Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

WET van 12 april 1995, Stb. 1995, 199, houdende herinrichting van de Algemene Bijstandswet (Algemene bijstandswet). Inwerkingtreding: 1 januari 1996 (Stb. 1995, 201).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving en ter versterking van de verantwoordelijkheid der gemeenten voor de verlening van bijstand gewenst is te komen tot een herinrichting  van de Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395) en de daarop berustende nadere regels en daartoe een nieuwe Algemene bijstandswet vast te stellen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1. [Definitie Onze Minister, B&W, CWI, UWV, SVB, Inlichtingenbureau en inrichting]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in artikel 63;
c. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
f. het Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
g. inrichting:
1º. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden;
2º. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is.

 

Art. 2. [Definitie premies volks- en werknemersverzekeringen, ziekenfondspremie en kinderbijslag]  [Geschiedenisversie 12 april 1995 Stb. 1996, 134 Stb. 1997, 178 + bisStb. 1997, 789 Stb. 2003, 376]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. premies volksverzekeringen: de premies op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, behoudens de nominale premie op grond van die wet;
b. premies werknemersverzekeringen: de premie op grond van de Werkloosheidswet;
c. ziekenfondspremie: de premie op grond van de Ziekenfondswet, behoudens de nominale premie;
d. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 3. [Geregistreerd partnerschap, gehuwd, ongehuwd en gezamenlijke huishouding | Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding | AMvB m.b.t. blijk geven zorg te dragen voor een ander]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1997, 660 + bisStb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3498AA3567AA3687AA3943AA4072AA4808AA5738AA7123AA8680AB0237AB2488AD5366AD5912AD7128AE0165AE1085AE3698AE3721AE4247AE6057AE6090AF1081AT0236AT0237]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
d. gehuwd: als partner geregistreerd;
e. gehuwde: als partner geregistreerde;
f. gehuwden: als partners geregistreerden;
g. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d. [Bargh98]
-6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het derde lid.

 

Art. 4. [Definitie alleenstaande, alleenstaande ouder, gezin, kind en ten laste komend kind]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3508AE2489]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
c. gezin:
1º. de gehuwden tezamen;
2º. de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;
3º. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;
d. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

 

Art. 5. [Definitie zelfstandige en woning]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1997, 510Stb. 1998, 742Stb. 2000, 571Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA5019AD3412]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
zelfstandige: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die:
1º. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;
2º. voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
3º. alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico’s daarvan draagt.
-2. Onder een woning wordt mede verstaan een woonwagen en een woonschip.

 

Art. 6. [Definitie algemene bijstand, bijzondere bijstand en voorliggende voorziening]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3716AA4888AA8508AB0577AB1792AD71233]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;
b. bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan;
c. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.