Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

Art. 19. [Vorm van bijstand]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AD7123]
Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de bijstand verleend om niet.

 

Art. 20.¹ [Recht op bijstand indien eigen woning | Besluit krediethypotheek bijstand]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1998, 742Stb. 2000, 299Stb. 2001, 481Stb. 2003, 376Stb. 2008, 586]      [JurisprudentieLJN AA6465AB1309AB2256AD9473]
-1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, anders dan ingevolge dit artikel, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
-2. Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek:
a. indien de bijstand over een periode van één jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het nettominimumloon, bedoeld in artikel 55, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf op grond van het derde lid niet buiten beschouwing blijft.
-3. Van het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf blijft buiten beschouwing:
a.|6807,00 alsmede de helft van het meerdere, doch in totaal ten hoogste €|27 227,00; en
b. het bedrag waarmee het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige overige vermogen minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54.
-4. Indien bijzondere bijstand wordt verleend, kunnen burgemeester en wethouders, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden, deze bijstand verstrekken in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, tenzij de belanghebbende recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.
-5. Indien de bijstand naar verwachting minder bedraagt dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kunnen burgemeester en wethouders deze bijstand uitsluitend verstrekken in de vorm van een geldlening, borgtocht of een uitkering om niet.
-6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing:
a. op de zelfstandige;
b. indien het een woonwagen betreft.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek wordt verleend. [Bkb]

1. Ingevolge artikel 78c van de Wet werk en bijstand blijft artikel 20 van toepassing op bijstand die op 31 december 2003 werd verleend met toepassing van artikel 20, red.

 

Art. 21. [Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen | Subsidiebepalingen niet van toepassing]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1997, 510Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA4268AB0950AB6634AE8232]
-1. Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.
-2. Indien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, stemmen burgemeester en wethouders de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. De aflossingsbedragen worden zodanig vastgesteld dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-3. Op de verlening van bijzondere bijstand is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

 

Art. 22. [Bedrijfskapitaal in de vorm van geldlening/borgtocht of bedrag om niet | Besluit bijstandverlening zelfstandigen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3772AB0950AF1408]
-1. Bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend in de vorm van een rentedragende geldlening of borgtocht.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt de daar bedoelde bijstand onder toepassing van bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere voorwaarden: [Bbz]
a. verleend in de vorm van een bedrag om niet indien het inkomen van de zelfstandige duurzaam lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de verleende bijzondere bijstand en diens vermogen een zekere grens niet te boven gaat;
b. ambtshalve geheel of gedeeltelijk omgezet in een bedrag om niet indien het inkomen van de zelfstandige gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de verleende bijzondere bijstand en diens vermogen een zekere grens niet te boven gaat.

 

Art. 23. [Bijstand aan zelfstandige | Besluit bijstandverlening zelfstandigen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AE6084AE6166AE6815]
-1. Indien aan een zelfstandige op grond van artikel 8, anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, heeft deze bijstand voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.
-2. Zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, wordt de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet. [Bbz]
-3. In afwijking van het eerste lid wordt de daar bedoelde bijstand verleend als een bedrag om niet, indien:
a. de uitkeringsduur ten hoogste zes maanden is;
b. de inkomensvorming in het betreffende bedrijf of zelfstandig beroep regelmatig over het jaar verloopt en het inkomen duurzaam lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de verleende bijzondere bijstand; en
c. het vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat. [Bbz]

 

Art. 23a. [Bijstand voor voorbereidingskosten zelfstandige]  [GeschiedenisStb. 1999, 542Stb. 2003, 376]
-1. Bijstand als bedoeld in artikel 8, zesde lid, onderdeel c, heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening.
-2. Indien de belanghebbende in aansluiting op de voorbereidingsperiode:
a. geen bedrijf of beroep als zelfstandige begint, dan wordt de geldlening omgezet in een bedrag om niet;
b. een bedrijf of beroep als zelfstandige begint, dan wordt de geldlening omgezet in een rentedragende geldlening. De bij en krachtens artikel 22 gestelde regels zijn op deze geldlening van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 24. [Bijstand in de vorm van geldlening/borgtocht in overige situaties]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1998, 742Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AB1309AB1806AD7123AD9031]
Bijstand kan eveneens worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, indien:
a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
b. de noodzaak tot bijstandverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft; dan wel
d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.

 

Art. 25. [Bijstand bij wijze van voorschot]  [Geschiedenisversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]
De bijstand die met toepassing van artikel 74 bij wijze van voorschot wordt verleend, heeft de vorm van een renteloze geldlening.

 

Art. 25a. [Renteloze lening zelfstandige]  [GeschiedenisStb. 1998, 451Stb. 2003, 376]
De bijstand die met toepassing van artikel 144a wordt verleend, heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening. Het bepaalde bij en krachtens artikel 23, tweede lid, is op deze geldlening van overeenkomstige toepassing.