Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Niet bijgewerkt

 

REGELING  KINDEROPVANG  EN  BUITENSCHOOLSE  OPVANG  ALLEENSTAANDE  OUDERS  1997

Vervallen
m.i.v. 22 september 2004
(art. XIV,k Si04)



28 februari 1997, Stcrt. 1997, 42
Inwerkingtreding: 1 januari 1997

 

 

 

 
28 februari 1997/nr. BZ/VOL/97/6562
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid:

     Besluit:

 

 

1. Begripsbepalingen

 

Art. 1. [Definities]
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. alleenstaande ouder: ongehuwde die de volledige zorg heeft voor n of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
c. ten laste komend kind: kind in de leeftijd van 0 tot en met einde basisschoolleeftijd voor wie de alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet kan maken;
d. kinderopvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens het verrichten van n van de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
e. kinderopvangplaats: aanbod van kinderopvang dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang, waarbij de volgende soorten worden onderscheiden:
1. hele-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 4 jaar gedurende negen of meer aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
2. halve-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 4 jaar gedurende minimaal vijf, maar minder dan negen aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
3. buitenschoolse opvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de schoolgaande leeftijd gedurende de gehele dag minus de schooltijden en de overblijftijd;
4. gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie gedurende ten minste vijf uren per week en die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier kinderen;
f. gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaats:
1. kinderopvangplaats die gemeten naar de stand per 31 december 1995, zoals tot uitdrukking komend in een door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geaccepteerde "Financile verantwoording Stimuleringsmaatregel kinderopvang 1994-1995", extra wordt gecreerd in 1997, dan wel extra is gecreerd in 1996 en in 1997 wordt gecontinueerd;
2. kinderopvangplaats die vr 31 december 1995 is gecreerd, doch die eerst in 1996 en 1997, dan wel in 1997 feitelijk wordt bezet door een ten laste komend kind;
g. Algemene bijstandswet: Algemene bijstandswet (Stb. 1995, 199), Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395) of de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Stb.1995, 200).

 

 

2. Subsidie aan de gemeente

 

Art. 2. [Subsidie aan de gemeente]
-1. De minister verleent op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door deze in het kalenderjaar 1997 te maken kosten voor het realiseren van nieuwe kinderopvangplaatsen ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar:
a. algemene bijstand ontvangen en:
1. arbeid verrichten; of
2. ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid; dan wel
b. geen algemene bijstand meer ontvangen wegens het verrichten van arbeid, waaronder begrepen deelname aan de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, het Tijdelijk besluit subsidiring experimenten activering van uitkeringsgelden, de Jeugdwerkgarantiewet, het Experiment marktverruiming in de schoonmaakbranche of de Rijksbijdrageregeling Banenpools , waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten.
-2. Met algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, wordt gelijkgesteld een uitkering ingevolge enige socialezekerheidswet waarvan de hoogte de bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
-3. De kosten van kinderopvangplaatsen kunnen ontstaan:
a. doordat de gemeente zelf in het treffen van die plaatsen voorziet;
b. door het betalen van een vergoeding aan een derde instelling op grond van een schriftelijke overeenkomst, waarbij die derde zich jegens de gemeente verplicht heeft tot het bieden van n of meer kinderopvangplaatsen;
c. door het betalen van een vergoeding aan de alleenstaande ouder die met een derde schriftelijk een overeenkomst gesloten heeft, waarbij die derde zich jegens de ouder verplicht heeft tot het bieden van n of meer kinderopvangplaatsen.
-4. Geen subsidie wordt verleend ten aanzien van kinderopvangplaatsen die uit anderen hoofde worden vergoed.

Zie voor deze regelingen de memorie van toelichting bij de Wiw, red.

 

Art. 3. [Subsidievoorwaarden]
De subsidie voor gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen wordt aan de gemeente verleend onder de voorwaarden dat:
a. in de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b en c, ten minste is vastgelegd het aantal kinderopvangplaatsen als bedoeld in deze regeling, alsmede het tijdstip waarop en de periode gedurende welke deze plaatsen zijn gerealiseerd;
b. in de jaarverantwoording van de derde instelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, over het jaar waarin de in de regeling bedoelde plaatsen zijn gerealiseerd tevens de gerealiseerde plaatsen worden verantwoord, de periode gedurende welke deze feitelijk zijn bezet, alsmede het aantal gerealiseerde kinderopvangplaatsen per 31 december 1995 wordt vermeld; en
c. deze jaarverantwoording voorzien is van een verklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid, van die wet.

 

Art. 4. [Beschikbaar budget en verdeling van het budget]
-1. Het voor deze regeling beschikbare budget bedraagt 85 miljoen.
-2. De maximale subsidie per gemeente wordt op basis van dat bedrag vastgesteld naar evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders dat volgens de facettencode CBS (per ultimo 1994) in de gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet ontving.
-3. Indien een gemeente te kennen geeft het maximumsubsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van het eerste en tweede lid niet te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lager maximum vaststellen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
-4. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan uit de toepassing van het eerste en tweede lid zou volgen. De toevoeging vindt zoveel mogelijk naar rato van het bepaalde in het tweede lid plaats.
-5. Indien de op grond van dit artikel berekende aantallen of bedragen niet op een geheel getal uitkomen, worden die op een door de minister te bepalen wijze afgerond op een geheel getal.

 

Art. 5. [Subsidiebedrag]
-1. Met inachtneming van de artikelen 2 en 3 bedraagt de subsidie per gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaats op alle werk- of studiedagen van de week: 18 000,00 voor het gehele kalenderjaar vermenigvuldigd met de in het tweede lid omschreven omrekenfactor.
-2. De omrekenfactor bedraagt bij:
a. hele-dagopvang: 1;
b. halve-dagopvang: 0,66;
c. buitenschoolse opvang: 0,66;
d. gastouderopvang: 0,4.
-3. De subsidie wordt naar evenredigheid verlaagd, indien:
a. de kinderopvangplaats, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b of c, niet op alle werk- of studiedagen van de week wordt gerealiseerd of slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar; of
b. de kinderopvangplaats, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar wordt gerealiseerd.
-4. De na toepassing van de leden 1, 2 en 3 berekende subsidie wordt verlaagd indien de gemiddelde feitelijke bezetting van de gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen over 1997 lager is dan 75%. Voor zover deze gemiddelde bezetting beneden de 75% blijft, wordt het verschil in procentpunten vermenigvuldigd met 1,33 en vervolgens in mindering gebracht op de subsidie.

 

Art. 6. [Indiening aanvraag]
-1. Burgemeester en wethouders dienen hun aanvraag in vr 1 juni 1997.
-2. Bij de aanvraag wordt in elk geval opgave gedaan van het aantal nieuwe kinderopvangplaatsen dat burgemeester en wethouders voornemens zijn in 1997 te realiseren op jaarbasis en de in 1996 gerealiseerde kinderopvangplaatsen die zij voornemens zijn in 1997 te continueren. Deze opgave wordt ingericht volgens het bij deze regeling behorende model.
-3. Op de aanvraag wordt ten aanzien van elke gemeente ten minste n kinderopvangplaats toegewezen.

 

Art. 7. [Subsidievaststelling]
-1. De minister stelt de subsidie vast binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in artikel 11, eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan de minister de bijdrage ambtshalve vaststellen.

 

 

3. Bevoorschotting

 

Art. 8. [Bevoorschotting]
De minister betaalt op of omstreeks:
a. 1 maart 1997 aan alle gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 4, tweede lid;
b. 1 oktober 1997 aan alle gemeenten die een aanvraag hebben ingediend een voorschot tot ten hoogste 80% van het bedrag dat op de aanvraag is toegekend.

 

 

4. Administratieve verplichtingen

 

Art. 9. [Administratieve verplichtingen]
-1. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig wordt ingericht dat alle van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.
-2. De administratie van de gemeente bevat in elk geval een overzicht waaruit kan worden afgeleid:
a. welke alleenstaande ouders gebruik hebben gemaakt van de feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen;
b. het aantal feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen ultimo 1995 en gedurende 1997, alsmede de periode in 1997, waarin de gerealiseerde kinderopvangplaatsen ook daadwerkelijk bezet zijn geweest;
c. de soort opvangplaats.

 

Art. 10. [Toezicht]
-1. Het toezicht op de uitvoering van deze regeling berust bij de minister.
-2. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor het toezicht op de uitvoering en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen hem inzage in de administratie.

 

Art. 11. [Jaaropgave]
-1. Burgemeester en wethouders doen vr 20 september 1998 aan de minister opgave van het aantal feitelijk gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen, de feitelijke bezetting van die plaatsen door ten laste komende kinderen, alsmede de soort opvangplaatsen. Deze jaaropgave is ingericht overeenkomstig het bij deze regeling behorende model en is voorzien van een verklaring van een deskundige belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens.
-2. De verklaring dat aan de voorwaarden van deze regeling is voldaan, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig algemene uitgangspunten. Deze verklaring is ingericht overeenkomstig het bij deze regeling behorende model, inclusief de bijbehorende aandachtspuntenlijst.
-3. Indien de jaarverantwoording van de derde instelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, wordt gecontroleerd door een ander dan de accountant, bedoeld in het eerste lid, kan de accountant van de gemeente bij de controle van de opgave, indien dit naar zijn oordeel doelmatig is, gebruik maken van de controle die de registeraccountant of de Accountant-Administratieconsulent uitvoert in het kader van de jaarverantwoording van de derde instelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b.

 

 

5. Intrekking van de toekenning en terugvordering

 

Art. 12. [Intrekking toekenning en terugvordering]
De minister kan een besluit tot toekenning van subsidie geheel of gedeeltelijk intrekken en een reeds uitbetaalde subsidie of voorschot terugvorderen, indien:
a. niet is voldaan aan het bepaalde in paragraaf 2 of 4;
b. de gemeente onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt.

 

 

6. Slotbepalingen

 

Art. 13. [Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1997.

 

Art. 14. [Citeertitel]
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1997.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

s-Gravenhage, 28 februari 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | regeling 2001 | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x