Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 21 september 2004

 

REGELING  KINDEROPVANG  EN  BUITENSCHOOLSE  OPVANG  ALLEENSTAANDE  OUDERS  2000

Vervallen
m.i.v. 22 september 2004
(art. XIV,n Si04)



21 december 1999, Stcrt. 1999, 250
Inwerkingtreding: 1 januari 2000
(T.a.v. artt. 3:1 en 8:1 Kaderwet SZW-subsidies)

 

 

 

 
21 december 1999/nr. BZ/ACT/99/82110
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Definities
-1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. alleenstaande ouder: ongehuwde dan wel degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, en die de volledige zorg heeft voor n of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
c. ten laste komend kind: kind in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt en voor wie de alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet kan maken;
d. kinderopvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens de omstandigheden, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
e. kinderopvangplaats: aanbod van kinderopvang dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang, waarbij de volgende soorten worden onderscheiden:
1. hele-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar gedurende negen of meer aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
2. halve-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar gedurende minimaal vijf, maar minder dan negen aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
3. buitenschoolse opvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding bieden van verzorging, opvoeding, toezicht en vrijetijdsactiviteiten aan kinderen in de leeftijd van 4 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt, door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of stiefouders, waarbij in ieder geval opvang wordt geboden na school en in schoolvakanties;
4. gastouderopvang: kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt in een gezinssituatie die tot stand komt door bemiddeling van een gastouderbureau gedurende ten minste vijf uren per week en die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier kinderen.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen voor de toepassing van deze regeling besluiten gehuwden, als partners geregistreerden of ongehuwd samenwonenden gelijk te stellen met een alleenstaande ouder in het geval n van de partners door omstandigheden de volledige zorg voor n of meer tot hun last komende kinderen op zich heeft genomen.

 

Art. 2. Subsidie aan de gemeente
-1. De minister verstrekt op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door de gemeente in het kalenderjaar 2000 te maken kosten voor kinderopvangplaatsen voortvloeiend uit overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar:
a. algemene bijstand ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet en:
1. betaalde arbeid verrichten; of
2. ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid; of
3. deelnemen aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering;
b. geen algemene bijstand meer ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet wegens het direct daarop aansluitend verrichten van betaalde arbeid, waaronder begrepen arbeid die met overheidsbijdragen wordt gefinancierd dan wel waarvoor de werkgever subsidie ontvangt op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden, het Besluit in- en doorstroombanen of de Regeling schoonmaakdiensten particulieren, waarbij, met inachtneming van artikel 12, naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten;
c. een uitkering ontvangen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening kunstenaars;
d. de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, scholing of een opleiding volgen dan wel betaalde arbeid verrichten, en met toepassing van artikel 11 of 13, vierde lid, van de Algemene bijstandswet algemene bijstand ontvangen of kunnen ontvangen.
-2. Met algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b en d, wordt gelijkgesteld een uitkering op grond van enige socialezekerheidswet waarvan de hoogte de bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

 

Art. 3. Subsidievoorwaarden
-1.
De subsidie wordt verleend indien de gemeente voor de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente, met een instelling of een natuurlijk persoon die de kinderopvangplaats verzorgt, daartoe een schriftelijke overeenkomst sluit.
-2. In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld:
a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan;
b. de instelling of de natuurlijke persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a;
c. naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten;
d. naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan;
e. de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar hele-dagopvang, halve-dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt;
f. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.
-3. Burgemeester en wethouders, of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst aangaat, dragen er zorg voor dat in de overeenkomst:
a. geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan zes weken; en
b. de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid, verplicht is de gemeente te berichten indien van de kinderopvangplaats zonder opgaaf van redenen over een periode langer dan twee weken feitelijk geen gebruik wordt gemaakt.
-4. Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoeken burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, moet worden voortgezet. Zo nodig zeggen burgemeester en wethouders de overeenkomst op.
-5. Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de kinderopvangplaats recht bestaat op een andere subsidie.

 

Art. 4. Beschikbaar budget en verdeling van het budget
-1. Het voor deze regeling beschikbare budget bedraagt 125 600 000,00.
-2. De maximale subsidie per gemeente wordt op basis van het bedrag, genoemd in het eerste lid, bepaald naar evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders dat volgens de facettencode CBS per ultimo 1998 in de gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet ontving, waarbij de subsidie in ieder geval per gemeente die een aanvraag doet op basis van deze regeling het equivalent is van n volledige kinderopvangplaats. De uit de eerste volzin voortvloeiende maximaal beschikbare subsidie per gemeente is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
-3. Indien de ontwikkeling van de lonen in de gepremieerde en gesubsidieerde sector of de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de particuliere gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, door de minister herzien en bekendgemaakt in de Staatscourant.

 

Art. 5. Subsidiebedrag
-1.
De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van hele-dagopvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt 19 900,00.
-2. De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van halve-dagopvang of buitenschoolse opvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt 13 135,00.
-3. De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van gastouderopvang gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt 7960,00.
-4. De subsidie wordt naar evenredigheid verlaagd, indien:
a. de kinderopvangplaats, bedoeld in het eerste of tweede lid, voor minder dan vijf werk- of studiedagen van de week wordt overeengekomen of slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar; of
b. de kinderopvangplaats, bedoeld in het derde lid, slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar wordt overeengekomen.
-5. Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in dit artikel.

 

Art. 6. Indiening aanvraag
-1. Burgemeester en wethouders dienen hun aanvraag om in aanmerking te komen voor de subsidie bij de minister in vr 1 april 2000.
-2. Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag burgemeester en wethouders voornemens zijn in 2000 door middel van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van artikel 4, tweede lid, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze regeling behorende bijlage 2.
-3. Indien burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geven het maximumsubsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van artikel 4, tweede lid, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
-4. Indien burgemeester en wethouders vr 1 april 2000 geen aanvraag indienen, kan de minister de subsidie ambtshalve op nihil vaststellen en het voorschot, bedoeld in artikel 7, eerste lid, terugvorderen.
-5. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld in het derde of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-6. Burgemeester en wethouders van gemeenten die de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, hebben ingediend, ontvangen vr 1 juni 2000 van de minister een beschikking tot subsidieverlening waarin de maximale subsidie voor het jaar 2000 is opgenomen.

 

Art. 7. Bevoorschotting
-1. De minister betaalt op of omstreeks 15 januari 2000 aan gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 4, tweede lid, zonder dat daartoe door burgemeester en wethouders reeds een aanvraag is ingediend.
-2. Gemeenten die over het jaar 1998 geen of een nihiljaaropgave als bedoeld in artikel 11 van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998 en over het jaar 1999 geen aanvraag voor kinderopvang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 hebben ingediend, ontvangen geen voorschot, tenzij de aanvraag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vr 1 februari 2000 door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of omstreeks 1 maart 2000.
-3. De minister betaalt op of omstreeks 15 juni 2000 aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid. Bij de betaalbaarstelling van dit voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan wel teruggevorderd.
-4. Indien de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 4, derde lid, of 5, vijfde lid, wordt de daartoe voortvloeiende hogere subsidie zo spoedig mogelijk bij wijze van voorschot in n keer aan gemeenten betaalbaar gesteld tot 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid.

 

Art. 8. Jaaropgave
-1. Burgemeester en wethouders doen vr 20 september 2001 aan de minister opgave van de in het kalenderjaar 2000 voor subsidie in aanmerking komende kosten van kinderopvang, bedoeld in deze regeling. Deze jaaropgave is, indien de opgave betrekking heeft op het equivalent van meer dan n volledige kinderopvangplaats, voorzien van een verklaring van een deskundige belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens.
-2. De jaaropgave en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, zijn ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 3 respectievelijk bijlage 4.
-3. De verklaring van de deskundige, bedoeld in het eerste lid, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling beschreven controle- en rapportageprotocol.

 

Art. 9. Toezicht
-1. Met het toezicht op de naleving van deze regeling zijn belast de ambtenaren van de Directie Toezicht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
-2. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor het toezicht en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen inzage in de administratie ter zake van belang zijnde bescheiden.

 

Art. 10. Administratieve verplichtingen
Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig wordt ingericht dat, naast de in artikel 3, eerste lid, bedoelde overeenkomsten, dan wel indien de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente een overeenkomst sluit een afschrift van deze overeenkomst, alle overige van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.

 

Art. 11. Subsidievaststelling
-1. Met inachtneming van de artikelen 2, 3 en 5 stelt de minister de subsidie vast binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan de minister de subsidie ambtshalve vaststellen.

 

Art. 12. Subsidie en betaalde arbeid
-1. Burgemeester en wethouders van een gemeente die ten behoeve van een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 in het jaar 2000 oordelen over de noodzaak van voortzetting van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van die alleenstaande ouder, nemen daarbij in acht dat de minister in ieder geval tot n jaar na de aanvang van de arbeid van de alleenstaande ouder de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, verleent.
-2. Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de minister slechts verleend indien burgemeester en wethouders aantonen dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te rekenen vergoedingen en de eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond van artikel 10 juncto artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 tot het loon worden gerekend, ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedraagt.
-3. In afwijking van het tweede lid verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog maximaal zes maanden na afloop van de periode van n jaar, bedoeld in dat lid, indien burgemeester en wethouders beslissen dat het stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
-4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998, voor wie de kinderopvang werd bekostigd op grond van genoemde regeling zoals die regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling.

 

Art. 13. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.

 

Art. 14. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen 1 en 2 in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 3, 4 en 5 worden met ingang van 1 mei 2000 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

 

's-Gravenhage, 21 december 1999.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | regeling 2001 | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x