Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 29 maart 2001

 

SAMENWERKINGSBESLUIT  SWI

Vervallen
m.i.v. 30 maart 2001
(art. 5 TbsC)



24 december 1997, Stb. 1997, 804
Inwerkingtreding: 31 december 1997
(T.a.v. artt. 111:3 Abw, 34:3 Ioaw, 34:3 Ioaz,
45:2 Osv 1997, 6 Avw 1996 en 7:2 Wiw)

 

 

 

 
BESLUIT van 24 december 1997 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de samenwerking tussen gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (Samenwerkingsbesluit SWI)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 november 1997, nr. SWI/97/126, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen 111, vierde lid, van de Algemene bijstandswet, 34, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 34, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 45, tweede lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, 6 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en 7, tweede lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden;
     De Raad van State gehoord (advies van 4 december 1997, nr. W12.97.0724);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 1997, nr. SWI/97/178;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. SWI-centrum: een accommodatie waarin alle door Onze Minister krachtens dit besluit vastgestelde werkzaamheden ter uitvoering van wetten in gezamenlijke afstemming worden verricht;
c. uitvoeringsinstelling: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.

 

Art. 2. Samenwerkingsovereenkomst
-1. De gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bevorderen dat vóór 31 december 1998 een landelijk dekkend geheel van afspraken over het in gezamenlijke afstemming verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4 wordt neergelegd in samenwerkingsovereenkomsten waarin de gemeenten, de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening en de uitvoeringsinstellingen die samenwerken met name worden genoemd.
-2. In samenwerkingsovereenkomsten als bedoeld in het eerste lid worden in elk geval ten aanzien van de volgende onderwerpen afspraken neergelegd:
a. de registratie en uitwisseling van gemeenschappelijke gegevens;
b. de verkenning van de mogelijkheden die de arbeidsmarkt biedt voor de inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces;
c. de presentatie van vacatures en directe arbeidsbemiddelingsactiviteiten;
d. de beoordeling van de positie van werkzoekenden op de arbeidsmarkt en de registratie daarvan in de administratie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
e. de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van een bestandsindeling om de in onderdeel d bedoelde beoordeling te verrichten;
f. het gebruik van de beoordeling van de positie van werkzoekenden op de arbeidsmarkt en het gebruik van de bestandsindeling als voorbereiding op de besluiten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van artikel 12 van de Wet inschakeling werkzoekenden;
g. de coördinatie van contacten met werkgevers en de uitwisseling van arbeidsmarktinformatie en vacatures;
h. het inzichtelijk maken van de inzet van beschikbare instrumenten en middelen voor arbeidstoeleiding en voor plaatsing van werkzoekenden;
i. de wijze van selecteren van uitkeringsgerechtigden door de gemeenten en het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten behoeve van trajectplannen;
j. de wijze waarop klachten met betrekking tot de administratieve indeling als bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdeel b, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 worden behandeld en afstemming van deze klachtenbehandeling op de behandeling van bezwaar en beroep tegen de besluiten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van artikel 12 van de Wet inschakeling werkzoekenden;
k. de wijze waarop de gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie uitkeringsaanvragen naar het beslissingsbevoegde bestuursorgaan doorzenden;
l. de wijze waarop leiding wordt gegeven aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in dit artikel;
m. de wijze waarop geschillen die tussen de gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie rijzen in het kader van de samenwerking worden beslecht;
n. de lokaties waar SWI-centra zullen zijn gevestigd vóór 31 december van het jaar 2000.
-3. De gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zenden elke samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid onverwijld na de totstandkoming aan Onze Minister.

 

Art. 3. Totstandkoming SWI-centra
De gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dragen zorg voor de totstandkoming van een adequaat aantal SWI-centra vóór 31 december 2000.

 

Art. 4. Werkzaamheden in SWI-centra
-1. De gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie laten alle door Onze Minister vastgestelde werkzaamheden met ingang van 1 januari 2001 uitsluitend in gezamenlijke afstemming verrichten in SWI-centra. [SaS]
-2. De gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie kunnen, in afwijking van het eerste lid, onderdelen van de krachtens het eerste lid vastgestelde werkzaamheden in gezamenlijke afstemming laten verrichten in een andere accommodatie dan een SWI-centrum indien zij hieromtrent afspraken hebben neergelegd in de samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.
-3. De gemeenten, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie kunnen, in afwijking van het eerste lid, een deel van de krachtens het eerste lid vastgestelde werkzaamheden voor bepaalde categorieën van werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden laten verrichten in een andere accommodatie dan een SWI-centrum indien zij hieromtrent afspraken hebben neergelegd in de samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.

 

Art. 5. Regels omtrent de uitvoering van dit besluit
Onze Minister kan regels stellen omtrent de uitvoering van dit besluit. [SaS] [StS]

 

Art. 6. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 7. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Samenwerkingsbesluit SWI.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

Het Oude Loo, 24 december 1997

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave

 

Uitgegeven de dertigste december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[24 december 1997]

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.] en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] hebben op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Arbeidsvoorzieningswet 1996, de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de Wet inschakeling werkzoekenden de verplichting samen te werken om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen.

     Tot op heden is deze samenwerkingsverplichting niet door middel van nadere regelgeving geconcretiseerd. De reden hiervoor was dat eerst in de uitvoeringspraktijk werkbare vormen van samenwerking moeten worden beproefd alvorens de inhoud en wijze van samenwerking nader te preciseren in de regelgeving.

     In augustus 1995 heeft het kabinet aan het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) en de besturen van het toenmalige Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) verzocht een gezamenlijke veranderingsopdracht uit te werken gericht op procesgerichte samenwerking. De besturen hebben daartoe de gezamenlijke regiegroep Samenwerking Werk en Inkomen (SWI) ingesteld. Die taakopdracht is door de bewindslieden van SZW goedgekeurd.

     In mei 1997 heeft de regiegroep SWI, met instemming van de drie besturen, zijn advies "Samenwerking in dynamisch perspectief" uitgebracht. Het advies is tot stand gekomen op basis van bevindingen van samenwerkingservaringen in de locale en regionale uitvoeringspraktijk.

     Op basis van het advies van de regiegroep SWI heeft het kabinet (Kabinetsreactie SWI van 5 juni 1997, Kamerstukken II 1996-1997, 25 000 XV, nr. 57) de kaders voor de toekomstige samenwerking aangegeven.

     Gelet op:
- het ontstane draagvlak voor de SWI-samenwerking en de in SWI-centra onder te brengen werkzaamheden;
- het advies van de regiegroep SWI om de hoofdlijnen van de samenwerking neer te leggen in de regelgeving;
- de steun van de Tweede Kamer voor de Kabinetsreactie SWI;
is het nodig om de overeengekomen kaders van de samenwerking neer te leggen in onderhavige algemene maatregel van bestuur.

 

2. Kabinetsreactie: regelgeving met betrekking tot samenwerking


Werkzaamheden onder te brengen in de samenwerking

     In de Kabinetsreactie SWI is aangegeven dat om een betere, klantvriendelijke, efficiënte en effectieve toeleiding naar arbeid te bereiken, de volgende werkzaamheden van gemeenten, uitvoeringsinstellingen en arbeidsbureaus moeten worden gestroomlijnd en gezamenlijk worden afgestemd:
• de presentatie van het vacatureaanbod en de directe bemiddeling;
• de registratie van gemeenschappelijke gegevens en de inschrijving voor werk;
• het verzorgen van de uitkeringsaanvraag, inclusief de eventuele doorverwijzing naar een uitkeringsinstantie;
• de bestandsindeling;
• de nadere beoordeling positie op de arbeidsmarkt ("kwalificerende intake").
     Bij al deze werkzaamheden maakt men gebruik van een uniform klantvolgsysteem, het zogeheten CVCS (CliëntVolgCommunicatieStelsel). Het CVCS is thans in ontwikkeling.

     De gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en het Lisv bevorderen dat er uiterlijk 31 december 1998 in het hele land samenwerkingsafspraken tussen genoemde partijen zijn gemaakt, zodanig dat sprake is van een landelijk dekkend netwerk van samenwerkingsafspraken. Binnen een samenwerkingsverband worden genoemde werkzaamheden uitgevoerd in een SWI-centrum [zie Centrum voor werk en inkomen (CWI), red.]. In de samenwerkingsafspraken moet onder meer worden neergelegd wáár de SWI-centra worden gevestigd. Uiterlijk 31 december 2000 dienen in het hele land de SWI-centra operationeel te zijn. Voorts is voorgeschreven over welke onderwerpen in de samenwerkingsovereenkomst in ieder geval afspraken worden gemaakt.

     Het onderhavige Samenwerkingsbesluit SWI brengt geen wijziging in wettelijk geregelde taken en bevoegdheden van gemeenten, het Lisv en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Op grond van het Samenwerkingsbesluit SWI worden werkzaamheden van deze instanties vastgesteld die in gezamenlijke afstemming moeten worden verricht en in een SWI-centrum moeten worden uitgevoerd.


SWI-lokaties

     Zoals in de Kabinetsreactie SWI is aangegeven, dienen samenwerkingspartners bij de totstandkoming van SWI-centra zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande accommodaties van gemeenten, uitvoeringsinstellingen of de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Hierdoor worden onnodig hoge logistieke en andere frictiekosten voorkomen. Het tot stand brengen van SWI-centra vergt een zorgvuldige afweging tussen de eisen van bereikbaarheid/klantvriendelijkheid enerzijds en efficiency en kostenbeheersing anderzijds. De termijn om SWI-centra tot stand te brengen, biedt de mogelijkheid aan partijen om geleidelijk te groeien naar de gewenste samenwerking in de SWI-centra.
     Aangezien de werkzaamheden die worden verricht in SWI-centra tot de kerntaken van gemeenten, uitvoeringsinstellingen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie behoren, zijn deze instanties zelf verantwoordelijk voor de beheersing en financiering van de kosten die gemoeid zijn met de totstandkoming en exploitatie van de SWI-centra. Wel kunnen samenwerkingspartners een beroep doen op het Rijk voor een (beperkte) financiële bijdrage in de frictiekosten. Als voorwaarde voor deze subsidie zal gelden dat een samenwerkingsovereenkomst is gesloten die voldoet aan de eisen van het Samenwerkingsbesluit SWI. De ministeriële regeling op grond waarvan de subsidie kan worden verstrekt, zal tegelijk met dit besluit in werking treden; uiteraard kan ook ten behoeve van reeds bestaande SWI-centra aanspraak op deze subsidie worden gemaakt.

     Het onderbrengen van de uitvoering van de genoemde taken in SWI-centra markeert een belangrijk omslagpunt in de ontwikkeling van de stroomlijning van de uitvoeringsprocessen. Partijen zullen vanaf het jaar 2001 door de minister vastgestelde werkzaamheden in de SWI-centra uitvoeren. De instroom van uitkeringsgerechtigden verloopt met ingang van 1 januari 2001 via het SWI-centrum. Klanten die zich voor een uitkering melden bij een gemeente of een uitvoeringsinstelling moeten worden doorverwezen naar een SWI-centrum in hun regio (ongeacht de vraag of in hun woonplaats een sociale dienst, uvi-kantoor [uvi: uitvoeringsinstelling, red.] of arbeidsbureau is gevestigd).

     Voor personen die wegens problemen met hun gezondheid zijn uitgevallen uit hun werk geldt echter een andere procedure. De uitvoeringsinstelling zal (namens het Lisv) moeten vaststellen of betrokkene bij de eigen werkgever het werk kan hervatten. Wanneer is vastgesteld dat reïntegratie bij de eigen werkgever niet mogelijk is, komt het verrichten van werkzaamheden een SWI-centrum in beeld.


Aard van de regelgeving; sturingsmogelijkheden Minister SZW

     In de Kabinetsreactie SWI is het tot stand brengen van SWI-samenwerking gekenschetst als een ontwikkelingsproces dat zoveel als mogelijk door gemeenten, arbeidsbureaus en uitvoeringsinstellingen zelf wordt vormgegeven. Flexibiliteit en inspelen op de locale en regionale situatie staat hierbij voorop. De sturing vanuit de regelgeving beperkt zich daarom in beginsel tot (procedurele) kaderstelling en minimumeisen.

     Om de samenwerking te bevorderen, is een aparte instantie ("Procesmanagement SWI") in het leven geroepen, onder verantwoordelijkheid van de Minister van SZW. Het Procesmanagement heeft zowel een "aanjaagfunctie" als een signalerende functie in de richting van uitvoerders, bestuurders én politiek over het verloop en de voortgang van de samenwerking.

     Het zoveel mogelijk ruimte bieden aan samenwerkingspartners voor de vormgeving van het samenwerkingsproces houdt echter geen vrijblijvendheid in. Integendeel. Met de inwerkingtreding van dit besluit is immers de einduitkomst van het SWI-proces wettelijk vastgelegd: eind 1998 zullen in het hele land samenwerkingsafspraken zijn gemaakt en zullen de samenwerkingsgebieden zijn vastgelegd; eind 1998 moet zijn vastgesteld wáár de SWI-centra worden gevestigd; uiterlijk 31 december 2000 zijn al deze centra operationeel. In de op dit besluit gebaseerde ministeriële regeling wordt aangegeven welke werkzaamheden ten minste en welke werkzaamheden uitsluitend moeten worden uitgevoerd in een SWI-centrum.
     Alle in de regeling genoemde werkzaamheden worden in gezamenlijke afstemming uitgevoerd in het SWI-centrum. Deze werkzaamheden kunnen niet meer onafhankelijk van elkaar worden verricht.
     De wijze waarop deze werkzaamheden in het SWI-centrum worden uitgevoerd en de inrichting van de daarmee gemoeide werkprocessen worden niet door dit besluit geregeld. Dat is een zaak die de samenwerkingspartners zelf moeten regelen in hun samenwerkingsafspraken. De voorwaarden die hierbij worden gesteld, zijn dat over de genoemde werkzaamheden onderlinge afspraken zijn gemaakt, neergelegd in een samenwerkingsovereenkomst, en dat voor de klant is gewaarborgd dat het volledige pakket van in dit besluit genoemde SWI-werkzaamheden in het SWI-centrum wordt aangeboden. Daarop doelen de termen "gezamenlijk" en "uitsluitend" van artikel 4, eerste lid.

     Indien zich in de praktijk, in het licht van de Kabinetsreactie SWI of een goede voortgang van de samenwerking, ongewenste ontwikkelingen voordoen, dan is in eerste aanleg het Procesmanagement SWI aan zet om problemen op te lossen en samenwerkingspartners te stimuleren tot samenwerking. Het Procesmanagement SWI is bij uitstek in staat om flexibel en direct in te spelen op ontwikkelingen en signalen vanuit de uitvoeringspraktijk en kan - op basis van de kennis van de samenwerkingspraktijk - bijdragen aan het zoeken naar oplossingen. In tweede instantie is het inspelen op signalen en het aan de orde stellen van gerezen problemen en oplossingen een zaak van bestuurlijk overleg. De voortgang van het samenwerkingsproces zal nauwgezet worden gevolgd vanuit en aangestuurd worden door middel van bestuurlijk overleg. Het Procesmanagement SWI wordt begeleid door een begeleidingscommissie uit de drie besturen.
     Ongewenste ontwikkelingen zijn onder meer situaties dat er gebieden ontstaan waar de samenwerking niet of moeilijk van de grond komt, situaties waar één der partijen onvoldoende is betrokken en situaties waarin een uit het oogpunt van doelmatigheid en kwaliteit van de dienstverlening ongewenste kleinschaligheid en versnippering van de samenwerking dreigt. Voorkomen moet worden dat onnodig veel tijd is gemoeid met de totstandkoming van samenwerking.

     Als desondanks de voortgang van de SWI-samenwerking wordt belemmerd of zich in een ongewenste richting begeeft of als uit bestuurlijk overleg c.q. Procesmanagement blijkt dat zich onvoorziene omstandigheden voordoen waarvoor het stellen van nadere regels wenselijk wordt geacht, zal het - gezien de politieke verantwoordelijkheid van de bewindslieden van SZW voor het SWI-proces - nodig zijn nadere richting te geven aan de samenwerking.
     Daarom geeft artikel 5 van dit besluit de bevoegdheid aan de Minister van SZW om nadere regels te stellen. Deze bevoegdheid is bedoeld om adequaat in te kunnen spelen op ontwikkelingen zoals hiervoor omschreven en om kaders te stellen bij de bestandsindeling, zoals verderop wordt uiteengezet. Het betreft de mogelijkheid voor de minister om nadere criteria te stellen aan de samenwerking en de schaal van de samenwerkingsverbanden c.q. SWI-centra. Hierbij is afgezien om de bevoegdheid in artikel 5 te limiteren tot op voorhand denkbare situaties. Juist in een proces "onderop" kunnen zich ontwikkelingen voordoen waarvan te zijner tijd blijkt dat voor een goede voortgang van de samenwerking nadere kaderstelling wenselijk is.
     Terughoudendheid van het gebruik van deze mogelijkheid staat evenwel voorop. Het gebruik maken van deze regels is alleen aan de orde als sturing via Procesmanagement en bestuurlijk overleg onvoldoende adequaat is gebleken of als er vanuit de uitvoeringspraktijk behoefte ontstaat aan nadere samenwerkingscriteria.

     Op deze wijze beschikt de Minister van SZW over een adequaat instrumentarium om op grond van zijn politieke verantwoordelijkheid voor het SWI-proces sturing te geven aan de samenwerking en daarbij recht te doen aan de eigen verantwoordelijkheid van samenwerkingspartners en hen de noodzakelijke flexibiliteit te bieden om samenwerkingsverbanden aan te gaan en lokale en regionale keuzes te maken.


Bestandsindeling

     Van de mogelijkheid tot het treffen van regels zal in elk geval gebruik worden gemaakt om de kaders vast te leggen voor de zogeheten bestandsindeling die gebruikt wordt voor de beoordeling van de afstand tot de arbeidsmarkt. In het advies van de regiegroep SWI en in de Kabinetsreactie SWI is aangegeven dat het nodig is de kaders hiervan in regelgeving vast te leggen. Dit om te bereiken dat iedereen in het hele land op gelijke gronden wordt beoordeeld. Op basis van door de regiegroep aangereikte kaders (Slotdocument Regiegroep SWI, juli 1997) wordt thans door het Procesmanagement SWI in een aantal pilots een methodiek voor de bestandsindeling getoetst. Op grond van de bevindingen uit de pilots zullen nadere bestuurlijke afspraken worden gemaakt met VNG, CBA en Lisv over het hanteren van de bestandsindeling. Deze zullen worden vastgelegd in de nadere regelgeving.


Schaalniveau van de samenwerking

     Ook de keuze voor de schaal van een samenwerkingsverband is in eerste aanleg een zaak van bestuurlijke besluitvorming op lokaal en regionaal niveau. Er is niet voor gekozen om op voorhand door de wetgever een gebiedsindeling van samenwerkingsverbanden c.q. SWI-centra op te leggen. Dat zou samenwerkingspartners de flexibiliteit ontnemen om naar eigen inzichten de samenwerking af te stemmen op de lokale en regionale (arbeidsmarkt)situatie. Immers, het opzetten van samenwerkingsverbanden start niet met de inwerkingtreding van dit Samenwerkingsbesluit SWI, maar is een proces dat al volop in gang is (vgl. "Tweede foto van SWI-samenwerkingsverbanden", KPMG/BEA, juli 1997). In veel gevallen zal als gevolg van de bestaande samenwerkingspraktijk reeds volstrekt duidelijk zijn welke gemeenten met de uitvoeringsinstellingen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie samenwerken. In dit verband wordt ook gewezen op de brief van 24 juni 1997 aan de Tweede Kamer over de positie van gemeenten in het SWI-proces (Kamerstukken II 1996-1997, 25 000 XV, nr. 61).
     Wel is in de Kabinetsreactie SWI neergelegd dat bezien zal worden welke criteria aan het werkaanbod en de klantenstromen moeten worden gesteld, omdat een zekere minimumomvang van aanbod van werkzoekenden nodig is om een adequaat voorzieningenniveau en een efficiënte samenwerking mogelijk te maken. De verwachting is dat de samenwerking zich, mede onder invloed van het Procesmanagement, in de praktijk zo zal ontwikkelen dat samenwerkingsverbanden ontstaan van een - uit het oogpunt van voorzieningenaanbod en kostenbeheersing - voldoende schaalniveau. Als gaandeweg de totstandkoming van samenwerkingsovereenkomsten blijkt dat dit niet het geval is, zullen nadere criteria worden gesteld op grond van de door dit besluit aan de minister toegekende bevoegdheden.


Uitzonderingsmogelijkheden

     Op het beginsel om de door de minister vast te stellen werkzaamheden uitsluitend onder te brengen in een SWI-centrum gelden twee belangrijke uitzonderingen.
     In de eerste plaats is in artikel 4 geregeld dat partijen kunnen afwijken van de verplichting om alle in het besluit genoemde taken uit te voeren in het SWI-centrum. Hiermee wordt de mogelijkheid geopend om desgewenst enkele werkzaamheden buiten een SWI-centrum uit te voeren, bijvoorbeeld door het inrichten van een SWI-dependance in een gemeentehuis van een kleinere gemeente of door het inrichten van mobiele voorzieningen voor het verrichten van SWI-diensten.

     Deze afwijkingsmogelijkheid is bedoeld voor die situaties waarin sprake is van een grote spreiding van het klantenbestand en waar - gezien het vereiste van een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid voor de klant - in redelijkheid niet kan worden gevergd dat grote afstanden worden afgelegd (zie brief d.d. 24 juni, Kamerstukken II 1996-1997, 25 000 XV, nr. 61).

     In de tweede plaats kunnen partijen besluiten een uitzondering te maken voor bepaalde categorieën van uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden die zijn ontheven van de verplichting tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (Abw-gerechtigden met een volledige verzorgende taak voor kinderen jonger dan vijf jaar; uitkeringsgerechtigden ouder dan 57,5 jaar) en WW-klanten die door verkorting van de werktijd dan wel als gevolg van weersomstandigheden werkloos zijn. Deze personen kunnen dan als vanouds terecht bij de gemeente of de uitvoeringsinstelling.

     Daarnaast kunnen partijen besluiten een uitzondering te maken voor werkzaamheden die door de uitvoeringsinstellingen (namens het Lisv) moeten worden verricht voor personen die wegens problemen met hun gezondheid zijn uitgevallen uit hun werk vóórdat deze personen zijn aangewezen op de diensten vanuit het centrum SWI.

     Belangrijke randvoorwaarde bij deze uitzonderingsmogelijkheden is ten eerste dat samenwerkingspartners de afwijkingen nadrukkelijk hebben geregeld in hun samenwerkingsovereenkomst. Voorwaarde is verder dat in situaties van dependances of mobiele voorzieningen de samenwerking zo is ingericht dat gewaarborgd is dat alle klanten gebruik kunnen maken van het volledige SWI-voorzieningenpakket.


Toezicht

     Zoals in het kabinetsreactie is neergelegd, ondergaat het toezicht op de samenwerking op zichzelf geen wijziging. Omdat het Samenwerkingsbesluit SWI geen wijzigingen brengt in wettelijk geregelde taken en bevoegdheden van de drie kolommen, blijft de rol en de positie van het toezicht formeel ongewijzigd.
     Om het toezicht op de samenwerking efficiënt en compleet te kunnen uitvoeren, is afstemming van de werkzaamheden tussen de diverse toezichthouders echter noodzakelijk. Om die reden wordt thans tussen de drie toezichthouders gewerkt om - vanuit bestaande toezichtkaders - een gezamenlijk referentiekader voor het toezicht op de samenwerking te ontwikkelen, dat als basis zal dienen voor het toezichtsplan op de samenwerking. Met ingang van 1999 zullen de toezichthouders zich onder meer richten op de samenwerkingsafspraken die gemeenten, Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening en de uitvoeringsinstellingen hebben afgesloten en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan die samenwerkingsafspraken.
     Gegeven de monitorings- en informatiefunctie van het Procesmanagement SWI, zal in dit kader nadere afstemming plaatsvinden tussen de toezichthouders en het Procesmanagement SWI over de werkzaamheden en de bevindingen.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2. Samenwerkingsovereenkomst

     De beoordeling van de positie van werkzoekenden op de arbeidsmarkt en de registratie daarvan in de administratie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, heeft betrekking op de globale én kwalificerende intake. In het verlengde hiervan is in onderdeel e aangegeven dat afspraken gemaakt moeten worden over de methode die wordt gehanteerd bij deze globale en kwalificerende intake.

     Hoewel de uitvoering van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) niet tot het vereiste minimumpakket aan werkzaamheden behoort dat in een SWI-centrum wordt ondergebracht, stelt de Wiw dat het verstrekken van een Wiw-verklaring door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de uitkomst moet zijn van de beoordeling van de afstand tot de arbeidsmarkt en de kwalificerende intake, welke in een SWI-centrum plaatsvinden. Het instrumentarium van de Wiw, waarvoor deze verklaring een vereiste is, betreft immers voorzieningen tot reïntegratie in het arbeidsproces via een dienstbetrekking met de gemeente of een werkervaringsplaats bij een reguliere werkgever. De te maken afspraak onder onderdeel f heeft hierop betrekking.

     Het inzichtelijk maken van de inzet van beschikbare instrumenten en middelen voor arbeidstoeleiding (tweede lid, onderdeel h) betekent dat het RBA [Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, red.] jaarlijks aangeeft aan de individuele gemeenten en de uitvoeringsinstellingen in het samenwerkingsverband op welke inzet van het prestatiebudget (aantal trajectplannen) kan worden gerekend. Tevens betekent het dat gemeenten en uitvoeringsinstellingen aangeven welke middelen zij inzetten voor trajectplannen.

     In het vervolg hierop dienen op grond van tweede lid, onderdeel i, afspraken te worden gemaakt over de wijze van selecteren van uitkeringsgerechtigden door de gemeenten en het Lisv ten behoeve van de toegekende trajectplannen. Dit geldt ook voor de trajectplannen die worden gefinancierd uit de prestatiebijdrage. De cliënten voor deze trajectplannen worden door gemeenten en uitvoeringsinstellingen geselecteerd, maar hierbij zal altijd rekening moeten worden gehouden met de mogelijkheden aan de vraagzijde op de arbeidsmarkt.

     Artikel 2, tweede lid, onderdeel j, heeft betrekking op een klachtenregeling met betrekking tot de registratie van iemands positie op de arbeidsmarkt in de administratie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als bedoeld in onderdeel d (de indeling in fase 1, 2, 3 of 4). Hoewel de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een landelijke klachtenregeling kent (Klachtenregeling Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, Besluit CBA 19 november 1992) [zie ook Klachtenregeling CWI, red.], is het wenselijk in het kader van het samenwerkingsverband een voorziening te treffen die specifiek is toegesneden op klachten in verband met de fase-indeling, aangezien het hier feitelijk veelal zal gaan om een indeling die tot stand is gekomen in overleg met een gemeente of het Lisv. Gedacht kan worden aan het in samenwerkingsverband installeren van een klachtencommissie die beoordeelt of de indeling op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Daarbij zullen ook nadere afspraken moeten worden gemaakt over de afstemming tussen deze klachtenbehandeling en de wijze waarop bezwaar en beroep tegen de Wiw-verklaring wordt afgehandeld, omdat hierbij relaties te leggen zijn met de fase-indeling en de wijze waarop de positie op de arbeidsmarkt wordt beoordeeld.

     Artikel 2, derde lid, wil bereiken dat samenwerkingspartners hun overeenkomsten deponeren bij het departement. Doel hiervan is dat de ontwikkelingen en het verloop van de samenwerking zo goed mogelijk kunnen worden bijgehouden. Deze ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn tot bijsturing via Procesmanagement en/of bestuurlijk overleg. Het oordeel van de minister wordt schriftelijk aan het samenwerkingsverband kenbaar gemaakt.

 

Artikel 3. Totstandkoming SWI-centra

     In Artikel 2, tweede lid, onderdeel n, is bepaald dat de gemeenten, het Lisv en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie vóór 31 december 1998 moeten bevorderen dat in door hen te sluiten samenwerkingsovereenkomsten afspraken zijn neergelegd ten aanzien van de lokaties waar vóór 31 december 2000 SWI-centra zullen zijn gevestigd. Vóór 31 december 1998 zullen de samenwerkingsverbanden gevormd moeten zijn en zal duidelijk moeten zijn op welke lokaties SWI-centra zullen worden ingericht.
     Vanaf 31 december 2000 zullen de SWI-centra daadwerkelijk tot stand moeten zijn gebracht en operationeel moeten zijn.

 

Artikel 4. Werkzaamheden in SWI-centra

     In een ministeriële regeling worden de werkzaamheden beschreven die voortaan uitsluitend moeten worden uitgevoerd in de SWI-centra en de werkzaamheden die in elk geval ook in de SWI-centra moeten worden verricht, in gezamenlijke afstemming tussen de betrokken organisaties.
     Ten aanzien van de relatie Lisv-uitvoeringinstellingen kan het volgende worden opgemerkt. Uit dit artikel blijkt onder meer dat het Lisv wordt verplicht de door de minister vastgestelde werkzaamheden uitsluitend te laten verrichten in SWI-centra. Op grond van artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 laat het Lisv zijn uitvoeringswerkzaamheden verrichten door uitvoeringsinstellingen. Uitvoeringsinstellingen kunnen deze werkzaamheden voor elkaar verrichten indien het
Landelijk instituut sociale verzekeringen daarvoor toestemming verleent. Daardoor kan de personele bezetting van een SWI-centrum optimaal worden afgestemd op de werkzaamheden die de uitvoeringsinstellingen in een SWI-centrum moeten laten verrichten.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x