderdeel 2
De voorgestelde wijziging
van de onderdelen g van de artikelen 6.20a, eerste lid, 6.22, eerste
lid, en 6.24, eerste lid, van de Wet
IB 2001 hangt samen met het feit dat tengevolge van de inwerkingtreding van de
Wet herziening overeenkomstenstelsel zorg, met ingang van 1 februari 2005, de eigen bijdragen voor
de AWBZ niet meer op grond van artikel
6, derde lid, maar op grond van artikel 6, vierde lid, van
die wet worden geheven. De verwijzingen naar dit
artikellid in de artikelen 6.20a, 6.22 en 6.24 van de Wet
IB 2001 zijn daarbij
abusievelijk nog niet aangepast. Dit geschiedt in voorliggend subonderdeel
alsnog.
Subonderdeel 3
Met betrekking tot de
voorgestelde redactie van de onderdelen h van het eerste lid van de
artikelen 6.20a, 6.22 en 6.24 van de Wet
IB 2001 wordt het volgende opgemerkt. In
die onderdelen is op dit moment bepaald dat eigen bijdragen ter zake
van een zogenoemd "persoonsgebonden budget" als bedoeld in artikel
1p Zfw, mee mogen tellen voor de buitengewone uitgaven. In de toekomst
zullen de persoonsgebonden budgetten worden verstrekt op grond van
artikel 44, eerste lid, onderdeel b, AWBZ
(zie artikel 3.1.1, onderdeel O, van
deze wet). De voorgestelde nieuwe onderdelen h verwijzen naar het juiste
AWBZ-artikel.
Subonderdeel 4
Voor een toelichting op
de toevoegingen aan het tweede lid, onderdeel a, b, en c, van artikel
6.24 van de Wet
IB 2001 wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel
E.
I
Artikel 10.7, derde,
vierde en vijfde lid, Wet
IB 2001 bepalen hoe de percentages voor de
arbeidskorting, bedoeld in artikel 8.11 van die
wet, kunnen worden bijgesteld.
Na de inwerkingtreding van de Zvw
is er, anders dan onder de Zfw,
geen sprake meer van een werkgevers- en een werknemersdeel in een inkomensafhankelijke premie. In plaats daarvan is
een verzekeringsplichtige
een inkomensafhankelijke bijdrage over zijn bijdrage-inkomen
verschuldigd (artikelen 41 tot en met 45 Zvw). Omdat de verzekeringsplichtige
de
bijdrage verschuldigd is ongeacht de vraag of hij zich daadwerkelijk heeft
verzekerd, wordt niet meer van een inkomensafhankelijke "premie", maar van een
inkomensafhankelijke "bijdrage" gesproken. Voor zover het
bijdrage-inkomen bestaat uit loon uit dienstbetrekking respectievelijk de meeste
socialezekerheidsuitkeringen, is de werkgever respectievelijk
de uitkeringsinstantie verplicht de werknemer respectievelijk de
uitkeringsgerechtigde de inkomensafhankelijke bijdrage over dat loon of die
uitkering volledig te vergoeden (artikel 46
Zvw). Het voorgaande brengt met
zich dat het derde, vierde en vijfde lid van artikel 10.7 Wet
IB 2001 gewijzigd moesten worden. "Het werksgeversaandeel in de procentuele premie
volgens de Ziekenfondswet" is vertaald in "de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zvw".
rblz.|81|
Artikel 3.6.2
Op grond van artikel 24,
eerste lid, onderdeel c, van de Wet
op belastingen van rechtsverkeer zijn
van assurantiebelasting onder meer vrijgesteld de
ziektekostenverzekeringen. Het is de bedoeling dat daaronder ook de zorgverzekeringen
als bedoeld in de Zvw
vallen. De prestaties uit een zorgverzekering
kunnen echter, afhankelijk van de gesloten zorgverzekeringsovereenkomst,
zorg in natura of vergoeding van kosten van zorg zijn. Heel
strikt bezien zou men zich derhalve kunnen afvragen of een zorgverzekering
krachtens welke recht op zorg in natura bestaat onder het begrip "ziektekostenverzekering"
valt. Voorliggende wijziging maakt duidelijk dat dit
inderdaad de bedoeling is. Voor zorgverzekeringen geldt derhalve een
vrijstelling van de assurantiebelasting.
Artikel 3.6.3
A
Deze wijziging van de
Wet op de
loonbelasting 1964 hangt samen met het vervallen van de Zfw
en de invoering van de Zvw. Met deze aanpassing is in beginsel geen
inhoudelijke wijziging beoogd.
B
Deze wijziging is nodig
door het vervallen van de Zfw
en de invoering van de Zvw.
Artikel 3.6.4
Ziekenfondsen en
ziektekostenverzekeringsmaatschappijen, voor zover zij geen winst beogen of
maken anders dan voor instellingen ten bate van de volksgezondheid, zijn op
grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 (Vpb 1969) en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit
vennootschapsbelasting 1971 vrijgesteld van de
vennootschapsbelasting. De Zfw
wordt met artikel 2.1.1 van
deze wet ingetrokken en de
ziekenfondsen zullen nog slechts de Zfw afhandelen (zie ook de toelichting
op het volgende artikel). In plaats daarvan zal iedere burger zich op
grond van een zorgverzekering met een private zorgverzekeraar dienen te
(laten) verzekeren.
De wijziging van artikel
5, eerste lid, onderdeel f, van de Vpb
1969 is een technische aanpassing die
samenhangt met het intrekken van de Zfw. Volledigheidshalve dient
te worden opgemerkt dat onder ziektekostenverzekeringsmaatschappijen zoals genoemd in artikel
5, eerste lid, onderdeel f, van de Vpb
1969, tevens
zorgverzekeraars als bedoeld in de Zvw
zijn begrepen.
De wijziging in artikel
5, eerste lid, onderdeel g, van de Vpb
1969 expliciteert dat de zorgverzekeraars
in de zin van de Zvw niet ook onder dat onderdeel vallen. Hoewel
de zorgverzekeraars geen publiekrechtelijk geregelde verzekeringen
uitvoeren in de zin van "verzekeringen van rechtswege", stelt de
Zvw wel wettelijke - dus publiekrechtelijk - geregelde voorwaarden aan de zorgverzekeringen
(zoals de acceptatieplicht voor een bij en krachtens de
wet geregeld pakket en het verbod van premiedifferentiatie), zodat zonder de
voorgestelde uitsluiting de vraag zou kunnen opkomen of, naast
onderdeel f, ook onderdeel g op zorgverzekeraars van toepassing zou kunnen
zijn.
Artikel 3.6.5
De Zfw
wordt met
artikel 2.1.1 van deze wet ingetrokken; de ziekenfondsen of, indien deze zich
omzetten in een zorgverzekeraar als bedoeld in de rblz.|82|
Zvw, de zorgverzekeraar,
dienen echter wel te zorgen voor een goede afwikkeling van hun Zfw-taken.
Artikel 3.6.5 zorgt ervoor dat algemene
ziekenfondsen die op de
dag vóór de intrekking van de Zfw vrijgesteld waren voor de
vennootschapsbelasting daarvan vrijgesteld blijven ten aanzien van de
werkzaamheden tot afwikkeling van de Zfw.
Artikel 3.6.6
Het Zvw-systeem voorziet
erin dat het toezicht op de zorgverzekeraars wordt gehouden door DNB (prudentieel
toezicht), de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM;
gedragstoezicht) en het CTZ (toezicht op de naleving van de
Zvw-bepalingen). In het wetsvoorstel Wet marktordening
gezondheidszorg (Wmg), dat
naar verwachting op korte termijn bij het parlement zal kunnen
worden ingediend, wordt voorgesteld het gedragstoezicht op de zorgverzekeraars en
het toezicht op de naleving van de Zvw-bepalingen op te
dragen aan een "Zorgautoriteit", waarin het CTZ en het College tarieven
gezondheidszorg zullen opgaan. Zoals bekend, is de regering er veel aan
gelegen zowel de Zvw als de Wmg op 1 januari 2006 in werking te laten treden. De Zvw is echter zo vormgegeven dat
die wet,
zonder dat dat tot
problemen in het toezicht leidt, met ingang van 1 januari 2006 in werking
kan treden indien de Wmg onverhoopt niet met ingang van die datum in
werking kan treden.
In lijn met het
voorgaande wordt in artikel 3.6.6 de Wtv
1993 aangepast als zou de Wmg niet
tegelijk met de Zvw in werking treden. In de Wmg wordt de Wtv 1993 indien
nodig op de toezichtssituatie na inwerkingtreding van de Wmg aangepast.
In de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Zvw (Kamerstukken II
2003-2004, 29 763, nr. 3, blz. 74) is aangegeven dat de Wtv 1993 op zal gaan in de
Wet op het financieel
toezicht (Wft; Kamerstukken II 2004-2005, 29 708, nrs. 1-3). Aangegeven
is dat de Zvw en de Wft op elkaar zouden worden afgestemd in de voorliggende
IZvw, in een invoeringswet of
-tranche van de Wft of in
de Wmg (die toen nog als "Wet op de Zorgautoriteit" werd aangeduid). Nu op
dit moment nog slechts de eerste twee tranches van de Wft bij de Tweede Kamer in behandeling
zijn en derhalve
nog niet duidelijk is hoe
de Wft uiteindelijk zal komen te luiden, is besloten in het kader van
de invoering van de Wft de Zvw waar nodig op de Wft aan te passen. Voorliggend wetsvoorstel gaat derhalve uit van de
situatie waarin de Wft
nog niet in werking is.
A
Artikel 1, eerste lid,
onderdeel s, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv 1993) definieert het
begrip "premie" in de zin van die
wet: de in geld uitgedrukte
prestatie
door de verzekeringnemer verschuldigd uit hoofde van een overeenkomst van
verzekering, daaronder niet begrepen de assurantiebelasting en de omslagbijdragen, bedoeld in de Wet MOOZ en
de Wtz 1998. Nu de Wet
MOOZ en de Wtz 1998 met voorliggende wet worden ingetrokken, kan
de uitzondering inhoudende dat omslagbijdragen als bedoeld in de Wet
MOOZ en de Wtz 1998 geen premies zijn, vervallen.
B
Op 30 oktober 2004
fuseerden de Pensioen- & Verzekeringskamer en De Nederlandsche Bank
NV
tot "De Nederlandsche Bank NV" (DNB). Hoewel de bepalingen in
de Wtv
1993 nog spreken van de "Pensioen- & Verzekeringskamer" wordt
de toezichthoudende autoriteit op private verzekeraars sindsdien
met "DNB" aangeduid. Ook deze toelichting spreekt daarom van
"DNB",
óók als in de (te wijzigen) artikelen van de Wtv 1993 "Pensioen-
& Verzekeringskamer" staat.
rblz.|83|
Artikel
10a Wtv
1993 draagt DNB op
samen te werken met de toezichthouders op overige financiële
instellingen, te weten beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, kredietinstellingen en
natura-uitvaartverzekeraars, met het oog op het tot stand
brengen van gelijkgerichte regelgeving en beleid ter zake van bij
ministeriële regeling aan te wijzen onderwerpen die de betrokken toezichthouders
raken.
DNB zal wat betreft het
toezicht op zorgverzekeraars in de zin van de Zvw
ook dienen samen te
werken met het CTZ en het CVZ. Het toezichtsbeleid van het CTZ of tot
zorgverzekeraars gerichte beschikkingen (bijvoorbeeld een beschikking waarmee
het CTZ een boete aan een verzekeraar oplegt) kunnen immers gevolgen
hebben voor de mate waarin een zorgverzekeraar aan zijn financiële
verplichtingen kan voldoen en, omgekeerd, beleid of een beschikking
van DNB (bijvoorbeeld - het voornemen tot - intrekking van een vergunning tot uitoefening van het
schadeverzekeringsbedrijf)
kan gevolgen hebben voor de mate waaraan de verzekeraar aan zijn
ingevolge de Zvw geldende verplichtingen kan voldoen. Hoewel het CVZ,
anders dan het CTZ en DNB, geen toezicht op de zorgverzekeraars
houdt, kunnen de werkzaamheden van het CVZ en DNB elkaar wel in die
mate beïnvloeden dat ook tussen deze twee organen samenwerking
nodig is. Zo kan het CVZ op grond van artikel 84
Zvw
in overeenstemming
met het CTZ regels stellen aan de administratie van zorgverzekeraars en
kan het CVZ na overleg met het CTZ regelen welke gegevens en
inlichtingen de zorgverzekeraars regelmatig moeten verstrekken (en vice
versa; artikel 90 Zvw). DNB kan dergelijke regels echter óók stellen (zie voor
verzekeraars met zetel in Nederland bijvoorbeeld artikelen
70, tweede lid, 72 en 74 Wtv
1993).
Omdat het
CVZ geen
toezichthouder is en omdat het karakter van de samenwerking tussen DNB
en CVZ/CTZ toch anders is dan dat van de samenwerking tussen DNB
en de in artikel 10a Wtv
1993 genoemde toezichthouders (die
immers, anders dan het CTZ, alle financiële toezichthouders zijn), is de plicht tot
samenwerking geregeld in een nieuw artikel, te weten artikel 10b
Wtv 1993:
DNB, CTZ en CVZ dienen afspraken met elkaar te maken over de
wijze waarop zij aangelegenheden behandelen die van wederzijds belang
(kunnen) zijn en over de wijze waarop zij daartoe informatie
verzamelen. Er is voor gekozen in dat artikel niet alleen DNB deze plicht tot
samenwerking te geven, maar ook het CTZ en het CVZ. Voor samenwerking is
immers betrokkenheid van alle beoogde samenwerkers nodig. Eén
en ander zou zijn neerslag kunnen vinden in een convenant tussen de
drie bestuursorganen.
C
Nu er in de toekomst geen
ziekenfondsen meer zullen zijn, hoeven deze ook niet meer te worden uitgezonderd van het begrip
"verzekeraar" in de zin van de Wtv
1993. De
eerste jaren na de inwerkingtreding van de Zvw
zullen er echter nog wel
ziekenfondsen zijn: zij zullen hun rechten en plichten uit de Zfw
moeten afwikkelen. Met het oog daarop is in
artikel 3.6.7, eerste lid,
overgangsrecht getroffen.
D
Op grond van artikel 20,
onderdeel b, Wtv
1993 zoals dat op dit moment luidt, is die
wet onder
bij of krachtens AMvB te stellen voorwaarden niet van toepassing op
instellingen die een publiekrechtelijke ziektekostenregeling uitvoeren. Bij het
Besluit vrijgestelde instellingen voor publiekrechtelijke ziektekostenregelingen
1994 is bepaald dat het hier gaat om het Instituut Zorgverzekering
Ambtenaren Nederland (IZA), de IZR en de Dienst geneeskundige
verzorging politie, voor zover deze instellingen hun werkzaamheden beperken
tot dekking van de vergoeding van kosten van rblz.|84|
geneeskundige verzorging. Bovendien hebben de IZA en de
IZR toestemming van de
Minister van Financiën nodig indien zij hun categorieën deelnemers willen
uitbreiden of de deelnemende lichamen respectievelijk de deelnemende provincies
meer of minder risico willen laten dragen (ook bij
wijzigingen in de regelingen voor de politie is de Minister van Financiën overigens
betrokken). Tengevolge van de Zvw
zullen ook onder de IZA, de IZR en het Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994 vallende ambtenaren
in de toekomst een zorgverzekering dienen te sluiten. Voor het
aanvullende gedeelte zullen de drie soorten regelingen naar verwachting (op den
duur) vervallen. Daarom wordt artikel 20, onderdeel b, Wtv
1993 met
onderdeel
D geschrapt. Het overgangsrecht is te vinden in artikel
3.6.7,
tweede lid, van deze wet.
E en F
Artikel 123, vierde lid,
Wtv 1993
geeft verzekeringnemers het recht hun overeenkomsten van schadeverzekering op te zeggen indien hun verzekeraar
deze aan een andere
verzekeraar heeft overgedragen. Artikel 128, vierde lid, kent hen een
gelijk recht toe voor het geval een verzekeraar zijn rechtsvorm omzet. De
tweede volzin van deze leden bepalen dat de verzekeraar in deze gevallen onder
meer de vooruitbetaalde omslagbijdragen, bedoeld in de Wet MOOZ en
de Wtz 1998, teruggeeft voor het gedeelte dat evenredig is aan het nog
niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor deze werden betaald.
Aangezien de Wtz 1998 en de Wet MOOZ komen te vervallen (zie de
artikelen 2.2.1 en 2.3.1 van deze
wet), dienen de desbetreffende volzinnen te worden
aangepast.
G,
H en I
In
artikel 6, eerste lid,
onderdeel a, van de Zvw
is geregeld dat een zorgverzekering van rechtswege eindigt
indien de verzekeraar tengevolge van (gehele of gedeeltelijke)
intrekking van zijn vergunning tot uitoefening van het
schadeverzekeringsbedrijf geen zorgverzekeringen meer mag aanbieden. In de praktijk
gaat het dan om een intrekking van een vergunning voor het uitvoeren van
het schadeverzekeringsbedrijf, branches 1 of 2. Om de
verzekeringnemer voldoende tijd te geven om een nieuwe zorgverzekering te
sluiten, dient de zorgverzekeraar zijn verzekeringnemers uiterlijk twee maanden
voordat zijn vergunning aldus wordt gewijzigd of ingetrokken,
van dit einde op de hoogte te stellen, onder vermelding van de datum
waarop de zorgverzekering eindigt, zo bepaalt artikel
6, derde lid, Zvw.
De intrekking of
wijziging van een vergunning door DNB is een beschikking, waartegen de verzekeraar
bij de Rechtbank Rotterdam tegen in beroep en bij het
CBb in
hoger beroep kan komen of een voorlopige voorziening kan vragen
(eerst bezwaar bij DNB instellen tegen de intrekking van een beschikking is op
grond van artikel 188, tweede lid, Wtv
1993 niet mogelijk). Krachtens
artikel 6:16 Awb heeft beroep geen schorsende werking, tenzij bij of
krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. Artikel 150, eerste lid,
Wtv
1993 bepaalt dat een intrekking van een vergunning pas gaat
werken nadat de beroepstermijn is verstreken of, indien de verzekeraar de
voorzitter van het CBb heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen,
op dat verzoek is besloten. Dat artikellid is derhalve een wettelijke voorschrift als bedoeld in
artikel 6:16 Awb.
Een bepaling als artikel
150, eerste lid, Wtv
1993 is nog extra wenselijk voor het geval de
vergunning van een zorgverzekeraar voor het uitvoeren van de
schadeverzekeringsbranches 1 of 2 wordt ingetrokken, aangezien dat, zoals in
artikel 6 Zvw
is geregeld, niet alleen betekent dat geen nieuwe zorgverzekeringen
mogen worden aangeboden, maar ook dat rblz.|85|
bestaande
zorgverzekeringen van rechtswege eindigen. Zou nu geen opschortende werking zijn
geregeld, dan zou dat betekenen dat een zorgverzekeraar zijn verzekerden zou
verliezen, ook al zou een door hem ingesteld (hoger) beroep tegen de
intrekking slagen. De gevallen waarin en de termijn waarmee op grond
van artikel 150, eerste lid, Wtv
1993 geschorst wordt, zijn voor de zorgverzekeringen echter te beperkt. Immers, de verzekerden
van de zorgverzekeraar
wiens vergunning zodanig wordt gewijzigd dat hij niet meer als
zorgverzekeraar mag werken of wiens vergunning wordt ingetrokken, moeten
voor het geval de portefeuille van de eerste zorgverzekeraar niet
wordt overgenomen of zij bezwaar tegen een dergelijke overgang hebben,
voldoende tijd hebben om zich aansluitend op het einde van de eerdere
zorgverzekering bij een nieuwe zorgverzekeraar te verzekeren.
Daarom wordt voorgesteld
om een nieuw tweede lid aan artikel 150 Wtv
1993 toe te voegen, op
grond waarvan een besluit tot wijziging of intrekking dat tot gevolg heeft dat
een zorgverzekeraar niet meer als zorgverzekeraar mag werken pas drie
maanden nadat het formele rechtskracht heeft gekregen, gaat werken. Dat wil zeggen drie maanden na de
dag waarop de
beroepstermijn dan wel de termijn voor hoger beroep verstrijkt indien na de
intrekking geen beroep dan wel na een uitspraak in beroep geen hoger beroep
wordt ingesteld, dan wel drie maanden na de dag waarop op een hoger
beroep is besloten.
Op grond van het
voorgestelde tweede lid van artikel 150 Wtv
1993 heeft de verzekeraar altijd ten
minste drie maanden om zijn verzekerden op grond van artikel 6
Zvw
van het naderende einde van hun zorgverzekering op de hoogte te stellen.
Ik merk ten slotte
op
dat artikel 150, tweede lid, Wtv
1993 slechts geldt voor zorgverzekeraars in
de zin van de Zvw. Indien een ziektekostenverzekeraar niet tevens
zorgverzekeraar is, geldt voor hem slechts het eerste lid van artikel
150 Wtv
1993.
J
Artikel 186, eerste lid,
Wtv
1993 regelt onder meer dat de verzekeraars de kosten van DNB verbonden
aan de uitvoering van de Wtv
1993 dragen. Nu de
Wtz 1998 vervalt (zie artikel 2.2.1 van
deze wet), dient ook de verwijzing
naar die wet in dit artikel te vervallen. De kosten van het DNB-toezicht op
de afwikkeling van de Wtz 1998 zijn zo beperkt in omvang en zijn van zo
korte duur dat besloten is hiervoor geen afzonderlijk overgangsartikel te
treffen. Deze kosten zullen dus door alle verzekeraars tezamen moeten worden
gedragen.
Het is niet nodig
afzonderlijk te regelen dat de verzekeraars de kosten van het door DNB te houden
prudentiële toezicht op het aanbieden en uitvoeren van
zorgverzekeringen als bedoeld in de Zvw
dragen, nu dit toezicht niet anders is
dan het toezicht dat DNB ingevolge de Wtv
1993 ook op de overige schadeverzekeraars houdt. Derhalve vallen de kosten
van het toezicht van DNB
op de zorgverzekeraars onder de kosten van het toezicht verbonden aan de
uitvoering van de Wtv 1993.
Artikel 3.6.7
Eerste lid
Ziekenfondsen zijn
ingevolge artikel 13, eerste lid, onderdeel d, Wtv
1993 geen verzekeraars in de
zin van die
wet. Die bepaling komt bij de inwerkingtreding van de Zvw
te vervallen
(zie artikel 3.6.6, onderdeel C). Echter, rechtspersonen die
vóór
de inwerkingtreding van de Zvw op grond van rblz.|86|
artikel 34 Zfw
als
ziekenfonds waren toegelaten (oftewel ziekenfondsen in de zin van deze
wet, zie
artikel 1 van deze wet), hebben op grond
artikel 2.1.4 van deze wet de plicht
hun uit de Zfw
voortvloeiende taak goed af te wikkelen. Dit kan een
aantal jaren duren. Het gaat hier zowel om zorgverzekeraars die vroeger ziekenfonds
waren (zij blijven voor de afwikkeling van hun rechten en
plichten uit de Zfw bestuursorgaan) als ziekenfondsen die niet verder gaan
als
zorgverzekeraar. Voorliggende bepaling leidt ertoe dat zij voor
zover zij de Zfw afwikkelen, niet te beschouwen zijn als verzekeraars in de
zin van de Wtv
1993. Uiteraard zijn zorgverzekeraars die tevens nog enige
jaren ziekenfonds zijn, voor hun werkzaamheden als zorgverzekeraar wél
verzekeraars in de zin van de Wtv 1993.
Tweede lid
In artikel 3.6.6,
onderdeel D, is geregeld dat de bepaling van de Wtv
1993 inhoudende dat de Wtv
1993 niet van toepassing is op instellingen die publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen uitvoeren, komt te vervallen. Het tweede lid van
voorliggend artikel zorgt ervoor dat de Wtv 1993 niet alsnog van toepassing
wordt op de IZA, de IZR en de Dienst geneeskundige verzorging politie, voor
zover deze zich althans beperken tot de afwikkeling van de
uitvoering van de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen en zich blijven houden
aan de voorwaarden van het Besluit vrijgestelde instellingen
voor publiekrechtelijke ziektekostenregelingen 1994.
Artikel 3.6.8
A
De wijziging van artikel
31, tweede, derde en vierde lid, van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen houdt verband met het
vervallen van de Zfw
en de invoering van de Zvw. Na invoering
van de Zvw is de werkgever ingevolge artikel 46 van de
Zvw
verplicht de
werknemer een vergoeding te verstrekken voor de door de werknemer over
het nog nader aan te wijzen loon verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage.
Er is in de wettekst
reeds rekening gehouden met het in het kader van de Wet van 18 december 2003
tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (overige
fiscale maatregelen 2004) met ingang van 1 januari 2006 vervallen van het tweede
lid van artikel 31.
B
De wijziging van artikel
33, vierde lid, houdt verband met het vervallen van de Zfw
en de
invoering van de Zvw. Na invoering van de Zvw is de werkgever ingevolge
artikel 46 van de Zvw
verplicht de werknemer een vergoeding te verstrekken
voor de door de werknemer over het nog nader aan te wijzen loon
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage.
Artikel 3.6.9
De wijziging in dit
onderdeel van artikel 2, tweede lid, van de Wet
financiële dienstverlening (Wfd) is
het gevolg van de wijziging van artikel 13, eerste lid, van de Wtv
1993 (zie artikel 3.6.6, onderdeel C).
Artikel 3.6.10
Nu ziekenfondsen buiten
de reikwijdte van de Wfd
vallen (zie artikel 2, tweede lid, onderdeel b,
van de Wfd
zoals dat tot de inwerkingtreding van de artikelen 3.6.6,
onderdeel C, en 3.6.9, onderdeel A, [3.6.9,
red.] van
deze wet luidt), rblz.|87|
dient dit ook te gelden
voor de werkzaamheden die ziekenfondsen in het kader van de afwikkeling
van de Ziekenfondswet verrichten.
Artikel 3.6.11
Met ingang van 1 januari
2006 (de beoogde inwerkingtreding van de Zvw) zal de belastingdienst
de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw op aanslag
gaan heffen bij winst- en
resultaatgenieters en bij degenen die een periodieke uitkering ontvangen die
niet aan de loonbelasting is onderworpen. Omdat de systemen van de belastingdienst aan de Zvw dienen te worden aangepast, kunnen de
voorlopige aanslagen Zvw pas in het najaar van 2006 worden opgelegd.
Eerder kunnen met deze systemen nog geen voorlopige aanslagen Zvw
worden opgelegd, ook al zouden bijdrageplichtigen daar om verzoeken.
Overeenkomstig het
bepaalde in artikel 30f, derde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, zoals dat na de inwerkingtreding van het
Belastingplan 2005 is
komen te luiden, wordt met betrekking tot aanslagen
inkomstenbelasting die vanaf 1 juli 2006 worden opgelegd heffingsrente berekend
vanaf het midden van het tijdvak waarop de aanslag betrekking heeft;
bij een aanslag over 2006 dus vanaf 1 juli 2006. Dit geldt ook voor
voorlopige aanslagen Zvw, omdat deze aanslagen worden geheven met
overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting
geldende regels. Omdat door de systeemaanpassing van de belastingdienst de
voorlopige aanslagen Zvw pas in het najaar van 2006
kunnen worden opgelegd, wordt voorgesteld om voor deze aanslagen geen
heffingsrente in rekening te brengen over de periode 1 juli 2006 tot en met 31
december 2006. De heffingsrenteregeling vindt met betrekking tot de (voorlopige) aanslagen Zvw pas toepassing
vanaf 1 januari 2007.
Vanaf januari 2007 kan
aan bijdrageplichtigen reeds vóór 1 juli 2007 een voorlopige aanslag 2007
worden opgelegd en is er geen reden meer om af te wijken van de
regels voor de inkomstenbelasting.
§ 3.7.
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Artikel 3.7.1
Artikel 24 van de
Waterleidingwet regelt de rechtsgevolgen van een plan als bedoeld in
artikel 16, eerste lid, van die
wet voor de werknemer die ontslagen wordt. In
het vijfde lid is bepaald dat de rechtspersoon die wachtgeld is verschuldigd
in bepaalde gevallen bijdraagt in de premie van een ziektekostenregeling
van een niet-ziekenfondsverzekerde ontslagen werknemer. Dit lid wordt
aangepast in verband met de intrekking van de Zfw.
Artikel 24, vijfde lid,
geeft recht op een bijdrage in de premie van een ziektekostenverzekering
aan een ontslagen werknemer wiens werkgever vóór het ontslag een
bijdrage in die kosten leverde en voor wie in zijn wachtgeldperiode geen
regeling geldt op grond waarvan een ander verplicht is bij te
dragen in die premie. De wachtgeldinstantie moet dan dezelfde bijdrage leveren
als voorheen de werkgever. De Zvw
verplicht de wachtgeldinstantie/inhoudingsplichtige tot vergoeding van de door een verzekeringsplichtige
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage. Om te voorkomen dat de
inhoudingsplichtige (dat kan de rechtspersoon/uitkeringsinstantie zijn,
maar ook de "ander", zoals bijvoorbeeld de vroegere werkgever)
dubbele lasten
zou dragen doordat deze zowel de vergoeding van de
inkomensafhankelijke bijdrage als de bijdrage krachtens de regeling of het vijfde
lid verschuldigd zou zijn, geeft het voorgestelde zevende lid de mogelijkheid tot
saldering. Daartoe wordt artikel 2.5.8 van
deze wet van
overeenkomstige toepassing verklaard. Dat betekent dat de vergoeding van de
inkomensafhankelijke bijdrage mag rblz.|88|
worden verminderd met de
op grond van het vijfde lid van artikel 24 verschuldigde bijdrage.
Artikel 3.7.2
In artikel 53, eerste en
tweede lid, van de Woningwet (zoals gewijzigd door de Wtzi) wordt
verwezen naar een toelating als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wtzi.
Als gevolg van de wijziging van de Wtzi in artikel
3.2.32 moet in plaats
daarvan worden verwezen naar artikel 5, tweede lid, van die
wet.
§ 3.8. Sociale
Zaken en Werkgelegenheid
Artikel 3.8.1
A
De
nettovakantie-uitkering voor nabestaanden en halfwezen op grond van de Algemene
nabestaandenwet (Anw) bedraagt een percentage van het nettominimumloon.
In artikel 2, eerste lid, onderdeel b,
Anw wordt bepaald hoe het
nettominimumloon wordt afgeleid van het brutominimumloon zoals dit is opgenomen in
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Hiertoe vermindert men het brutominimumloon met de daarover
verschuldigde loonbelasting en de premies voor de sociale
verzekeringen, echter met uitzondering van de nominale premie in de zin
van de Zfw
(na de inwerkingtreding van de
Wfsv verwoord als: de
premies op grond van de Wfsv en de - niet in de Wfsv geregelde - procentuele premie
Zfw). Zowel het werkgevers- als het werknemersdeel van de
inkomensafhankelijke premie Zfw wordt derhalve afgetrokken.
Na de inwerkingtreding
van de Zvw
is er geen sprake meer van een werkgevers- en een
werknemersdeel in een inkomensafhankelijke premie. In plaats daarvan is een
verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage over zijn
bijdrage-inkomen verschuldigd (artikelen 41 tot en met 45
Zvw). Omdat de
verzekeringsplichtige de bijdrage verschuldigd is ongeacht de vraag of hij zich
daadwerkelijk heeft verzekerd, wordt niet meer van een
inkomensafhankelijke "premie", maar van een inkomensafhankelijke
"bijdrage" gesproken.
Voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit loon uit dienstbetrekking
respectievelijk bepaalde uitkeringen, is de werkgever respectievelijk de
uitkeringsinstantie verplicht de werknemer respectievelijk de uitkeringsgerechtigde de inkomensafhankelijke bijdrage
over dat loon of die
uitkering volledig te vergoeden (artikel 46
Zvw). Derhalve is er formeel geen sprake
meer van een werkgeversdeel in een inkomensafhankelijke bijdrage (niet de
werkgever, maar zijn werknemer is immers de inkomensafhankelijke
bijdrage verschuldigd), terwijl in praktijk de werkgever juist wél de
inkomensafhankelijke bijdrage over het loon volledig draagt. (De
werknemer betaalt overigens loonbelasting over de vergoeding). Deze
wijziging ten opzichte van de Zfw-situatie is overigens begrijpelijk in het licht
van het feit dat het aandeel van de (nominale) premie, die volledig voor
rekening van de verzekerde (i.c. de werknemer) komt, in de financiering van de zorgverzekering ten opzichte van de financiering
van de Zfw flink is
gestegen.
Het voorgaande brengt met
zich dat artikel 2, onderdeel b, Anw gewijzigd
wordt. In de eerste zin
van dat onderdeel is nu bepaald dat wordt afgetrokken: de inkomensafhankelijke
bijdrage in de zin van de Zvw
over het brutominimumloon. Dat is
immers de meest correcte vertaling van "de procentuele premie in de
zin van de Zfw". In de tweede volzin van dit onderdeel, dat regels
bevat over de wijze waarop de af te trekken loonbelasting en premies
volksverzekeringen worden berekend, is "het werkgeversaandeel in de
procentuele premie ingevolge de Ziekenfondswet" rblz.|89|
vertaald in: de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zvw. Omdat het in deze tweede
zin gaat om een nadere uitwerking van hetgeen in de eerste zin is geregeld,
hoeft hier niet nogmaals te worden opgenomen dat het gaat om een
vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage over het
brutominimumloon.
B en
C
Zoals in de
toelichting
op onderdeel A is aangegeven, kent de Anw de zogenoemde
netto-nettokoppeling: de nettonabestaanden- of halfwezenuitkering is gelijk aan een
percentage van het nettominimumloon. In de artikelen
17, eerste en
tweede lid, en 25, eerste lid, Anw
wordt geregeld hoe de brutonabestaanden-
of halfwezenuitkering vanuit de nettonabestaandenuitkering wordt berekend. Daartoe
wordt onder meer de in te houden procentuele
premie Zfw
bij de netto-uitkering opgeteld.
Vertaald naar de Zvw-situatie wordt dit "de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in
artikel 41 van de Zvw".
D
Voor sommige soorten
AWBZ-zorg is een eigen bijdrage verschuldigd. Alle
socialeverzekeringswetten die voorzien in een inkomensvervangende uitkering kennen de
bepaling dat de uitkeringsinstantie de uitkering voor iemand die dergelijke
AWBZ-zorg geniet, tot aan het bedrag van die eigen bijdrage zonder
machtiging van de uitkeringsgerechtigde aan het CVZ kan betalen. Wijziging van
deze bepalingen - in casu gaat het om de Anw - is allereerst nodig omdat
het CVZ in de toekomst zijn basis vindt in artikel 58
Zvw. Daarnaast kent de
AWBZ sinds de inwerkingtreding van de Wet
herziening overeenkomstenstelsel zorg meer artikelen op grond waarvan zorg vergoed kan worden
dan de artikelen 11 en 12, terwijl er ook een terminologische wijziging
is ingevoerd, inhoudende dat geen recht meer bestaat op een
verstrekking of een vergoeding, maar recht op zorg, die verstrekt (natura) of
vergoed (restitutie) kan worden. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de
redactie van artikel 57, tweede lid, Anw
(en van de zusterartikelen in de
overige uitkeringswetten) op deze nieuwe AWBZ-redactie aan te passen.
E
Artikel 70
Anw en artikel LVa
van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
bepalen dat personen die vóór de invoering van de Anw
recht hadden op een pensioen of uitkering op grond van de Algemene
Weduwen en Wezenwet (AWW) respectievelijk vóór de inwerkingtreding
van het zogenoemde "Pemba-complex" recht hadden op een uitkering
op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en die op grond
van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen niet verplicht Zfw-verzekerd waren, dat zolang bepaalde omstandigheden van
toepassing bleven, ook niet konden worden. Nu de Zfw (en de Wtz 1998)
wordt ingetrokken en alle AWBZ-verzekerden (met uitzondering van
militairen en gemoedsbezwaarden) met ingang van de inwerkingtreding van de
Zvw
een zorgverzekering zullen moeten hebben, dienen deze artikelen te
vervallen.
Artikel 3.8.2
A, C en
E
In artikel 9
van de
Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt het begrip "brutominimumloon" in
verband met de bepaling van het nettominimumloon
omschreven. De invoering
van de Zvw
leidt tot wijzigingen rblz.|90|
in dat artikel (zie
onderdeel B). Daarmee zou dit toch al lange wetsartikel nog langer worden. Met
het oog op de leesbaarheid van artikel 9 AOW is besloten "brutominimumloon"
in artikel 1 te definiëren, zodat omschrijving in
artikel 9 niet meer
nodig is. Ook de verwijzingen naar artikel 9
AOW in artikel 11 AOW
en naar artikel 8 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag in
artikel 35, derde lid, onderdeel e, onder 7º, AOW worden daarmee
overbodig. Er is geen sprake van inhoudelijke wijziging.
B
Voor een toelichting op
onderdeel B, onder 1 en 2, wordt verwezen naar de
toelichting op onderdeel A en op artikel 3.8.1, onderdeel
A, en voor een
toelichting op
onderdeel B, onder 3, naar de toelichting op artikel
3.8.1, onderdeel B en C.
D
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.1, onderdeel D.
Artikel 3.8.3
Met betrekking tot de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt
verwezen naar de
toelichting op artikel 3.8.1, onderdeel E.
Artikel 3.8.4
A en
B
Op 1 juli 1967 werden, in
verband met de inwerkingtreding van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), bij artikel 3 van de Liquidatiewet
ongevallenwetten onder meer de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 ingetrokken. Artikel 12,
eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten bevatte overgangsrecht
inhoudende dat degenen die vóór die dag op grond van die wetten
recht op (vergoeding van) genees- en heelkundige behandeling hadden, dat
recht verloren. Wel konden ze met ingang van die dag rechten aan de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsregelingen,
de AWBZ
of de Zfw
te
ontlenen. Omdat niet volledig uit te sluiten valt dat er op
dit moment nog personen zijn die op grond van dit overgangsrecht rechten
aan - met name - de AWBZ ontlenen, wordt dit artikel nog niet
geschrapt. De - overigens inmiddels ook wat betreft redactie verouderde
- verwijzing naar aan de Zfw te ontlenen rechten dient echter wel te worden geschrapt, nu
die wet met voorliggende wet
wordt ingetrokken.
Betreffende personen zullen, net als alle andere inwoners, een zorgverzekering
dienen te sluiten (of voor zich te laten sluiten), waarna ze uiteraard bij
zorgbehoefte de rechten uit die verzekering kunnen genieten. Dat
hoeft echter niet in voorliggende bepaling te worden opgenomen.
Artikel 30 van de
Liquidatiewet
ongevallenwetten regelt dat het Arbeidsongeschiktheidsfonds
het CVZ een bedrag overmaakt voor de genees- en heelkundige
behandeling die vanaf 1 juli 1967 voor bovenbedoelde personen voor rekening
van de Zfw
en de AWBZ
komt. Dit artikel is uitgewerkt en
kan derhalve vervallen.
rblz.|91|
Artikel 3.8.5
Artikel 2 van de Wet van
3 april 1985, houdende overgangsmaatregel met betrekking tot
loonbetalingen tijdens ziekte en aanvullingen op de wettelijke ziekengelduitkering
(overgangsmaatregel bovenwettelijke uitkeringen) (Stb. 1985, 215), bepaalt onder
meer dat vóór 1 november 1984 afgesproken of op grond van gewoonte gebaseerde rechten op
loondoorbetaling
gedurende het eerste ziektejaar, vervallen voor zover deze inhouden dat de door
de werknemer op grond van de Werkloosheidswet (WW), de
Ziektewet (ZW), de Zfw
of de WAO verschuldigde premies geheel of
gedeeltelijk voor rekening van de werkgever komen. De verwijzing naar
de WW, ZW en de WAO zal in de Verzamelwet SZW 2005, met ingang van
1 januari 2006 nog worden gewijzigd in een verwijzing naar de
premies als bedoeld in de Wfsv. Aangezien ingevolge artikel 46
Zvw
de werkgever verplicht is de inkomensafhankelijke bijdrage
die de werknemer over
zijn loon verschuldigd is geheel te vergoeden, is vertaling van het
Zfw-aspect in die zin dat eerder bedoeld recht vervalt voor zover dat behelst
dat de werkgever de over het loon verschuldigde inkomensafhankelijk
bijdrage Zvw
vergoedt, niet mogelijk. Dan zou immers sprake zijn van
twee elkaar tegensprekende wetsbepalingen. Daarom vervalt dit
gedeelte van artikel 2 van de Wet overgangsmaatregel bovenwettelijke
uitkeringen.
Artikel 3.8.6
A
Over de toeslag dient op
dezelfde wijze premie voor de sociale verzekeringen als bedoeld in de Wfsv en
de Zfw
te worden geheven als over de loondervingsuitkering
waaraan deze gekoppeld is, zo bepaalt artikel 15, tweede lid, van de
Toeslagenwet (TW) na inwerkingtreding van de Wfsv. Dat uitgangspunt dient te
blijven gelden. De wijziging van artikel 15, tweede lid,
TW vloeit
voort uit het feit op grond van de Zvw
geen inkomensafhankelijke premies meer worden
geheven, maar inkomensafhankelijke bijdragen.
B
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.1, onderdeel D.
Artikel 3.8.7
A
Artikel
11, eerste lid,
van de Werkloosheidswet (WW) bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) als werkgever van
bepaalde uitkerings- en
toeslaggerechtigden wordt beschouwd. Het tweede lid van dat
artikel maakt daar een uitzondering op voor het geval de uitkering en de
daarover verschuldigde premies via de (ex-)werkgever wordt betaald: in dat
geval geldt, hoewel het UWV nog steeds betaalt, deze (ex-)werkgever als
werkgever. Het UWV is over de WW-uitkering ook een vergoeding als
bedoeld in artikel 46 Zvw
verschuldigd. Daarom is deze in artikel 11,
tweede lid, toegevoegd.
B
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.1, onderdeel D.
rblz.|92|
C
Werkgeversbijdragen aan
een particuliere of een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering kunnen verloren
gaan
indien de betrokken verzekerde op een uitkering
ingevolge de WW aangewezen raakt. Artikel
47, vierde lid, van de WW zoals dat
artikel met ingang van 1 januari 2006 komt te luiden na
inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel C, van de
Wet administratieve lastenverlichting en
vereenvoudiging in socialezekerheidswetten (Walvis) voorziet voor niet-Zfw-verzekerde WW-gerechtigden in een opslag op de loongerelateerde
WW-uitkering, ter hoogte van de inkomensafhankelijke
werkgeverspremie die het
UWV over de uitkering verschuldigd zou zijn
indien betrokkene Zfw-verzekerd zou zijn geweest. Dit artikellid kan vervallen, nu het UWV na inwerkingtreding van de
Zvw
voor alle WW-gerechtigden
de vergoeding, bedoeld in artikel 46 Zvw
verschuldigd zal zijn.
D
De voorliggende wijziging
brengt met zich dat het
UWV ook de vergoeding, bedoeld in artikel 46
Zvw, over WW-uitkeringen aan overheidswerknemers bij de overheidswerkgever
kan verhalen.
Artikel 3.8.8
Op grond van
hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en zorg heeft een
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst gedurende haar zwangerschaps- en
bevallingsverlof recht op een door het
UWV uit te betalen uitkering. Die
uitkering kan aan haar worden verstrekt, maar ook kan, als zijn dat wenst,
de uitkering worden uitbetaald aan iemand die haar vervangt. In dat
laatste geval wordt de uitkering vermeerderd met het bedrag aan premies
dat het UWV bij uitbetaling aan de verlofgenietende zelf, daarover verschuldigd zou zijn, zo bepaalt
artikel 3:24 van de
Wet arbeid en zorg.
Gezien het uitgangspunt van artikel 3:24 van de
Wet arbeid en zorg ligt het
in de rede, nu afzonderlijk is bepaald dat de uitkering van een vervanger met de
premies - waaronder vóór 1 januari 2006 het werkgeversgedeelte in
de inkomensafhankelijke premie Zfw
- wordt verhoogd, voor de
toekomst te bepalen dat deze uitkering ook wordt verhoogd met de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zvw.
Artikel 3.8.9
De
Wet arbeid
mijnbouw Noordzee bevat enkele bepalingen ter bescherming van
werknemers die vanaf een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat
werken
of die in verband met die mijnbouw werken op of vanaf een schip dat
boven de Nederlandse territoriale wateren dan wel het continentaal plat
ligt en die niet in Nederland wonen (maar wel verblijven). Komen deze
buitenlandse werknemers van buiten de EU, dan zijn zij niet verzekerd
op grond van de sociale verzekeringen. De Wet arbeid mijnbouw Noordzee
biedt die werknemers bescherming. Zo brengt artikel 4 met zich dat
een werkgever voor zo’n werknemer een ziektekostenverzekering moet afsluiten die ten
minst een gelijke dekking geeft als de Zfw. Dit artikel geldt echter niet voor ziekenfondsverzekerden, voor
personen die een loon
hebben dat boven de Zfw-grens ligt of voor personen die op grond van
de wetgeving van een andere EU-lidstaat tegen de kosten van geneeskundige zorg verzekerd is. Sluit de werkgever
een
ziektekostenverzekering, dan mag hij op het loon van de werknemer een bedrag inhouden dat
gelijk is aan het bedrag dat de werknemer verschuldigd zou zijn indien deze ziekenfondsverzekerd zou zijn geweest.
rblz.|93|
Verzekerd voor de Zfw
zijn, voor zover hier van belang, werknemers in de zin van de
Ziektewet
(ZW). Werknemers die arbeid buiten Nederland verrichten, zijn geen
werknemers in de zin van de ZW en dus niet Zfw-verzekerd, tenzij zij
in Nederland wonen en hun werkgever tevens in Nederland woont of
gevestigd is. Aangezien het continentaal plat gedeeltelijk buiten de Nederlandse
territoriale wateren ligt en dus niet tot het Nederlands grondgebied
behoort, verricht een werknemer die daar op een mijnbouwinstallatie of op
of vanaf een schip werkt geen arbeid in Nederland. Het gevolg is dat hij
niet onder de Zfw-verzekering kan vallen, tenzij hij in Nederland woont en
bovendien zijn werkgever in Nederland woont of gevestigd is. In alle andere gevallen (werknemer woont buiten Nederland
of werkgever heeft zich
buiten Nederland gevestigd of woont daar) dient de werkgever zijn
werknemer dus te verzekeren, tenzij deze op grond van de wetgeving van een andere EU-lidstaat verzekerd is. De reikwijdte
van de Zvw
is een andere
dan die van de Zfw: voor zover hier van belang is
verzekeringsplichtig iedereen die in Nederland woont of [of voor, red.]
in Nederland verrichte
arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. De plaats waar de werkgever
gevestigd is of woont, is niet meer van belang.
A
Een bescherming zoals
artikel 4 van de Wet
arbeid mijnbouw Noordzee levert, blijft, nu arbeid
boven het continentaal plat geen arbeid in Nederland is, echter van belang
voor buiten Nederland wonende werknemers die niet op grond van de
wetgeving van een andere EU-lidstaat tegen ziektekosten verzekerd zijn. Daarom blijft de plicht van de werkgever om
deze werknemers te
verzekeren tegen ziektekosten in stand. De dekking dient ten minste gelijk
te zijn als het pakket dat op grond van de zorgverzekering gedekt dient te worden.
Anders dan onder de Zfw,
kent de Zvw
geen inkomensafhankelijke premie die netto voor rekening
van de werknemer komt. Wel kent de Zvw een (nominale) premie, die
gemiddeld hoger zal zijn dan de nominale Zfw-premie. Een
letterlijke vertaling van artikel 4, vijfde lid, Wet
arbeid mijnbouw Noordzee is
daarom niet mogelijk. Zonder bepaling zou de werkgever echter de
gehele premie van de door hem te sluiten particuliere ziektekostenverzekering
voor zijn rekening moeten nemen, waarmee de werknemers ten
opzichte van in Nederland wonende werknemers in een gunstiger positie
zouden komen. Er zou aan kunnen worden gedacht om de werkgever het recht
te geven op het loon van de werknemer een bedrag in mindering te brengen gelijk aan maximaal de standaardpremie als bedoeld in artikel 4
van de Wzt. Echter, daarmee zouden deze werknemers weer in een slechtere
positie komen dan de in Nederland wonende werknemers. Die hebben immers recht op een zorgtoeslag. De zorgtoeslag
compenseert echter niet
de gehele standaardpremie. Bij alleenstaanden blijft een premiebedrag
ter hoogte van 4% van het inkomen namelijk in ieder geval
voor rekening van de werknemer. Alles tegen elkaar afwegende, is
daarom besloten de werkgever de bevoegdheid te geven voor de door hem te
verzekeren werknemers een bedrag van maximaal 4% - of, indien dat
percentage later bij de AMvB, bedoeld in artikel
2, derde lid van de Wzt,
gewijzigd wordt, het gewijzigde percentage - van het loon op dat loon in
mindering te brengen.
B
Artikel 5 van de
Wet arbeid mijnbouw
Noordzee was van belang om te bepalen of het loon van
een werknemer onder de Zfw-grens lag. Nu de Zvw
geen loongrenzen meer
kent, dient dit artikel te vervallen.
rblz.|94|
Artikel 3.8.10
A
In artikel
10, tweede
volzin, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is
geregeld dat een WAZ-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid die
bovendien hulpbehoevendheid met zich brengt, in afwijking van
de eerste volzin niet tot grondslagverhoging leidt indien de
arbeidsongeschikte in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste
van een verzekering inzake ziektekosten komen. Doorgaans zal het hier om
een verzekering in de zin van de AWBZ zijn gegaan. De voorgestelde wijziging hangt samen met de overheveling van
het eerste jaar klinische
psychiatrie van de dekking van de AWBZ naar de dekking van de
zorgverzekering. Zij stelt buiten discussie dat de grondslagverhoging niet
geldt gedurende het eerste jaar van opname in een instelling voor
geestelijke gezondheidszorg. Verzekeringen die de behoefte aan zorg dekken,
kunnen dit doen door die zorg aan de verzekerde te laten leveren (de zogenoemde
"naturaverzekering") of door de verzekerde de kosten die
hij voor de benodigde zorg heeft gemaakt te vergoeden
(restitutieverzekering). Van het verwijzen naar een zorgverzekering
"als bedoeld in de Zvw"
is afgezien om aan te geven dat de grondslagverhoging ook
niet geldt indien een verzekerde voor rekening van een andere
naturaverzekering dan een zorgverzekering in de zin van de Zvw in een inrichting
verblijft. Daardoor blijft de huidige reikwijdte van artikel
10, tweede
volzin, WAZ behouden.
B
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.1, onderdeel D.
C
In
artikel 58 WAZ wordt
geregeld dat arbeid niet leidt tot intrekking of herziening van de WAZ-uitkering, zolang niet vaststaat dat de verzekerde die arbeid zal kunnen
blijven verrichten. In plaats daarvan worden de verdiensten uit die
arbeid op de WAZ-uitkering in mindering gebracht. Artikel
58, vierde lid,
WAZ regelt dat het gedeelte van de WAZ-uitkering dat dientengevolge niet aan
een werknemer als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw)
wordt uitgekeerd, tezamen met het werkgeversdeel in de premies werknemersverzekeringen (waaronder tot inwerkingtreding
van de Zvw
ook het
werkgeversdeel in de Zfw-premie) aan ’s Rijks kas wordt afgedragen.
Op grond van de Zvw is
een Wsw-er respectievelijk WAZ-uitkeringsgerechtigde over zijn uitkering een
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd (artikelen 41 en
43 Zvw), die echter volledig door zijn werkgever respectievelijk het
UWV wordt vergoed (artikel 46 Zvw) en ook door de werkgever respectievelijk het UWV
wordt ingehouden en aan de belastingdienst wordt afgedragen
(artikelen
48 en 59 Zvw). De belastingdienst draagt deze bijdragen aan het
Zorgverzekeringsfonds af (artikel 39 Zvw).
De vertaling van artikel
58, vierde lid, WAZ naar de Zvw-situatie brengt met zich dat het UWV
iedere maand de door hem vergoede inkomensafhankelijke bijdragen over het
geraamde bedrag aan WAZ-uitkeringen die tengevolge van de
Wsw-arbeid niet tot uitkering komen, aan ’s Rijks kas in plaats van aan de
belastingdienst moet afdragen. Het Zorgverzekeringsfonds mist geen bijdragen,
aangezien het de bijdrage over de Wsw-inkomsten alsmede
het wél tot uitbetaling komende deel van de WAZ-uitkering ontvangt.
rblz.|95|
Artikel 3.8.11
A
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.10, onderdeel A.
B
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.1, onderdeel D.
C
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.10, onderdeel C. De tweede volzin van het voorgestelde
artikel 50, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) is wat betreft de inhoud
geheel gelijk aan het laatste gedeelte van het huidige artikel
50,
vierde lid, Wajong.
Artikel 3.8.12
A
Na inwerkingtreding van
de Zvw
zullen het CVZ en CTZ hun basis vinden in die
wet, in plaats van
in de Zfw.
B
Nu de vrijwillige
AWBZ-verzekering komt te vervallen (zie artikel 3.1.1, onderdeel
N), dient dit
ook in de definitie van "vrijwillige volksverzekering" in de Wet financiering
sociale verzekeringen (Wfsv) te worden verwerkt.
C
Artikel 17
AWBZ voorziet
in de - vooralsnog niet gebruikte - mogelijkheid om bij AMvB een nominale,
aan het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan
verschuldigde premie in te voeren. De AWBZ zal na
inwerkingtreding van de Zvw
door de zorgverzekeraars worden uitgevoerd. Daarom
wordt in artikel 3.1.1 van voorliggend wetsvoorstel
artikel 17
AWBZ zo gewijzigd dat de nominale premie aan de zorgverzekeraars
verschuldigd zal zijn. Het is niet nodig het bestuursorgaan waaraan de nominale
premie verschuldigd is in artikel 5 Wfsv nogmaals te noemen.
D
Artikel
16, tweede lid,
onderdeel c, Wfsv bepaalt dat het werkgeversdeel in de ziekenfondspremie en
andere, alsmede bijdragen [en andere bijdragen, red.] van werkgevers in (premies voor)
particuliere verzekeringen of andere zorg- en ziektekostenregelingen niet tot het loon in de
zin van de werknemersverzekeringen of de WAZ behoren. Onder de
Zvw
bestaat er geen werkgeversdeel in de ziekenfondspremie meer,
maar wordt gesproken van een volledige vergoeding van de
inkomensafhankelijke bijdrage die de verzekeringsplichtige werknemer over zijn loon
verschuldigd is. In het voorgestelde artikel
16, tweede lid,
onderdeel c, Wfsv wordt geregeld dat deze in artikel 46 van de
Zvw
geregelde
vergoeding buiten het loon in de zin van eerder genoemde wetten valt. Zou dat niet
gebeuren, dan zou die werkgeversvergoeding leiden tot een verhoging
van een uitkering op grond van de
werknemersverzekeringen of van de WAZ, terwijl die vergoeding louter bedoeld is als
compensatie voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. rblz.|96|
De
vergoeding behoort
overigens wel tot het loon in de zin van de loon- en inkomstenbelasting.
Aangezien het onderscheid
tussen ziekenfondsverzekering, particuliere ziektekostenverzekering
en een recht op vergoeding op grond van publiekrechtelijke ziektekostenregelingen
komt te vervallen en in de toekomst vrijwel iedere ingezetene,
alsmede iedere niet-ingezetene die ter zake van in Nederland in
dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen,
verzekeringsplichtig is overeenkomstig de Zvw, hoeven deze groepen niet meer
afzonderlijk te worden genoemd. Er is slechts één groep niet-Zvw-verzekeringsplichtigen die in aanmerking kan komen voor
een uitkering op grond
van de werknemersverzekeringen en dat betreft de groep militairen in
werkelijke dienst als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a,
Zvw. Deze
personen vallen onder regelingen van het ministerie van
Defensie. De Minister
van Defensie verstrekt echter wel een bijdrage in de
procentuele premie voor de verzekering van deze militairen, zodat het in de rede
ligt dit werkgeversdeel af te blijven trekken van het loon voor de werknemersverzekeringen (en de
WAZ).
E en
F
Aangezien de door de
werkgever te verstrekken vergoeding, bedoeld in artikel 46
Zvw, geen
premie is, dient deze expliciet in de artikelen
28, vierde lid, en 38, tweede
lid, Wfsv te worden genoemd.
G
In artikel 3.8.18,
onderdeel B, wordt voorgesteld onderdeel e van artikel
33, tweede lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, onder
verlettering van onderdeel f tot onderdeel e, te schrappen. Voorliggende wijziging
sluit daar op aan.
H
Subonderdeel 1
Indien een vrijstelling
wegens gemoedsbezwaren is gegeven voor één van de volksverzekeringen,
wordt, zo bepaalt artikel 65, eerste lid, Wfsv, voor alle volksverzekeringen
premievervangende belasting geheven. Derhalve ook voor de
volksverzekeringen waarvoor geen ontheffing heeft. Hiervoor is gekozen met het oog
op
de uitvoerbaarheid voor de belastingdienst.
In de Zvw
is geregeld dat
degene die wegens gemoedsbezwaren van zijn rechten en plichten uit
de AWBZ (een volksverzekering in de zin van de
Wfsv) is ontheven niet
verzekeringsplichtig is in de zin van de Zvw. Van hem wordt op grond van
artikel 57 van de Zvw
een belasting geheven die de inkomensafhankelijke
bijdrage die verzekeringsplichtigen verschuldigd zijn, vervangt. De
wijziging in subonderdeel 1 leidt er, wederom met het oog op de uitvoerbaarheid
voor de belastingdienst, toe dat zodra er vrijstelling is voor de rechten en verplichtingen op grond van de
AOW of Anw, voor alle
volksverzekeringen én voor de Zvw premie- respectievelijk bijdragevervangende
belasting wordt geheven. Wat betreft de bijdragevervangende belasting Zvw geschiedt
dit met overeenkomstige toepassing van artikel
57, eerste en
tweede lid Zvw. Heeft betrokkene naast een eventuele vrijstelling
voor de AOW of Anw een vrijstelling voor de AWBZ, dan geldt als gezegd
automatisch een vrijstelling van de verzekeringsplicht voor de Zvw. In dat geval
geschiedt de heffing van de bijdragevervangende belasting Zvw
rechtstreeks op grond van artikel 57 Zvw
(terwijl de heffing van
de premievervangende belasting AWBZ en eventueel de premievervangende
belasting AOW of Anw op grond van artikel 65, eerste lid,
Wfsv gebeurt). Het onderscheid is van belang, want alleen
rblz.|97|
als betrokkene geen
verzekeringsplicht voor de Zvw heeft, wordt het bedrag van de
bijdragevervangende belasting op de spaarrekening, bedoeld in artikel 70
Zvw,
gestort (artikel 57, derde lid, Zvw).
Subonderdeel 2
Door middel van de
wijziging van het derde lid van artikel 65
Wfsv wort bewerkstelligd dat de
bijdragevervangende belasting Zvw
- zowel de belasting die
rechtstreeks op grond van artikel 57 Zvw
is geheven als de belasting die op grond
van het eerste lid met overeenkomstige toepassing van artikel 57
Zvw
is
geheven - voor de Wet
inkomstenbelasting 2001, de Wet
op de loonbelasting 1964 en de Invorderingswet
1990 als inkomensafhankelijke
bijdrage op grond van de Zvw wordt beschouwd.
I, J en
K
Nu de vrijwillige
AWBZ-verzekering komt te vervallen (zie artikel 3.1.1, onderdeel
N), dienen
verwijzingen daarnaar in artikel 69, 70 en
71 Wfsv ook te vervallen.
L
Subonderdelen 1 en
4
De wijzigingen in deze
subonderdelen hangen samen met het vervallen van de vrijwillige AWBZ-verzekering (zie de
algemene toelichting en artikel 3.1.1, onderdeel
N) en, wat betreft het vierde onderdeel, het daarmee gepaard gaande
overgangsrecht (zie artikel 3.1.2).
Subonderdelen 2 en
5
Deze wijzigingen hangen
samen met artikel 6 van de AWBZ zoals dit na de inwerkingtreding van de
Wet
herziening overeenkomstenstelsel zorg is komen te luiden.
Subonderdeel 3
Nu
artikel
14a, derde
lid, Zfw
in de Zvw
niet terugkeert, dient de verwijzing naar artikel 14a, derde
lid, Zfw
in het tweede lid van artikel 90
Wfsv komen te vervallen.
Subonderdelen 6 en
7
Uit het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten (AFBZ) te financieren subsidies zullen na
inwerkingtreding van de Zvw
niet meer op artikel 1p van de Zfw
berusten, maar
op artikel 44 AWBZ.
Subonderdelen 8 en
9
Conform de nieuwe
verslagleggingsterminologie in paragraaf 6.3
Zvw
(voor zover hier van
belang artikel 74 Zvw) wordt in
artikel 45
AWBZ gesproken van een
"jaarrekening" in plaats van een "financieel verslag"
over het AFBZ.
Onderhavige subonderdelen strekken ertoe deze terminologie ook in de Wfsv
te
gebruiken.
M
Op grond van
paragraaf
5.2 van de Zvw
is de Zvw-verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke
bijdrage verschuldigd over zijn bijdrage-inkomen. De inkomensafhankelijke
bijdrage over door de Minister van VWS aan te wijzen
loon
dient ingevolge artikel 46 Zvw
echter door de werkgever of
uitkeringsinstantie die dat loon uitbetaalt, aan de
verzekeringsplichtige te worden vergoed. De
uitkering ingevolge de WW alsmede de uitkeringen op grond
van artikel 29 van de ZW zullen worden aangewezen als uitkeringen waarover
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is, met als gevolg dat
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
rblz.|98|
(UWV) de
inkomensafhankelijke bijdrage aan de WW- respectievelijk ZW-gerechtigde dient te
vergoeden. De wijziging in onderdeel M verdeelt de lasten
hiervan over de wachtgeldfondsen (artikel 104
Wfsv), het Algemeen
Werkloosheidsfonds (artikel 100 Wfsv) en het Uitvoeringsfonds voor de
overheid (artikel 108 Wfsv). Overigens geldt wat door middel van de vijf
wijzigingen in de Wfsv geregeld wordt, op dit moment reeds voor het
werkgeversdeel in de inkomensafhankelijke premie Zfw. Aangezien de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 Zvw, anders dan dat als premie
beschouwde werkgeversdeel, geen premie is, dient deze nu expliciet in
eerder genoemde Wfsv-artikelen te worden opgenomen.
N
Subonderdeel 1
Hetgeen bij onderdeel
M is
toegelicht, geldt mutatis mutandis ook voor de uit het
Arbeidsongeschiktheidsfonds te financieren uitkeringen.
Subonderdeel 2
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.10, onderdeel C.
O
Subonderdeel 1
Hetgeen bij onderdeel
M is
toegelicht, geldt mutatis mutandis ook voor de uit de
Arbeidsongeschiktheidskas te financieren uitkeringen.
Subonderdeel 2
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.10, onderdeel C.
P
De Ziekenfondswet dient
te worden gewijzigd in "Zorgverzekeringswet". De AWBZ
hoeft niet
afzonderlijk te worden genoemd, aangezien deze onder de
volksverzekeringen valt (zie artikel 2 Wfsv).
Artikel 3.8.13
A
Hoofdstuk II, paragraaf
5, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) gaat over de terugvordering
van uitkeringen. In artikel 31 Ioaz wordt geregeld wat in dit verband onder
"uitkering" wordt verstaan: de Ioaz-uitkering, verminderd met de
inhouding op grond van artikel 10 Ioaz en vermeerderd met het werkgeversaandeel
in de Zfw-premie. Na inwerkingtreding van de Zvw
komt de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 Zvw, die de
gemeente over de Ioaz-uitkering verstrekt in de plaats van dit werkgeversdeel.
B en
C
Artikel 45 somt de
personen en instanties op die aan burgemeester en wethouders of de Centrale
organisatie werk en inkomen kosteloos opgaven en inlichtingen
dienen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Ioaz.
Artikel 48 regelt dat burgemeester en wethouders onder meer gegevens
mogen
verstrekken aan het CVZ, het CTZ, de ziekenfondsen en de
(overige) uitvoerders van de AWBZ, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de Zfw
of de AWBZ. Met de wijziging in de
onderdelen B en C
wordt de terminologie in het eerste lid, rblz.|99|
onderdeel d, van die
artikelen aangepast aan de situatie die na inwerkingtreding van de Zvw
ontstaat. Het
noemen van zowel artikel 1, onderdeel b,
Zvw
als artikel 1, onderdeel
b, AWBZ hangt samen met het feit dat een
zorgverzekeraar in de zin
van de Zvw vaak tevens zorgverzekeraar (uitvoerder) in de zin
van de AWBZ zal zijn, maar dat dat niet verplicht is. Hij kan zich ook beperken
tot het aanbieden en uitvoeren van zorgverzekeringen.
D
Op grond van
artikel 56
Ioaz wordt 75% van de Ioaz-uitkeringen, waaronder begrepen de daarover verschuldigde premies volksverzekeringen
en de ziekenfondspremie,
uit ’s Rijks kas vergoed. In de toekomst zal over de Ioaz-uitkering geen
ziekenfondspremie verschuldigd zijn, maar zal de Ioaz-gerechtigde een inkomensafhankelijke bijdrage moeten betalen. Op
grond van artikel 46 Zvw
dienen burgemeester en wethouders de Ioaz-gerechtigde deze bijdrage volledig te
vergoeden. Daarom zal in artikel 56 Ioaz na inwerkingtreding
van de Zvw
naar deze vergoeding, die burgemeester en wethouders jegens de
uitkeringsgerechtigde verschuldigd zijn, worden verwezen.
Artikel 3.8.14
A
Voor een toelichting op
dit onderdeel van de wijziging van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt
verwezen naar de toelichting op artikel 3.8.13, onderdeel
A.
B en
C
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.13, onderdeel B en C.
D
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.13, onderdeel D.
Artikel 3.8.15
(Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering)
A
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.7, onderdeel A.
B
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.7, onderdeel C.
C
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.10, onderdeel A.
D
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.10, onderdeel C.
E
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.1, onderdeel D.
rblz.|100|
F en
G
De artikelen
71, tweede
lid, en 75a, vierde en vijfde lid, en
75b, vijfde en zevende lid, WAO gaan
over het betalen, verhalen of afdragen van WAO-uitkering. Telkens is
daarbij bepaald dat de te betalen, verhalen of af te dragen uitkering wordt
vermeerderd met de over de uitkering verschuldigde premies die
niet op de uitkering in mindering kunnen worden gebracht. Het gaat
om het werkgeversdeel in, onder meer, de procentuele Zfw-premie.
Na inwerkingtreding van de Zvw
gaat het, zoals in de toelichting op
artikel 3.8.1, onderdeel A, nader is uiteengezet, om de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 Zvw.
Artikel 3.8.16
A
Op grond van
artikel 28
van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
Rea) heeft een
arbeidsgehandicapte zelfstandige die tijdens
reïntegratie-inspanningen inkomen derft recht op een door het
UWV uit te keren toelage
die overeenkomt met het gederfde inkomen. De artikelen
29, 32 en het
op die artikelen gebaseerde Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea bepalen dat
iemand met een arbeidsongeschiktheidsuitkering die gaat werken en die
daarmee minder verdient dan zijn
theoretische verdiencapaciteit, recht heeft op een inkomens- of een
loonsuppletie, die wat betreft de premieheffing en inhouding als WAZ-uitkering (bij werk als zelfstandige) dan wel
WAO-uitkering (bij werk
als werknemer) wordt beschouwd. Artikel 29b
ZW geeft de
arbeidsgehandicapte die gaat werken of degene die op bepaalde wijze arbeid als bedoeld
in de Wsw verricht, als zij ziek worden recht op
ZW-uitkering. Deze
toelagen, suppleties en uitkeringen komen, zo bepaalt artikel
43, eerste lid,
Wet Rea, tezamen met de daarover verschuldigde premies, voor rekening
van het Reïntegratiefonds. De voorgestelde wijziging bewerkstelligt dat
hetzelfde geldt voor de vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage die het UWV over
de toelage, de suppleties en ZW-uitkering verschuldigd
is. (Het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea zal hiertoe worden aangepast en voorts zal op grond van de Zvw
geregeld worden dat het
UWV over de toelage, bedoeld in artikel 28 van de
Wet Rea, de vergoeding
verschuldigd is).
B
Met ingang van 1 juli
1998 werden niet meer voor rekening van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
maar voor rekening van het AFBZ blindengeleidenhonden in
bruikleen verstrekt. Dit geschiedt sindsdien onder
verantwoordelijkheid van het CVZ. In artikel
57, zesde, zevende en achtste lid, van de
Wet Rea werd in de overgang van het eigendom van de honden en van de
overeenkomsten aangaande het opleiden en het gebruik van de honden van
het
UWV op het CVZ voorzien. Hoewel de wijze waarop het CVZ de
honden financiert inmiddels is gewijzigd in subsidiëring van
hondenschool en slechtziende en het CVZ nieuwe honden niet meer in
eigendom krijgt, zijn er op dit moment nog steeds honden in eigendom van
het CVZ. Daarom kunnen eerder genoemde leden van artikel
57 Wet Rea nog niet vervallen. In plaats daarvan worden ze aangepast aan de
nieuwe situatie (de Ziekenfondsraad is inmiddels door het CVZ vervangen).
Artikel 3.8.17
De Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering regelde de overgang van
de Invaliditeitswet en diverse ongevallenwetten rblz.|101|
naar de WAO. Die wet
trad, tegelijk met de WAO, op 1 juli 1967 in werking. In de eerste
leden van de artikelen 43 en 44 van de Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering was geregeld dat (bepaalde) zorg die ten
laste van de invaliditeits- of ongevallenwetten reeds vóór 1 juli 1967 aan personen was verleend, na die datum werd
voortgezet. In de tweede
leden van die artikelen stond dat dit ook gold indien deze personen niet
Zfw- of
AWBZ-verzekerd waren. Laatstbedoelde leden kunnen vervallen,
nu op grond van de AWBZ alle ingezetenen van rechtswege verzekerd zijn en op grond van de
Zvw
(vrijwel) alle ingezetenen verzekeringsplichtig
zijn. Nog afgezien van het feit dat betwijfeld kan worden of er op dit
moment nog één persoon is aan wie de zorg nog op grond van de artikelen
43 of 44 van de Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt voortgezet, is er
in ieder geval geen reden om het tweede lid
van deze artikelen te handhaven. Immers, (vrijwel) alle
ingezetenen zijn op grond van de AWBZ van rechtswege verzekerd dan wel op
grond van de Zvw verzekeringsplichtig en er is geen reden om personen
die zich desondanks niet inschrijven (AWBZ) of verzekeren (Zvw) onder
het regime van het tweede lid te blijven bevoordelen. Daarom worden die leden
geschrapt.
Artikel 3.8.18
A
Door middel van de in
onderdeel A opgenomen wijziging wordt de Zvw
buiten het begrip "werknemersverzekering" in de zin van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Wet SUWI) gebracht. Anders dan de Zfw, is de
Zvw immers niet een primair op werknemers gerichte wet.
B
Artikel 5, onderdeel
E,
van de IWfsv voorziet in een nieuw artikel 33 van de
Wet SUWI, waarin de
polisadministratie wordt geregeld. In die administratie worden door de belastingdienst, het
UWV, de ziekenfondsen en het Centraal
bureau voor de statistiek gegevens verwerkt die van belang zijn voor het doen van
uitkeringen ingevolge de werknemersverzekeringen, voor de verwerking van
fiscale gegevens ten behoeve van de uitvoering van de taken van de belastingdienst, voor de
Zfw-inschrijving bij een ziekenfonds en voor de
statistieken van arbeid en lonen. Tengevolge van de invoering van de Zvw
dient artikel 33 Wet
SUWI op enkele punten te worden aangepast.
Subonderdeel 1
De inkomensafhankelijke
bijdrage die de werknemer over zijn loon verschuldigd is, wordt
door zijn werkgever - tegelijk met de loonbelasting - aan de belastingdienst
afgedragen (artikel 49, eerste lid, Zvw). Het ligt in de rede dat de belastingdienst ook de nominatieve gegevens over over het loon ingehouden
inkomensafhankelijke bijdragen in de polisadministratie verwerkt.
Subonderdelen
2, 3 en
4
Anders dan de
Zfw, is de Zvw
niet in hoofdzaak op de verzekering van werknemers gericht
(immers, hoofdregel is dat alle inwoners zich dienen te verzekeren) en wordt
de zorgverzekeringspremie door de (private) zorgverzekeraar waarmee
de verzekeringplichtige de zorgverzekeringsovereenkomst heeft gesloten, geheven.
Omdat gegevens voor de Zfw-inschrijving niet
meer hoeven te worden verwerkt, komt onderdeel e van artikel
33, tweede
lid, van de Wet SUWI te vervallen. Daarom ligt het, minder dan voor de
Zfw,
in de rede de polisadministratie SUWI te rblz.|102|
gebruiken voor het
opslaan en verstrekken van gegevens over wie een zorgverzekering heeft. In
de toekomst zal iedere zorgverzekeraar zijn verzekerden registreren
en daarnaast dient op grond van artikel 35
Zvw
het CVZ
te zorgen voor
een landelijke administratie van verzekerden.
C
De
Sociale verzekeringsbank krijgt via artikel
5, onderdeel H, van de IWfsv, dat aan artikel
34, eerste lid, een onderdeel
h, Wet SUWI toevoegt, een extra taak. Het dient, voor zover dat uit
internationaalrechtelijke voorschriften voorvloeit of tussen de betrokken
bestuursorganen is overeengekomen, te zorgen voor gegevensverkeer met het
buitenland, opdat de socialezekerheidswetten goed kunnen worden
uitgevoerd. Wat betreft de Zfw
en de AWBZ
betreft dit overigens slechts de
aan het CVZ opgedragen taken. Door middel van
onderdeel C van artikel
3.8.18 wordt artikel 34, eerste lid, onderdeel
h, van de Wet SUWI aangepast op
de situatie die na inwerkingtreding van de Zvw
zal ontstaan. De AWBZ
is toegevoegd omdat de verplichte verzekering voor de AWBZ een
noodzakelijke voorwaarde is voor het kunnen sluiten van een
zorgverzekering (zie artikel 2 Zvw). De AWBZ valt namelijk niet onder het begrip
"volksverzekering" in de zin van de Wet
SUWI (zie artikel 1, onderdeel
m, van
de Wet SUWI zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van
artikel 5, onderdeel A, IWfsv). Omdat AWBZ-verzekerden zich niet hoeven te
verzekeren indien zij militair in werkelijke dienst of gemoedsbezwaarde zijn,
wordt ook het verzekeringsplichtig zijn op grond van de Zvw afzonderlijk
genoemd, al zal gegevensverkeer met het buitenland over deze punten naar
verwachting slechts zelden nodig zijn.
D
Artikel
54, derde lid,
Wet SUWI regelt welke instanties verplicht zijn gegevens en inlichtingen te
verstrekken aan de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
UWV, de Sociale
verzekeringsbank,
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
Inspectie Werk en Inkomen. Het gaat onder meer om het CVZ, de ziekenfondsen en de uitvoeringsorganen in de zin van de
AWBZ (dat wil zeggen:
ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en de organen die publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor ambtenaren uitvoeren). Na inwerkingtreding van
de Zvw
zal het CVZ gebaseerd zijn op die wet, terwijl de Zvw en de AWBZ
zullen worden uitgevoerd door de zorgverzekeraars. In onderdeel D wordt
artikel 54, derde lid, onderdeel d, van de Wet
SUWI aan de nieuwe
situatie aangepast. Overigens dienen slechts gegevens te worden
verstrekt voor zover deze voor de taakuitoefening van de hierboven genoemde
organisaties noodzakelijk zijn. In de praktijk zal de gegevensverstrekking aan het UWV minder inhoud krijgen.
Artikel 3.8.19
Artikel XII van de
Wet
terugdringing beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) regelt onder
meer dat de stimuleringsuitkering geen loon in de zin van
de Zfw
is. Dat was van belang met het oog op de vraag of iemand
verplicht Zfw-verzekerd was. Dit onderdeel van artikel XII
Wet TBA
kan vervallen, aangezien de vraag hoeveel loon men heeft voor de
verzekeringsplicht op grond van de Zvw
of de mogelijkheid om door middel van het
sluiten van een zorgverzekering aan die verzekeringsplicht te
voldoen, niet van belang is. Voor de vraag of en hoeveel
inkomensafhankelijke bijdrage een Zvw-verzekeringsplichtige verschuldigd
is, is deze
bepaling ook niet nodig, aangezien die bijdrage geheven wordt over het
bijdrage-inkomen in de zin van paragraaf 5.2 van de
Zvw.
rblz.|103|
Artikel 3.8.20
A
Onderdeel
c van artikel 2
van de Wet werk en bijstand (Wwb) dient te vervallen, nu er na
inwerkintreding van de Zvw
noch van een ziekenfondspremie, noch van een Zfw
meer
sprake zal zijn.
B
Artikel
19, vierde lid,
Wwb regelt dat de algemene bijstand wordt verhoogd met de
loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente
inhoudingsplichtige is, almede met de over die bijstand verschuldigde
ziekenfondspremie. Na inwerkingtreding van de Zvw
zal de gemeente geen ziekenfondspremie over de algemene bijstand verschuldigd
zijn, maar is de gemeente
de bijstandsgerechtigde over de bijstand de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 Zvw,
verschuldigd. Vervolgens is die bijstandsgerechtigde
hetzelfde bedrag dan weer als inkomensafhankelijke bijdrage aan de belastingdienst
verschuldigd (artikel 41 Zvw), zij het dat de
gemeente het bedrag in de
praktijk op de bijstandsuitkering inhoudt en aan de belastingdienst
afdraagt. Hoewel de gemeente derhalve inhoudingsplichtige van de
inkomensafhankelijke bijdrage is, kan de inkomensafhankelijke bijdrage of de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 Zvw,
niet aan het begin van artikel 19
worden opgenomen. De gemeente is immers de inkomensafhankelijke
bijdrage niet zelf verschuldigd (de bijstandsgerechtigde is dat), terwijl de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 Zvw,
(die de gemeente wél
verschuldigd is) niet door de gemeente wordt ingehouden (die houdt immers de door
de bijstandsgerechtigde verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage in).
C
Het in artikel
29, tweede
lid,
Wwb gebruikte woord "ziekenfondspremie" wordt vertaald in de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41
Zvw, omdat de benadering
in dit artikellid, gezien de woorden "de daarover verschuldigde
loonheffing", die vanuit de bijstandgerechtigde (in plaats vanuit de
bijstandverlenende gemeente) is.
D
Subonderdelen 1 en
2
De in de Zvw
geregelde
no-claimteruggave en de zorgtoeslag in de zin van de Wzt (die bedoeld
is als bijdrage in de kosten van de (nominale) premie voor een
zorgverzekering) vormen geen middelen in de zin van de
Wwb.
Subonderdeel 3
Verwezen wordt naar de
toelichting op onderdeel C.
E
De wijziging
bewerkstelligt dat ook (voorlopige) teruggaven van de inkomensafhankelijke bijdragen, bedoeld in
artikel 41 Zvw, als inkomen van de bijstandsgerechtigde
beschouwd worden.
F
Verwezen wordt naar de
toelichting op onderdeel B.
rblz.|104|
G
Artikel
37, eerste lid,
Wwb, bepaalt dat voor de
Wwb onder het nettominimumloon
wordt verstaan de som
van
het het brutominimumloon en de
brutominimumvakantiebijslag, verminderd met de daarvan in te houden loonbelasting,
premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen (waaronder in de
Wwb wordt verstaan: de WW-premie) en het werknemersdeel in de
ziekenfondspremie. Na inwerkingtreding van de Zvw
niet met [zal niet met het, red.] werknemersdeel in de ziekenfondspremie rekening moeten worden gehouden, maar
met
de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41
Zvw. Het
tweede lid bepaalt hoe in bovengenoemd bruto-nettotraject de
loonbelasting en de premies volksverzekeringen moeten worden berekend.
Onder meer moet daartoe op dit moment rekening worden gehouden met het werkgeversdeel in de ziekenfondspremie.
In de toekomst gaat het
om de vergoeding (van de inkomensafhankelijke bijdrage), bedoeld in
artikel 46 Zvw. Voor een nadere toelichting op deze wijzigingen wordt
verwezen naar de toelichting op artikel 3.8.1, onderdeel
A.
H
Anders dan onder de
Zfw,
zal voor zak- en kleedgeldgenietenden geen afzonderlijk premieregime
meer gelden. Daarom kan de tweede volzin van het vierde lid van
artikel 38
Wwb vervallen.
I
Zowel het
UWV als de gemeente betalen over de uitkering werknemersverzekeringen respectievelijk de
bijstand na inwerkingtreding van de Zvw
de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 Zvw. Daarom is het logisch dat, indien de gemeente op
grond van artikel 53 Zvw
het UWV de bijstand betaalt over een periode
waarover het UWV een voorschot op de uitkering werknemersverzekeringen
van de bijstandsgerechtigde terugvordert, dit ook deze vergoeding
betreft.
J
Artikel 58
Wwb regelt in
welke gevallen de gemeente bijstand kan terugvorderen. Ook over de bijstand
betaalde loonbelasting, premies volksverzekeringen en ziekenfondspremie
kunnen worden teruggevorderd, voor zover de belasting en premies
althans niet kunnen worden verrekend met de belastingdienst
en het
UWV. Na inwerkingtreding van de Zvw
zal de
vergoeding, bedoeld in
artikel 46 Zvw
- die de gemeente over de bijstand aan de
bijstandsgerechtigde verschuldigd is - kunnen worden teruggevorderd.
K en
L
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.13, onderdeel B en C.
M
Artikel 69 regelt welke
kosten de gemeenten uit ’s Rijks kas worden vergoed. Het gaat op dit
moment onder meer om de ziekenfondspremie over de bijstand (eerste
lid, onderdeel b). Dit dient gewijzigd te worden in "de vergoeding, bedoeld
in artikel 46 Zvw".
rblz.|105|
Artikel 3.8.21
A
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.20, onderdeel D, onder de eerste twee
subonderdelen.
B
De uitkering op grond van
de Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik) wordt vanwege het
grillige verloop van het inkomens van veel kunstenaars per
kalenderjaar vastgesteld en wel in het jaar volgende op het jaar waarin
voorschotten op de Wwik-uitkering zijn verleend. Bij de vaststelling van het in
het voorafgaande jaar verdiende inkomen wordt onder meer buiten
aanmerking gelaten het bruto-inkomen over perioden waarover geen uitkering
is ontvangen, tot aan het brutominimumloon, en de premies voor een ziektekostenverzekering. Het gaat hierbij om de
premies voor een private ziektekostenverzekering en niet om de nominale premie als bedoeld in de
Zfw, aldus de memorie van toelichting bij de Wwik (Kamerstukken II
2003-2004, 29 574, nr. 3, blz. 25). Doel van deze bepaling is dat de kunstenaar
over de betreffende periode in ieder geval over het voor hem geldende
sociaal minimum kan beschikken. In de toekomst zullen kunstenaars, net
als alle andere verzekeringsplichtigen, een inkomensafhankelijke bijdrage over hun
inkomen
verschuldigd zijn. Hebben zij loon uit dienstbetrekking
of een socialezekerheidsuitkering, dan wordt de bijdrage over het loon of
over die uitkering volledig door de werkgever of de uitkeringsinstantie
vergoed. Werken zij echter als zelfstandige, dan zal deze bijdrage voor eigen
rekening komen (met dien verstande dat de inkomensafhankelijke
bijdrage wel meegeteld mag worden bij de vraag of en tot welk bedrag
men in aanmerking komt voor vermindering van de inkomstenbelasting).
Gezien het doel van artikel 16 wordt in voorliggend onderdeel geregeld dat de
inkomensafhankelijke bijdrage over gewerkte perioden buiten aanmerking blijft,
voor zover althans de kunstenaar of zijn
gezin vergoeding van die
bijdrage van een werkgever of een uitkeringinstantie heeft ontvangen. De
kunstenaar of zijn gezin kunnen immers over de gewerkte perioden
ook (al dan niet gedeeltelijk) loon uit dienstbetrekking of een uitkering hebben
ontvangen.
Voor de (nominale) premie Zvw
zal een kunstenaar zorgtoeslag kunnen ontvangen. Daarom is niet
geregeld dat naast het buiten aanmerking blijvende inkomen en
niet-vergoede inkomensafhankelijke bijdragen daarover, ook nog de gemiddelde
nominale premie buiten aanmerking blijft.
C
Subonderdelen 1 en
2
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.20, onderdeel G.
Subonderdeel 3
Bij de vaststelling van
de brutonormen en -bedragen van de Wwik-uitkering dient de loonheffing te
worden berekend alsof er geheven wordt over een bruto-inkomen,
vermeerderd met de vergoeding op grond van artikel 46
Zvw en
verminderd met de heffingskorting en de vereveningsbijdrage.
D
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.13, onderdeel B en C.
E
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.20, onderdeel M.
Artikel 3.8.22
A
Voor de wijziging van de
Ziektewet (ZW) in dit onderdeel wordt verwezen naar de
toelichting op artikel 3.8.7, onderdeel A.
B
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.7, onderdeel C. De formulering van onderdeel
B hangt samen met het feit dat door middel van artikel IV, onderdeel
C, van de Walvis per ongeluk een tweede, overigens nog niet in werking
getreden, negende lid aan artikel 29 ZW wordt toegevoegd. Het is dat
lid en niet het reeds bestaande negende lid van artikel 29
ZW dat moet
vervallen.
C en
D
In het eerste lid van het
nog niet in werking getreden artikel 39a
ZW wordt bepaald dat het
UWV het
ziekengeld, alsmede de daarover verschuldigde premies die niet op de
uitkering in mindering kunnen worden gebracht, op werkgever verhaalt
indien deze geen reïntegratieverslag opstelt of dit niet (tijdig) inlevert,
anderszins te weinig reïntegratie-inspanningen verricht, het herstel van
zijn werknemer te laat meldt of geen arbodienst bij zijn
reïntegratie-inspanningen betrekt. Het ligt in de rede dat in de toekomst ook de
vergoeding die het UWV op grond van in artikel 46
Zvw
aan de
uitkeringsgerechtigde dient te betalen op zo’n werkgever wordt verhaald.
rblz.|106|
E
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 3.8.1, onderdeel D.
F
Artikel
63a, derde lid,
derde volzin, en artikel 63b, tweede lid, tweede volzin,
ZW regelen in
welke gevallen het ziekengeld en de daarover verschuldigde premies die
niet op het ziekengeld in mindering kunnen worden gebracht op een
eigenrisicodrager respectievelijk op een kredietinstelling of verzekeraar van een
eigenrisicodrager kunnen worden verhaald. Het ligt in
de rede dat in de toekomst ook de vergoeding die het
UWV op grond van in
artikel 46 Zvw
aan de uitkeringsgerechtigde dient te betalen op zo’n eigenrisicodrager, kredietinstelling of verzekeraar
wordt verhaald.
Hoofdstuk 4. Overige
bepalingen
Artikel 4.1
(tijdelijke
regeling rechtspositie personeel CVZ, CTZ, CTG, CBZ, CSZ)
In de Zvw, de
Wtg en de Wtzi
is bepaald dat op het personeel van het CVZ, het
CTZ, het CTG,
het CB respectievelijk het CSZ de regels van toepassing zijn die
gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, met dien verstande dat de
bevoegdheden die voor ambtenaren op ministeries toekomen aan
een andere minister dan de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties worden uitgeoefend door de rblz.|107|
colleges. In de
onderhavige bepaling (eerste lid) is een uitzondering daarop geregeld voor een
periode van vier jaren, te rekenen vanaf de datum waarop deze wet in
werking treedt. Die periode is noodzakelijk om de nodige maatregelen te
kunnen nemen om op zorgvuldige wijze op de arbeidsvoorwaarden bij de
sector Rijk te kunnen overstappen. Gedurende die periode wordt de
rechtspositie van het bedoelde personeel, net als thans, nog geregeld door
de colleges (tweede lid). In het inwerkingtredingsbesluit
krachtens artikel 5.2 zal worden geregeld dat na deze overgangsperiode ook
de daarmee samenhangende wijziging van de Ambtenarenwet, vervat in
artikel 3.4.2, in werking treedt.
Artikel 4.2
Het Tijdelijk besluit
tegemoetkoming buitengewone uitgaven (hierna: Tbtbu) voorziet in een
tegemoetkoming voor belastingplichtigen die niet de volledige waarde van
hun aftrek wegens buitengewone uitgaven kunnen effectueren. De
tegemoetkoming komt hierdoor met name terecht bij personen in de lagere inkomenscategorieën die relatief hoge buitengewone
uitgaven hebben. Het
Tbtbu was in eerste instantie als een tijdelijke regeling bedoeld en
loopt daarom af op 1 januari 2006, tenzij - kort gezegd - op dat moment
een wetsvoorstel voor een definitieve regeling is aanhangig gemaakt. De
vormgeving als tijdelijke regeling berust mede op de omstandigheid dat het
besluit niet berust op een specifieke wettelijke grondslag, maar (mede) op
artikel 89 van de Grondwet. Het kabinet heeft reeds aangegeven de
tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven ook na 1 januari 2006 te
willen voortzetten. Hiervoor is een wettelijke basis vereist.
Tijdens de behandeling
van de no-claimteruggaveregeling in de Eerste Kamer is verder van
kabinetszijde toegezegd te bezien welke mogelijkheden er zijn tot integratie
van de zorgtoeslag, de fiscale aftrek van buitengewone uitgaven en de
tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven. Tevens is
aangegeven dat dit onderzoek enige tijd zal vergen. Op de uitkomsten van dit
onderzoek kan thans niet vooruit worden gelopen. Daarom wordt
voorgesteld in deze wet
een wettelijke grondslag op te nemen voor het
besluit. Het voornemen bestaat om in het nog tot stand te brengen
Invoerings- en aanpassingsbesluit Zvw de bepalingen die betrekking hebben op
het vervallen van het besluit te schrappen en het voor het overige te
handhaven.
Op deze wijze blijft de
tegemoetkomingsregeling na 1 januari 2006 van kracht (als een normale
algemene maatregel van bestuur in plaats van een tijdelijk besluit),
terwijl de flexibiliteit blijft bestaan om de regeling naar aanleiding van de
resultaten van het toegezegde onderzoek op termijn te herzien.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 5.1
In het eerste lid van dit
artikel is de mogelijkheid geschapen om bij ministeriële regeling tijdelijke
voorzieningen te treffen indien dit noodzakelijk is voor de invoering van de
Zvw
of deze wet, eventueel in afwijking van deze wet. Deze voorziening
maakt het mogelijk om in onvoorziene gevallen de invoering van de Zvw te
ondersteunen.
In het tweede lid is erin
voorzien dat de delegatie op grond van het eerste lid een tijdelijk
karakter heeft. Na de vaststelling krachtens het eerste lid van de ministeriële
regeling wordt zo spoedig mogelijk een voorstel van wet tot regeling van het
betrokken onderwerp ingediend bij de Staten-Generaal. Die regeling
kan overigens ook voorzien in het treffen van een delegatiegrondslag. Dat
is afhankelijk van hetgeen geregeld moet worden.
rblz.|108|
Artikel 5.2
In het
inwerkingtredingsbesluit zal worden geregeld dat deze wet
tegelijk met de Zvw
in werking
treedt op 1 januari 2006, met uitzondering van artikel
3.4.2, tweede tot
en met vierde lid. Die leden treden in werking op 1 januari 2010.
Artikel 5.3
Door de wijziging van de
AWBZ zou onduidelijkheid kunnen ontstaan over de rechtsbasis waarop uitvoeringsregelgeving van de AWBZ berust of
zelfs over het
voortbestaan van zulke regels. Daarom is bepaald dat het op de AWBZ berustende
Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering voortaan berust op
artikel 40, eerste lid, van de AWBZ. Artikel 40 komt in de plaats van het
huidige artikel 16 AWBZ (dit artikel is thans de basis voor het genoemde
besluit).
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
H. Hoogervorst
|
|