Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

Algemene bijstandswet
Bijgewerkt tot en met 31 december 2003

 
Artikel 14b

 

 

 
Art.
14b. [Zwijgrecht, cautie, kennisgeving en hoorplicht]  
[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386
Stb. 2009, 265]      [JurisprudentieLJN AA6725]
-1. Indien burgemeester en wethouders jegens de belanghebbende een handeling verrichten waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de belanghebbende een boete op te leggen, wordt hiervan kennisgegeven aan de belanghebbende onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de belanghebbende die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de belanghebbende in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, dragen burgemeester en wethouders er op verzoek van de belanghebbende die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
 
1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 14b vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt artikel 14b, voor zover het niet betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari 2005. Ingevolge artikel 78g, tweede lid, van de Wet werk en bijstand vervalt artikel 14b, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip;
ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is artikel 14b, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.
 
 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | register Abw | jurisprudentie | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x