Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

§ 1.  Algemeen

 

Art. 106.¹ [Soorten van verplichting]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386]      [JurisprudentieLJN AA3968AA8961AB2483AD7718AE4985AF0888AF1186]
Naast de verplichtingen die ingevolge dit hoofdstuk in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door burgemeester en wethouders verbonden dienen te worden, kunnen burgemeester en wethouders vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 68a, tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking of in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 106 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt de artikel 106 met ingang van 1 februari 2005, red.

 

Art. 107.¹ [Niet opleggen verplichting]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386]      [JurisprudentieLJN AA4116AA9416AB2485AD5103AE7389AF0888AP1140]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten verplichtingen als bedoeld in dit hoofdstuk niet op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand.
-2. Voor de ouder met een volledige verzorgende taak voor één of meer ten laste komende kinderen, dan wel pleegkinderen, jonger dan vijf jaar gelden niet de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid.
-3. Ten aanzien van een ouder met een gedeeltelijk verzorgende taak of gehuwden die de verzorgende taak, bedoeld in het tweede lid, gezamenlijk uitoefenen, geldt dat de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, aan die ouder onderscheidenlijk die ouders worden opgelegd met dien verstande dat deze onderscheidenlijk ieder van beiden voor de helft van de geldende volledige arbeidstijd per week beschikbaar moet zijn voor inschakeling in de arbeid.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 107 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt de artikel 107 met ingang van 1 februari 2005, red.

 

Art. 108.¹ [Verplichting tot vorderen alimentatie]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1998, 278Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386]
De verplichting tot het instellen van een vordering tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud kan, onverminderd artikel 108a, slechts aan de bijstand worden verbonden indien het betreft een uitkering ten laste van de echtgenoot, de gewezen echtgenoot of de ouder, indien:
a. die vordering kan worden ingesteld samen met een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed; of
b. de echtgenoot, de gewezen echtgenoot of de ouder buiten Nederland verblijft en de verplichting noodzakelijk is om op grond van een uitspraak van de Nederlandse rechter onderhoudsaanspraken in het buitenland geldend te maken onder toepassing van het op 20 juni 1956 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud (Trb. 1957, 121).

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 108 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt de artikel 108 met ingang van 1 februari 2005, red.

 

Art. 108a.¹ [Verplichtingen tot medewerking]   [GeschiedenisStb. 1998, 278Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386]
Indien ten aanzien van de belanghebbende een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen verbinden die ertoe strekken dat de belanghebbende aan de tenuitvoerlegging van de uitspraak meewerkt.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 108a vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt de artikel 108a met ingang van 1 februari 2005, red.

 

Art. 109. [Verplichte machtiging derdenbetalingen]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AA3968LJN AD3773]
Indien en zolang er, vanwege het bestaan of dreigen van schulden, gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand de verplichting verbinden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat zij in diens naam noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand verrichten.

 

Art. 110. [Verplichtingen m.b.t. geldlening en vestiging krediethypotheek]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]
-1. Burgemeester en wethouders verbinden aan de verlening van bijstand onder verband van hypotheek als bedoeld in artikel 20 de verplichting dat de belanghebbende aan de vestiging van de hypotheek meewerkt. Indien de belanghebbende deze verplichting niet nakomt, is de verleende bijstand terstond opeisbaar.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening, anders dan door vestiging van een hypotheek als bedoeld in het eerste lid, verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.

 

Art. 110a. [Verplichte aangifte ter beschikking gesteld briefadres]  [GeschiedenisStb. 1997, 791Stb. 2003, 376]
Burgemeester en wethouders verbinden aan de verlening van bijstand aan een belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de verplichting dat hij aangifte doet van een door hen ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 1 van die wet.

 

 

§ 2.  Bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening

 

Art. 111. [Bevordering zelfstandige bestaansvoorziening | Samenwerking met CWI en UWV | AMvB m.b.t. samenwerking met CWI en UWV]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1996, 619Stb. 1997, 96Stb. 1997, 510Stb. 1997, 760Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376]      [JurisprudentieLJN AE3262]
-1. De bijstand is erop gericht de belanghebbende in staat te stellen zelfstandig in het bestaan te voorzien. Burgemeester en wethouders bevorderen dat de belanghebbende gebruik maakt van voorzieningen die bijdragen aan diens zelfstandige bestaansvoorziening. Zij dragen zorg voor voorlichting en bemiddeling die daartoe noodzakelijk zijn.
-2. Burgemeester en wethouders werken samen met de Centrale organisatie werk en inkomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om de inschakeling van bijstandsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de samenwerking, bedoeld in het tweede lid. [SaS] [SS] [StS] [TbsC]

 

Art. 112. [Verplichting tot doelmatige bedrijfs-/beroepsuitoefening en behoorlijke administratievoering]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 2003, 376]
-1. Burgemeester en wethouders leggen aan de zelfstandige aan wie zij algemene bijstand of bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal verlenen met toepassing van artikel 8 de verplichtingen op die zij nodig achten voor een doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening.
-2. De zelfstandige aan wie bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, is verplicht naar behoren een administratie te voeren.
-3. Ten aanzien van de zelfstandige die zijn bedrijf of zelfstandig beroep gedurende ten minste een halfjaar niet of nagenoeg niet uitoefent, is artikel 113 van toepassing.

 

Art. 113.¹ [Verplichting tot arbeidsinschakeling | Definitie passende arbeid | Regeling vrijstelling verplichtingen Abw | Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1997, 465Stb. 1997, 760Stb. 1997, 789Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386]      [JurisprudentieLJN AA4116AA4301AA5111AA5143AA8538AA9387AA9416AA9801AB2257AB2485AD5014AD5103AD8414AE1328AE2461AE3147AE3731AE6141AE6671AE7389AE7520AF0759AF0888AP1140]
-1. De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 68a, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij de Centrale organisatie werk en inkomen en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. passende arbeid te aanvaarden;
d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen.
-2. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passende arbeid wordt aangemerkt arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
-3. Indien bijstand wordt verleend aan gehuwden, gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor ieder van hen.
-4. Onze Minister kan regels stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van één of meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van één of meer categorieën belanghebbenden. [RvvA]
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het begrip passende arbeid, bedoeld in het eerste en tweede lid. [Bpasa]

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 113 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt de artikel 113 met ingang van 1 februari 2005, red.

 

Art. 114.¹ [Geen verplichtingen bij noodzakelijke scholing | Regeling noodzakelijke scholing]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995 Stb. 1998, 290Stb. 2003, 298Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386]      [JurisprudentieLJN AA4301]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen de belanghebbende die een scholing of opleiding gaat volgen die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid, ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel a en c, voor ten hoogste de duur en de omvang van die scholing of opleiding. Scholing of opleiding wordt slechts noodzakelijk geacht voor de inschakeling in de arbeid indien aantoonbare inspanningen van belanghebbende om arbeid te verkrijgen geen resultaat hebben gehad.
-2. Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot het aanmerken van scholing of opleidingen als noodzakelijk voor de inschakeling in de arbeid, die bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, in acht worden genomen. [Rns]
-3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als noodzakelijke scholing of opleiding tevens aangemerkt de scholing en opleiding waarvoor de belanghebbende die arbeidsgehandicapte is als bedoeld in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten op grond van die wet dan wel op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden in aanmerking komt en die vooraf aan burgemeester en wethouders is gemeld.
-4. Indien de belanghebbende een scholing of opleiding gaat volgen, anders dan bedoeld in het eerste lid, meldt hij dit vóór aanvang van die scholing of opleiding aan burgemeester en wethouders.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 114 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt de artikel 114 met ingang van 1 februari 2005, red.

 

Art. 114a.¹ [Ontheffing sollicitatieverplichting vanwege sociale activering]  [GeschiedenisStb. 2001, 109Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386]
Burgemeester en wethouders kunnen de belanghebbende die deelneemt aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inschakeling werkzoekenden ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel a, voor ten hoogste de duur van die activiteiten.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 114a vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt de artikel 114a met ingang van 1 februari 2005, red.

 

Art. 115.¹ [Verplichte melding onbetaalde arbeid | Werkzaamheden arbeidsgehandicapte op proefplaats]  [GeschiedenisMvTversie 12 april 1995Stb. 1998, 290Stb. 2003, 376Stb. 2003, 386]      [JurisprudentieLJN AA5143]
-1. Indien de belanghebbende werkzaamheden zonder beloning gaat verrichten, dient hij dit zo spoedig mogelijk te melden aan burgemeester en wethouders.
-2. Voor de belanghebbende die arbeidsgehandicapte is als bedoeld in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten die op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal zes maanden onbeloonde werkzaamheden verricht, niet zijnde werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, gelden voor de duur van de werkzaamheden op die proefplaats de verplichtingen, genoemd in artikel 113, eerste lid, onderdeel a en c, niet.
-3. De onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats zijn:
a. werkzaamheden waartoe de belanghebbende met zijn krachten en bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden waarbij de werkgever bij wie de proefplaatsing geschiedt een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de werknemer heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de belanghebbende niet reeds eerder onbeloond op een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht.

1. Bij Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is bepaald dat artikel 115 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge het Besluit van 21 januari 2005, Stb. 2005, 35, vervalt de artikel 115 met ingang van 1 februari 2005, red.

 

Art. 115a. Vervallen[GeschiedenisStb. 1997, 193Stb. 1997, 760]