Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

             

 


ALGEMENE  BIJSTANDSWET

in kort bestek

 

 

(Zie ook Wwb kort bestek)

 

 

 
1. Algemeen


     "Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege", aldus artikel 7, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw).

     De Abw is een vangnetvoorziening als sluitstuk van de sociale zekerheid en wordt uitgevoerd door de gemeente. Pas wanneer de middelen (= het inkomen en/of het vermogen) minder bedragen dan de bijstandsnorm en de vermogensgrens, en deze (nihil)middelen niet kunnen worden aangevuld middels een andere voorziening dan de Abw, ontstaat (behoudens uitzonderingen) voor personen van 18 jaar of ouder recht op bijstand. Bijstand kan zijn: algemene bijstand en/of bijzondere bijstand.

 

2. Verplichtingen


     Artikel 65, eerste lid, Abw regelt de inlichtingenverplichting: "De belanghebbende doet aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald". In ieder geval middels het maandelijks in te leveren rechtmatigheidsonderzoeksformulier (= werkbriefje) en het periodiek uit te voeren heronderzoek wordt het recht op bijstand telkens vastgesteld. Ten onrechte uitbetaalde bijstand wordt verrekend of teruggevorderd.

     Hoofdstuk 8 Abw regelt de aan de bijstand verbonden verplichtingen zoals tot het vorderen van alimentatie, het meewerken aan de vestiging van een krediethypotheek bij eigenwoningbezit en het melden van het gaan verrichten van onbetaalde arbeid. Verder kunnen verplichtingen worden opgelegd die onder andere strekken tot inschakeling in de arbeid of in eigen bedrijf of zelfstandig beroep (bijvoorbeeld naar behoren solliciteren, inschrijving bij het Centrum voor werk en inkomen, passende arbeid aanvaarden, meewerken aan een trajectplan, meewerken aan scholing of opleiding en beschikbaar zijn voor de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden, en voor zelfstandigen, een doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening en een behoorlijke administratievoering). Aan een ouder met de volledige verzorgende taak voor één of meer ten laste komende (pleeg)kinderen jonger dan 5 jaar worden de arbeidsverplichtingen niet opgelegd, zoals dat ook mogelijk kan zijn bij personen met beperkingen van medische of sociale aard (artikel 107 Abw). Personen van 57,5 jaar of ouder en geboren na 1 november 1941 zijn niet langer op grond van leeftijd vrijgesteld van alle arbeidsverplichtingen.

     De bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de persoon of het gezin (individualiseringsbeginsel).

 

3. Boeten en maatregelen


     Een boete kan worden opgelegd wanneer de inlichtingenverplichting (zie hierboven) niet, niet tijdig of niet behoorlijk is nagekomen. De normboete is vastgesteld op 10% van het brutofraudebedrag en bedraagt ten minste €|45,00. Bij nulfraude geldt een normboete van €|45,00. Op grond van individuele omstandigheden kan van de normboete naar boven of naar beneden worden afgeweken. Bij recidive binnen twee jaren wordt de boete doorgaans verhoogd met 50%. Strafrechtelijke vervolging vindt alleen plaats bij fraude boven €|6000,00 bruto. Een boete wordt dan niet opgelegd. Het fraudebedrag wordt in geval van algemene bijstand altijd bruto teruggevorderd. Middels een T-biljet kan de Belastingdienst worden verzocht om teruggave van de te veel betaalde belasting en premies.

     Een maatregel kan worden opgelegd wanneer vóór of tijdens de bijstandsperiode blijk is gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, met name ten aanzien van de bovengenoemde arbeidsverplichtingen. De normmaatregel houdt een weigering van de bijstand in, al naargelang de ernst van de verwijtbare gedraging, variërend van 5% tot 100% van die bijstand gedurende één maand. Bij herhaling binnen één jaar van dezelfde of een ernstiger verwijtbare gedraging wordt de periode van weigering van de bijstand verdubbeld. Van de hoogte of de duur van de normmaatregel kan op grond van individuele omstandigheden naar boven of naar beneden worden afgeweken. In het lopende boekjaar ten onrechte verstrekte bijstand wordt netto teruggevorderd; voordien verstrekte algemene bijstand meestal bruto.

     Indien het verzuim niet heeft geleid tot een ten onrechte of een te hoog verstrekt bedrag aan bijstand, kan in plaats van een boete of maatregel worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

 

4. De uitkering


     De bijstandsnormen voor personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn gebaseerd op het nettominimumloon en voor personen van 65 jaar of ouder op de netto-AOW-normen, waarbij een particuliere oudedagsvoorziening tot €|16,45 voor alleenstaanden en alleenstaande ouders en tot €|32,90 voor echtparen buiten beschouwing wordt gelaten. De bijstandsnormen voor personen van 18, 19 of 20 jaar zijn gelijk aan het niveau van de kinderbijslag. Voor aanvulling van het inkomen tot de norm van een 21-jarige dient de onderhoudsplicht van de ouder(s) te worden aangesproken. Indien geen of onvoldoende draagkracht bij de onderhoudsplichtige(n) aanwezig is, kan bijzondere bijstand worden verleend. Voor personen die in een inrichting verblijven, gelden normen die zijn gebaseerd op de behoefte aan zak- en kleedgeld.

     Voor zover algemene kosten van het bestaan niet of niet geheel kunnen worden gedeeld met een ander, kan de bijstandsnorm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar worden verhoogd met een gemeentelijke toeslag van ten hoogste €|227,93 inclusief vakantietoeslag. Voor alleenstaanden van 21 of 22 jaar kan ingevolge een gemeentelijke verordening de toeslag lager worden vastgesteld. Voor schoolverlaters kan de bijstandsnorm of de toeslag lager worden vastgesteld gedurende zes maanden na het tijdstip van beëindiging van de deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten.

     Het in aanmerking te nemen (fictieve) inkomen uit studiefinanciering van een bij zijn ouder(s) thuisinwonende studerende wordt gesteld op €|271,06 en voor een uitwonende studerende op €|486,94.

     Op vermogen boven de vermogensgrens (= oververmogen) dient, behoudens uitzonderingen, eerst te worden ingeteerd alvorens recht op bijstand kan ontstaan. Het maandelijks interingsbedrag mag niet meer bedragen dan 150% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag plus de kosten van een particuliere ziektekostenverzekering.

 

5. Bijzondere bijstand


     Bijzondere bijstand is de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de in beginsel per jaar aanwezige draagkracht geheel of gedeeltelijk (= gemeentelijk beleid) te boven gaan. Niet het soort inkomen (uitkering, loon, inkomen uit eigen bedrijf of zelfstandig beroep, studiefinanciering, alimentatie, enz.) is bepalend voor het recht op bijzondere bijstand, maar de hoogte van dat inkomen. Studerenden hebben echter geen recht op woonkostentoeslag. Hoewel nog maar zelden toegepast, kan een drempelbedrag van ten hoogste €|109,00 per jaar zijn ingesteld. De vermogensgrenzen en de voorrang aan voorliggende voorzieningen gelden ook hier onverkort. Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor (loon)beslag (door de gerechtsdeurwaarder of door de gemeente zelf), noch voor vervreemding of verpanding.

     Indien de gemaakte of te maken kosten voldoen aan bovengenoemde voorwaarden en de noodzaak en het bestaan van die kosten worden aangetoond, kan voor nagenoeg alle kostensoorten (ook voor eigen bijdragen en voor een geldlening of borgtocht) recht op bijzondere bijstand bestaan. Daarnaast kan de gemeente, ook ten aanzien van inkomens tot 110 of 120% van de bijstandsnorm, eigen beleid vaststellen voor categoriale (= per categorie, doelgroep) bijzondere bijstand, zoals voor kosten van duurzame gebruiksgoederen, gemeentelijke belastingen, schoolgaande kinderen, een krantenabonnement, uitgaanspas, NS-voordeelurenkaart of computer en soms zelfs een huwelijksbemiddelingsbureau. Informeer daarom bij uw gemeente en lees het aldaar verkrijgbare informatiemateriaal, ook met betrekking tot mogelijke andere "minimaregelingen" die niet onder de bijzondere bijstand vallen of die bij andere instanties gelden.

 

6. Premies


     Ingevolge artikel 43, tweede lid, onderdeel m, Abw worden inkomsten uit arbeid van personen van 57,5 jaar of ouder, van personen waarvoor één of meer van de in artikel 113, eerste lid, Abw genoemde verplichtingen niet gelden en van ouders met de volledige verzorgende taak voor één of meer ten laste komende (pleeg)kinderen jonger dan 5 jaar vrijgelaten tot €|89,00 per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van in totaal €|163,00 per maand. Inkomsten boven €|237,00 per maand worden dus geheel in mindering gebracht op de bijstand. Ingevolge onderdeel n kan de gemeente overeenkomstig een verordening dezelfde vrijlatingen toepassen op categorieën personen die om redenen van medische of sociale aard zijn aangewezen op het verrichten van deeltijdarbeid. Veelal betreft het hier personen die naast de bijstand een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, personen van 50 jaar of ouder doch jonger dan 57,5 jaar en alleenstaande ouders met de volledige verzorgende taak voor één of meer ten laste komende (pleeg)kinderen van 5 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar. Het bedrag van de vrijlating, de periode dat de regeling toepassing kan vinden en de leeftijdsgrens voor het jongste kind van de alleenstaande ouder kunnen soms beperkter zijn dan met de eerstgenoemde, centrale vrijlatingsregeling.

     Op grond van onderdeel p geldt voor personen genoemd in onderdeel m, alsook voor langdurig werklozen, dat subsidies die op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden worden ontvangen voor het onverplicht, in georganiseerd verband, verrichten van onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten niet in mindering worden gebracht op de bijstand, voor zover deze subsidies binnen een tijdvak van één maand minder bedragen dan €|81,00.

     Verder wordt een eenmalige premie voor het voltooien van een scholing of opleiding vrijgelaten tot €|1316,00. Premies voor het aanvaarden of behouden van arbeid worden vrijgelaten voor zover deze premies binnen een tijdvak van één jaar tezamen minder bedragen dan €|1952,00.

     Alle bovengenoemde incentives worden niet gerekend tot de middelen in de zin van de Abw.

 

7. Termijnen en rechtsbescherming


     De algemene bijstand wordt maandelijks achteraf betaald. De vakantietoeslag wordt jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden, dan wel in de maand waarin de algemene bijstand eindigt. De gebruikelijke vakantieduur bedraagt vier weken per kalenderjaar; voor personen van 57,5 jaar of ouder dertien weken. Bijstandverlening met terugwerkende kracht is in beginsel niet mogelijk; de schriftelijk vastgelegde datum van melding, in de regel bij het Centrum voor werk en inkomen, geldt als aanvangsdatum van de bijstand. Op de aanvraag dient binnen acht weken te worden beslist; op de aanvraag om als zelfstandige bijstand te ontvangen binnen dertien weken, of binnen 26 weken bij verlenging van de eerste beslistermijn.

     Afgezien van enkele bijzondere bepalingen in hoofdstuk XI Abw, is de rechtsbescherming geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin zijn onder meer te vinden: de algemene en de bijzondere bepalingen over besluiten (bijvoorbeeld op een aanvraag), de algemene en de bijzondere bepalingen over bezwaar en beroep bij de rechtbank en de bepalingen over klachtbehandeling. Een bezwaarschrift tegen een besluit dient binnen zes weken bij burgemeester en wethouders te worden ingediend en een beroepschrift tegen een besluit op bezwaar binnen zes weken bij de sector Bestuursrecht van de arrondissementsrechtbank. Indien onverwijlde spoed dat vereist, kan op grond van titel 8.3 Awb de voorzieningenrechter worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen (= administratief kort geding). Hoger beroep tegen een uitspraak van de arrondissementsrechtbank dient binnen zes weken te worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

     In de meeste gevallen kan voor bezwaar, beroep, voorlopige voorziening en hoger beroep toevoeging van een advocaat worden verkregen. Voor de kosten van eigen bijdrage, griffierecht, enz. bestaat in beginsel recht op bijzondere bijstand.

 

8. Tot slot


     De bijstand is maatwerk en op veel bepalingen van de Abw is een uitzondering mogelijk, al dan niet op grond van gemeentelijk beleid. Wees daarom bedacht op het al te snel trekken van conclusies.
     Gedetailleerde informatie over de uitvoering van de Abw en de desbetreffende gemeentelijke beleidsregels vindt u in het handboek "Abw-praktijk".

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | register Abw | Abw-praktijk | jurisprudentie | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x