Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2003

 

REGELING  VRIJSTELLING  VERPLICHTINGEN  ABW

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2004
(art. 2:1 IWwb)



20 april 1995, Stcrt. 1995, 83
Inwerkingtreding: 1 januari 1996
(T.a.v. art. 113:4 Abw)

 

 

 

 
20 april 1995/nr. BZ/UB/1396

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 113, vierde lid, van de Algemene bijstandswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1. [Vrijstelling 57,5-jarigen of ouder | afwijking]
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel a, e en f, van de Algemene bijstandswet, zijn belanghebbenden die ouder zijn dan 57,5 jaar vrijgesteld. Belanghebbenden die op 1 mei 1999 ouder zijn dan 57,5 jaar, zijn eveneens vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Algemene bijstandswet.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de Centrale organisatie werk en inkomen, in een bijzonder geval van het eerste lid afwijken.

 

Art. 1a. [Citeertitel]
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling verplichtingen Abw.

 

Art. 2. [Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Algemene bijstandswet in werking treedt.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 20 april 1995.
de Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

TOELICHTING
[20 april 1995]

 


     Artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet geeft een aantal op de arbeidsinpassing gerichte verplichtingen aan welke aan de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking dienen te worden opgelegd. Het vierde lid van dit artikel geeft de minister de bevoegdheid groepen van belanghebbenden van n of meer van deze verplichtingen vrij te stellen. Met deze regeling wordt een reeds enige tijd bestaande uitvoeringspraktijk, gebaseerd op de Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 januari 1985 (Stcrt. 1985, 20) betreffende de ontheffing van verplichtingen gericht op arbeidsinpassing ten aanzien van 57,5-jarigen of ouder, gecontinueerd [zie hieronder de wijzigingsregeling ten aanzien van nieuwe gevallen per 1 mei 1999, red.].
     De Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 december 1990 (Stcrt. 1990, 251) inzake ontheffing arbeidsverplichtingen bij ouderschapsverlof komt te vervallen, omdat het nieuwe artikel 107, tweede lid, van de Algemene bijstandswet voor de onderhavige doelgroep reeds voorziet in een categorale ontheffing van de arbeidsverplichtingen. De grondslag voor de specifieke Regeling van december 1990 die ten doel had om alleenstaande ouders die tengevolge van onbetaald ouderschapsverlof een beroep doen op aanvullende bijstand te vrijwaren van de arbeidsverplichtingen voor dat deel van de arbeidsduur waarvoor van het verlof in de zin van de Wet op het ouderschapsverlof gebruik wordt gemaakt, is daarmee komen te vervallen. Van het ouderschapsverlof kan namelijk slechts gebruik worden gemaakt zolang het kind waarvoor men de zorgtaak heeft de leeftijd voor toelating tot de basisschool nog niet bereikt heeft. Alleenstaande ouders die gebruik maken van de regeling inzake ouderschapsverlof vallen derhalve onder de categorale ontheffing van arbeidsverplichtingen ten aanzien van ouders met een zorgtaak voor kinderen beneden de vijf jaar als bedoeld in artikel 107, tweede lid, van de wet.
     In artikel 1, eerste lid, van de onderhavige regeling wordt van ontheffingsbevoegdheid ten aanzien van 57,5-jarigen of ouder gebruik gemaakt. Aan deze categorale ontheffing ligt de overweging ten grondslag dat onder de huidige arbeidsmarktomstandigheden wederinpassing in het arbeidsproces van deze groep van werklozen in het algemeen niet mag worden verwacht. Aan burgemeester en wethouders wordt de mogelijkheid gelaten in individuele situaties, waarin naar hun oordeel wel uitzicht bestaat op arbeidsinpassing, van een ontheffing af te zien. Hierbij dient het advies van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.] te worden ingewonnen.
     De belanghebbenden behouden wel het recht als werkzoekende te worden ingeschreven. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal in dat geval haar bemiddelingsrol blijven vervullen.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

WIJZIGING  REGELING  VRIJSTELLING  VERPLICHTINGEN  ABW  EN  REGELING  VRIJSTELLING  VERPLICHTINGEN  IOAW  EN  IOAZ


25 februari 1999, Stcrt. 1999, 40
Inwerkingtreding: 1 mei 1999
(T.a.v. artt. 113:4 Abw, 35:5 Ioaw en 35:5 Ioaz)

 

 

Wijziging van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20  april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) en van de Regeling vrijstelling verplichtingen Ioaw en Ioaz

25 februari 1999/nr. BZ/VOL/99/9487
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen
113, vierde lid, van de Algemene bijstandswet, 35, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en 35, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

     Besluit:

 

 

Art. I.
De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) wordt gewijzigd als volgt:
A.
Artikel 1, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel a, e en f, van de Algemene bijstandswet, zijn belanghebbenden die ouder zijn dan 57,5 jaar vrijgesteld. Belanghebbenden die op 1 mei 1999 ouder zijn dan 57,5 jaar, zijn eveneens vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Algemene bijstandswet.
B.
Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt als volgt:
Art. 1a.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling verplichtingen Abw.

 

Art. II.
Artikel 1, eerste lid, van de Regeling vrijstelling verplichtingen Ioaw en Ioaz wordt vervangen door:
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 35, eerste lid, onderdeel a, e en f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en 35, eerste lid, onderdeel a, e en f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, zijn belanghebbenden die ouder zijn dan 57,5 jaar vrijgesteld.
Belanghebbenden die op 1 mei 1999 ouder zijn dan 57,5 jaar, zijn eveneens vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 35, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en 35, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

 

Art. III.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 1999.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

s-Gravenhage, 25 februari 1999.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.

 

 

 

TOELICHTING
(25 februari 1999)

 


     Met dit besluit worden de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) en de Regeling vrijstelling van verplichtingen Ioaw en Ioaz gewijzigd in verband met het Regeerakkoord 1998 (Kamerstukken II 1997-1998, 26 024, nr. 10).
     De afgelopen jaren hebben vele organisaties zich bezig gehouden met de arbeidsparticipatie van ouderen. De vele uitgebrachte adviezen hebben n aspect gemeen: alle stellen zich op het standpunt dat de arbeidsparticipatie van ouderen in Nederland te laag is. Dit wordt uit zowel economisch als sociaal oogpunt als onwenselijk beschouwd. Om die reden heeft de arbeidsdeelname van ouderen in het regeerakkoord van 1998 een plaats gekregen.
     Artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet geeft een aantal op de arbeidsinpassing gerichte verplichtingen aan welke aan de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking dienen te worden opgelegd. Het vierde lid van dit artikel geeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid groepen van belanghebbenden van n of meer van deze verplichtingen vrij te stellen. Van de ontheffingsbevoegdheid is in de afgelopen jaren gebruik gemaakt door middel van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83).
     In het regeerakkoord van 1998 is opgenomen dat naarmate het leeftijdsbewust personeelsbeleid meer succesvol is en oudere werkzoekenden een rele kans maken op de arbeidsmarkt de gefaseerde invoering van de sollicitatieplicht voor mensen ouder dan 57,5 jaar in beeld komt. Tevens wordt in het regeerakkoord aangegeven dat vooruitlopend hierop de regeling met betrekking tot passende arbeid wordt aangepast. In de lijn daarmee worden de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) en de Regeling vrijstelling verplichtingen Ioaw en Ioaz zodanig aangepast dat een passend aanbod ook door werkloze ouderen boven de 57,5 jaar moet worden aanvaard.
     Voor de Abw-belanghebbenden betekent dit dat op grond van dit besluit degenen die op of na 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar zullen bereiken niet langer zullen worden vrijgesteld van de op arbeidsinpassing gerichte verplichtingen, genoemd in Abw artikel 113, eerste lid, onderdeel b, c en d. Deze verplichtingen houden in dat de werkzoekende dient geregistreerd te staan bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.], passende arbeid te aanvaarden en na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert. Deze categorie belanghebbenden blijft echter vooralsnog wel vrijgesteld van de verplichtingen, genoemd in Abw artikel 113, eerste lid, onderdeel a, e en f. Dit betekent dat deze categorie belanghebbenden vooralsnog vrijgesteld blijft van de verplichtingen om naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht en beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen.
     Voor de Ioaw-ers en Ioaz-ers bevat dit besluit een identieke wijziging. Dit betekent dat op grond van dit besluit degenen die op of na 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar bereiken niet langer zullen worden vrijgesteld van de op arbeidsinpassing gerichte verplichtingen, genoemd in artikel 35, vijfde lid, onderdeel b, c en d, van de Ioaw, respectievelijk de Ioaz. Deze categorie uitkeringsgerechtigden blijft echter vooralsnog wel vrijgesteld van de verplichtingen, genoemd in artikel 35, vijfde lid, onderdeel a, e en f, van de Ioaw, respectievelijk de Ioaz.
     Voor de belanghebbenden die vr de inwerkingtreding van dit besluit de leeftijd van 57,5 jaar reeds hebben bereikt, zullen geen wijzigingen meer optreden. Dit houdt in dat belanghebbenden geboren vr 1 november 1941 van de verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, onderdeel a tot en met f, van de Abw en verplichtingen, genoemd in artikel 35, vijfde lid, onderdeel a tot en met f, van de Ioaw/Ioaz, blijven vrijgesteld.
     Voor WW-gerechtigden van 57,5 jaar of ouder is een vergelijkbare regeling getroffen (besluit Lisv van 20 januari 1999) [zie voor Lisv: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.].

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel I, onderdeel A, en artikel II

     De wijziging van artikel 1, eerste lid, van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) strekt ertoe om belanghebbenden die op of na 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar bereiken niet langer vrij te stellen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Algemene bijstandswet. Hierbij gaat het om de verplichting voor belanghebbende om ervoor te zorgen als werkzoekende geregistreerd te staan bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de verplichting om passende arbeid te aanvaarden en de verplichting om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert.
     Voor belanghebbenden die op 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar reeds hebben bereikt en dus geboren zijn vr 1 november 1941, wijzigt er niets. Zij blijven vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel a tot en met f, van de Algemene bijstandswet.
     De wijziging van de Regeling vrijstelling verplichtingen Ioaw en Ioaz komt inhoudelijk overeen met de wijziging die ingevolge artikel I, onderdeel A, is aangebracht in de Regeling van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet.

 

Artikel I, onderdeel B

     Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de Regeling van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet van een citeertitel te voorzien.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x