Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2003

 

REGELING  STATISTISCHE  GEGEVENS  ABW

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2004
(art. 2:1 IWwb)



16 juni 1995, Stcrt. 1995, 121
Inwerkingtreding: 1 januari 1996
(T.a.v. art. 133 Abw)

 

 

 

 
16 juni 1995/nr. BZ/AV/95/2195/I
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 133 van de Algemene bijstandswet;
     Gehoord de Centrale Commissie voor de Statistiek;

     Besluit:

 

 

Art. 1. [Maandelijks gegevensoverzicht aan CBS m.b.t. bijstandsontvangers]
Burgemeester en wethouders verstrekken maandelijks aan de Directeur-Generaal van de Statistiek, overeenkomstig het in de bijlage bij deze regeling opgenomen overzicht gegevens met betrekking tot personen en gezinnen aan wie zij uitkering hebben verleend op grond van de Algemene bijstandswet.

 

Art. 1a. [Maandelijkse gegevensoverzicht aan CBS m.b.t. ontvangers leenbijstand]
Burgemeester en wethouders verstrekken maandelijks aan de Directeur-Generaal van de Statistiek, overeenkomstig het in de bijlage bij deze regeling opgenomen overzicht gegevens met betrekking tot personen en gezinnen aan wie zij betalings- en aflossingsverplichtingen hebben opgelegd met betrekking tot verleende bijstand.

 

Art. 2. [Toepasselijkheid richtlijnen 1995]
De door de Directeur-Generaal van de Statistiek voor het kalenderjaar 1995 vastgestelde richtlijnen zijn van toepassing op de verstrekking van gegevens over:
a. de periode in 1996 waarover aan een persoon uitkering is verleend op grond van de Algemene Bijstandswet; en
b. het kalenderjaar 1997 en de daarop volgende kalenderjaren voor zover het betreft de financiŽle gegevens met betrekking tot de verlening van bijzondere bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet dan wel de Algemene bijstandswet.

 

Art. 3. [Wijze en tijdstip verstrekking aan CBS | Inwerkingtreding]
Burgemeester en wethouders verstrekken de in artikelen 1, 1a en 2 bedoelde gegevens op een door de Directeur-Generaal van de Statistiek te bepalen wijze en tijdstip.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

 

's-Gravenhage, 16 juni 1995.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

TOELICHTING
[16 juni 1995]

 

Statistische informatie over de bijstandverlening


     Om verschillende redenen is het noodzakelijk op landelijk niveau informatie te hebben over de verschillende facetten van de bijstandverlening op grond van de Algemene bijstandswet. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is politiek verantwoordelijk voor het landelijke beleidskader van de bijstandverlening. Onderdeel van die verantwoordelijkheid is het gevoerde beleid regelmatig te toetsen op de actuele beleidsdoelstellingen. Voor een dergelijke beoordeling en de eventueel daaruit voortvloeiende herijking van het beleid is het noodzakelijk een duidelijk en actueel beeld te kunnen vormen van de bijstandverlening en de effecten daarvan. Dat betekent dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten minste moet kunnen beschikken over betrouwbare en recente gegevens over de omvang van de bijstandverlening, de groepen personen die daarop een beroep moeten doen, de oorzaak van het ontstaan van bijstandsafhankelijkheid en de mogelijkheden van bijstandontvangers om weer zelfstandig in het bestaan te voorzien.
     Een specifiek onderdeel van de ministeriŽle verantwoordelijkheid betreft de bekostiging van de bijstandverlening. De bijstandsuitgaven drukken voor een belangrijk deel direct op de rijksbegroting en vormen daarbij een fors financieel beslag op de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding is het noodzakelijk de verwachte ontwikkeling van de bijstandsuitgaven met een grote nauwkeurigheid te kunnen ramen. Waar bijstandsuitgaven ten laste van de gemeenten blijven, is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede verantwoordelijk voor een adequaat financieel kader. Ook hiervoor is een gedetailleerd inzicht in vele aspecten van de bijstandverlening noodzakelijk.
     De behoefte aan adequate informatie over de bijstandverlening blijft niet beperkt tot de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ook de gemeenten ervaren in toenemende mate de noodzaak van managements- en beleidsinformatie ten behoeve van een effectieve toepassing en nadere invulling van het landelijke wettelijk kader. Een van gemeentezijde te houden beoordeling en zo nodig bijsturing van het activeringsbeleid is slechts mogelijk als inzicht bestaat in de arbeidsmarktperspectieven van bijstandontvangers, de duur van hun werkloosheid, het arbeidsmarktniveau en de doorstroom naar de arbeidsmarkt. Zeker ten aanzien van de onderdelen van de bijstandverlening waarvoor zij een eigen financiŽle verantwoordelijkheid dragen of zoals dat ten aanzien van de toeslagen op de landelijk genormeerde bijstand het geval is, na verloop van een overgangsperiode zullen krijgen, hebben de gemeenten bovendien behoefte aan gedetailleerde gegevens over de omvang en samenstelling van de groep die een beroep op de diverse vormen van bijstand doet en welke kosten daarmee gemoeid zijn. De informatie die voor de landelijke beleidsvoering noodzakelijk is, vertoont derhalve een belangrijke overlap met de informatiebehoefte die zich op lokaal niveau manifesteert.

 

Huidige statistische informatiebronnen


     De bijstandsstatistieken die door het Centraal Bureau voor de Statistiek [CBS, red.] worden verzorgd, vormen een cruciale bron van informatie. Het gaat hierbij momenteel om de volgende statistieken:
1. ABW, periodieke betalingen: van alle personen die op 31 december van een jaar een periodieke bijstandsuitkering ontvangen, worden door de gemeenten de zogeheten facettencodegegevens doorgegeven aan het CBS. Het gaat hier om gegevens als de leef- en woonvorm van de betrokkene, de samenstelling en de hoogte van de aan hen verleende uitkering, ontvangen inkomsten, de duur van de bijstandverlening en de kosten waarvoor een beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan.
2. ABW, incidentele betalingen: in de vorm van een steekproef worden vergelijkbare gegevens verzameld over personen die incidenteel een bijstandsuitkering hebben ontvangen. Het gaat hierbij met name om de verlening van bijzondere bijstand.
3. FinanciŽle jaarstatistiek ABW: deze gegevens worden vastgesteld aan de hand van enerzijds de definitieve kostenopgave van de gemeenten aan het ministerie van SZW in het kader van de rijksvergoeding en anderzijds van door de gemeenten aan het CBS verstrekte gegevens over de verlening van bijzondere bijstand.
4. Aantallen aanvragen ABW: eenmaal per jaar vraagt het CBS met een aparte vragenlijst aan de gemeenten om een opgave van de totaal in dat jaar ingediende aanvragen om een bijstandsuitkering en de afhandeling daarvan.
5. Kwartaalstatistiek ABW: desgevraagd verstrekt een groot aantal gemeenten - ongeveer 300 die gezamenlijk zo'n 65 tot 70 procent van de totale bijstandverlening voor hun rekening nemen - de hierboven genoemde facettencodegegevens tevens met betrekking tot degenen die op de laatste dag van een kwartaal periodieke bijstand ontvangen.
6. Statistiek fraudedelicten: ingeval de gemeente uitkeringsfraude constateert, worden de hiertoe van belang zijnde gegevens binnen twee maanden na afloop van het kwartaal waarin het delict is vastgesteld, doorgegeven aan het CBS.

 

Nieuwe informatiebehoeften


     Met de inwerkingtreding van de Abw op 1 januari 1996 zal de behoefte aan beleidsinformatie over de bijstandverlening aanzienlijk toenemen. Dat geldt zowel voor de gemeenten als voor het Rijk. De nieuwe bestuurlijke verhoudingen tussen Rijk en gemeenten op het vlak van de bijstandverlening, die met name tot uitdrukking komen in de verantwoordelijkheid die de gemeenten krijgen voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering, maakt het voor de gemeenten meer dan momenteel reeds het geval is noodzakelijk een nauwkeurig inzicht te krijgen in de effecten van het plaatselijk gevoerde beleid in de praktijk. Deze overdracht van beleidsverantwoordelijkheden doet ook op landelijk niveau de behoefte aan beleidsinformatie toenemen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is immers politiek verantwoordelijk voor het gehele wetgevende kader voor de bijstandverlening. Die verantwoordelijkheid omvat ook de onderdelen van de bijstandverlening waarvoor de beleidsbevoegdheden bij de gemeenten berusten. De minister is uiteraard niet direct aanspreekbaar voor de wijze waarop de gemeenten invulling geven aan deze beleidsbevoegdheden, maar wťl voor het feit dat op deze onderdelen het beleid niet op landelijk, maar op gemeentelijk niveau wordt bepaald. Dit brengt met zich mee dat hij inzicht dient te kunnen verschaffen over de effecten van het gebruik dat gemeenten hebben gemaakt van de verkregen beleidsbevoegdheden. Dit niet alleen met betrekking tot de feitelijke regeling, maar ook omtrent de wisselwerking die bestaat met ontwikkelingen bij niet-gedecentraliseerde regelingen. Ondanks het aanzienlijk vergrote gemeentelijke financiŽle aandeel zal ook onder de nieuwe wetgeving verreweg het grootste gedeelte van de kosten van bijstandverlening door het Rijk worden vergoed. Er is derhalve een onverminderde noodzaak om te kunnen beschikken over informatie ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding. Door de grotere consequenties voor de gemeentelijke financiŽn zal het ten behoeve van een adequaat financieel kader voor de gemeenten echter, nog meer dan thans het geval is, noodzakelijk zijn een nauwkeurig en actueel inzicht te kunnen verkrijgen in de ontwikkeling van de bijstandsuitgaven en de daaraan ten grondslag liggende oorzaken. De nieuwe Abw legt een sterkere nadruk op de activerende functie van de bijstandverlening. Op landelijk niveau vergt dit een voortdurende kritische toetsing van bestaande instrumenten en ontwikkeling van nieuwe middelen om de uitstroom uit de bijstand te vergroten en de instroom waar mogelijk te beperken. Daarvoor is onontbeerlijk dat informatie beschikbaar komt over de mogelijkheden van bijstandontvangers om de arbeidsmarkt te betreden. Ook gemeenten zullen - mede met het oog op de op te stellen beleidsplannen en -verslagen - in toenemende mate behoefte krijgen aan dergelijke informatie om de effectiviteit van het plaatselijk gevoerde uitstroombeleid en de samenwerking met andere organisaties - met name Arbeidsvoorziening [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.] - te kunnen beoordelen en zo nodig bij te sturen. Ook de hogere eisen die maatschappelijk aan de bijstand en het bijstandsproces worden gesteld, geven aanleiding tot een grotere behoefte dan voorheen aan een meer toegespitste beleidsinformatie. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de in de wet opgenomen verplichting aan de minister tot het houden van regelmatige evaluaties. Een adequaat functionerende statistische voorziening kan het realiseren van dergelijke evaluaties aanmerkelijk versoepelen. Ook ten aanzien van beleidsonderwerpen die op zich los staan van de nieuwe wetgeving is de behoefte aan beleidsinformatie gegroeid. Voorbeeld hiervan is de terugvordering van onterecht verleende bijstand en verhaal van bijstand op onderhoudsplichtigen en anderen. Met het op 1 augustus 1992 in werking getreden wetsvoorstel waarin terugvordering en verhaal niet meer louter een bevoegdheid van de gemeenten is, maar een verplichting, is verduidelijkt dat dit integrale onderdelen van de uitvoering van de bijstandswet zijn. Op landelijk niveau ontbreken momenteel zelfs de meest elementaire kwantitatieve gegevens over terugvordering en verhaal.

 

Aanpassing en uitbreiding van de statistische informatievoorziening


     In de hierboven globaal geschetste nieuwe informatiebehoeften zal voor een belangrijk deel in de vorm van statistiek moeten worden voorzien. Betrouwbaarheid van de gegevens zelf en een periodieke verzameling daarvan zijn noodzakelijk om een correct en actueel beeld te kunnen vormen van het gebruik dat van de bijstand wordt gemaakt en om daarin optredende ontwikkelingen te kunnen waarnemen. Het karakter van de statistiek brengt overigens met zich mee dat onverminderd de noodzaak zal bestaan van aanvullende informatiebronnen, bijvoorbeeld in de vorm van gericht incidenteel onderzoek.
     De informatiebehoeften kunnen goeddeels worden gerealiseerd door aanpassing van de huidige statistieken. Deze statistieken zijn nog steeds gebaseerd op het stramien dat in het midden der zeventiger jaren is gecreŽerd. De vraagstelling is sindsdien slechts gewijzigd voor zover hiertoe in verband met wetswijzigingen aanleiding toe bestond. Eventuele wijzigingen in verband met de sindsdien gegroeide behoeften aan meer kwantitatieve informatie hebben niet geleid tot aanpassing van de vraagstelling. De opzet, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in een verplichting tot een beperkte jaarlijkse levering van gegevens, is sindsdien in het geheel niet gewijzigd. Gezien de ontwikkelingen die zich sedert het midden der zeventiger jaren, ook op administratief-technisch terrein, hebben voorgedaan, is een algemene aanpassing van de bijstandsstatistiek wenselijk, waarvoor de momenteel bestaande behoefte aan beleidsinformatie uitgangspunt is.
     De invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet vergt voor de gemeenten een aanpassing van de uitkeringsadministratie. De uitkeringssystematiek is ingrijpend gewijzigd, terwijl er ook belangrijke wijzigingen zijn ten aanzien van de vormen van bijstand die al dan niet voor rijksvergoeding in aanmerking komen. Om te voorkomen dat gemeenten kort achter elkaar met de noodzaak van wijzigingen in deze administratie worden geconfronteerd, dienen zij tijdig op de hoogte te zijn van de vereisten die de statistiek aan de uitkeringsadministratie stelt. Het onderhavige besluit heeft betrekking op de statistische informatie waarvoor deze uitkeringsadministratie de bron vormt.
     Voor de noodzakelijke landelijke informatie ten aanzien van terugvordering en verhaal dient echter een nieuw kader te worden gecreŽerd. Bij de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand gaat het immers in veel gevallen om personen die niet langer bijstandsgerechtigd zijn, terwijl het verhaal plaatsvindt op personen die zelf geen bijstand ontvangen. De bron voor gegevens over terugvordering en verhaal is bij de gemeenten dan ook niet gelegen in de uitkeringsadministratie, die de basis vormt voor de meeste van de huidige bijstandsstatistieken, maar in aparte administraties, waarin de betalingen door personen of gezinnen aan de sociale dienst worden vastgelegd. Behoudens eventuele beperktere aanpassingen kunnen de gemeenten voor de uitvoering van dit onderdeel van de wetgeving met het huidige administratieve systeem volstaan. Ten aanzien van terugvordering en verhaal is er derhalve niet de noodzaak om op zeer korte termijn vast te stellen welke statistische gegevens dienen te worden verstrekt. In nauw overleg met de gemeenten zal worden bezien op welke wijze een dergelijke statistiek kan worden opgezet. Als streefdatum voor de invoering van deze nieuwe statistiek geldt 1 januari 1997.
     In de statistiek fraudedelicten worden enkele technische wijzigingen voorgenomen, zoals de opname van het sofinummer en aanpassing van de persoonsgegevens aan de nieuwe bijstandswetgeving. Deze statistiek zal derhalve slechts in beperkte mate aanpassingen vergen. Ten behoeve van deze statistiek zal medio dit jaar bekend worden gemaakt welke gegevens de gemeenten dienen te verstrekken. De inhoud van de statistieken ten aanzien van de aan de Abw verwante Ioaw en Ioaz zullen zo spoedig mogelijk bekend worden gemaakt. Synchronisatie met de vraagstelling van de bijstandsstatistiek blijft het uitgangspunt. De aanpassingen in de bijstandsstatistiek zullen dan ook zoveel mogelijk een doorwerking krijgen in de Ioaw- en Ioaz-statistieken.

 

Uitgangspunten voor de statistiek


     De bron voor de statistiek dient te worden gevormd door de informatie die bij de uitvoering van de Abw bij de gemeenten beschikbaar komt. Deze informatie is tweeŽrlei. De gemeente verkrijgt van of over de aanvrager gegevens om zijn recht op uitkering te kunnen beoordelen en om te kunnen vaststellen welke voorwaarden daaraan moeten worden verbonden. Deze gegevens dienen door de gemeenten te worden vastgelegd om de beslissingen te kunnen motiveren die op de aanvraag worden genomen. Deze beslissingen en de daaropvolgende handelingen van de gemeente vormen een tweede bron van informatie. Deze worden eveneens vastgelegd in de vorm van beschikkingen, betalingen en dergelijke.
     De ten behoeve van de onderhavige statistiek te verzamelen gegevens dienen zich in beginsel tot deze uitvoeringsinformatie te beperken. Dat betreft niet alleen de aard van deze gegevens, maar eveneens de inhoud daarvan. Deze voorwaarden vloeien voort uit de noodzaak om enerzijds de uitvoeringslasten die voor de gemeenten zijn verbonden aan de voorziening in de landelijke informatiebehoefte beperkt te laten zijn en anderzijds te kunnen beschikken over betrouwbare gegevens. Waar de statistiek zich beperkt tot uitvoeringsinformatie, is deze gebaseerd op gegevens die de gemeente regelmatig op hun juistheid en volledigheid heeft getoetst.
     Verstrekking van de gevraagde statistische gegevens is doorgaans slechts mogelijk als deze in de uitkeringsadministratie zijn opgenomen. Waar het in voorkomende gevallen voor de uitvoering voldoende is dat de betreffende gegevens in het individuele dossier zijn opgeslagen, brengt opname daarvan in de landelijke statistiek met zich mee dat de gemeenten worden geconfronteerd met extra administratieve handelingen. Er dient derhalve een afweging te worden gemaakt tussen het belang van de landelijk gevraagde informatie en de kosten die er voor de gemeenten mee gemoeid zijn om de gegevens in de administraties op te nemen, die door de gemeenten bij het aanmaken van de bestanden met statistische gegevens worden geraadpleegd. Bij deze afweging is mede betrokken het inzicht dat de vraagstelling beperkt zou blijven tot de thans in het door de VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.] ontwikkelde Gemeentelijk Functioneel Ontwerp Sociale Diensten (GFO/GSD) opgenomen kenmerken en de aanpassingen die in dit GFO op korte termijn moeten worden doorgevoerd als logische consequentie van de aanpassingen in de wetgeving.
     Bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan die onderdelen van de bijstandverlening waarvoor de gemeenten een eigen beleidsmatige verantwoordelijkheid dragen en waarbij de uitvoering derhalve niet noodzakelijkerwijs landelijk uniform is. Het gegeven van gemeentelijke beleidsvrijheid doet er niet aan af dat er op landelijk niveau behoefte kan bestaan aan informatie over de consequenties van de gemeentelijke invulling van hun bevoegdheden. Het kan hierbij immers gaan om aspecten waarop het landelijk geformuleerde wetgevingskader periodiek moet worden getoetst. De informatieverzameling dient aan te sluiten op de mogelijke diversiteit in beleid of uitvoering en daarvoor niet op enigerlei wijze - indirect - normerend te zijn.
     Bij de concrete invulling van de statistiek is uiteraard van belang dat met de uitbreiding van de financiŽle en beleidsmatige verantwoordelijkheden voor de bijstandverlening, bij de gemeenten de behoefte aan beleidsinformatie eveneens zal toenemen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de wettelijke verplichting tot het opstellen van beleidsplannen en -verslagen. Hoewel de gemeentelijke behoefte aan beleidsinformatie afwijkend kan zijn van de informatie waarover op landelijk niveau moet kunnen worden beschikt, kan de ten behoeve van de statistiek verzamelde informatie daarvoor wel van betekenis zijn. Het ligt dan ook in het voornemen om de huidige werkwijze voort te zetten dat gemeenten van het CBS een terugmelding ontvangen van gegevens met betrekking tot de eigen gemeente alsmede van regionale en landelijke gegevens.

 

Overleg en advisering


     Tegen deze achtergrond is met de gemeenten uitvoerig overleg gevoerd over de opzet en inhoud van de nieuwe statistiek. In de technische commissie die het aan de Centrale Commissie voor de Statistiek voor te leggen voorstel heeft voorbereid, hadden, naast medewerkers van het CBS, zowel vertegenwoordigers van de VNG en Divosa [Vereniging van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.] zitting als enkele deskundigen uit de gemeentelijke kring. Daarnaast zijn concepten voor de nieuwe vraagstelling aan verschillende gemeentelijke sociale diensten voorgelegd.
     Om de gemeenten in staat te stellen bij de nieuwe inrichting van de administratie rekening te houden met de statistische vereisten, was uitgangspunt dat de nieuwe statistiek uiterlijk 1 april 1995 bekend zou worden gemaakt. Met name met betrekking tot gegevens die voorheen niet in de statistiek waren opgenomen, had Divosa behoefte aan een ruimere periode om de voorstellen te beoordelen op hun uitvoeringstechnische consequenties en om te bezien in hoeverre de landelijke informatiebehoefte overeenkomt met de gemeentelijke behoefte aan beleidsinformatie. Om de daartoe noodzakelijke nadere consultaties met gemeenten mogelijk te maken, is met instemming van de betrokken partijen - onder behoud van invoering op 1 januari 1996 - de beoogde datum van vaststelling van de statistiek uitgesteld.
     Dit overleg heeft op tal van plaatsen tot een aanpassing van de oorspronkelijke voornemens geleid. Van een aantal op zich gewenste kenmerken moest de conclusie worden getrokken dat deze niet via de statistiek dienen te worden verzameld, omdat de daarvoor benodigde vraagstelling onvoldoende aansluit op de gegevens die door de gemeenten in het kader van de uitvoering van de Abw worden verkregen. Dit is ook van toepassing op kenmerken waarvan de gemeenten slechts met een bovenmatige inspanning in staat zouden zijn eenduidig te interpreteren gegevens omtrent het desbetreffende kenmerk te leveren. Bij andere gegevens is de vraagstelling - soms aanzienlijk - gewijzigd en ingeperkt om een aansluiting te krijgen met de gegevens waarover de gemeenten de beschikking hebben.
     Per saldo zijn de uitbreidingen in de statistiek beperkt van omvang. Deze spitsen zich met name toe op gegevens die van belang zijn voor het activeringsbeleid. Het belang van deze gegevens - ook voor de eigen informatievoorziening - wordt door de gemeentelijke vertegenwoordigers onderschreven en opname daarvan in de landelijke statistiek verantwoord geacht. In aansluiting op de grondige voorbereiding en het uitvoerige overleg wordt het noodzakelijk geacht na te gaan hoe gemeenten vorderen bij de te realiseren aanpassingen in het kader van de bijgestelde statistiek. Hiertoe bestaat onder meer het voornemen medio 1996 een evaluatie ter zake te houden. Op basis van deze evaluatie kan worden beslist de ministeriŽle regeling aan te passen, alsmede aanwijzingen worden verkregen over punten die een specifieke toelichting richting gemeenten behoeven. Het ministerie zal in het voorjaar het initiatief tot een dergelijke evaluatie nemen.
     Conform artikel 133 van de Abw is het besluit met de daarbij behorende vraagstelling aan de Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS) ter advisering voorgelegd.
     De CCS adviseert positief over het voorgelegde voorstel, omdat het bijdraagt aan een verbetering van de statistische informatievoorziening op dit terrein. De CCS constateert dat de gegevens met betrekking tot naam, adres en woonplaats (NAW-gegevens) niet in het voorstel waren opgenomen. Met dergelijke gegevens zou een koppeling van bijstandsinformatie met eigen CBS-enquetes mogelijk worden, op basis waarvan nieuwe landelijke statistische informatie beschikbaar kan komen over onder andere arbeidsmarktaspecten. Gegevens over met name bijstandsafhankelijkheid zijn in bijzondere mate gevoelig voor de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. De vertrouwelijkheid daarvan dient gegarandeerd te zijn. Een gegevensverstrekking, waarbij het gemeentelijke registratienummer en het sofinummer vermeld zijn, biedt - mede gezien de privacyregeling bij het CBS - daartoe voldoende zekerheid.
     Bij de ontwikkeling van de voorliggende vraagstelling is aan de orde geweest om nadere identificerende kenmerken in de statistische gegevens op te nemen om de door de CCS aangeduide informatie te kunnen verkrijgen. Uiteraard dient niet op voorhand de verstrekking van NAW-gegevens te worden afgewezen als daarmee meer betrouwbare of meer diepgaande relevante beleidsinformatie kan worden verkregen. De gevoeligheid van bijstandsgegevens dwingt er echter toe alle met een dergelijke werkwijze verband houdende aspecten, waaronder de privacyaspecten, zorgvuldig te onderzoeken alvorens te besluiten tot een verplichte verstrekking van identificerende persoonskenmerken. Daarbij dient, mede met het oog op de daaraan verbonden kosten voor de gemeenten, tevens vast te staan dat met de verstrekking van deze gegevens informatie met een aanmerkelijke meerwaarde kan worden verkregen. Indien dat inderdaad het geval is en de verstrekking van NAW-gegevens met voldoende waarborgen is omgeven en voor de gemeenten haalbaar is, kan op een later tijdstip worden geregeld dat de identificerende gegevens aan de te verstrekken gegevens worden toegevoegd. Bij de nadere eventuele besluitvorming zal rekening worden gehouden met een tijdige afkondiging hiervan opdat de gemeenten in staat zullen zijn de gewenste gegevens te verstrekken.

 

Aanpassing van de huidige statistiek


     De nieuwe wetgeving geeft op tal van plaatsen andere regels voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de uitkering en voor de daaraan te verbinden voorwaarden. Deze behoeven slechts ten dele door te werken in de van de gemeenten te vragen gegevens ten behoeve van de landelijke statistiek. Op een aantal punten zijn wijzigingen echter onvermijdelijk. Een eerste noodzakelijke aanpassing betreft de uitkeringsgegevens. De uitkering werd onder de oude regelgeving - behoudens afwijkingen in individuele gevallen - volledig bepaald door centrale regelgeving, met name het Bijstandsbesluit landelijke normering. In de nieuwe wetgeving wordt volstaan met een beperkt aantal landelijke normen die - binnen wettelijke randvoorwaarden - door de gemeenten voor eigen beleidsmatige verantwoordelijkheid worden verhoogd of verlaagd, naargelang de omstandigheden van de bijstandontvanger. Voor tal van aspecten van de landelijke beleidsvoering is het noodzakelijk dat de statistiek een blijvend inzicht verschaft in de verstrekte uitkeringen, ook als deze voor een belangrijk deel voor gemeentelijke verantwoordelijkheid komen. Juist doordat deze gegevens de kern vormen van de gemeentelijke uitkeringsadministratie en de wetgeving een duidelijk kader voor het gemeentelijke uitkeringsbeleid geeft, stuit de verstrekking van deze gegevens niet op belemmeringen.
     Met de grotere nadruk op de activerende functie van de bijstand dient met de invoering van de nieuwe wetgeving statistische informatie over de uitstroomaspecten te worden verkregen. De huidige statistiek levert slechts in zeer beperkte mate informatie over de achtergronden van de behoefte aan bijstand, terwijl gegevens over de beŽindiging van de bijstand in het geheel ontbreken.
     Met het opheffen van het onderscheid tussen degenen die bijstand ontvangen op grond van de wet zelf (de zogeheten ABW-sec) en op grond van de Rww zou zelfs de huidige, zeer beperkte informatie over de arbeidsmarktpositie van bijstandontvangers komen te vervallen. Voor een effectief activeringsbeleid is het essentieel om op landelijk niveau de beschikking te hebben over enkele basisgegevens omtrent de arbeidsmogelijkheden en -belemmeringen van degenen die een beroep op bijstand doen. Op basis van de gegevens die de gemeenten in het kader van de aan de uitkering te verbinden voorwaarden dienen vast te leggen, kan op hoofdlijnen een dergelijk beeld worden verkregen. Het gaat hierbij om de arbeidsvoorwaarde die in het betrokken geval van toepassing is en de redenen om deze eventueel niet of niet geheel op te leggen, en de eventuele maatregelen die de gemeente heeft toegepast als de betrokkene zich niet aan deze voorwaarden heeft gehouden. Voor zover die gegevens in het individuele geval van belang zijn, wordt van de gemeenten eveneens gevraagd om gegevens te verstrekken omtrent het opleidingsniveau van de bijstandontvanger en - als deze voorafgaand aan de bijstand een WW-uitkering heeft ontvangen - wat de ingangsdatum van deze uitkering was.
     Om een beter inzicht te krijgen in de factoren die het beroep op bijstand beÔnvloeden, is het noodzakelijk om de beschikking te hebben over enkele gegevens omtrent de oorzaak van het ontstaan en de beŽindiging van de bijstandsbehoevendheid. De gegevens die de gemeente verkrijgt bij de beoordeling van het recht op bijstand vormen hiervoor een adequaat kader. In de uitvoeringspraktijk is het bovendien gebruikelijk om bij de beschikking op grond waarvan de bijstandsuitkering wordt beŽindigd, de reden daarvoor te vermelden. Met een globale vraagstelling wordt aansluiting met de gemeentelijke uitvoeringspraktijk bereikt.
     Met de nieuwe wetgeving is de reikwijdte van de bijzondere bijstand uitgebreid. De huidige landelijk geregelde toeslagen op de algemene bijstand, zoals de woonkostentoeslag, worden overgeheveld naar de bijzondere bijstand, terwijl de bijstand die in aanvulling op de landelijke norm voor beneden-21-jarigen wordt verstrekt, eveneens als bijzondere bijstand wordt vormgegeven. De huidige vraagstelling, waarin voor de bijzondere bijstand een uitgebreid onderscheid naar kostensoort wordt gehanteerd, kan - met deze en enkele anders aanvullingen - volledig worden gehandhaafd. Het in de statistiek gemaakte onderscheid naar kostensoort wordt door de gemeenten doorgaans ook voor eigen doeleinden gevolgd. Naar verwachting zal de op dit punt aangepaste statistiek blijven aansluiten op de eigen informatiebehoefte van de gemeenten.

 

Opzet van statistieken en bekostiging


     De thans geldende informatiebehoeften vergen dat de statistische gegevens ook worden verzameld ten aanzien van degenen van wie in een bepaalde periode de bijstand is beŽindigd en dat de statistiek regelmatig wordt opgesteld.
     Met het oog op de betrouwbaarheid van de informatie is het CBS van oordeel dat - in de tijd gezien - de verlening en beŽindiging van de bijstand volledig dient te worden waargenomen. Voor de gemeenten is van belang dat de verstrekking van de statistische gegevens aansluit op de periodiciteit van de eigen uitkeringsadministratie, die wordt bepaald door het - behoudens uitzonderingsgevallen - maandelijkse uitbetalingsritme. Met een maandelijkse rapportering aan het CBS wordt aan deze randvoorwaarde voldaan. In concreto betekent de voorgestane opzet dat gemeenten elke maand van de in deze maand plaatshebbende periodieke of incidentele verstrekkingen en van de periodieke uitkeringen die in deze maand worden beŽindigd bestanden aanmaakt met de voor de statistiek noodzakelijk geachte gegevens. De bron voor de statistische gegevens is de maandelijks geactualiseerde betalingsadministratie. Dat geldt ook voor degenen van wie de uitkering inmiddels is beŽindigd. Deze personen hebben over de betreffende maand immers een - gedeeltelijke - uitkering ontvangen. Deze opzet maakt het mogelijk om zowel de statistiek incidentele betalingen, alsmede de uitstroomstatistiek, alsmede het gebruik van de periodieke bijstand op een gegeven moment op basis van het maandelijks door de gemeenten te verstrekken bestand vast te stellen.
     In de door het CBS op te stellen nadere richtlijnen zullen de relevante aspecten van de verstrekking van de gegevens verder worden uitgewerkt. Een dergelijke wijze van rapportage maakt het mogelijk om enkele van de huidige statistieken te integreren. Hiermee wordt de gegevensstroom van de gemeenten naar het CBS belangrijk gestroomlijnd en derhalve voor de gemeenten vereenvoudigd. De bestaande statistiek incidentele betalingen kan worden gebaseerd op dezelfde berichtgevingsperiode en -systematiek en daarmee als afzonderlijke gegevensverstrekking vervallen.
     Bij realisatie van thans voorgenomen gegevensverstrekking en -verwerking kan de aparte gegevensverstrekking over de financiŽle aspecten van de bijstandverlening komen te vervallen. Met betrekking tot de bijzondere bijstand wordt dat mogelijk gemaakt door in de nieuwe statistiek per kostensoort te laten vermelden wat de hoogte van de betreffende bijzondere bijstand is.
     De aparte statistiek aanvragen-ABW kan, aangezien deze informatie inmiddels minder beleidsrelevant is, komen te vervallen.
     Ondanks de aanmerkelijke vereenvoudigingen die op deze wijze kunnen worden aangebracht in de gegevensverstrekking door de gemeenten aan het CBS, zullen aan de nieuwe statistiek voor de gemeenten waarschijnlijk extra kosten zijn verbonden, zowel eenmalige door de noodzaak van aanpassing van programmatuur als structurele tengevolge van de uitbreiding van de vraagstelling en de frequentere verstrekking van gegevens. Deze kosten zullen naar verwachting beperkt zijn. Door de tijdige bekendmaking van dit besluit behoeft geen aparte aanpassing van de programmatuur plaats te vinden, maar kan het onderdeel uitmaken van de totale herziening van de automatisering waartoe verreweg de meeste gemeenten bij gelegenheid van de invoering van de nAbw overgaan. Door de koppeling van de gegevenstoelevering aan het CBS aan het uitbetalingsritme blijven de kosten van de hogere frequentie nagenoeg beperkt tot die van de verzending. De statistiek vormt een integraal onderdeel van de uitvoering. Voor de extra uitvoeringskosten waartoe de nieuwe wetgeving leidt, wordt de gemeente een eenmalig bedrag van É50 mln ter beschikking gesteld en krijgen zij een structurele extra bijdrage van É25 mln per jaar.

 

Verantwoordelijkheden voor de statistische informatieverzameling en de wijze en het tijdstip van gegevensverstrekking door gemeenten aan het CBS


     Op grond van artikel 133 van de Abw dient de Minister van SZW de regels vast te stellen die gelden voor de verstrekking van statistische gegevens door de gemeenten. De nadere invulling van deze opdracht om dergelijke regels te stellen, dient in overeenstemming te zijn met de verantwoordelijkheden die de Minister van SZW onderscheidenlijk het CBS kunnen dragen voor de statistiek. De verantwoordelijkheid die de Minister van SZW toekomt, is de formulering van de inhoud van de statistische informatie alsmede het voorzien in een zodanig wettelijk kader dat deze informatievoorziening ook feitelijk tot stand kan komen. Gezien de specifieke deskundigheid en de eigen positie van het CBS is deze verantwoordelijk voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van de benodigde statistische informatie voor zover deze wordt bepaald door de verwerking en bewerking van de door de gemeenten verstrekte gegevens. Om deze verantwoordelijkheid te kunnen waarmaken, dient enerzijds duidelijk te zijn dat de gemeenten de betreffende gegevens inderdaad aan het CBS verstrekken en daarbij voldoen aan maatstaven van voldoende betrouwbaarheid en dient het CBS anderzijds de bevoegdheid te hebben om de nodige technische instructies vast te stellen opdat een efficiŽnte en betrouwbare verwerking van deze gegevens mogelijk is. Als bij de uit oogpunt van bewaking en verbetering van de kwaliteit uitgevoerde controle van de door de gemeenten verstrekte gegevens daartoe aanleiding bestaat, dient het CBS ook de mogelijkheid te hebben om deze gegevens voor verbetering aan de gemeenten voor te leggen.
     Dit onderscheid in bevoegdheden komt in deze regeling tot uitdrukking in de vaststelling door de Minister van SZW van de door de gemeenten aan het CBS te verstrekken gegevens, de periodiciteit en de bij de verstrekking te hanteren afbakening van de van belang zijnde bestanden, terwijl voor de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze gegevens worden verstrekt, is bepaald dat de gemeenten hierbij gehouden zijn de technische richtlijnen van het CBS in acht te nemen.
     De gevraagde statistische gegevens zullen in beginsel elektronisch aan het CBS worden verstrekt. Als de gemeente niet de beschikking heeft over de daartoe benodigde apparatuur of dat anderszins een onredelijke belasting met zich zou brengen, kan met het CBS een andere wijze van gegevensverstrekking worden overeengekomen. Toekomstige ontwikkelingen op het gebied van datatransport kunnen ertoe leiden dat de levering van gegevens nog efficiŽnter, bijvoorbeeld door gebruik te maken van Gemnet, kan verlopen. Het is ook passend om het CBS richtlijnen te laten vaststellen omtrent de termijn waarbinnen de gevraagde gegevens worden verstrekt. Dat betreft niet alleen in zijn algemeenheid de termijn waarbinnen gemeenten de gegevens over de verslagperiode dienen te verstrekken, maar ook keuzen omtrent bijvoorbeeld het moment waarop de berichtgeving plaatsvindt over de personen wiens bijstandsuitkering is gestart of beŽindigd.
     Door hieromtrent alleen te bepalen dat de gemeenten hiertoe gehouden zijn aan de nog op te stellen richtlijnen van het CBS, is er de gelegenheid om in nader overleg zodanige richtlijnen op te stellen die aansluiten bij de gemeentelijke uitvoeringsmogelijkheden.

 

Gebruik van gegevens


     In de nieuwe Algemene bijstandswet wordt ten aanzien van de gegevensverstrekking door de gemeenten aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onderscheid gemaakt tussen de inlichtingen ten behoeve van het toezicht door het Rijk op de uitvoering van de Abw en de gegevens die de gemeenten ten behoeve van de algemene beleidsinformatie verschaffen. De statistiek vormt onderdeel van de beleidsinformatie. Dat brengt met zich mee dat, waar deze statistische gegevens wel van belang kunnen zijn voor de formulering en sturing van het toezichtsbeleid, een beoordeling van de wetsuitvoering door individuele gemeenten gebaseerd dient te zijn op de gegevens die in het kader van het toezicht worden verstrekt.

 

Overgangsjaar


     Om verschillende redenen kan de nieuwe regelgeving betreffende de gegevensverstrekking nog niet ogenblikkelijk van toepassing zijn op degenen die bij de invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet reeds bijstand ontvingen. Voor de bestaande gevallen blijft de huidige ABW nog gedurende een kortere of langere periode van toepassing. Dat is doorgaans tot aan het moment van herbeoordeling aan de nieuwe wettelijke regels, zoals geregeld in artikel 5 van de Invoeringswet. Na een onderbreking van de bijstandverlening gedurende langer dan ťťn maand en bij een wijziging van omstandigheden wordt de bijstand eveneens op grond van de nieuwe wettelijke regels verleend. Waar de nieuwe vraagstelling - met name op het punt van de hoogte en samenstelling van de uitkering - op de nieuwe wettelijke regels is gebaseerd, kan deze derhalve niet op de bestaande gevallen worden toegepast zolang voor hen nog het oude regime geldt. Daarnaast bevat de nieuwe statistiek op onderdelen een uitbreiding van de vraagstelling, waarvoor de benodigde gegevens voor de bestaande gevallen mogelijk nog niet op grond van de uitkeringsadministratie kunnen worden verstrekt.
     Het ligt voor de hand om voor de bestaande gevallen de huidige vraagstelling te handhaven zolang de bijstand nog op de huidige wetgeving is gebaseerd. Nadat de betrokkene onder het regime van de nieuwe wet komt te vallen, zijn alle onderdelen van de statistiek op het betrokken geval van toepassing. Voor zover het om nieuwe statistische gegevens gaat die wel al bekend zijn bij de gemeente, maar nog niet elektronisch beschikbaar, biedt deze omzetting van de oude naar de nieuwe wet een geschikt moment om deze gegevens op te nemen in een door de gemeente gevoerde administratie die bij het samenstellen van het bestand met gegevens voor de statistiek, via elektronische weg kan worden benaderd. In het geval dat de gevraagde gegevens in het geheel niet bij de gemeente bekend zijn, kunnen deze in het kader van de herbeoordeling worden verkregen. Voor de diverse te onderscheiden statistiekonderdelen kan wat betreft de feitelijke verstrekking van de gegevens gedurende het overgangsjaar het volgende worden aangegeven.
     Voor de gegevensverstrekking voor het statistiekonderdeel incidentele betalingen geldt dat met ingang van de maand januari 1996 maandelijks gegevens op integrale basis uitgaande van de nieuwe vraagstelling dienen te worden verstrekt.
     Voor de gegevensvertrekking voor het statistiekonderdeel beŽindigde uitkeringen geldt dat met ingang van de maand januari 1996 maandelijks gegevens uitgaande van de nieuwe vraagstelling dienen te worden verstrekt voor de situaties dat sprake is van beŽindiging van een uitkering waarop reeds het regime van de nAbw van kracht was.
     Voor de gegevensvertrekking voor het statistiekonderdeel periodieke betalingen geldt dat met ingang van de maand januari 1996 maandelijks gegevens op integrale basis uitgaande van de nieuwe vraagstelling dienen te worden verstrekt van de personen of gezinnen waarvan de uitkering onder het regime van de nAbw is gebracht. Voor periodieke uitkeringen waarbij dit nog niet het geval is, geldt de vrijwillige levering op kwartaalbasis zoals deze ook nu van kracht is.
     De verstrekking in 1997 van de gegevens die van belang zijn voor de financiŽle statistiek over het boekjaar 1996, zowel wat betreft het onderdeel algemene bijstand als het onderdeel bijzondere bijstand, kan beperkt blijven tot de uitkeringen die in 1996 zijn verricht onder het oude regime van de ABW.
     Naar verwachting wordt op deze wijze voor de statistiek op dezelfde wijze een soepele omzetting bereikt van het oude naar het nieuwe regime als dat geldt voor alle andere aspecten van de uitvoering.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x