Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Ziektewet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 30 juni 2009

 

BESLUIT  INCASSO  BOETEN  EN  ONVERSCHULDIGDE  BETALINGEN  WERKGEVERS

Vervallen
m.i.v. 1 juli 2009
(art. 11 Rtbbtob)

 
 

17 juli 1996, Stcrt. 1996, 203
Inwerkingtreding: 23 oktober 1996
(T.a.v. artt. 38:3 j║ 45c:3 en 33b ZW, 79 Wet WIA en 57b WAO)

 

 

 

 
     Het Tijdelijk instituut voor co÷rdinatie en afstemming;
     Gelet op artikel 38, vierde lid, in samenhang met artikel 45c, derde lid, van de Ziektewet, artikel 71a, vijfde lid, in samenhang met artikel 29c, derde lid, en artikel 62, zevende lid, in samenhang met artikel 57b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 48b van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet;

     Besluit:

 

 

I.  Definities

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. ZW: Ziektewet;
c. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
d. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
e. boete: de boete, bedoeld in artikel 38, vierde lid, de boete, bedoeld in artikel 38a, zesde lid, en de boete, bedoeld in artikel 63, negende lid, van de ZW;
f. verhaalde bedrag: het bedrag dat het UWV op de werkgever of eigenrisicodrager verhaalt op grond van artikel 39a, eerste lid, of artikel 63a, derde, vierde of vijfde lid, van de ZW, artikel 71, tweede lid, artikel 75a, vierde lid, artikel 75b, zevende lid, of artikel 75f, eerste lid, van de WAO en artikel 72, tweede lid, artikel 83, derde lid, of artikel 84, tweede of vierde lid, van de Wet WIA;
g. vordering:
1║. het bedrag dat als boete is opgelegd;
2║. het bedrag van een aan de werkgever verstrekt re´ntegratie-instrument dat wordt teruggevorderd op grond van artikel 77 van de Wet WIA;
3║. het verhaalde bedrag;
h. wettelijke rente en de kosten van invordering: de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, bedoeld in artikel 45g, zevende lid, van de ZW, artikel 29g, zesde lid, van de WAO en artikel 96, zesde lid, van de Wet WIA;
i. werkgever: de werkgever of eigenrisicodrager aan wie de boete is opgelegd, van wie een bedrag wordt teruggevorderd of op wie een bedrag wordt verhaald.

 

 

II.  Termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald

 

Art. 2.
Het UWV stelt de termijn waarbinnen de vordering moet worden betaald of verrekend op zes weken.

 

Art. 3.
-1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 kan het UWV betaling binnen ten hoogste twaalf maanden toestaan indien de werkgever hierom binnen zes weken na afgifte van de beschikking, bedoeld in artikel 2, schriftelijk verzoekt en aantoont dat hij niet in staat is de vordering binnen zes weken te voldoen.
-2. Het UWV kan de vastgestelde termijnen herzien wegens gewijzigde omstandigheden met inachtneming van dit besluit.

 

Art. 4.
Indien de werkgever op enig tijdstip niet volgens de vastgestelde termijnen betaalt:
1║. wordt het bedrag van de vordering voor zover niet afgelost opeisbaar;
2║. verrekent het UWV de vordering voor zover niet afgelost, eventueel vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten van invordering, waar mogelijk met de door het UWV aan de werkgever verschuldigde bedragen.

 

 

III.  Rente en kosten

 

Art. 5.
-1. De wettelijke rente en de kosten van invordering zijn verschuldigd vanaf het tijdstip dat de termijn is verstreken waarbinnen de vordering voor zover niet afgelost moest worden betaald.
-2. De op de invordering betrekking hebbende kosten bedragen:
a. 15% van de vordering, doch ten minste Ç|45,00 en ten hoogste Ç|681,00; alsmede
b. de kosten van betekening en gerechtelijke tenuitvoerlegging, zoals vastgesteld bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken.

 

 

IV.  Hardheidsclausule

 

Art. 6.
Ingeval de toepassing van dit besluit leidt tot een kennelijke hardheid, kan van het gestelde in dit besluit worden afgeweken.

 

 

V.  Slotbepalingen

 

Art. 7.
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 25 april 1996 tot wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid; Stb. 1996, 248) in werking treedt. Indien dit besluit na inwerkingtreding van genoemde wet wordt bekend gemaakt in de Staatscourant, treedt dit besluit in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 8.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit incasso boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers.

 

 

     Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 17 juli 1996.
J.F.
Buurmeijer,
voorzitter.

 

 

 

TOELICHTING
[17 juli 1996]

 

Algemeen

 

     Het Tica [Tijdelijk instituut voor co÷rdinatie en afstemming, de rechtsvoorganger van het Landelijk instituut sociale verzekering, red.] stelt met dit besluit nadere tegels over de termijnen waarbinnen opgelegde boeten, terug te vorderen loonkostensubsidie en vergoedingen voor werkplekaanpassing door werkgevers moeten worden betaald en de berekening van rente en kosten als niet binnen de gestelde termijnen wordt betaald.
     Op grond van de Ziektewet (ZW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt aan de werkgever een boete opgelegd indien bij zijn verplichtingen voor zijn zieke werknemers met wie hij een arbeidsovereenkomst heeft niet of niet behoorlijk nakomt. De bedrijfsvereniging legt een boete op van â1000,- als de werkgever zijn plicht tot tijdige hersteldmelding niet of niet behoorlijk is nagekomen (artikel 38, derde en vierde lid, ZW). Bij het, zonder deugdelijke grond, niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting een in overleg met de werknemer adequaat re´ntegratieplan over te leggen uiterlijk de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken van zijn werknemer dertien weken heeft geduurd, legt de bedrijfsvereniging een boete op van â1000,- (artikel 71a, eerste en tweede lid, WAO). Voorts dient de werkgever op grond van artikel 71a, derde lid, van de WAO mee te werken aan het opstellen of uitvoeren van het re´ntegratieplan op straffe van een boete van â10.000,- tenzij hij daarvoor een deugdelijke grond heeft.
     De te beboeten verplichtingen zijn ingevoerd met de Wet uitbreiding loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Een boete kan worden opgelegd vanaf de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid.
     Naast de invordering van de boete geldt dit besluit ook voor de terugvordering van de ten onrechte aan de werkgever verstrekte loonkostensubsidie (artikel 62 van de WAO) en de onverschuldigd betaalde voorziening aan werkgevers van de kosten voor aanpassing van de werkplek van zijn gehandicapte werknemers (artikel 57a juncto 48 van de AAW).

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 3

     Als hoofdregel geldt dat een vordering wordt voldaan binnen zes weken na de datum van het besluit tot oplegging. In het algemeen zijn werkgevers in tegenstelling tot werknemers in staat een grote vordering ineens te betalen. Voor de kleine werkgever, bijvoorbeeld een eenmansbedrijf, zal deze stelling niet altijd opgaan. Daarom geeft het tweede lid de bedrijfsvereniging de bevoegdheid van deze hoofdregel af te wijken en betaling over een langere periode toe te staan. Voorwaarde daarbij is dat de werkgever hierom zelf binnen zes weken schriftelijk verzoekt en aannemelijk maakt aan de bedrijfsvereniging dat betaling ineens niet mogelijk is. Het voorstel dient met redenen te zijn omkleed om de bedrijfsvereniging de mogelijkheid te beiden te beoordelen of aannemelijk is dat de werkgever inderdaad niet in staat is om binnen zes weken te betalen en of verwacht kan worden dat de werkgever de regeling zal nakomen. Daarbij is het uitgangspunt betaling binnen maximaal twaalf maanden. Als betaling bijvoorbeeld binnen drie maanden mogelijk is, moet de werkgever binnen drie maanden betalen.
     In het derde lid wordt bepaald dat de bedrijfsvereniging de vastgestelde termijnen kan herzien wegens gewijzigde omstandigheden. Dit kan zich voordoen bij een verbetering of verslechtering van de financiŰle omstandigheden van de werkgever. Bij de vaststelling van de nieuwe termijnen is de bedrijfsvereniging gebonden de in eerste lid genoemde maximale termijn van twaalf maanden. In incidentele gevallen is het mogelijk om een langere termijn dan twaalf maanden toe te staan. In die situaties kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 6.

 

Artikel 4

     In alle gevallen geldt dat de vordering voor zover niet afgelost opeisbaar wordt als de werkgever niet binnen de gestelde termijnen betaalt. De bedrijfsvereniging neemt deze voorwaarde op in het besluit waarin de termijnen van betaling worden vastgesteld. Als de werkgever zich niet aan de vastgestelde termijnen houdt, zal de bedrijfsvereniging de beschikking ten uitvoer leggen conform het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Als de vordering opeisbaar is geworden, is de bedrijfsvereniging niet meer gebonden aan de eerder vastgestelde termijnen, maar verrekent de openstaande vordering met de nog aan de werkgever te verrichten betalingen, zoals te veel betaalde premies en te ontvangen subsidies. Is verrekening niet mogelijk, dan kan de bedrijfsvereniging beslag leggen op het vermogen van de werkgever.
     Verrekening is niet aan de orde als de werkgever de vordering binnen de gestelde termijn(en) betaalt.

 

Artikel 5

     Dit artikel regelt vanaf welk tijdstip rente verschuldigd is en hoeveel de kosten van invordering bedragen. Het zevende lid van de artikelen 45g van de ZW, 29g van de WAO en 20g van de AAW bepaalt dat de vordering bij gebreke van tijdige betaling wordt verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten. In dit artikel is nader geregeld wanneer er sprake is van in gebreke zijn met de tijdige betaling en welke kosten behoren tot de kosten van invordering.
     De werkgever is in gebreke met tijdige betaling indien hij niet betaalt binnen de door de bedrijfsvereniging gestelde termijnen. Vanaf dat moment is de werkgever wettelijke rente en kosten verschuldigd.
     De kosten van invordering kunnen worden onderscheiden in de kosten voor werkzaamheden verricht door de bedrijfsvereniging en kosten die de bedrijfsvereniging moet maken voor de berekening van de beschikking en de executie door de deurwaarder. De kosten voor de werkzaamheden van de bedrijfsvereniging worden gesteld op 15% van de vordering, met een minimum van â100,- en een maximum van â1500,-. Bij deze kosten moet worden gedacht aan extra administratiekosten, kosten voor extra onderzoek naar inkomen en vermogen en de werkzaamheden voor het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag. Als de vordering niet kan worden ge´nd, zal de bedrijfsvereniging een deurwaarder moeten inschakelen voor de berekening en het leggen van beslag. Het Deurwaardersreglement, gebaseerd op artikelen 53 tot en met 55 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken, regelt welke bedragen aan de deurwaarder zijn verschuldigd voor deze ambtshandelingen.
     Deze bedragen komen eveneens voor rekening van de werkgever.

 

Artikel 6

     Dit artikel bevat een hardheidsclausule. Deze kan bijvoorbeeld uitkomst bieden als het in incidentele gevallen noodzakelijk blijkt, gelet op de slechte financiŰle situatie waarin de werkgever verkeert, een afbetalingsregeling welke langer loopt dan twaalf maanden te treffen.

 

Amsterdam, 17 juli 1996.
J.F. Buurmeijer, voorzitter
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Ziektewet | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x