Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2000

 

BESLUIT  WEIGERING  RIJKSVERGOEDING
ABW,  IOAW  EN  IOAZ

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2001
(Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz)


7 oktober 1996, Stb. 1996, 519
Inwerkingtreding: 30 oktober 1996
(T.a.v. artt. 136:4 Abw, 59:4 Ioaw en 59:4 Ioaz)

 

 

 

 
BESLUIT van 7 oktober 1996, houdende regels betreffende het weigeren van vergoeding van kosten van bijstand en uitkeringen aan gemeenten (Besluit  weigering rijksvergoeding Abw, Ioaw en Ioaz)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juli 1996, Directie Bijstandszaken, nr. BZ/UB/96/3370;
     Gelet op artikel 136, vierde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 59, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 59, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
     De Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 1996, nr. W12.96.0296);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 september 1996, Directie Bijstandszaken, nr. BZ/UB/96/4171;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. [Definities]
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Abw: de Algemene bijstandswet;
b. Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. maatregel: het weigeren, terugvorderen of verrekenen van rijksvergoeding als bedoeld in artikel 134, eerste en tweede lid, van de Abw, artikel 57, eerste lid, van de Ioaw en artikel 57, eerste lid, van de Ioaz;
e. rijksaandeel: het deel van de kosten van bijstand, onderscheidenlijk uitkering, waarvoor het Rijk krachtens de Abw, de Ioaw of de Ioaz vergoeding verleent.

 

Art. 2. [Vaststelling bedrag maatregel]
In een geval als bedoeld in artikel 136, derde lid, van de Abw, artikel 59, derde lid, van de Ioaw of artikel 59, derde lid, van de Ioaz stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op het rijksaandeel in het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens die wetten bepaalde aan bijstand, onderscheidenlijk uitkering, is verleend, dan wel niet is teruggevorderd of verhaald. Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 14a van de Abw, artikel 20a van de Ioaw of artikel 20a van de Ioaz, stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op het bedrag dat door de nalatigheid van de gemeente niet ten bate van het Rijk komt.

 

Art. 3. [Forfaitaire vaststelling bedrag maatregel | Regeling forfaitaire percentages maatregelen Abw, Ioaw en Ioaz]
-1. Indien in een geval als bedoeld in artikel 136, derde lid, onderdeel b, van de Abw, artikel 59, derde lid, onderdeel b, van de Ioaw of artikel 59, derde lid, onderdeel b, van de Ioaz het bedrag, bedoeld in artikel 2, niet kan worden vastgesteld, stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op een percentage van het totaalbedrag van de door burgemeester en wethouders op grond van de desbetreffende wet over het betrokken vergoedingsjaar gedeclareerde rijksvergoeding.
-2. Het in het eerste lid bedoelde percentage is:
a. indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens paragraaf 2, 3, 4, 5 en 6 van hoofdstuk V van de Abw, artikel 13 tot en met 19 van de Ioaw of artikel 13 tot en met 19 van de Ioaz: ten hoogste 3;
b. indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 111 van de Abw, artikel 34 van de Ioaw of artikel 34 van de Ioaz: ten hoogste 2;
c. indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 117 van de Abw, artikel 41 van de Ioaw of artikel 41 van de Ioaz: ten minste 0,5 en ten hoogste 3;
d. indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 118 van de Abw, artikel 42 van de Ioaw of artikel 42 van de Ioaz: ten hoogste 2.
-3. Indien de tekortkoming, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een deel van het vergoedingsjaar, wordt het bedrag van de maatregel naar evenredigheid vastgesteld.
-4. Bij ministeriŽle regeling worden met betrekking tot het tweede lid nadere regels gesteld. [RfpmAII]

 

Art. 4. [Afzien van maatregel | MinisteriŽle regeling afzien van maatregel]
-1. Onze Minister kan besluiten van een maatregel af te zien indien de tekortkoming, bedoeld in artikel 136, derde lid, van de Abw, artikel 59, derde lid, van de Ioaw of artikel 59, derde lid, van de Ioaz:
a. van bijzondere aard of geringe betekenis is; of
b. de gemeente zich naar het oordeel van Onze Minister voldoende heeft ingespannen om de tekortkoming op te heffen.
-2. Bij ministeriŽle regeling kunnen met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, nadere regels worden gesteld.

 

Art. 5. [Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 6. [Citeertitel]
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit weigering rijksvergoeding Abw, Ioaw en Ioaz.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

ís-Gravenhage, 7 oktober 1996

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert

 

Uitgegeven de negenentwintigste oktober 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[7 oktober 1996]

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Artikel 136, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) geeft Onze Minister de mogelijkheid rijksvergoeding te weigeren dan wel, indien rijksvergoeding reeds is betaald, deze geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen. Overeenkomstige bepalingen zijn te vinden in artikel 59, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en artikel 59, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz). Van de bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt indien de gemeente zich bij de uitvoering van de wet niet houdt aan de in de wet gestelde eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid.
     Deze mogelijkheid is aan Onze Minister gegeven om over een effectief instrument te beschikken waarmee de uitvoeringspraktijk kan worden bijgestuurd. Het is steeds de bedoeling om de feitelijke uitvoeringspraktijk in overeenstemming te brengen met de door de wetgever beoogde. Toepassing van de bevoegdheid tot het weigeren van rijksvergoeding is er dan ook op gericht om de naleving van de wet door de gemeente af te kunnen dwingen.
     Daarnaast vervult de weigering rijksvergoeding in het departementaal vaststellingsproces van rijksvergoeding aan gemeenten een functie in het kader van een ordelijk financieel beheer in relatie tot de uitvoering van de rijksbegroting.

     Op grond van de betreffende wetten richt het aldus afdwingen van naleving zich op het eventueel weigeren van rijksvergoeding bij:
- onrechtmatig verleende bijstand of uitkering;
- het niet voldoen aan met name genoemde uitvoeringsvoorschriften die verband houden met het verlenen van bijstand of uitkering, zoals de samenwerkingsverplichting met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.], eisen aangaande de administratie en fraudebeleid; en
- bijstand of uitkering die niet of niet volledig is teruggevorderd of verhaald.
     Uit de verwijzing naar de activeringsdoelstelling blijkt dat bij de beoordeling van de aanvraag rijksvergoeding ook doelmatigheidsaspecten van de wetsuitvoering worden betrokken. Bij de toetsing van de rechtmatigheid is aan de orde of er wetsconform is gehandeld. Indien gehandeld wordt in strijd met doelmatigheidsaspecten die in wettelijke voorschriften zijn vervat, kan derhalve eveneens rijksvergoeding worden geweigerd.

     Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake de weigering rijksvergoeding. Het integrale karakter van de betreffende wetten en de daaruit voortvloeiende opdracht houdt in dat de gemeente ernaar dient te streven om zonder uitzondering de wet juist uit te voeren. Het kan desalniettemin voorkomen dat een gemeente, bijvoorbeeld door omstandigheden die op korte termijn niet te veranderen zijn, voor het dilemma komt te staan prioriteiten te stellen in de uitvoering. Het is dan voor gemeenten van belang te weten welke uitvoeringsaspecten in het bijzonder van belang worden geacht voor een juiste uitvoering. De waardering van dat belang kan blijken uit de grondslagen voor de weigering rijksvergoeding, zoals die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgelegd. Dit neemt niet weg dat indien een gemeente als gevolg van een dergelijke prioriteitsstelling op een ander onderdeel tekortschiet, de gemeente daarop wordt aangesproken.

     Voorts leidt het kenbaar maken van de regels voor de weigering rijksvergoeding er niet alleen toe dat de gemeenten weten waar ze aan toe zijn, maar ook dat gemeenten in vergelijkbare situaties overeenkomstig worden behandeld. Onze Minister is namelijk gebonden aan deze regels door deze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te leggen. Uit hoofde van rechtszekerheid en waarborging van rechtsgelijkheid jegens gemeenten is ervoor gekozen om deze mogelijkheid te benutten.

     Bij de op grond van artikel 146 van de Abw voorziene evaluatie zal tevens aandacht worden besteed aan de doeltreffendheid en de effecten van de bij en krachtens dit besluit gestelde regels.

 

2. Uitgangspunten


     Bij de totstandkoming van de Abw is de bestuurlijke verhouding tussen Rijk en gemeenten herijkt. Zo is ervoor gekozen om de gemeenten een grotere beleidsvrijheid in samenhang met open geformuleerde wettelijke opdrachten te geven. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de verordeningsplicht ten behoeve van het verlenen van toeslagen afgestemd op de mogelijkheden van uitkeringsgerechtigden om kosten te delen. De mogelijkheden voor gemeenten om gegevens van belanghebbenden te verifiŽren, zijn aanzienlijk uitgebreid.
     Tevens vormt de vernieuwde bestuurlijke verhouding het kader voor de toezichtsrelatie met de gemeenten. Het Rijk zal in beginsel geen direct toezicht meer uitoefenen en slechts vanuit de tweede lijn opereren. Dat houdt onder meer in dat de gemeenten zelf zorg dragen voor getrouwe (gecertificeerde) verantwoordingsinformatie over het uitvoeringsproces. Dat impliceert dat de gemeentelijke organisatie zodanig is ingericht en functioneert dat tekortkomingen tijdig worden gesignaleerd. Hiermee worden overigens geen beperkingen aangebracht ten aanzien van de bron van de signalering van de tekortkoming. Dat de signalering logischerwijs in de meeste gevallen uit de gemeentelijke organisatie zelf voortkomt, neemt niet weg dat ook anderen, zoals de rijksconsulent, de bij de gemeente fungerende accountant of een extern adviseur op tekortkomingen kunnen wijzen. De vernieuwde bestuurlijke verhouding is uiteraard niet zonder gevolgen voor de wijze waarop Rijk en gemeenten met elkaar omgaan bij het oplossen van die tekortkomingen. Zo was het onder de oude Algemene Bijstandswet (ABW) gebruikelijk dat naar aanleiding van "actueel" onderzoek de rijksconsulent in naam van de minister het initiatief nam om tot een herstelproces te komen. In de nieuwe toezichtsrelatie past dat niet meer. Het wordt thans dan ook primair als een gemeentelijke verantwoordelijkheid gezien om tot een herstelproces respectievelijk een verbetertraject te komen. Dit houdt niet alleen in dat de gemeente zelf daartoe het initiatief neemt, maar dat ook tijdig doet. Als dan bij de vaststelling van de rijksvergoeding duidelijk is dat de gemeente zich naar het oordeel van Onze Minister voldoende heeft ingespannen om de tekortkomingen op te heffen, biedt artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het besluit de mogelijkheid om ondanks de tekortkoming toch rijksvergoeding te verlenen.

     Een andere belangrijke overweging is de continuÔteit van het beleid geweest, zoals dat van toepassing was onder de ABW en zoals dat aan de Tweede Kamer is kenbaar gemaakt (Kamerstukken II 1991-1992, 22 300 XV, nr. 92 en Kamerstukken II 1992-1993, 22 800 XV, nr. 18). Deze continuÔteit wordt tot uitdrukking gebracht door dezelfde beginselen die werden gehanteerd onder de ABW van toepassing te verklaren onder de Abw.
     Voor de weigering rijksvergoeding leidt dat niet zozeer tot andere toepassingen alswel tot nieuwe toepassingen, waar nieuwe elementen in de wet zijn opgenomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het "aanspreken" van de gemeente op de samenwerkingsplicht met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of de plicht tot het tijdig realiseren van uitvoeringsbeleidsplannen en -verslagen.

     Weigering rijksvergoeding heeft betrekking op met onrechtmatige wetsuitvoering gemoeide kosten van algemene bijstand of uitkering ingevolge de Ioaw of Ioaz. Uit de betreffende wetten vloeit voort dat in het onderhavige besluit niet is uitgegaan van een boetestelsel. De omvang van de weigering rijksvergoeding sluit derhalve aan bij het financieel beslag van de onrechtmatigheid in de uitvoering. Slechts indien het financieel beslag ook bij benadering niet kan worden gekwantificeerd, wordt teruggevallen op een normstelsel. Alsdan wordt het bedrag van de maatregel vastgesteld op een percentage van de door het gemeentebestuur aangevraagde rijksvergoeding. Dit doet zich voor indien een directe relatie tussen tekortkoming en het financieel beslag ontbreekt. Voor dit normstelsel wordt gestreefd naar een onderling consistente verhouding tussen de forfaitaire weigeringspercentages in relatie tot de ernst van de tekortkoming. Onder de ABW bleek ten aanzien van bijvoorbeeld een te laat debiteurenonderzoek een relatief hoge forfaitaire weigering rijksvergoeding te worden gehanteerd ten opzichte van een te laat heronderzoek.
     Weigering rijksvergoeding kan slechts betrekking hebben op tekortkomingen ten opzichte van een bij of krachtens de wet vastgelegde norm. Het niet voldoen aan een in de wet bepaalde taak - zoals de verplichte samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie - of het niet aanwezig zijn van een in de wet vastgelegd instrumentarium - zoals het uitvoeringsbeleidsplan en -verslag - wordt hier toe gerekend. Deze aspecten hebben inhoudelijk betrekking op de doelmatigheid van de wetsuitvoering. Overige aspecten van doelmatige wetsuitvoering zijn impliciet bepaald of gaan uit van keuzemogelijkheden binnen de discretionaire bevoegdheid van de gemeente en geven als zodanig geen aanleiding tot weigering van rijksvergoeding. Uitsluitend voor zover de doelmatigheid van de wetsuitvoering toetsbaar in wettelijke eisen is vervat, wordt deze dus betrokken bij een eventuele weigering rijksvergoeding.

     Onze Minister zal, nadat een tekortkoming is geconstateerd en de gemeente in verband daarmee tijdig het initiatief heeft genomen, in overleg treden over de voorwaarden voor een verbetertraject. Deze voorwaarden kunnen onder meer betrekking hebben op inspanningen van de gemeente en de momenten en wijze van verantwoorden. Voorts is dan voor de hand liggend dat afspraken worden gemaakt over de tijdstippen waarop de tekortkomingen moeten zijn weggenomen.
     In beginsel kunnen verbetertrajecten alleen aan de orde zijn indien niet wordt voldaan aan bepaalde uitvoeringsvoorschriften en bij tekortkomingen van administratieve en organisatorische aard. De aard van de tekortkomingen dient zodanig te zijn dat een verbetertraject ook functioneel is om tot een structurele oplossing te komen. Het meest voor de hand liggend zijn dan ook organisatorische problemen of overmachtsituaties die tijd vergen om tot een adequate oplossing te komen. Het tijdvak waarover een verbetertraject wordt afgesproken, vloeit voort uit de tijd die benodigd is om de tekortkoming structureel op te heffen.
     In het toezichtsproces zou het verbetertraject als volgt kunnen worden vormgegeven. Indien gemeente en Rijk het eens zijn geworden over de wijze waarop de tekortkoming wordt opgeheven ťn de gemeente voert het verbetertraject overeenkomstig uit, worden tekortkomingen gedurende het tijdvak vanaf het ontstaan van de tekortkoming tot aan de afloop van het verbetertraject in beginsel gedoogd. Mochten de afgesproken doelstellingen onverhoopt niet worden gerealiseerd, dan wordt de gemeente bij de vaststelling van de rijksvergoeding in beginsel over het restant van het verantwoordingsjaar geconfronteerd met een weigering van rijksvergoeding.
     Indien evenwel blijkt dat de gemeente tekort is geschoten bij het nakomen van de afspraken over de wijze waarop gedurende het verbetertraject zou worden gehandeld, worden tekortkomingen in beginsel niet gedoogd.
     Uiteraard is het belang van volledige verbetering groter dan het slechts volgen van de gemaakte afspraken. Hiermee rekening houdend, zal in het geval dat volledige verbetering bij afloop van het afgesproken verbetertraject is gerealiseerd, maar de verbeterprocesafspraken niet volledig zijn nageleefd, de tekortkoming gedurende het verantwoordingsjaar waarin het verbetertraject afloopt in beginsel worden gedoogd. Deze beperking tot het verantwoordingsjaar waarin het verbetertraject afloopt, houdt verband met het feit dat aan het eind van een (voorafgaand) verantwoordingsjaar aan gemeenten duidelijkheid moet worden geboden. Indien wordt geconstateerd dat gemeenten zich op die momenten niet aan de afspraken hebben gehouden, wordt de tekortkoming niet gedoogd.

     Voor een goede wetsuitvoering is het van belang dat de minister in voldoende mate rekening kan houden met de specifieke omstandigheden van gemeenten. Het is niet in het belang van de gemeente dat de regelgeving te rigide is en de minister daardoor te zeer bindt. Dit mag uiteraard geen afbreuk doen aan de rechtszekerheid en -gelijkheid van de gemeenten. De minister behoudt de bevoegdheid om in de in artikel 4 van dit besluit bedoelde gevallen af te zien van weigering van rijksvergoeding.

     De weigering van kosten van bijstand of uitkering heeft uitsluitend betrekking op de kosten die verband houden met onrechtmatige wetsuitvoering. Voor zover kosten in de aanvraag rijksvergoeding zijn opgenomen, die geen kosten van bijstand of uitkering ingevolge de Ioaw of Ioaz zijn, worden deze zonder enige terughoudendheid niet vergoed.
     Vooruitlopend op een formele weigering rijksvergoeding kan in materiŽle zin daar reeds rekening mee worden gehouden door de bevoorschotting hiervoor aan te passen.


Overgangssituatie

     Onder het oude regime toegekende hersteltermijnen of specifieke afspraken in het kader van het toezichtsproces kunnen in beginsel een doorlooptijd hebben tot in 1996. Deze afspraken zullen in het algemeen ook passen binnen de regelgeving en het beleid aangaande de weigering rijksvergoeding. In gevallen waarin dergelijke gemaakte afspraken zich niet goed verhouden tot het nieuwe beleid, zullen deze worden gerespecteerd.


Relatie met Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet

     In de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Invoeringswet) is geregeld dat kosten op grond van de Invoeringswet eveneens onder de werking van onderhavig besluit vallen.
     Onderhavig besluit strekt zich echter niet uit tot de situatie dat een gemeente tekortschiet inzake het vaststellen van een verordening ex artikel 38 Abw, op grond waarvan de gemeente de bijstandsnorm kan verhogen dan wel verlagen. De Invoeringswet heeft de minister wel de bevoegdheid toegekend om in dergelijke gevallen rijksvergoeding te weigeren. Het ligt daarmee voor de hand dat in geval van bedoelde tekortkomingen op overeenkomstige wijze als op grond van onderhavig besluit zal worden gehandeld.


FinanciŽle consequenties

     De samenhang tussen de nieuwe bestuurlijke verhouding en de continuÔteit die met deze regelgeving wordt nagestreefd, leidt ertoe dat er geen financiŽle mutaties voor de rijksbegroting worden voorzien. Het besluit moet ertoe bijdragen dat de uitvoering voldoet aan de daaraan te stellen eisen.


Toetsing op terughoudendheid met regelgeving

     Het bieden van duidelijkheid en rechtszekerheid maakt deze regeling noodzakelijk.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     In dit artikel worden "Abw", "Ioaw", "Ioaz" en "maatregel" omschreven. Bij een "maatregel" gaat het om het - geheel of gedeeltelijk - weigeren, terugvorderen of verrekenen van rijksvergoeding als bedoeld in artikel 134, eerste en tweede lid, van de Abw, artikel 57, eerste lid, van de Ioaw en artikel 57, eerste lid, van de Ioaz. De rijksvergoeding in kosten van aan derden opgedragen onderzoek als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Ioaz valt buiten het bereik van deze definitie.
     De omschrijving van "rijksaandeel", in onderdeel e, is nodig in verband met het bepaalde in artikel 2.

 

Artikel 2

     Dit artikel stelt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5, buiten twijfel dat ten aanzien van bijstand respectievelijk uitkering die wordt verleend in strijd met het bij of krachtens de Abw, de Ioaw of de Ioaz bepaalde, geen rijksvergoeding plaatsvindt. Weigering van rijksvergoeding vindt eveneens plaats ter zake van bijstand of uitkering die niet of niet volledig wordt teruggevorderd of verhaald.
     Het bepaalde in dit artikel impliceert dat onderzoek zal moeten worden gedaan naar de omvang van de kosten die in strijd met de wet zijn gemaakt of in strijd met de wet niet zijn teruggevorderd of verhaald. Absolute zekerheid over die omvang kan evenwel alleen worden verkregen door een integraal onderzoek aan de hand van het bestand van de bijstands- of de uitkeringsgerechtigden in de betreffende gemeente. Zoín werkwijze is ondoelmatig en ook, praktisch gesproken, onuitvoerbaar. Tegen het gebruik van de bevindingen uit een representatieve steekproef of een andere op de concrete situatie van de tekortkoming in de gemeente toegespitste onderzoeks- of rekenmethode bestaat dan ook geen bezwaar. Uiteraard zal bij een zodanige benadering een naar redelijkheid vast te stellen veiligheidsmarge worden gehanteerd.

     Anticiperend op de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996 tot wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan (Stb. 1996, 248) [Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, red.], is in de slotzin van artikel 2 rekening gehouden met de situatie dat de gemeente ten onrechte geen administratieve boete als bedoeld in de artikelen 14a van de Abw, 20a van de Ioaw en 20a van de Ioaz oplegt. Alsdan wordt het bedrag van de maatregel vastgesteld op het bedrag dat bij de invordering van de boete aan het Rijk zou toekomen.

 

Artikel 3

     Omdat in de in dit artikel bedoelde gevallen het financieel beslag veelal niet is vast te stellen, is een aantal rekenregels opgenomen om het bedrag van de te weigeren rijksvergoeding langs forfaitaire weg te kunnen bepalen. Daarbij wordt uitgegaan van de door de gemeente aangevraagde rijksvergoeding als bedoeld in artikel 134, vierde lid, van de Abw en artikel 57, derde lid, van de Ioaw respectievelijk van de Ioaz.

     In het tweede lid worden vier categorieŽn tekortkomingen onderscheiden. Deze tekortkomingen zien op:
- de inlichtingenverplichting van de cliŽnt, het onderzoek door burgemeester en wethouders, de vaststelling van het recht op bijstand of uitkering naar aanleiding van de aanvraag, de opschorting van de bijstand of uitkering bij onvolledige verstrekking van gegevens of bewijsstukken door de belanghebbende en het besluit tot toekenning of wijziging van bijstand, met inbegrip van de door de minister met betrekking tot het voorgaande in de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften 1996 (Rau 1996) gegeven nadere regelen (onderdeel a);
- de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening, waaronder begrepen de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (onderdeel b);
- de administratieve vastlegging van de uitvoering en het uitvoeringsproces, met inbegrip van de betreffende bepalingen in de Rau 1996 (onderdeel c);
- het plan en beleidsverslag gericht op de bevordering van een rechtmatige en doelmatige uitvoering en de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening (onderdeel d).

     Het in het tweede lid onder a opgenomen maximumpercentage is bepaald door aan te sluiten bij het maximumpercentage onder c. Er is geen aanleiding gevonden om de tekortkomingen ten aanzien van de tijdigheid, juistheid en volledigheid van het onderzoek - in de meest ernstige vorm - anders te wegen dan de tekortkomingen van ditzelfde type aangaande de administratie.
     Het in het tweede lid onder b opgenomen maximumpercentage is zodanig bepaald dat recht wordt gedaan aan het belang van de hier bedoelde samenwerkingsverplichting en dat tevens een evenwichtig beeld ontstaat van de toe te passen forfaitaire percentages.
     De in het tweede lid onder c opgenomen minimum- en maximumpercentages zijn ontleend aan het beleid zoals dat onder meer is vastgelegd in de Nota uitgangspunten en normering toetsings- en maatregelenbeleid (Kamerstukken II 1991-1992, 22 300 XV, nr. 92), die op 17 juli 1992 door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer is gezonden.
     Het in het tweede lid onder d opgenomen maximumpercentage is afgeleid van de verwachte besparing die het gevolg is van de wettelijke verplichting tot het werken met beleidsplannen gericht op de bevordering van een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet alsmede op de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening.

     In de toezichtspraktijk kan niet altijd worden vastgesteld of een tekortkoming van administratieve aard is of dat sprake is van een tekortkoming in het uitvoeringsproces. Indien het uitvoeringsproces - onder andere de juistheid en volledigheid van de verificatie - correct is geweest maar de neerslag daarvan in de administratie vertoont hiaten - in de administratie ontbreekt onder andere de verificatiebron - kan achteraf vaak niet worden vastgesteld of het gaat om een tekortkoming onder a (onderzoeken) of onder c (aangaande de administratie). Vanwege het systematische karakter van een administratieve tekortkoming wordt deze zwaarder aangerekend dan tekortkomingen in het onderzoek.
     Indien bedoeld onderscheid niet is te maken, bepaalt het al dan niet systematische karakter van de tekortkoming of deze valt binnen de categorie onder c dan wel onder a.

     Opgemerkt wordt dat - gelet op de gekozen systematiek - ťťn tekortkoming tot meer dan ťťn maatregel aanleiding kan geven. Dit kan zich voordoen bijvoorbeeld bij tekortkomingen in de sfeer van de debiteurenadministratie of het debiteurenonderzoek.
     Dit type tekortkoming leidt, gelet op het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, tot een weigering van de rijksvergoeding door middel van een forfaitair vastgesteld percentage. Daarnaast is goed mogelijk - eventueel in een ander vergoedingsjaar - dat de tekortkoming ook leidt tot het buiten invordering stellen van vorderingen wegens het verstrijken van de vervaltermijn. De aldus buiten invordering gestelde bedragen vallen onder het bereik van artikel 2. Eťn en ander kan betekenen dat bij een dergelijke samenloop van voorgenomen maatregelen het financieel beslag van de tekortkoming in een bepaalde mate wordt overschreden. Het ligt daarbij in de eerste plaats op de weg van de gemeente om die overschrijding aan te tonen, of althans aannemelijk te maken. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, biedt de ruimte om bij de definitieve vaststelling van de maatregel met die gegevens rekening te houden.
     Uiteraard kan ook tussen de in het tweede lid onder a tot en met d opgenomen tekortkomingen samenloop optreden. De in die onderdelen opgenomen minimum- en maximumpercentages hebben betrekking op het totaal van de in het betreffende onderdeel gegroepeerde tekortkomingen. Indien een gemeente bijvoorbeeld zowel de in paragraaf 2 van hoofdstuk V van de Abw als de in paragraaf 4 van hoofdstuk V van de Abw bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, geldt dus voor beide tekortkomingen tezamen een maximumpercentage van 3 (de bedoelde tekortkomingen en dit percentage zijn opgenomen in het tweede lid, onderdeel a).
     Indien daarentegen een gemeente zowel de in het tweede lid, onderdeel a, als in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, dan geldt een maximumpercentage van 6. Dit percentage van 6 is verkregen door optelling van de in de betreffende onderdelen genoemde maximumpercentages.

     In het derde lid is vastgelegd dat indien de tekortkoming slechts een deel van het betreffende vergoedingsjaar heeft geduurd, het bedrag van de maatregel naar evenredigheid wordt vastgesteld.

     Op basis van de in het vierde lid opgenomen delegatiebepaling zullen met betrekking tot het tweede lid nadere regels worden gesteld. Deze nadere regeling wordt thans noodzakelijk geacht om in de situatie dat de gemeentelijke administratie of het gemeentelijk (her)onderzoek, -beŽindigingsonderzoek of -debiteurenonderzoek niet voldoet aan de ter zake gestelde regelen de bij de forfaitaire vaststelling van het bedrag van de maatregel benodigde percentages nader te bepalen.

 

Artikel 4

     Dit artikel maakt het mogelijk om bij tekortkomingen van bijzondere aard of van geringe betekenis - geheel of gedeeltelijk - van het weigeren van rijksvergoeding af te zien. Voorts wordt geregeld dat in gevallen waar het gaat om tekortkomingen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a en c (tekortkomingen van administratieve of organisatorische aard), eveneens kan worden afgezien van weigering rijksvergoeding indien de betreffende gemeente zich naar het oordeel van Onze Minister voldoende heeft ingespannen om die tekortkomingen op te heffen.

     Bij "tekortkomingen van bijzondere aard" kan er rekening mee worden gehouden dat door bepaalde factoren een situatie kan ontstaan die belemmerend kan werken voor een adequate uitvoering van de Abw. In een dergelijke situatie biedt onderdeel a de nodige ruimte om daarmee rekening te houden.

     Bij "tekortkomingen van geringe betekenis" gaat het om fouten waarmee slechts een gering financieel belang is gemoeid en om incidentele, in elke organisatie voorkomende fouten, zoals niet-systematische rekenfouten bij de berekening van een individuele uitkering. Deze fouten worden wel aan de gemeente voorgelegd, met het oog op mogelijke aanpassing door die gemeente van het desbetreffende uitvoeringsbesluit, maar vormen in de regel geen aanleiding om rijksvergoeding te weigeren.

     Uitgaande van de eigen verantwoordelijkheid voor het toezicht op de uitvoering, zodat die voldoet aan de in de wet gestelde eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid, wordt van de gemeente verwacht dat zij bij tekortkomingen die voortspruiten uit organisatorische problemen of situaties van overmacht, op een zo kort mogelijke termijn die tekortkomingen opheft. De toezichtsrelatie die Onze Minister met de gemeenten onderhoudt, maakt evenwel medebetrokkenheid van het Rijk, nader vorm te geven in verbetertrajecten, wenselijk.
     Onderdeel b ziet op de situatie dat de gemeentelijke inspanningen - alvorens het besluit over de rijksvergoeding wordt genomen - het beoogde effect hebben bereikt of dat de gemeente zich, zulks ter beoordeling door Onze Minister, voldoende heeft ingespannen om dat effect te bereiken. Indien gemeente en Rijk het eens zijn geworden over de wijze waarop de tekortkoming kan worden opgeheven ťn de gemeente voert het verbetertraject overeenkomstig uit, dan wordt daarmee in beginsel bij het besluit inzake de weigering respectievelijk vaststelling van rijksvergoeding rekening gehouden. In een dergelijk geval kan Onze Minister ten aanzien van die tekortkoming besluiten om geen rijksvergoeding te weigeren.

     Teneinde het mogelijk te maken dat de door Onze Minister gewenste inspanningen nader worden omschreven, is in het tweede lid van dit artikel een delegatiebepaling opgenomen. De bevoegdheid tot het stellen van nadere regels zal niet eerder worden benut dan nadat met de in het algemene deel van de toelichting aangekondigde verbetertrajecten de nodige ervaring is opgedaan.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x