Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
22-09-2004   Intrekking Stcrt. 2004, 180 Stcrt. 2004, 180
04-09-1998 01-01-1998 Wijziging Stcrt. 1998, 166 Stcrt. 1998, 166
01-01-1998   Nieuwe regeling Stcrt. 1997, 243 Stcrt. 1997, 243

 

 

12 december 1997/nr. BZ/VOL/97/10297
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
     Gelet op artikel 3, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluit:

 

 

§ 1. Begripsbepalingen

 

Art. 1. [Definities]
-1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. alleenstaande ouder: ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
c. ten laste komend kind: kind in de leeftijd van 0 tot en met einde leeftijd primair onderwijs voor wie de alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet kan maken;
d. kinderopvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens het verrichten van één van de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
e. kinderopvangplaats: aanbod van kinderopvang dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang, waarbij de volgende soorten worden onderscheiden:
1º. hele-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 4 jaar gedurende negen of meer aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
2º. halve-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 4 jaar gedurende minimaal vijf, maar minder dan negen aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
3º. buitenschoolse opvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding bieden van verzorging, opvoeding, toezicht en vrijetijdsactiviteiten aan kinderen in de leeftijd dat zij naar het primair onderwijs gaan door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of stiefouders, waarbij in ieder geval opvang wordt geboden na school en in schoolvakanties;
4º. gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie die tot stand komt door bemiddeling van een gastouderbureau gedurende ten minste vijf uren per week en die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier kinderen;
f. gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaats:
1º. kinderopvangplaats die gemeten naar de stand per 31 december 1995, zoals tot uitdrukking komend in een door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geaccepteerde "Financiële verantwoording Stimuleringsmaatregel kinderopvang 1994-1995", extra wordt gecreëerd in 1998, dan wel extra is gecreëerd in 1996 of 1997 en in 1998 wordt gecontinueerd;
2º. kinderopvangplaats die vóór 31 december 1995 is gecreëerd, doch die eerst in 1996, 1997 en 1998, dan wel in 1998 feitelijk wordt bezet door een ten laste komend kind.
-2. Onder gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, wordt niet verstaan een kinderopvangplaats die geheel of gedeeltelijk wordt bekostigd op grond van de Tijdelijke stimuleringsmaatregel buitenschoolse opvang.
-3. Burgemeester en wethouders kunnen voor de toepassing van deze regeling gehuwden of samenwonenden gelijkstellen met een alleenstaande ouder in het geval één van de partners door omstandigheden de volledige zorg voor één of meer tot hun last komende kinderen op zich heeft genomen.

 

 

§ 2. Subsidie aan de gemeente

 

Art. 2. [Subsidie aan de gemeente]
-1. De minister verleent op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door deze in het kalenderjaar 1998 te maken kosten voor het realiseren van nieuwe kinderopvangplaatsen ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar:
a. algemene bijstand ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet en:
1º. arbeid verrichten; of
2º. ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid;
b. geen algemene bijstand meer ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet wegens het verrichten van arbeid, waaronder begrepen arbeid die met overheidsbijdrage wordt gefinancierd, dan wel waarvoor de werkgever subsidie ontvangt op grond van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998 ¹, het Tijdelijk besluit subsidiëring experimenten activering van uitkeringsgelden of de Regeling schoonmaakdiensten particulieren, waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten;
c. een dienstbetrekking vervullen op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden of een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan overeenkomstig artikel 5 van die wet.
-2. Met algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, wordt gelijkgesteld een uitkering op grond van enige socialezekerheidswet waarvan de hoogte de bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
-3. De kosten van kinderopvangplaatsen kunnen ontstaan:
a. doordat de gemeente zelf in het treffen van die plaatsen voorziet;
b. door het betalen van een vergoeding aan een derde instelling op grond van een schriftelijke overeenkomst, waarbij die derde zich jegens de gemeente verplicht heeft tot het bieden van één of meer kinderopvangplaatsen;
c. door het betalen van een vergoeding aan de alleenstaande ouder die met een derde instelling schriftelijk een overeenkomst gesloten heeft, waarbij die derde zich jegens de ouder verplicht heeft tot het bieden van één of meer kinderopvangplaatsen.
-4. Geen subsidie wordt verleend ten aanzien van kinderopvangplaatsen die geheel of gedeeltelijk worden bekostigd op grond van de Tijdelijke stimuleringsmaatregel buitenschoolse opvang, dan wel uit anderen hoofde worden vergoed.

1. Zie de memorie van toelichting bij de Wiw, red.
 
 

Art. 3. [Subsidievoorwaarden]
De subsidie voor gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen wordt aan de gemeente verleend onder de voorwaarden dat:
a. in de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b en c, ten minste is vastgelegd het aantal kinderopvangplaatsen, bedoeld in deze regeling, alsmede het tijdstip waarop en de periode gedurende welke deze plaatsen zijn gerealiseerd; en
b. in de jaarverantwoording van de derde instelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, over het jaar waarin de in de regeling bedoelde plaatsen zijn gerealiseerd tevens de gerealiseerde plaatsen worden verantwoord, de periode gedurende welke deze feitelijk zijn bezet, alsmede het aantal gerealiseerde kinderopvangplaatsen per 31 december 1995 wordt vermeld; en
c. deze jaarverantwoording voorzien is van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Art. 4. [Beschikbaar budget en verdeling van het budget]
-1. Het voor deze regeling beschikbare budget bedraagt ƒ85 miljoen.
-2. De maximale subsidie per gemeente wordt op basis van dat bedrag vastgesteld naar evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders dat volgens de facettencode CBS (per ultimo 1995) in de gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet ontving, zoals die wet luidde tot inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet.
-3. Indien een gemeente te kennen geeft het maximumsubsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van het eerste en tweede lid niet te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lager maximum vaststellen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
-4. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan uit de toepassing van het eerste en tweede lid zou volgen. De toevoeging vindt zoveel mogelijk naar rato van het bepaalde in het tweede lid plaats.
-5. Indien de op grond van dit artikel berekende aantallen of bedragen niet op een geheel getal uitkomen, worden die op een door de minister te bepalen wijze afgerond op een geheel getal.

 

Art. 5. [Subsidiebedrag]
-1. Met inachtneming van de artikelen 2 en 3 bedraagt de subsidie per gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaats op alle werk- of studiedagen van de week: ƒ18 000,00 voor het gehele kalenderjaar vermenigvuldigd met de in het tweede lid omschreven omrekenfactor.
-2. De omrekenfactor bedraagt bij:
a. hele-dagopvang: 1;
b. halve-dagopvang: 0,66;
c. buitenschoolse opvang: 0,66;
d. gastouderopvang: 0,4.
-3. De subsidie wordt naar evenredigheid verlaagd, indien:
a. de kinderopvangplaats, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b of c, niet op alle werk- of studiedagen van de week wordt gerealiseerd of slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar; of
b. de kinderopvangplaats, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar wordt gerealiseerd.
-4. De na toepassing van het eerste, tweede en derde lid berekende subsidie wordt verlaagd indien de gemiddelde feitelijke bezetting van de gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen over 1998 lager is dan 80%. Voor zover deze gemiddelde bezetting beneden de 80% blijft, wordt het verschil in procentpunten vermenigvuldigd met 1,25 en vervolgens in mindering gebracht op de subsidie.

 

Art. 6. [Indiening aanvraag]
-1. Burgemeester en wethouders dienen hun aanvraag in vóór 1 juni 1998.
-2. Bij de aanvraag wordt in elk geval opgave gedaan van het aantal nieuwe kinderopvangplaatsen dat burgemeester en wethouders voornemens zijn in 1998 te realiseren op jaarbasis en voor ¹ de in 1996 of 1997 gerealiseerde kinderopvangplaatsen die zij voornemens zijn in 1998 te continueren. Deze opgave wordt ingericht volgens de bij deze regeling behorende bijlage 1. Op de aanvraag wordt ten aanzien van elke gemeente subsidie voor ten minste één kinderopvangplaats verleend.

1. Volgens de redactie dient "voor" te worden vervangen door: van.

 

Art. 7. [Subsidievaststelling]
-1. De minister stelt de subsidie vast binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in artikel 11, eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan de minister de subsidie ambtshalve vaststellen.

 

 

§ 3. Bevoorschotting

 

Art. 8. [Bevoorschotting]
De minister betaalt op of omstreeks:
a. 1 maart 1998 aan alle gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 4, tweede lid;
b. 1 oktober 1998 aan alle gemeenten die een aanvraag hebben ingediend een voorschot tot ten hoogste 80% van het bedrag dat op de aanvraag is verleend.

 

 

§ 4. Administratieve verplichtingen

 

Art. 9. [Administratieve verplichtingen]
-1. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig wordt ingericht dat alle van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.
-2. De administratie van de gemeente bevat in elk geval een overzicht waaruit kan worden afgeleid:
a. welke alleenstaande ouders gebruik hebben gemaakt van de feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen op basis van deze regeling;
b. het aantal feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen ultimo 1995;
c. het aantal feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen op basis van deze regeling dat in 1998 is gerealiseerd en het aantal plaatsen dat is gecontinueerd in 1998 op basis van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1996 en de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang 1997;
d. de periode in 1998 waarin het aantal feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ook daadwerkelijk bezet zijn geweest;
e. de soort opvangplaats.

 

Art. 10. [Toezicht]
-1. Met het toezicht op de naleving van deze regeling zijn belast de ambtenaren van de Directie Toezicht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
-2. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor het toezicht op de uitvoering en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen hem inzage in de administratie.

 

Art. 11. [Jaaropgave]
-1. Burgemeester en wethouders doen vóór 20 september 1999 aan de minister opgave van het aantal feitelijk gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen, de feitelijke bezetting van die plaatsen door ten laste komende kinderen, alsmede de soort opvangplaatsen. Deze jaaropgave is ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2 en is voorzien van een verklaring van een deskundige belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens.
-2. De verklaring dat aan de voorwaarden van deze regeling is voldaan, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig algemene uitgangspunten. Deze verklaring is ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 3, inclusief de bijbehorende aandachtspuntenlijst.
-3. Indien de jaarverantwoording van de derde instelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, wordt gecontroleerd door een ander dan de accountant, bedoeld in het eerste lid, kan de accountant van de gemeente bij de controle van de opgave, indien dit naar zijn oordeel doelmatig is, gebruik maken van de controle van de accountant, bedoeld in artikel 3, onderdeel c.

 

 

§ 5. Slotbepalingen

 

Art. 12. [Inwerkingtreding]
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.
-2. De bij deze regeling behorende bijlagen liggen met ingang van 1 januari 1998 ter inzage bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 13. [Citeertitel]
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 12 december 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.