Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

§ 1.  De kring van rechthebbenden

 

Art. 7. [Bijstand aan Nederlander en aan vreemdeling | Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wik]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1998, 203Stb. 2000, 496 + bisStb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3589AA3717AA4129AA5419AA6590AA6591AA6725AA7515AA8508AA8520AA9884AB1261AB1262AB2256AB2276AB2277AD3848AD5014AD6622AD7844AD9298AD9356AE0294AE1901AE2487AE2489AE3275AE3704AE3716AE6067AE6178AE7599AE8099AF1374]
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld: [BgvWWIIWW]
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

 

Art. 8. [Bijstand aan zelfstandige | Bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal en in voorbereidingskosten zelfstandige | Besluit bijstandverlening zelfstandigen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1997, 178Stb. 1999, 542Stb. 2001, 109Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3763AA3772AA5019AA7064AE6058AE6084AF1408]
-1. Aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is, wordt gedurende ten hoogste twaalf maanden algemene bijstand verleend. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard.
-2. Aan de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is, wordt na beëindiging van die uitkering gedurende ten hoogste 36 maanden algemene bijstand verleend. Verlenging van deze termijn is mogelijk indien de belanghebbende om redenen van medische of sociale aard niet volledig beschikbaar is voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep.
-3. De zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is, heeft in zijn hoedanigheid van zelfstandige geen recht op bijstand, tenzij belanghebbende:
a. 55 jaar of ouder is, het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; dan wel
b. zich verplicht de activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twaalf maanden, te beëindigen. Verlenging van deze termijn met ten hoogste twaalf maanden is op verzoek van de belanghebbende mogelijk voor zover de beëindiging naar het oordeel van burgemeester en wethouders een langere termijn noodzakelijk maakt.
-4. Aan de zelfstandige die om gezondheidsredenen niet of slechts beperkt in staat is tot het uitoefenen van zijn bedrijf of zelfstandig beroep en die een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen heeft aangevraagd, wordt algemene bijstand verleend tot het tijdstip waarop een beslissing ingevolge genoemde wet is genomen. Daarna kan aan de belanghebbende in zijn hoedanigheid van zelfstandige slechts bijstand worden verleend met toepassing van het eerste, derde of vijfde lid.
-5. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, onderdeel a, alsmede in de tweede volzin van het vierde lid.
-6. Bijstandverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking, kan gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden worden voortgezet. In een zodanig geval:
a. is artikel 113, eerste lid, onderdeel a, b, c, d en f, niet van toepassing;
b. is de belanghebbende verplicht mee te werken aan begeleiding door een door burgemeester en wethouders aangewezen derde; en
c. kan tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen maximumbedrag bijstand worden verleend ter voorziening in met de voorbereiding samenhangende kosten. [Bbz]
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien van de verlening van bijstand als bedoeld in dit artikel. [Bbz]

 

Art. 9. [Uitsluiting van bijstand | Gebruikelijke vakantieduur | Regeling gebruikelijke vakantieduur | Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995;  Stb. 1995, 676Stb. 1995, 691Stb. 1998, 59Stb. 1998, 412Stb. 1998, 742Stb. 1999, 595Stb. 2000, 286Stb. 2001, 225Stb. 2003, 298Stb. 2003, 376Stb. 2004, 306Stb. 2004, 700]      [JurisprudentieLJN AA3508AA4301AA5111AA5390AA6935AA8538AA8691AB0577AB0578AC1903AD3420AD3845AD5014AD5479AE4370AE6671AE7389AE8634AT0206]
-1. Geen recht op bijstand heeft degene:
a. aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
b. die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
c. die wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;
d. die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland;
e. die jonger is dan 18 jaar.
-2. Geen recht op algemene bijstand heeft degene:
a. van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft;
b. vervallen;
c. wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel e, dan wel een scholing of opleiding als voorziening op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden;
d. die uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt of die gehuwd is met een persoon die een zodanige uitkering ontvangt;
e. die onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij belanghebbende alleenstaande ouder is voor wie de verplichtingen op grond van artikel 107, tweede lid, niet gelden en hij verlof geniet als bedoeld in artikel 644 van Boek 7 van het Burgelijk Wetboek.
-3. Onze Minister kan regels stellen omtrent hetgeen wordt verstaan onder de gebruikelijke vakantieduur, genoemd in het eerste lid, onderdeel d. [RgvA]
-4. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening. [Bevsz] [Rjj]

 

Art. 10. [Bijzondere bijstand aan persoon 18, 19 of 20 jaar]  [Geschiedenisversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3508AE3732]
Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.

 

 

§ 2.  Personen aan wie bijstand kan worden verleend

 

Art. 11. [Uitzondering uitsluiting bijstand]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1998, 203Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3717AA5390AB1608AB2277AD3420AD5014AD5479AE4370AF1374]
-1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kunnen burgemeester en wethouders, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid.

 

Art. 12. Vervallen[GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1998, 203]      [JurisprudentieLJN AA8520AB2276AB2277AD3848AD9298AE0294AE1901AE2487AE3275]

 

 

§ 3.  Afstemming van de bijstand

 

Art. 13. [Afstemmen bijstand op omstandigheden persoon en gezin | Gezamenlijk recht echtgenoten]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3468AA4623AB1792AD3412AD9662AE2489AE3712AE3802AF1409]
-1. Burgemeester en wethouders stemmen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.
-2. Ten aanzien van de personen die een gezin vormen, stemmen burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin.
-3. Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij één van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.
-4. Van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van één of meer van de daar bedoelde personen afwijken indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is.

 

Art. 14.¹ [Tijdelijk weigeren bijstand | Schriftelijke waarschuwing | Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz]  [GeschiedenisMvTStb. 1994, 361versie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 1997, 193 + bisStb. 1997, 760Stb. 1998, 742Stb. 1999, 542Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386Stb. 2008, 586Stb. 2008, 600Stb. 2009, 265]      [JurisprudentieLJN AA3968AA5881AA6725AA6778AA8961AB0578AB2257AC1903AD8414AD9662AE1328AE2461AE3147AE3731AE6141AE7520AF0759AP1140AT0233];  AT0233];  AT0233]
-1. Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet binnen de door burgemeester en wethouders daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, dan wel een verplichting als bedoeld in artikel 8, zesde lid, onderdeel b, artikel 65, tweede of derde lid, artikel 70, vierde lid, of een op grond van hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, weigeren burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk.²
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, kunnen burgemeester en wethouders afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels worden gesteld. [MAII]

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 14 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt artikel 14, voor zover het niet betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari 2005. Ingevolge artikel 78g, tweede lid, van de Wet werk en bijstand vervalt artikel 14, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is artikel 14, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.
2. Waar in artikel 14, eerste lid, wordt verwezen naar de artikelen 8, zesde lid, onderdeel b, en 112, wordt ingevolge artikel 78g, derde lid, van de Wet werk en bijstand in plaats van die artikelen gelezen: artikel 2, derde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 38 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, red.

 

 

§ 3A.  Administratieve boeten

 

Art. 14a.¹ [Boete bij niet nakomen inlichtingenverplichting | Afstemming boete | Schriftelijke waarschuwing | Boetebesluit socialezekerheidswetten]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1996, 248Stb. 1997, 193;  Stb. 1998, 742Stb. 2001, 481Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386Stb. 2008, 600Stb. 2009, 265 + bis]      [JurisprudentieLJN AA8926AB1261AR7248AT0233]
-1. Indien de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel 65, niet of niet behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen, leggen burgemeester en wethouders hem een boete op van ten hoogste €|2269,00.
-2. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, kunnen burgemeester en wethouders afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te zien van het opleggen van een boete.
-5. Degene aan wie een boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-6. Voor zover de boete nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is opgelegd.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels gesteld. [Bszw] [BtabAII]

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 14a vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt artikel 14a, voor zover het niet betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari 2005. Ingevolge artikel 78g, tweede lid, van de Wet werk en bijstand vervalt artikel 14a, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is artikel 14a, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.

 

Art. 14b.¹ [Zwijgrecht, cautie, kennisgeving en hoorplicht]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386Stb. 2009, 265]      [JurisprudentieLJN AA6725]
-1. Indien burgemeester en wethouders jegens de belanghebbende een handeling verrichten waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de belanghebbende een boete op te leggen, wordt hiervan kennisgegeven aan de belanghebbende onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de belanghebbende die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de belanghebbende in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, dragen burgemeester en wethouders er op verzoek van de belanghebbende die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 14b vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt artikel 14b, voor zover het niet betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari 2005. Ingevolge artikel 78g, tweede lid, van de Wet werk en bijstand vervalt artikel 14b, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is artikel 14b, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.

 

Art. 14c.¹ [Inhoud boetebesluit | AMvB m.b.t. inhoud boetebesluit]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386Stb. 2009, 265]
-1. Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 14f zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de belanghebbende die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de belanghebbende wordt medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 14c vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt artikel 14c, voor zover het niet betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari 2005. Ingevolge artikel 78g, tweede lid, van de Wet werk en bijstand vervalt artikel 14c, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is artikel 14c, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.

 

Art. 14d.¹ [Geen boete hangende onderzoek OM | Una via m.b.t. strafvervolging]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386Stb. 2009, 265]
-1. Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.
-2. De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
-3. Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en tweede lid mededeling aan burgemeester en wethouders.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 14d vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt artikel 14d, voor zover het niet betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari 2005. Ingevolge artikel 78g, tweede lid, van de Wet werk en bijstand vervalt artikel 14d, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is artikel 14d, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.

 

Art. 14e.¹ [Termijn waarbinnen boete wordt opgelegd]  [Geschiedenis:  Stb. 1996, 248Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386Stb. 2009, 265]
-1. Een boete wordt opgelegd binnen één jaar nadat burgemeester en wethouders de belanghebbende overeenkomstig artikel 14b, vierde lid, in de gelegenheid hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan burgemeester en wethouders heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 14e vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt artikel 14e, voor zover het niet betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari 2005. Ingevolge artikel 78g, tweede lid, van de Wet werk en bijstand vervalt artikel 14e, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is artikel 14e, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.

 

Art. 14f.¹ [Executoriale titel en tenuitvoerlegging]  [GeschiedenisStb. 1995, 690Stb. 1996, 248Stb. 1997, 789Stb. 1997, 794Stb. 1998, 742 + bisStb. 2001, 568Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386Stb. 2009, 265Stb. 2009, 318Stb. 2009, 580]      [JurisprudentieLJN AF1533AF1552]
-1. Het besluit waarbij een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende lid.
-2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer gelegd door verrekening met die bijstand of uitkering.
-3. Indien degene aan wie een boete is opgelegd inmiddels bijstand of uitkering als bedoeld in het tweede lid ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente die de boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
-4. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet of de Wet arbeid en zorg, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank, het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen bijstand of uitkering als bedoeld in het tweede of vierde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel van het vijfde lid, dan wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-8. De betekening en tenuitvoerlegging ingevolge het vijfde lid kan geschieden door de deurwaarder, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel 256 van die wet is van overeenkomstige toepassing.
-9. Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door burgemeester en wethouders op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan burgemeester en wethouders.
-10. De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-11. Het tiende lid geldt niet zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 14a, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 14f vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt artikel 14f, voor zover het niet betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, met ingang van 1 februari 2005. Ingevolge artikel 78g, tweede lid, van de Wet werk en bijstand vervalt artikel 14f, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit van 23 december 2010, Stb. 2010, 839, is artikel 14f, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f van de Wet werk en bijstand, met ingang van 1 juli 2011 vervallen, red.

 

 

§ 4.  Niet-noodzakelijke kosten

 

Art. 15. [Bijstand voor schulden | Borgtocht]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2002, 330Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AE3939AE4212]
-1. Degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, wordt niet geacht te verkeren in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.
-2. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders:
a. bijzondere bijstand verlenen in de vorm van borgtocht indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een:
1º. gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet;
2º. kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank, dan wel daarmee geen relatie onderhoudt;
b. bijzondere bijstand verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt;
c. bijstand verlenen aan de zelfstandige ter gedeeltelijke of volledige betaling van een bedrijfsschuld, mits de bijstand wordt verleend op grond van artikel 8, vijfde lid.

 

Art. 16. [Niet-noodzakelijke kosten van het bestaan]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AE6365]
In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kosten met betrekking tot:
a. de voldoening aan alimentatieverplichtingen;
b. de betaling van een boete;
c. geleden of toegebrachte schade;
d. vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering.

 

 

§ 5.  Verhouding tot voorliggende voorzieningen

 

Art. 17. [Geen bijstand indien voorliggende voorziening en indien sprake van ontwikkelingsgeneeskunde]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1997, 193;  Stb. 1997, 515Stb. 1998, 59Stb. 1998, 742Stb. 2000, 359Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3508AA3716AA4131AA4888AA6778AA7188AB1608AD3656AE3712AE3803AE4212AE6365AE8099AE8634AE8636AE8637AF0905]
-1. Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
-2. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen burgemeester en wethouders voor de aldaar bedoelde kosten bijstand verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Geen bijstand wordt verleend voor kosten van medische behandelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet op bijzondere medische verrichtingen, of wanneer zodanige medische behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden.
-5. De Wet inkomensvoorziening kunstenaars geldt niet als een voorliggende voorziening als bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 18. [Voorlichting/bemiddeling noodzakelijk voor voorliggende voorziening]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor voorlichting en bemiddeling ten behoeve van de belanghebbende die noodzakelijk zijn voor de inschakeling van een voorliggende voorziening.