Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2003

 

BIJSTANDSREGELING  VAKANTIETOESLAG  2001

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2004
(art. 2:1 IWwb)



12 december 2000, Stcrt. 2000, 245
Inwerkingtreding: 1 januari 2001
(T.a.v. art. 46 Abw)

 

 

 

 
- Bijstandsregeling vakantietoeslag
- Bijstandsregeling vakantietoeslag 1996

 

 

12 december 2000/nr. BZ/IW/00/81420
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 46 van de Algemene bijstandswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begrippen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. inkomen: het in aanmerking te nemen inkomen, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, voor zover daarover aanspraak op vakantietoeslag bestaat, zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag, na aftrek van de daarover verschuldigde loonbelasting, premies, bijdragen en inhoudingen, bedoeld in artikel 45 van die wet;
b. aanspraak op vakantietoeslag: de aanspraak op vakantietoeslag over het inkomen, bedoeld in artikel 46 van de Algemene bijstandswet, na aftrek van de daarover verschuldigde loonbelasting, premies, bijdragen en inhoudingen, bedoeld in artikel 45 van die wet;
c. algemene heffingskorting: de tot een bedrag per maand omgerekende algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964;
d. arbeidskorting: de arbeidskorting, bedoeld in artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964.

 

Art. 2. Reikwijdte
Deze regeling is van toepassing op de vaststelling van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen ontvangen in de periode van 1 april 2003 tot en met 31 december 2003.

 

Art. 3. In aanmerking te nemen vakantietoeslag
Indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op vakantietoeslag bestaat, nemen burgemeester en wethouders bij de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand mede de op grond van artikel 4, 5, 6 of 7 berekende aanspraak op vakantietoeslag in aanmerking.

 

Art. 4. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit tegenwoordige arbeid
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit tegenwoordige arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt verstaan:

Bij een inkomen gelijk aan of meer dan: en minder dan: bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag:
€|   0,00 €430,44 8,00% x ink
€430,44 €521,21 7,76% x ink - €|11,43
€521,21 €945,02 6,69% x ink - €|  5,87
€945,02 €948,66 1,13% x ink + €|46,72
€948,66 €|1013,01 1,01% x ink + €|42,21
€|1013,01   6,03% x ink - €|  8,65

 

Art. 5. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit vroegere arbeid
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt verstaan:

Bij een inkomen gelijk
aan of meer dan:
en minder dan: bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag:
€|   |0,00 €|406,43 8,00% x ink
€|406,43 €|863,78 8,01% x ink - €|11,80
€|863,78 €|866,88 1,34% x ink + €|45,73
€|866,88 €|921,09 1,21% x ink + €|41,29
€|921,09   7,22% x ink - €|14,10

 

Art. 6. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar voor wie geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is en voor de inhouding van loonheffing geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt verstaan:

Bij een inkomen gelijk aan of meer dan: en minder dan: bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag:
€|   |0,00 €|716,36 8,00% x ink
€|716,36 €|719,33 1,34% x ink + €|47,71
€|719,33 €|773,67 1,01% x ink + €|43,17
€|773,67   7,22% x ink - €|  3,44

 

Art. 7. Vakantieaanspraak voor personen van 65 jaar of ouder
-1. Indien de belanghebbende 65 jaar of ouder is en het inkomen van de belanghebbende bestaat uit een gekort pensioen als bedoeld in artikel 13 van de Algemene Ouderdomswet, bedraagt de daarbij behorende aanspraak op vakantietoeslag 5,30% van dat inkomen.
-2. Indien de belanghebbende 65 jaar of ouder is en naast het inkomen, bedoeld in het eerste lid, een ander inkomen heeft dat recht geeft op een vakantietoeslag, bedraagt de aanspraak op die vakantietoeslag 8,00% van dat andere inkomen.

 

Art. 8. Intrekking van een regeling
De Bijstandsregeling vakantietoeslag 1996 wordt ingetrokken.

 

Art. 9. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

 

Art. 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Bijstandsregeling vakantietoeslag 2001.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

's Gravenhage, 12 december 2000.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

TOELICHTING
[12 december 2000]

 

Algemeen

 

     Op grond van artikel 46 van de Algemene bijstandswet worden regels gesteld voor het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen. Op grond van deze regeling wordt de aanspraak op vakantietoeslag die over een inkomen bestaat niet vastgesteld op het te zijner tijd feitelijk uit te betalen bedrag, maar wordt deze op grond van het maandinkomen forfaitair vastgesteld. Reden voor deze forfaitaire vaststelling van de aanspraak op vakantiegeld is gelegen in de netto inkomensverrekening van de bijstand. Aangezien in de bijstandsnorm de vakantietoeslag is begrepen, moet - voor een juiste verrekening van het aanmerking te nemen inkomen - in dat inkomen ook de vakantietoeslag zijn begrepen. Duidelijkheid over de nettoaanspraak op vakantiegeld bestaat niet eerder dan bij de uitbetaling daarvan. Dit betekent dat, ingeval de belanghebbende een te verrekenen inkomen ontvangt, de definitieve aanspraak op bijstand over de betreffende periode pas feitelijk kan worden vastgesteld als de uitbetaling van het vakantiegeld heeft plaatsgevonden. Dit gegeven zou de verrekening van het vakantiegeld tot een aanmerkelijke administratieve belasting maken voor de gemeenten. Bovendien moet de gemeente in dat geval voor de vaststelling van de over de bijstandsuitkering uit te betalen vakantietoeslag afzonderlijk inlichtingen vragen over het ontvangen vakantiegeld. In sommige gevallen kan het daarbij voorkomen dat blijkt dat het ontvangen vakantiegeld meer bedraagt dan de over de bijstandsuitkering opgebouwde aanspraak of dat door het vakantiegeld het totale inkomen de bijstandsnorm te boven gaat. Eén en ander brengt specifieke verrekenings- en terugvorderingsproblemen met zich mee. In voorkomende gevallen biedt het feitelijk uitbetaalde vakantiegeld bovendien nog geen duidelijkheid over het bedrag dat met de bijstand moet worden verrekend, namelijk indien de periode waarop het uitbetaalde vakantiegeld betrekking heeft niet samenvalt met de periode waarover bijstand is verleend. Het ontvangen vakantiegeld dient dan te worden toegerekend aan de onderscheiden periodes. Als de hoogte van het betreffende inkomen - en derhalve ook van de daarbij opgebouwde aanspraken op vakantiegeld - van maand tot maand niet gelijk was, dient de toerekening naar rato te geschieden.
     Om de hier geschetste administratieve problemen te vermijden, voorziet de Algemene bijstandswet in een forfaitaire vaststelling van de - netto - aanspraak op vakantiegeld. Deze regeling strekt daartoe.
     Uitgangspunt bij de opstelling van de rekenregels is dat het op grond daarvan forfaitair vast te stellen nettovakantiegeld slechts binnen een beperkte marge mag afwijken van het feitelijk door de belanghebbende te ontvangen bedrag. Een al te grove benadering zou niet in overeenstemming zijn met het minimumbehoeftekarakter van de Algemene bijstandswet. Tegelijk dienen de te hanteren regels echter zodanig te zijn dat deze voor de gemeenten ook daadwerkelijk tot een administratieve verlichting leiden. De in deze regeling opgenomen bepalingen voldoen aan deze voorwaarden. Naast de hoogte van het nettomaandinkomen en de leeftijd (jonger dan 65 jaar of 65 jaar of ouder) behoeft de gemeente slechts over informatie te beschikken over de aard van het inkomen om op grond daarvan de nettoaanspraak op vakantietoeslag te kunnen berekenen. In de onderhavige regeling wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen inkomens uit tegenwoordige arbeid en inkomen uit vroegere arbeid. Dit houdt verband met de verschillende bruto-nettotrajecten.
     Een onderdeel van het bruto-nettotraject is de ingehouden loonheffing. In de huidige regeling is daarbij uitgegaan van het stelsel van belastingvrije en tariefgroepen. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2001 worden de belastingvrije sommen en de tariefgroepen vervangen door een stelsel van heffingskortingen. Dit heeft gevolgen voor de berekening van de verschuldigde loonheffing. De huidige regeling is gepubliceerd in Staatscourant 1995, 248, en is nadien aangepast als gevolg van de gewijzigde belastingtarieven en premies. Als gevolg van de in de regeling gebruikte en verouderde terminologie wordt de bestaande regeling ingetrokken.
     Hieronder wordt nader ingegaan op de aansluiting tussen de berekende en de feitelijk ontvangen nettovakantietoeslag.
     In deze regeling wordt als uitgangspunt voor de berekening van de nettoaanspraak op vakantiegeld van het nettomaandinkomen uitgegaan. Netto-inkomens vormen immers de basis voor de beoordeling van het recht op bijstand.
     Uitgaande van dit nettomaandinkomen zijn de volgende relaties met de nettoaanspraak op vakantietoeslag van belang. De nettovakantietoeslag is het resultaat van de inhouding van belasting en premies op de brutovakantietoeslag. Gegeven de systematiek van de belasting en premieheffing bestaat tussen beide een bepaalde verhouding. De brutovakantietoeslag bedraagt op zijn beurt een bepaald percentage van het bruto-inkomen. Het bruto-inkomen kan ten slotte worden voorgesteld als het netto-inkomen vermeerderd met de ingehouden belasting en premies. Ook hierbij geldt dat, gegeven de belasting- en premieheffingsystematiek, tussen deze elementen eveneens een bepaalde verhouding bestaat.
     Het forfaitaire karakter van de rekenregels waarin deze regeling voorziet, komt tot uitdrukking in de aannamen die worden gemaakt ten aanzien van de over het maandinkomen en vakantiegeld verschuldigde belasting en premies alsmede van de hoogte van het percentage vakantiegeld waarop aanspraak bestaat. Wat dit laatste betreft, wordt uitgegaan van een aanspraak op vakantiegeld ter hoogte van 8 procent van het bruto-inkomen. Op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag kan ten minste op dit percentage vakantiegeld aanspraak worden gemaakt. De veronderstelde aanspraak kan er derhalve niet toe leiden dat de belanghebbende een hoger vakantiegeld wordt toegerekend dan deze in feite ontvangt. Voor zover het feitelijke vakantiegeld hoger is, leidt de gehanteerde aanname tot een onderschatting en daarmee tot een feitelijk iets te hoge uitkering. Gelet op het zeer geringe aantal gevallen dat het hier betreft, is dat geen aanleiding voor een verbijzondering van de regels, mede gelet op de administratieve complicaties die hieruit voor de gemeenten zouden voortvloeien.
     Voor de hoogte van de verschuldigde belasting en premies wordt aangesloten bij het loonheffingsregime dat geldt op het moment van ontvangst van het inkomen waarover de aanspraak op vakantiegeld wordt vastgesteld. Voor aanspraken die in de loop van het vakantiejaar worden opgebouwd, kan het veronderstelde loonheffingsregime afwijken van het regime dat feitelijk van toepassing is op het vakantiegeld. De inhouding van loonbelasting en premies op het vakantiegeld vindt namelijk niet plaats op het moment van opbouw van de aanspraken, maar op het moment van feitelijke uitbetaling. De verschillen zijn evenwel doorgaans beperkt tot hooguit enkele guldens per maand en blijken elkaar in de loop der jaren goeddeels op te heffen.
     Voor de verschuldigde belastingen en premies wordt een onderscheid gemaakt naar personen jonger dan 65 jaar en personen van 65 jaar of ouder.
     Bij degenen jonger dan 65 jaar is bij de opstelling van de rekenregels ervan uitgegaan dat de belanghebbenden verplicht verzekerd zijn op grond van de Ziekenfondswet en dat over het inkomen werknemerspremies verschuldigd zijn of een daaraan gelijke inhouding. Voor de premies werknemersverzekeringen wordt uitgegaan van het gemiddelde percentage zoals dat wordt gehanteerd voor de vaststelling van het nettominimumloon als koppelingsgrondslag voor het sociaal minimum en voor de vereveningsbijdrage die op bruto vastgestelde uitkeringen wordt ingehouden. Deze aannamen blijken slechts in zeer beperkte mate te leiden tot een over- of onderschatting van de nettovakantietoeslag.
     Personen van 65 jaar of ouder zijn geen premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) verschuldigd. Bovendien is er bij hen van uitgegaan dat over het ontvangen inkomen geen premies op grond van de werknemersverzekeringen verschuldigd zijn of een daaraan equivalente inhouding (vereveningsbijdrage) plaatsvindt. Hierdoor verschilt bij hen de verhouding tussen netto- en bruto-inkomen aanzienlijk van die van personen jonger dan 65 jaar. Evenals bij personen jonger dan 65 jaar is er bij de berekeningen van uitgegaan dat de belanghebbende van 65 jaar of ouder bij een ziekenfonds is verzekerd.
     Bij de opstelling van deze rekenregels is bovendien onderscheid gemaakt tussen loon uit tegenwoordige arbeid en loon uit vroegere arbeid. Dit is nodig omdat met name de inhouding van loonheffing van elkaar verschillen. Bij het inkomen uit tegenwoordige arbeid is er sprake van een arbeidskorting. Bij inkomsten uit vroegere arbeid is dat niet het geval.
     Naast het hierboven genoemde onderscheid naar de leeftijd van de belanghebbende en de aard van het inkomen is uiteraard de netto-inkomenshoogte van belang voor de vaststelling van het daarover te ontvangen nettovakantiegeld en wel in verhouding tot de toepasselijke algemene heffingskorting en arbeidskorting, en de premievrije voet die van toepassing is bij de vaststelling van de werkloosheidspremie. Door de invloed van met name deze elementen is er sprake van afwijkende verhoudingen tussen het nettomaandinkomen en het nettovakantiegeld naargelang de hoogte van het nettomaandinkomen.
     Als de verschuldigde loonheffing lager is dan de algemene heffingskorting en eventuele arbeidskorting, dan is er geen inhouding van loonheffing. Het netto-inkomen is dan gelijk is aan het bruto-inkomen verminderd met het werknemersdeel in de premie Ziekenfondswet. Bij dergelijke inkomens vindt ook geen inhouding van loonheffing plaats op het vakantiegeld. In dit inkomenstraject is de netto verhouding tussen het vakantiegeld en het maandinkomen dan ook dezelfde als de bruto verhouding.
     Bij hogere maandinkomens is er als gevolg van het inkomensonafhankelijke effect van de algemene heffingskorting en de eventuele arbeidskorting geen sprake van een evenredige verhouding tussen het netto- en het brutomaandinkomen. Voor de herleiding van het brutomaandinkomen - en daarmee van het bruto- en vervolgens het nettovakantiegeld - is de verhouding tussen het inkomen en de toepasselijke heffingskorting doorslaggevend.
     De volgens deze uitgangspunten en aannamen opgestelde rekenregels hebben een grote mate van nauwkeurigheid. Over het algemeen zijn de verschillen met de feitelijk uit te betalen nettovakantietoeslag beperkt tot bedragen die ruim onder de ƒ1,- per maand liggen.
     De op grond van dit besluit forfaitair vastgestelde vakantieaanspraak laat in beginsel geen correcties meer toe.
     Deze regeling is als ontwerp bij brief van 15 september 2000, kenmerk BZ/IW/00/61277, aan de gemeenten gezonden. Nu de tarieven voor 2001 bekend zijn, is de regeling definitief vastgesteld. De systematiek van de regeling is ten opzichte van de ontwerp-regeling niet gewijzigd.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Begrippen

     In dit artikel worden omschrijvingen gegeven van enkele in deze regeling voorkomende begrippen. Voor de hier niet omschreven termen zijn de begripsbepalingen van de wet zelf van toepassing.
     Het begrip "inkomen", dat het uitgangspunt vormt voor de berekening van de aanspraak op vakantiegeld, sluit aan bij het inkomensbegrip van de artikelen 45 en 47 van de wet. Het gaat om het in het kader van de bijstandverlening gebruikelijke nettomaandinkomen, dat wil zeggen na aftrek van premies en loonbelasting. Vergoedingen van de werkgever worden niet tot het inkomen gerekend. In afwijking van artikel 47 van de wet behoort de aanspraak op vakantiegeld uiteraard niet tot het inkomensbegrip. De volgens deze regeling vast te stellen aanspraak op vakantietoeslag is, zoals blijkt uit de definitie in onderdeel b, eveneens een netto bedrag.
     Voor de berekening van de nettoaanspraak op vakantiegeld is, naast onder andere de hoogte van het inkomen, de op dat inkomen toegepaste heffingskorting van belang. Wanneer de belanghebbende meer dan één te verrekenen inkomen ontvangt, kan voor deze inkomens onder het huidige fiscale regime een verschillende kolomindeling van toepassing zijn. Het hier omschreven begrip sluit aan bij de feitelijke kolomindeling waarin het inkomen is ingedeeld en niet de indeling waarop de belanghebbende aanspraak kan maken. Dit staat uiteraard niet in de weg voor een afwijkende inkomensvaststelling, op grond van onder meer artikel 42 van de Algemene bijstandswet, als de belanghebbende verwijtbaar geen gebruik maakt van een gunstiger kolomindeling. Omdat in deze regeling wordt uitgegaan van maandinkomens, wordt de heffingskorting herleid tot een bedrag per maand.

 

Artikel 2. Reikwijdte

     De in deze regeling gegeven rekenregels sluiten aan op de voor de belasting en premieheffing toepasselijke percentages en bedragen voor het kalenderjaar 2001. Deze regels kunnen derhalve alleen van toepassing zijn op inkomens die in dat jaar worden ontvangen. Hoewel dat over het algemeen samenvalt, is niet van belang op welk jaar dat inkomen betrekking heeft, maar in welk jaar het feitelijk is ontvangen. In de regel zal het geen probleem zijn om vast te stellen in welk jaar een inkomen is ontvangen. Om deze aansluiting bij de belasting en premieheffing te verzekeren, dienen hierbij in voorkomende gevallen de criteria te worden gevolgd die de loonbelasting hiervoor hanteert. In het incidentele geval dat over een inkomen uit een voorafgaand jaar de aanspraak op vakantiegeld moet worden vastgesteld, kan de gemeente in beginsel geen gebruik maken van deze rekenregels. Het ligt voor de hand dat de gemeente dan uitgaat van het feitelijk netto ontvangen vakantiegeld.

 

Artikel 3. In aanmerking te nemen vakantietoeslag

     Met nadruk zij er hier op gewezen dat het forfaitaire karakter van deze regeling beperkt blijft tot de vaststelling van een aanspraak op vakantietoeslag en niet op de aanwezigheid van een dergelijke aanspraak als zodanig. Als over een inkomen geen aanspraak op vakantietoeslag bestaat, zoals doorgaans het geval is bij alimentatie of een particulier ouderdomspensioen, is toepassing van deze regeling derhalve niet aan de orde. Er is dan immers geen sprake van een aanspraak op vakantietoeslag die dient te worden vastgesteld.

 

Artikel 4. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met  inkomen uit tegenwoordige arbeid

     Bij het samenstellen van de in dit artikel opgenomen rekenregels is uitgegaan van het bruto-nettotraject zoals dat geldt voor inkomens uit tegenwoordige arbeid. Daarop zijn de witte tabellen loonbelasting/premie volksverzekeringen van toepassing. Specifiek voor inkomsten uit tegenwoordige arbeid is de arbeidskorting. Deze is verwerkt in de kolom waarin de loonheffingskorting is verwerkt. In de tabel die in dit artikel is opgenomen, is met inhouding van loonheffing volgens deze kolom rekening gehouden.
     Afhankelijk van de hoogte van het inkomen zijn er verschillende trajecten te onderscheiden:
- er wordt geen loonheffing ingehouden omdat de verschuldigde loonheffing lager is dan de loonheffingskorting. Bovendien is er - gelet op de hoogte van de premievrije voet - geen inhouding van de werkloosheidspremie.
- er vindt geen inhouding plaats van de werkloosheidspremie op het maandinkomen, wel op de vakantieaanspraak.
- er vindt inhouding van de werkloosheidspremie plaats op zowel het maandloon als op de vakantieaanspraak.
- de over de vakantieaanspraak verschuldigde loonheffing wordt berekend naar inhouding volgens de tweede belastingschijf.

 

Artikel 5. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met  inkomen uit vroegere arbeid

     Bij het samenstellen van de in dit artikel opgenomen rekenregels is uitgegaan van het bruto-nettotraject zoals dat geldt voor inkomens uit vroegere arbeid. Daarop is de groene tabel loonbelasting/premie volksverzekeringen van toepassing. Deze tabel kent voor personen die jonger zijn dan 65 jaar twee kolommen: één waarin geen loonheffingskorting is verwerkt en één waarin de loonheffingskorting (bestaande uit de algemene heffingskorting) is verwerkt. In de tabel die in dit artikel is opgenomen, is met inhouding van loonheffing via deze kolom rekening gehouden.
     Dezelfde bruto-nettotrajecten zijn te onderscheiden als de trajecten, genoemd in artikel 4. Het verschil wordt veroorzaakt doordat bij de samenstelling van de in dit artikel genoemde formules geen rekening is gehouden met de arbeidskorting.

 

Artikel 6. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar voor wie geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting

     In de bruto-nettotrajecten waarvan is uitgegaan bij samenstelling van de tabel in de artikelen 4 en 5 is ten aanzien van de verschuldigde loonheffing rekening gehouden met de toepasselijke loonheffingskorting. Omdat niet is toegestaan dat bij meer dan één inhoudingsplichtige de loonheffingskorting wordt vergolden, is voor de situatie dat er meerdere inkomens zijn die aan voorheffing zijn onderworpen een tabel samengesteld waarbij ten aanzien van de verschuldigde loonheffing geen rekening is gehouden met de loonheffingskorting. Aangezien het bruto-nettotraject voor loon uit tegenwoordige arbeid gelijk is aan het traject voor loon uit vroegere arbeid, hoeft hier geen onderscheid naar soort inkomen te worden gemaakt.

 

Artikel 7. Vakantieaanspraak voor personen van 65 jaar of ouder

     De in dit artikel opgenomen rekenregels zijn van toepassing op inkomens ontvangen door personen van 65 jaar of ouder. In het algemene gedeelte van deze toelichting is al opgemerkt dat de verhouding tussen netto- en bruto-inkomen aanzienlijk verschilt van die van degenen jonger dan 65 jaar.
     Voor de situatie dat een persoon die ouder is dan 65 jaar naast zijn AOW-pensioen nog inkomsten geniet, is er bij de vaststelling van het in het eerste lid genoemde percentage van uitgegaan dat bij de inhouding van loonheffing over het AOW-pensioen door de uitkerende instantie al rekening is gehouden met de algemene heffingskorting en de ouderenkorting en voor zover van toepassing met de aanvullende ouderenkorting.
     Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde percentage is uitgegaan van een inhouding van loonheffing op het onvolledige AOW-pensioen, waarbij rekening is gehouden met de ouderenkorting en voor zover van toepassing de aanvullende ouderenkorting.

 

Artikel 8. Intrekking van een regeling

     In het algemene deel van de toelichting is al aangegeven dat door de invoering van de Belastingherziening 2001 de systematiek van loonheffing is gewijzigd en de terminologie is verouderd. Om deze reden wordt de bestaande regeling geheel herzien en kan worden ingetrokken.

 

Artikel 9. Inwerkingtreding

     Met de datum van inwerkingtreding van deze regeling wordt aangesloten bij de datum van inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

 

 

                                          

    
 

x

   

home | IWwb | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x