Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 1999

 

BESLUIT  INKOOP  DIENSTVERLENING  ARBEIDSVOORZIENINGSORGANISATIE  DOOR  GEMEENTEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2000
(Besluit van 25 november 1999, Stb. 1999, 532)



10 januari 1997, Stb. 1997, 48
Inwerkingtreding: 1 januari 1997
(T.a.v. artt. 137a:1 Abw, 59a:1 Ioaw en 59a:1 Ioaz)

 

 

 

 
BESLUIT van 10 januari 1997, houdende regels met betrekking tot de inkoop van diensten gericht op de inschakeling in het arbeidsproces van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden door gemeenten (Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 oktober 1996, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ARV/96/2257;
     Gelet op de artikelen 137a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, 59a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en 59a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
     De Raad van State gehoord (advies van 13 december 1996, nr. W12.96.0493);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 1996, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ARV/96/2710;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. [Definities | Uitvoeringsregeling inkoop arbeidsvoorziening door gemeenten]
-1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Abw: de Algemene bijstandswet;
b. Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. uitkeringsgerechtigde: de persoon die algemene bijstand ingevolge de Abw of uitkering ingevolge de Ioaw of de Ioaz ontvangt;
e. moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigde: de uitkeringsgerechtigde die:
1. n jaar of langer algemene bijstand ingevolge de Abw of de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, onderscheidenlijk uitkering ingevolge de Ioaw of de Ioaz ontvangt; of
2. n jaar of langer werkloos is en gedurende die periode als werkzoekende is geregistreerd bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
-2. Bij ministerile regeling kan worden bepaald dat bij een onderbreking van de werkloosheid of de registratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, onder 2: [UiAg]
a. dagen van onderbreking worden aangemerkt als dagen van werkloosheid of van registratie; of
b. perioden gelegen vr en na de onderbreking worden samengeteld als waren zij een ononderbroken periode.

 

Art. 2. [Gelijkstelling met moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigde]
Met een moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigde kan worden gelijkgesteld een uitkeringsgerechtigde die naar het gezamenlijk oordeel van burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in een vergelijkbare arbeidsmarktpositie verkeert.

 

Art. 3. [Rijksuitkering kosten dienstverlening Arbvo | Uitvoeringsregeling inkoop arbeidsvoorziening door gemeenten]
-1. Onze Minister verstrekt aan een door hem aangewezen gemeente een uitkering voor de vergoedingen waartoe het gemeentebestuur zich in een kalenderjaar bij de uitvoering van artikel 111, eerste lid, van de Abw en artikel 34, eerste lid, van de Ioaw en de Ioaz jegens de Arbeidsvoorzieningsorganisatie  in een schriftelijke overeenkomst heeft verplicht, voor door deze  organisatie verleende diensten gericht op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden.
-2. De diensten en inspanningen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend binnen drie jaar na het kalenderjaar van aangaan van de overeenkomst.
-3. Burgemeester en wethouders doen vr 1 april van het kalenderjaar opgave van het bedrag waarvoor de in het eerste lid bedoelde diensten en inspanningen zijn overeengekomen. Deze opgave wordt ingericht volgens een bij ministerile regeling vast te stellen model. [UiAg]
-4. Voor het kalenderjaar 1997 is het voor uitkeringen beschikbare bedrag 45 miljoen en vervolgens voor ieder kalenderjaar een bij ministerile regeling vast te stellen bedrag. [UiAg]
-5. Bij ministerile regeling wordt bepaald op welke wijze de maximale uitkering per aangewezen gemeente wordt vastgesteld op basis van het voor uitkeringen beschikbare bedrag aan de hand van de aantallen uitkeringsgerechtigden in de aangewezen gemeenten op een bepaalde peildatum. [UiAg] 
-6. Bij de toepassing van het vijfde lid worden de aantallen uitkeringsgerechtigden in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht bij elkaar opgeteld. Vervolgens wordt de maximale uitkering aan de onderscheidenlijke gemeenten bepaald door toepassing van de verdeelsleutel 37,5 : 28,5 : 22 : 12.
-7. Op gezamenlijk verzoek van de in het zesde lid genoemde gemeenten kan Onze Minister de in dat lid opgenomen verdeelsleutel herzien.
-8. De uitkering aan de gemeente is gelijk aan het in het derde lid bedoelde bedrag, voor zover het in het vijfde en zesde lid bedoelde maximum niet wordt overschreden.

 

Art. 4. [Herverdeling middelen bij onderuitputting]
Indien uit de opgave, bedoeld in artikel 3, derde lid, blijkt dat het voor uitkeringen beschikbare bedrag niet is voltekend, kan Onze Minister het resterende bedrag aan n of meer door hem aangewezen gemeenten verstrekken.

 

Art. 4a. [Aanvullende uitkering in 1997 | Uitvoeringsregeling inkoop arbeidsvoorziening door gemeenten]
-1. In aanvulling op het bedrag, genoemd in artikel 3, vierde lid, stelt Onze Minister voor het kalenderjaar 1997 een bedrag van 5 miljoen beschikbaar dat volgens door hem te stellen regelen wordt verdeeld over daartoe door hem aangewezen gemeenten. [UiAg]
-2. Artikel 3, eerste en vijfde lid, zijn van toepassing.

 

Art. 5. [Jaaropgave en deskundigenverklaring | Uitvoeringsregeling inkoop arbeidsvoorziening door gemeenten]
-1. Burgemeester en wethouders doen vr 20 september 1999, en vervolgens vr 20 september van ieder kalenderjaar, aan Onze Minister opgave van:
a. de met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in het aan dat kalenderjaar voorafgaande jaar gesloten overeenkomsten en de daarmee verband houdende uitgaven en ontvangsten;
b. de uitgaven en ontvangsten verband houdende met de uitkering over uiterlijk de vijf aan dat kalenderjaar voorafgaande jaren.
-2. De jaaropgave, bedoeld in het eerste lid, is ingericht overeenkomstig een bij ministerile regeling vast te stellen model en wordt voorzien van een verklaring van een deskundige, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens. [UiAg]
-3. Bij ministerile regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de in het tweede lid bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring. [UiAg]

 

Art. 6. [Bevoorschotting]
Onze Minister verleent aan een aangewezen gemeente:
a. op of omstreeks de vijftiende van de maand februari van het kalenderjaar een voorschot van 60% van de maximale uitkering, bedoeld in artikel 3, vijfde lid;
b. op of omstreeks de vijftiende van de maand juli van het kalenderjaar een voorschot tot ten hoogste 100% van het bedrag dat is vastgesteld op grond van de artikelen 3, achtste lid, en 4.

 

Art. 7. [Termijn vaststelling uitkering]
-1. Onze Minister stelt de uitkering vast binnen n jaar na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft, dan wel niet is voorzien van de verklaring, kan Onze Minister de uitkering ambtshalve vaststellen.

 

Art. 8. [Inrichting en inzage administratie | Nadere regels m.b.t. inrichting administratie]
-1. Burgemeester en wethouders dragen zorg dat de administratie voor de uitvoering van dit besluit zodanig wordt ingericht dat alle van belang zijnde gegevens en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.
-2. Burgemeester en wethouders verlenen desgevraagd aan Onze Minister kosteloos inzage in de administratie, bedoeld in het eerste lid.
-3. Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, regels stellen aangaande de in het eerste lid bedoelde administratie.
-4. Burgemeester en wethouders verstrekken Onze Minister inlichtingen en gegevens voor de beleidsvorming met betrekking tot de uitvoering van dit besluit volgens een bij ministerile regeling vast te stellen model.

 

Art. 9. [Lager vaststellen, intrekken of terugvorderen uitkering]
Onze Minister kan de uitkering lager vaststellen of intrekken en een reeds uitbetaalde uitkering of een voorschot terugvorderen, indien:
a. de uitkering niet is besteed voor de vergoedingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid;
b. niet is voldaan aan artikel 3, tweede lid;
c. niet is voldaan aan artikel 5 of artikel 8;
d. de gemeente onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt.

 

Art. 10. [Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1997.

 

Art. 11. [Citeertitel]
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

s-Gravenhage, 10 januari 1997

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert

 

Uitgegeven de dertiende februari 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[10 januari 1997]

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Bij de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 zijn de artikelen 137a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), 59a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en 59a, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) in de betreffende wetten ingevoegd. Deze bepalingen hebben tot doel de effectiviteit van de (publieke) arbeidsbemiddeling van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden te bevorderen door gemeenten expliciet de taak n de middelen te geven om voor deze doelgroep bemiddeling en scholing in te kopen. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt hiertoe ten laste van s Rijks schatkist ['s Rijks kas, red.] aan gemeenten geld beschikbaar voor inkoop van scholings- en bemiddelingsactiviteiten. Vooralsnog is het budget alleen bedoeld voor inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.] en is, ingevolge de artikelen 137a, tweede lid, van de Abw, 59a, tweede lid, van de Ioaw en 59a, tweede lid, van de Ioaz, de rijksvergoeding beperkt tot negentien gemeenten in het kader van het grotestedenbeleid (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Nijmegen, Arnhem, Almelo, Deventer, Enschede, Den Bosch, Tilburg, Breda, Eindhoven, Leeuwarden, Maastricht, Hengelo, Helmond en Zwolle). De keuze voor deze negentien gemeenten is gebaseerd op de noodzaak het sociaal en economisch fundament van deze grote steden, met hun specifieke problematiek, te versterken, opdat de ontwikkeling van werkgelegenheid, veiligheid en leefbaarheid weer in de pas gaat lopen met de ontwikkelingen elders in Nederland.
     Met het onderhavige besluit wordt het beleid zoals dat is neergelegd in de Regeling inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten 1996 (Stcrt. 1995, 240) in grote lijnen voortgezet.

 

2. Doel en doelgroep


     Evenals bij de Regeling inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten 1996 is doel van het besluit om de gemeenten de mogelijkheid te bieden om op contractbasis de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in te schakelen om moeilijk plaatsbare werklozen uit de uitkering en aan het werk te krijgen. De betrokken gemeenten krijgen daartoe voor 1997 45 miljoen en vervolgens jaarlijks 50 miljoen, voor zover de wetgever de nodige gelden heeft toegestaan. Dit budget is bedoeld ter vergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor het geschikt maken van moeilijk plaatsbare werklozen voor hun inschakeling in de arbeid. Uitgangspunt hierbij is dat afspraken met betrekking tot de inkoopbudgetten aansluiten op afspraken ten aanzien van de invulling van het prestatiebudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie; eerst zullen over de laatstgenoemde gelden afspraken moeten worden gemaakt, waarna aanvullend daarop extra diensten kunnen worden ingekocht.
     Doelgroep zijn moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden. In het besluit zijn "uitkeringsgerechtigden" gedefinieerd als personen die een bijstands-, Ioaw- of Ioaz-uitkering ontvangen. "Moeilijk plaatsbaar" zijn deze uitkeringsgerechtigden pas als zij de uitkering gedurende meer dan n jaar ontvangen of gedurende n jaar of langer werkloos zijn en gedurende die periode als werkzoekend bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geregistreerd staan.
     Aan gemeenten wordt de mogelijkheid geboden om individuele uitkeringsgerechtigden die niet onder de in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, opgenomen definitie vallen, maar die naar het gezamenlijk oordeel van gemeente en Arbeidsvoorzieningsorganisatie weinig kans hebben om in het arbeidsproces ingeschakeld te worden, met een moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigde gelijk te stellen.
     De doelgroep is in de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 uitdrukkelijk afgebakend en beperkt tot bijstands-, Ioaw- of Ioaz-gerechtigden, omdat de inkoopconstructie gezien moet worden in het licht van de opdracht die gemeenten hebben om in het kader van de uitvoering van de Abw, de Ioaw en de Ioaz de herinschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen. De inkoopgelden en daarmee de bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in te kopen voorzieningen zullen derhalve in het teken moeten staan van het vergroten van de kansen van diegenen die momenteel niet over betaalde arbeid beschikken, en maken daarmee onderdeel uit van het brede scala van mogelijkheden dat gemeenten ten dienste staat om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen uit de bijstand naar een betaalde baan worden geleid.
     Dit stelt ook eisen ten aanzien van de soort voorzieningen waarover in het kader van de inkoop tussen de gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie afspraken worden gemaakt. Er zal een directe relatie moeten bestaan tussen enerzijds het doel van dit besluit en anderzijds de concrete dienstverlening. Het gaat in dit verband om het instrumentarium en de (bijzondere) dienstverlening van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zoals het in uitvoering nemen van extra trajectplannen, scholingsactiviteiten, werkervaring, sollicitatietrainingen, nazorg als onderdeel van een totaaltraject van uitkering naar werk en dergelijke; in ieder geval zullen de afspraken kwantitatief inzichtelijk moeten maken wat de verwachte effecten van de in te zetten inkoopgelden ten aanzien van de betreffende doelgroep zullen zijn.

     Door verschillende deelnemende gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is een verruiming van de doelgroep bepleit, waardoor ook personen met een dienstbetrekking of voorbereidingsovereenkomst in het kader van de Jeugdwerkgarantiewet, banenpoolers [zie Wet inschakeling werkzoekenden, red.] en degenen die reeds aan een traject gericht op arbeidsinpassing deelnemen onder de doelgroep van dit besluit kunnen vallen. Tevens is geadviseerd het begrip "diensten" te verruimen, opdat aanloopkosten en voorwaardenscheppende maatregelen ook kunnen worden gefinancierd.
     Beide verruimingen worden thans niet wenselijk geacht. Gelet op de beperkte middelen die beschikbaar zijn voor de inkoop legt het kabinet thans prioriteit bij personen die in een uitkeringssituatie verkeren en langdurig zonder werk zijn.
     Voorts spreekt artikel 137a, eerste lid, van de Abw nadrukkelijk van "diensten gericht op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling van moeilijk plaatsbare bijstandsgerechtigden". In artikel 59a, eerste lid, van de Ioaw en 59a, eerste lid, van de Ioaz wordt het begrip "uitkeringsgerechtigden" gebruikt, waarmee wordt gedoeld op uitkeringsgerechtigden ingevolge die wetten. Dit brengt met zich mee dat de contracten tussen gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie betrekking moeten hebben op personen die op het moment van het sluiten van het contract uitkeringsgerechtigd zijn en dat het moet gaan om een directe relatie tussen de dienst en de betrokken werkloze. Zoals ook al aangegeven bij de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 zal nog bezien worden in hoeverre het wenselijk is op termijn dit besluit te laten opgaan in de voorgenomen Wet inschakeling werkzoekenden, waarbij sprake is van een bredere doelgroep en een ruimer dienstenbegrip. Overigens zullen daarbij dan wel voorwaarden worden opgenomen om te voorkomen dat ongewenste afromingseffecten optreden.

     Ingevolge artikel 118 van de Abw, artikel 42 van de Ioaw en artikel 42 van de Ioaz heeft de gemeente de plicht haar activeringsbeleid op een gestructureerde wijze neer te leggen in een gemeentelijk beleidsplan en daarover door middel van een verslag verantwoording af te leggen. In het beleidsplan moeten de accenten die lokaal - in relatie tot de eigen gemeentelijke problematiek en de kenmerken van het eigen bestand - worden aangebracht tot uitdrukking komen. Onderdeel van het beleidsplan is de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichte samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De (beoogde) afspraken zoals die met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn c.q. moeten worden gemaakt in het kader van dit besluit, zullen derhalve ook hun neerslag moeten vinden in het gemeentelijk beleidsplan.

 

3. Aanwending budget en toezicht


     Het beschikbare bedrag wordt, ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip aangewend voor de bekostiging van inkoop van diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Deze periode van verplichte aanbesteding bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geldt vooralsnog tot en met het jaar 1999. Vr die tijd zal besluitvorming dienen plaats te vinden over de verdere toekomst van dit besluit.

     Aan deze inkoop dient een schriftelijke overeenkomst ten grondslag te liggen. Afgezien van de doelgroepbepaling en de aard van de dienstverlening is er verder niet sprake van voorwaarden verbonden aan de overeenkomst.

     De Arbeidsvoorzieningsorganisatie treedt op als hoofdaannemer. Eventueel benodigde scholing of andere zaken al dan niet te leveren door derden (trajectbemiddeling door derde, training door een Centrum voor Beroepsorintatie en Beroepsoefening, begeleidingssubsidie aan werkgever, etc.) dienen te zijn begrepen in de offerte van Arbeidsvoorziening aan de gemeente. Op deze wijze blijft de besteding van het inkoopbudget overzichtelijk.
     Gelet op het feit dat sprake is van "gedwongen winkelnering" bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is omzetbelasting niet aan de orde.

     Met betrekking tot het toezicht op dit besluit wordt aangesloten bij het toezicht op de uitvoering van de Abw, de Ioaw en de Ioaz. Mede met het oog op de administratieve belasting van de betrokken gemeenten is voor het toezicht aansluiting bij de uitgangspunten van single audit mogelijk.

 

4. Deelnemende gemeenten en verdeelsleutel


     Dit besluit wordt ingezet in het kader van het brede grotestedenbeleid. Op grond van beschikbare cijfers is gekozen voor de verhouding tussen het aantal uitkeringsgerechtigden dat elke gemeente afzonderlijk heeft en het totale Abw-bestand, inclusief Ioaw en Ioaz, van de negentien gemeenten gezamenlijk. Hierbij vindt een onderlinge herverdeling plaats van het voor de vier grote gemeenten in zn totaliteit beschikbare budget op grond van tussen hen vigerende afspraken over te verdelen gelden in het kader van het grotestedenbeleid.

 

5. Gegevensverstrekking


     Bij de inwerkingtreding van de Regeling inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten 1996 is gelijktijdig een evaluatie naar de bevindingen daarvan van start gegaan. Gezien het ingroeikarakter van de inkoopconstructie in de tijd is het voornemen de eerstkomende jaren de ontwikkelingen en resultaten van het onderhavige besluit eveneens nauwlettend te volgen. In dat kader zullen gemeenten medewerking moeten verlenen aan een evaluatie en de daarvoor noodzakelijk geachte gegevens beschikbaar moeten stellen. Tevens dienen gemeenten rekening te houden met de gegevensverstrekking voor monitoring. De in de Abw, de Ioaw en de Ioaz opgenomen bepalingen ter zake van het verschaffen van beleidsinformatie aan het Rijk zijn onverkort van toepassing. Voor zover hierbij gegevens gebruikt worden die door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie aan de gemeenten dienen te worden verstrekt, is het zinvol dat gemeenten hiermee bij het aangaan van de contracten met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie rekening houden. Het voornemen is de van belang zijnde gegevensverstrekking vanwege de gemeenten mede plaats te laten vinden op grond van een nader vast te stellen regeling op basis van artikel 133 van de Abw, artikel 55 van de Ioaw en artikel 55 van de Ioaz [Regeling statistische gegevens Abw, Regeling statistische gegevens Ioaw en Ioaz en Regeling frauderegistratie Abw, Ioaw en Ioaz, red.]. Ook ten behoeve van het toezicht is een adequate registratie van een aantal kerngegevens van belang. Mede hierom stelt artikel 8 van dit besluit enige eisen aan de gemeentelijke administratie. Het derde lid van dit artikel maakt het mogelijk dat bij ministerile regeling nadere regels over de administratie worden gesteld.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     Het eerste lid van dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Doelgroep van dit besluit zijn uitkeringsgerechtigden die moeilijk plaatsbaar zijn in het arbeidsproces. Dit blijkt uit het feit dat de betrokken uitkeringsgerechtigde n jaar of langer een bijstands-, Ioaw- of Ioaz-uitkering ontvangt (hieronder wordt ook begrepen het geval waarin de uitkeringsgerechtigde n jaar of langer bijstand of uitkering ingevolge een combinatie van de betreffende wetten heeft ontvangen), dan wel dat hij kortere tijd een dergelijke uitkering heeft ontvangen maar wel n jaar of langer werkloos is en als werkzoekende is geregistreerd bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
     Ingevolge het tweede lid kan bij ministerile regeling worden bepaald dat bij een onderbreking van de werkloosheid of van de registratie bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de dagen van onderbreking worden aangemerkt als dagen van werkloosheid of van registratie of dat de perioden gelegen vr en na de onderbreking worden samengeteld als waren zij een ononderbroken periode. Voor het treffen van een dergelijke regeling kan aanleiding bestaan in gevallen waarin de onderbreking slechts van ondergeschikte aard is of die onderbreking niet aan de uitkeringsgerechtigde kan worden verweten.

 

Artikel 2

     Dit artikel biedt de mogelijkheid om, na een individuele toetsing, andere uitkeringsgerechtigden die zich naar het gezamenlijk oordeel van de gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in een vergelijkbare positie bevinden als de groep, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder de werking van dit besluit te brengen.

 

Artikel 3

     De met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie overeengekomen diensten en bijzondere inspanningen dienen direct ten goede te komen aan de toeleiding van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden. Het gaat in dit verband om zowel het bestaande instrumentarium van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als om bijzondere dienstverlening die op maat is afgestemd op de behoefte van de betrokken gemeente, mits doel en voorziening maar rechtstreeks met elkaar in verband staan. Bij diensten gericht op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid moet, zoals hiervoor reeds gesteld, gedacht worden aan diensten als het in uitvoering nemen van extra trajectplannen, werkervaring, sollicitatietraining en scholing. Bij bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling aan onder meer bedrijfsbezoeken en ook nazorg, voor zover nazorg een integraal onderdeel is van het toeleidingstraject van de moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigde.

     Voor zover deze diensten al niet als uitvloeisel van de taakuitoefening van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie door het Rijk worden vergoed, kunnen gemeenten deze inkopen. In de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is voor het jaar 1997 een budget van 45 mln opgenomen ten behoeve van inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van activiteiten gericht op arbeidstoeleiding van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden. Voor volgende jaren is steeds een bedrag van 50 mln voorzien.

     Gelet op de artikelen 137a, tweede lid, van de Abw, 59a, tweede lid, van de Ioaw en 59a, tweede lid, van de Ioaz kan Onze Minister de rijksvergoeding beperken tot nader door hem aan te wijzen gemeenten. Het bedrag van 45 mln, respectievelijk het geraamde bedrag van 50 mln, zal ingevolge een zodanige regeling worden toegekend aan negentien gemeenten met een ernstige werkloosheidsproblematiek (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Nijmegen, Arnhem, Almelo, Deventer, Enschede, Den Bosch, Tilburg, Breda, Eindhoven, Leeuwarden, Maastricht, Hengelo, Helmond en Zwolle).

     Uitgangspunt voor de verdeling van het beschikbare budget tussen de aangewezen gemeenten is het bestand aan uitkeringsgerechtigden ingevolge de Abw, de Ioaw en de Ioaz. Daarbij is niet van belang of die uitkeringsgerechtigden moeilijk plaatsbaar zijn, dan wel ingevolge artikel 2 met moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden zijn gelijkgesteld. Op grond van beschikbare cijfers is gekozen voor de verhouding tussen het aantal uitkeringsgerechtigden dat elke gemeente afzonderlijk heeft en het totale Abw-bestand, inclusief Ioaw en Ioaz, van de negentien gemeenten gezamenlijk, waarbij als peildatum een nader door Onze Minister vast te stellen tijdstip geldt.

     Ingevolge het vierde lid wordt ten aanzien van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht een enigszins afwijkende verdelingsmethodiek gevolgd. De in die gemeenten aanwezige aantallen uitkeringsgerechtigden worden bij elkaar opgeteld, waarna de maximale bijdrage aan de respectievelijke gemeente wordt berekend met toepassing van de in het vierde lid opgenomen verdeelsleutel. Deze verdeelsleutel is tussen de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht overeengekomen en op gezamenlijk verzoek van die gemeenten in dit besluit vastgelegd. In het verlengde hiervan is in het vijfde lid bepaald dat de verdeelsleutel alleen door Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de betrokken gemeenten kan worden gewijzigd.

     Voor het verkrijgen van een uitkering van het Rijk in de vergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is vereist dat een schriftelijke overeenkomst is gesloten over de dienstverlening zoals omschreven in artikel 3, eerste lid. De rijksuitkering gaat niet verder dan het bedrag waarvoor aldus bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verplichtingen zijn aangegaan. Van het bedrag moet vr 1 april aan het Rijk opgave worden gedaan. Deze opgave dient tevens om op voorhand het beschikbare budget eventueel te kunnen herverdelen indien niet voor het maximale budget verplichtingen zijn aangegaan.

 

Artikel 4

     Aan de hand van de opgave, bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt vastgesteld in hoeverre de uitkering in het betreffende kalenderjaar zal worden besteed. Indien onderuitputting dreigt, kan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de middelen die halverwege het jaar nog beschikbaar zijn, herverdelen over de door hem aangewezen gemeenten.

 

Artikelen 5, 6 en 7

     De artikelen 5 en 6 geven aan op welke wijze de eindafrekening is geregeld. Burgemeester en wethouders doen jaarlijks, vr 20 september van het jaar volgende op het jaar waarin de diensten met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn overeengekomen, aan Onze Minister opgave van de met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gesloten overeenkomsten, de uit die overeenkomsten voortvloeiende uitgaven (de daadwerkelijk ten laste van het beschikbare budget bestede bedragen) en ontvangsten en de diensten die (in het betreffende kalenderjaar of in eerdere jaren) door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn verleend. Bij deze jaaropgave en de verklaring van de deskundige is aangesloten bij hetgeen bij het verlenen van rijksvergoedingen ingevolge de Abw, Ioaw en Ioaz gebruikelijk is.

     Ingevolge artikel 5, tweede lid, kan Onze Minister nadere regels stellen inzake de verklaring van de deskundige en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring. Indien dergelijke regels worden gesteld, zullen deze met het oog op administratieve belasting van de betrokken gemeenten een terughoudend karakter dragen.

     Uiterlijk op 20 september van het daaropvolgende jaar stelt Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de uitkering definitief vast. In artikel 6 is een bevoorschottingsregeling opgenomen. Deze houdt in dat de gemeenten in de maand februari van het kalenderjaar waarin de diensten met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn overeengekomen een voorschot tegemoet kunnen zien ter hoogte van 60% van de maximale bijdrage voor de betreffende gemeente. In juli zal een (aanvullend) voorschot worden gegeven tot een maximum van 100% van de uiteindelijke rijksbijdrage. In de Regeling inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten 1996 was de verhouding 80-20%. Om een evenwichtiger spreiding van de bevoorschotting over het uitkeringsjaar te bewerkstelligen zonder de gemeenten te beperken in hun mogelijkheden of in liquiditeitstekort te brengen, is gekozen voor de verhouding 60-40%.

 

Artikel 8

     Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is, ingevolge de artikelen 130 van de Abw, 52 van de Ioaw en 52 van de Ioaz, belast met het toezicht op de uitvoering van deze wetten en dus ook op dit besluit. Om dat toezicht naar behoren te kunnen uitoefenen, ziet het eerste lid van artikel 8 toe op een adequate en controleerbare administratie voor dit specifieke besluit. Dit wordt ook ingegeven door de behoefte aan noodzakelijke beleidsinformatie.
     Om te kunnen voldoen aan het gestelde in dit lid zal het noodzakelijk zijn dat de gemeente kan beschikken over door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te leveren bewijsstukken, die voldoen aan de vereisten. Zo zal ten minste uit de declaratie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie moeten blijken voor welke overeenkomst wordt gedeclareerd, welke diensten zijn verricht en wanneer en voor wie (de doelgroep) wordt gedeclareerd.
     Uiteraard moet Onze Minister ook kunnen kennisnemen van gegevens waarover burgemeester en wethouders beschikken. In het tweede lid is daarom vastgelegd dat zij verplicht zijn om hem kosteloos inzage in de administratie te verlenen.
     Onze Minister baseert zich bij de uitoefening van zijn toezichtstaak in principe op de resultaten van de eerstelijnscontrole door de uitvoerende gemeente zelf. De resultaten van de voorgeschreven verantwoording door de gemeente en de bijbehorende verklaring leveren de minister primair de informatie voor de toezichtsuitoefening. Indien er twijfels blijven bestaan over de juistheid van de uitvoering, heeft Onze Minister de mogelijkheid zelf onderzoek naar de uitvoering uit te laten voeren. Daarnaast kan de minister zich van actuele ontwikkelingen in de uitvoering ter zake op de hoogte stellen. En en ander is geheel conform het gangbare Abw-, Ioaw- en Ioaz-regime.
     Ingevolge het derde lid kan Onze Minister nadere regels stellen inzake de gemeentelijke administratie die voor de uitvoering van dit besluit moet worden gevoerd. Indien dergelijke regels worden gesteld, zullen deze met het oog op de administratieve belasting van de betrokken gemeenten een terughoudend karakter dragen.

 

Artikel 9

     In dit artikel is vastgelegd om welke redenen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een reeds toegekende uitkering of een voorschot van de gemeente kan terugvorderen.

 

Artikel 10

     Met het onderhavige besluit wordt het beleid zoals dat is neergelegd in de Regeling inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten 1996 voortgezet. Omdat de laatstgenoemde regeling met ingang van 1 januari 1997 haar werking verliest, treedt het besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 1997.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x