Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2001

 

TIJDELIJKE  STIMULERINGSREGELING  SUWI-BEDRIJFSVERZAMELGEBOUW

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2002
(art. 10:1 TsS02)



27 maart 2001, Stcrt. 2001, 64
Inwerkingtreding: 1 april 2001
(T.a.v. artt. 3:1 Kaderwet SZW-subsidies en 4 TbsC)

 

 

 

 
27 maart 2001/nr. SUWI/SEC/2001/109

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies en artikel 4 van het Tijdelijk besluit samenwerking CWI;

     Besluiten:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. CWI: een Centrum voor werk en inkomen, als bedoeld in artikel 1 van het Tijdelijk besluit samenwerking CWI;
b. SUWI-bedrijfsverzamelgebouw: gebouw dat mede omvat de vestiging van een CWI en waarin het onderdeel van de gemeente dat belast is met de uitvoering van de Algemene bijstandswet en aanverwante wetten en een uitvoeringsinstelling, als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, al dan niet samen met andere dienstverleners, in aanvulling op de bij of krachtens het Tijdelijk besluit samenwerking CWI vastgestelde werkzaamheden, andere werkzaamheden op het terrein van werk en inkomen verrichten of laten verrichten;
c. kerngemeente: de gemeente die is aangewezen als plaats van vestiging van een CWI, genoemd in de bijlage behorend bij het Tijdelijk besluit samenwerking CWI;
d. fte: een arbeidsplaats op basis van een volledige werkweek;
e. m-prijs: de feitelijke huurprijs van het pand dat wordt verlaten bij vestiging in een bedrijfsverzamelgebouw dan wel de gebruikelijke regionale huurprijs per m bruto vloeroppervlak van een vergelijkbaar gehuurd pand, indien het pand dat verlaten wordt in eigendom verworven was;
f. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 2. Subsidie voor SUWI-bedrijfsverzamelgebouw
-1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw.
-2. De subsidie wordt aangevraagd door de kerngemeente, dan wel een andere rechtspersoon die daartoe door de partijen die in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen samenwerken is aangewezen.
-3. De subsidie wordt verstrekt aan de subsidieaanvrager.

 

Art. 3. Subsidieaanvraag
-1. Bij de subsidieaanvraag wordt overgelegd een door de partijen die in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen samenwerken ondertekend document waaruit blijkt dat deze partijen gezamenlijk de opzet hebben om te komen tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw en de kerngemeente, dan wel een andere rechtspersoon als subsidieaanvrager aanwijzen.
-2. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 31 december 2001.

 

Art. 4. Subsidiabele kosten
-1. Voor subsidie kunnen in aanmerking worden gebracht:
a. kosten met betrekking tot het opstellen van een plan van aanpak;
b. de in artikel 6, eerste en tweede lid, bedoelde leegstandskosten van een pand dat verlaten wordt in verband met de verhuizing naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, gedurende ten hoogste twaalf maanden, voor zover deze kosten geen betrekking hebben op de bij of krachtens het Tijdelijk besluit samenwerking CWI vastgestelde werkzaamheden;
c. verhuiskosten;
d. kosten gemaakt ten behoeve van de opening van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw;
e. improductiviteitskosten in verband met opleidingen van personeel, nodig in verband met de overgang naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw;
f. kosten, vooruitlopend op de mogelijke vestiging van andere dienstverleners, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw.
-2. Geen subsidie wordt verleend voor:
a. investeringskosten in gebouwen en materiaal;
b. opleidingskosten personeel;
c. kosten die geen verband houden met het uitoefenen van gezamenlijke activiteiten op het terrein van werk en inkomen;
d. kosten van andere dienstverleners als bedoeld in artikel 1, onderdeel b.

 

Art. 5. Omvang subsidie
-1. De subsidie voor de kosten bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, bedraagt 50 000,00.
-2. De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedraagt 100% van de werkelijke kosten tot het maximum, bedoeld in artikel 6, eerste tot en met zesde lid.

 

Art. 6. Maximale subsidie
-1. De maximale subsidie voor de leegstandskosten bij gemeenten bedraagt het aantal ftes dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, vermenigvuldigd met 12 m, maal de m-prijs in het pand dat verlaten wordt.
-2. De maximale subsidie voor de leegstandskosten bij een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 bedraagt:
a. voor de kamers van klantmanagers: het aantal ftes dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw vermenigvuldigd met 12 m, maal de m-prijs in het pand dat verlaten wordt;
b. voor de spreekkamers van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen: het aantal ftes dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw vermenigvuldigd met 20 m, maal de m-prijs in het pand dat verlaten wordt;
c. voor de onderzoekkamers van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen: het aantal ftes dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw gedeeld door twee en vermenigvuldigd met 25 m, maal de m-prijs in het pand dat verlaten wordt;
d. voor de kamers ten behoeve van de bijzondere controles: het aantal ftes dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw vermenigvuldigd met 12 m, maal de m-prijs in het pand dat verlaten wordt;
e. voor de hoorzalen: het aantal hoorzalen vermenigvuldigd met 25 m, maal de m-prijs in het pand dat verlaten wordt.
-3. De maximale subsidie voor de verhuiskosten bedraagt 500,00 per fte dat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw overgaat.
-4. De maximale subsidie voor de kosten gemaakt ten behoeve van de opening van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw bedraagt 7500,00.
-5. De maximale subsidie voor improductiviteitskosten bedraagt 800,00 per fte dat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw overgaat.
-6. De maximale subsidie voor kosten, vooruitlopend op de mogelijke vestiging van andere dienstverleners, bedraagt 5% van de in artikel 6, eerste en tweede lid, bedoelde leegstandskosten. Leegstand die zich na het operationeel worden van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw voordoet, komt niet voor subsidie in aanmerking.

 

Art. 7. Plan van aanpak
Uiterlijk vier maanden nadat het document, bedoeld in artikel 3, is overgelegd, zendt de subsidieaanvrager aan de minister een plan van aanpak waarin ten minste is opgenomen:
a. een postgewijze begroting met betrekking tot de in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedoelde kosten;
b. een overzicht van klantenstromen en volumina in relatie tot de lokale en regionale arbeidsmarkt;
c. een programma van eisen met betrekking tot de ruimte van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw;
d. een onderbouwing van de gemaakte huisvestingskeuze aan de hand van een overzicht van in de overweging genomen huisvestingsmogelijkheden en de daaraan verbonden financile gevolgen;
e. de planning van de implementatie.

 

Art. 8. Aanvullende weigeringsgronden
-1. Geen subsidie wordt verstrekt:
a. indien het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw niet wordt gevestigd in een kerngemeente, hetzij
b. in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw geen CWI wordt gevestigd.
-2. Geen subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, wordt verstrekt indien de minister de gemaakte huisvestingskeuze, gelet op de beschikbare alternatieven en na overleg met de subsidieaanvrager, niet redelijk acht.

 

Art. 9. Subsidieverlening, subsidievaststelling
-1. De minister stelt de subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, vast na ontvangst van het in artikel 3 bedoelde document.
-2. Na ontvangst van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 7, geeft de minister met betrekking tot de subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, een beschikking tot subsidieverlening af met een voorschotverlening van 80%.
-3. De subsidieaanvrager doet de minister schriftelijk mededeling van het tijdstip waarop het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw operationeel wordt; de verantwoording en declaratie, bedoeld in artikel 14 van de Algemene Regeling SZW-subsidies, wordt ingediend binnen vier maanden na dat tijdstip.

 

Art. 10. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2001.

 

Art. 11. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

s-Gravenhage, 27 maart 2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

TOELICHTING
[27 maart 2001]

 

Algemeen

 

     In het Nader Kabinetsstandpunt SUWI (Kamerstukken II 1999-2000, 26 448, nr. 7) wordt door het kabinet aangegeven dat het vanuit het oogpunt van een sluitende keten van dienstverlening aan de clinten zinvol is om een groot aantal activiteiten te positioneren op de lokatie van het CWI. Dit betreft zowel publieke activiteiten van de gemeenten en UWV als private activiteiten van bijvoorbeeld uitzendbureaus en rentegratiebedrijven. In het SUWI-wetsvoorstel (Kamerstukken II 2000-2001, 27 221, nrs. 1-3) [zie Wet SUWI, red.] wordt deze gedachte verder uitgewerkt.
     Tegen deze achtergrond ligt het ook in de rede dat de overheid de vorming van deze bedrijfsverzamelgebouwen financieel ondersteunt. De stimuleringsregeling is zodanig vormgegeven dat maatwerk kan worden geboden en de vergoeding aansluit bij de locale situatie. Tevens is van belang dat het vestigingsplan aansluit bij het CWI-spreidingsplan en de initiatieven die in CWI-kader worden ontplooid. De basis voor de financile bijdrage vormt derhalve een plan van aanpak waarin de voornemens nader uiteen worden gezet.
     De subsidie zal worden verstrekt aan een door de samenwerkende partijen aangewezen rechtspersoon. Dit zal veelal de kerngemeente zijn die met name het initiatief zal nemen om te komen tot de vorming van een bedrijfsverzamelgebouw. Hierbij is wel van belang dat de kerngemeente mede namens de overige samenwerkende publieke partijen optreedt. Omdat een kerngemeente meerdere CWIs kan huisvesten, kan een kerngemeente ook meerdere aanvragen indienen in het kader van deze regeling voor de verschillende bedrijfsverzamelgebouwen.
     In het plan van aanpak zal, naast een beschrijving van de participanten en de voorziene lokatie, moeten worden ingegaan op de kosten die zullen gaan ontstaan bij de overgang naar een bedrijfsverzamelgebouw. Het betreft derhalve niet de reguliere exploitatielasten van het bedrijfsverzamelgebouw. Van belang is vooral ook het aantal ftes dat in een bedrijfsverzamelgebouw zal worden gehuisvest. In de subsidievoorwaarden worden de diverse kostensoorten genormeerd. Alle aanvragen zullen individueel worden getoetst, waarbij de Algemene Regeling SZW-subsidies van toepassing is, inclusief de bevoorschottings- en verantwoordingssystematiek.
     Naar verwachting zullen niet alle bedrijfsverzamelgebouwen in 2001 kunnen worden ingericht. Het kabinet wil echter ook na 2001 de vorming van bedrijfsverzamelgebouwen financieel ondersteunen. Om technische redenen wordt de regeling echter beperkt tot het jaar 2001, omdat in dat jaar de Wet SUWI nog niet van kracht is. In 2001 is de regeling nog gericht op de samenwerkende partijen zoals genoemd in het Tijdelijk Besluit samenwerking CWI. Vanaf 2002 zal een nieuwe regeling van kracht worden met dezelfde strekking, echter gericht op de in de Wet SUWI genoemde publieke uitvoeringsorganisaties.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     In het onderhavige artikel wordt voor de begripsomschrijving van een Centrum voor werk en inkomen (CWI) aangesloten bij de definitie die in het Tijdelijk besluit samenwerking CWI is opgenomen, te weten: een vestiging waarin de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.], het Landelijk instituut sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] en gemeenten in gezamenlijke afstemming de bij of krachtens dat tijdelijke besluit vastgestelde werkzaamheden verrichten of laten verrichten.
     In het verlengde van die omschrijving wordt onder een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw verstaan een gebouw dat mede omvat de vestiging van een CWI en waarin het onderdeel van de gemeente dat belast is met de uitvoering van de Algemene bijstandswet en aanverwante wetten (veelal: de gemeentelijke sociale dienst) en de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid, al dan niet samen met andere (privaatrechtelijke) dienstverleners, in aanvulling op de bij of krachtens het Tijdelijk besluit samenwerking CWI vastgestelde werkzaamheden, andere werkzaamheden op het terrein van werk en inkomen verrichten of laten verrichten.
     Met betrekking tot het onderdeel van de gemeente dat belast is met de uitvoering van de Algemene bijstandswet en aanverwante wetten, en de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid, betreft het in ieder geval activiteiten op het gebied van activering en controle, claimbeoordeling (met name ook medische/arbeidskundige klantcontacten) en klantmanagement, kortom die activiteiten die bij uitstek door de zogenaamde "frontoffices" van deze organisaties worden verricht. De omschrijving van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw laat echter uitdrukkelijk open dat vorenbedoelde gemeentelijke uitvoerder en/of de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid (ook) andere activiteiten op het terrein van werk en inkomen vanuit het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw ontplooien. Hierdoor is het mogelijk dat bijvoorbeeld (ook) sociale activering, het verlenen van bijzondere bijstand en schuldsanering in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw worden ondergebracht.

 

Artikelen 2 en 3

     Uit artikel 2 blijkt dat de subsidie ter stimulering van de totstandkoming van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw aangevraagd dient te worden door en verstrekt zal worden aan de kerngemeente dan wel een andere rechtspersoon die door de partijen die in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen samenwerken daartoe is aangewezen. In artikel 3 is bepaald dat bij de subsidieaanvraag een document overlegd moet worden waaruit blijkt dat die partijen de kerngemeente dan wel een andere rechtspersoon aanwijzen als subsidieaanvrager. Hoewel in het kader van deze stimuleringsregeling niet wordt geist dat uit dit (of een ander) document blijkt op welke wijze de subsidie doorgesluisd zal worden naar de (andere) betrokken partijen, ligt het natuurlijk wel in de rede dat partijen onderling hierover sluitende afspraken maken. Mede in verband met de verstrekking van een subsidie voor het (doen) opstellen van een plan van aanpak wordt in het kader van deze regeling overigens wl uitdrukkelijk geist dat uit het document waarbij de kerngemeente, of een andere rechtspersoon, als subsidieaanvrager wordt aangewezen, blijkt dat de betrokken partijen daadwerkelijk gezamenlijk de opzet hebben om tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw te komen.
     Subsidieaanvragen kunnen op grond van deze tijdelijke regeling tot uiterlijk 31 december 2001 worden ingediend. Op basis van de stand van zaken per 1 januari 2002 zal een (analoge) subsidieregeling tot stand gebracht worden die aansluit op de terminologie van de Wet SUWI.

 

Artikelen 4 tot en met 6

     De regeling voorziet erin dat een financile tegemoetkoming wordt verleend voor bepaalde incidentele kosten die direct aan de voorbereiding en totstandkoming van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw verbonden zijn. Zo kunnen de kosten die verband houden met het (doen) opstellen van een (concept-)plan van aanpak, alsmede bepaalde transitie- en migratiekosten, voor subsidie in aanmerking worden gebracht. Voor wat de laatstbedoelde kosten betreft, ziet de regeling op de leegstandskosten (vervroegde afschrijving huisvesting, afkoop huurcontract, dubbele huur), verhuiskosten, kosten gemaakt ten behoeve van de opening van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw (waaronder begrepen de kosten van de daarmee samenhangende PR-activiteiten), improductiviteitskosten in verband met opleidingen van personeel, noodzakelijk in verband met de overgang naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw (kosten van opleidingen/workshops die specifiek gericht zijn op de migratie), alsmede kosten die gemaakt zijn in verband met de mogelijke aansluiting van private partijen. Bij dit laatste dient bij uitstek gedacht te worden aan het reeds (doen) reserveren van ruimten voor private partijen, terwijl nog niet vaststaat dat deze partijen zich ook daadwerkelijk in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen vestigen.
     De investeringskosten in gebouwen en materiaal komen terug in de reguliere exploitatielasten en zijn derhalve niet subsidiabel. Ook de (niet specifiek op de migratie naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw gerichte) opleidingskosten van het CWI-personeel komen niet voor subsidie in deze in aanmerking. Het betreft hier immers de normale, op verhoging van de deskundigheid van het personeel gerichte opleidingen, die als zodanig geheel losstaan van de totstandbrenging van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw. Voorts zijn niet-subsidiabel de kosten die geen verband houden met de uitoefening van activiteiten op het terrein van werk en inkomen. Indien een gemeente bijvoorbeeld zou besluiten om een deel van de afdeling burgerzaken (zoals aangiften van geboorten; afgifte van rijbewijzen/paspoorten) in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw onder te brengen, zijn de kosten die met de overdracht van deze gemeentelijke taken samenhangen niet subsidiabel. Tot slot komen niet voor subsidie in aanmerking de kosten waarvoor private dienstverleners zich gesteld zien; de onderhavige stimuleringsregeling richt zich op de publieke dienstverleners.
     Als tegemoetkoming voor de kosten voor het (doen) opstellen van een plan van aanpak wordt - los van de werkelijke kosten - een vast bedrag van 50 000,- verleend. De subsidie voor de in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedoelde kosten vindt wl plaats op basis van de werkelijke kosten, met dien verstande dat de subsidie niet hoger kan zijn dan het voor de desbetreffende kosten geldende maximum, zoals vervat in artikel 6, eerste tot en met zesde lid.

 

Artikelen 7 en 8

     Uiterlijk vier maanden nadat de subsidieaanvraag en het daarbij behorende document, waaruit onder meer dient te blijken dat de betrokken partijen gezamenlijk de opzet hebben om te komen tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, aan de minister is overlegd, dient de subsidieaanvrager een concreet plan van aanpak aan de minister voor te leggen. In dit plan van aanpak dient in ieder geval een raming van de diverse in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedoelde kosten te zijn opgenomen, op uiteraard een zodanige wijze dat aan de hand daarvan het in artikel 6 bedoelde maximum vastgesteld kan worden. Dit betekent onder meer dat relevant inzicht wordt verschaft in het aantal bij de desbetreffende kostensoort behorende ftes. Tevens dient in het verlengde van een over te leggen overzicht van klantenstromen en volume in relatie tot de lokale en regionale arbeidsmarkt en een door de betrokken partijen opgesteld programma van eisen met betrekking tot de ruimte van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw een onderbouwing van de gemaakte huisvestingskeuze overlegd te worden, alsmede de planning van de implementatie. Het plan van aanpak wordt door de minister getoetst. Uit artikel 8 blijkt dat ingeval de minister - gelet op de beschikbare alternatieven en na overleg met de subsidieaanvrager - van oordeel is dat de gemaakte huisvestingskeuze (bijvoorbeeld vanwege de exorbitant hoge kosten die daaraan ook op de langere termijn verbonden zijn) niet redelijk is, de subsidie wordt geweigerd.
     De subsidie wordt eveneens geweigerd indien blijkt dat het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw niet wordt gevestigd in een kerngemeente en/of in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw geen CWI wordt gevestigd.

 

Artikel 9

     Na ontvangst van het document waaruit blijkt dat de betrokken partijen n gezamenlijk de opzet hebben om te komen tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw n de kerngemeente dan wel een andere rechtspersoon als subsidieaanvrager aanwijzen, wordt de subsidie voor de kosten met betrekking tot het opstellen van een plan van aanpak vastgesteld en de vaste vergoeding van 50 000,- betaalbaar gesteld.
     Na ontvangst van het plan van aanpak wordt op basis van de werkelijk kosten en rekening houdende met de in artikel 6 vervatte maxima een beschikking afgegeven met betrekking tot de subsidieverlening inzake de overige te subsidiren kosten. Van deze subsidie wordt 80% bevoorschot. Eindverrekening vindt plaats op basis van de verantwoording en declaratie die de subsidieaanvrager binnen vier maanden nadat het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw operationeel is geworden bij de minister dient in te dienen.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x