Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2002

 

TIJDELIJKE  STIMULERINGSREGELING  SUWI-BEDRIJFSVERZAMELGEBOUW  2002

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2003



20 december 2001, Stcrt. 2001, 249
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
Vervalt m.i.v. 1 januari 2003
(T.a.v. art. 3:1 Kaderwet SZW-subsidies)

 

 

 

 
20 december 2001/nr. A&O/RA-2/2001/86996
Directie Analyse en Onderzoek

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluiten:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
-1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. CWI: een Centrum voor werk en inkomen, genoemd in artikel 24 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. SUWI-bedrijfsverzamelgebouw: gebouw waarin een CWI, het onderdeel van een gemeente dat belast is met de uitvoering van de Algemene bijstandswet en aanverwante wetten en een vestiging van het UWV, al dan niet samen met andere dienstverleners, samenwerken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. kerngemeente: de gemeente waar op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen een CWI is gevestigd;
e. fte: een arbeidsplaats op basis van een volledige werkweek;
f. m²-prijs: de feitelijke huurprijs van het pand dat wordt verlaten bij vestiging in een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw dan wel de gebruikelijke regionale huurprijs per m² bruto vloeroppervlak van een vergelijkbaar gehuurd pand, indien het pand dat wordt verlaten in eigendom was verworven;
g. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
-2. Tot het tijdstip van publicatie door de Centrale organisatie werk en inkomen van het besluit ter uitvoering van artikel 24, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn kerngemeenten de gemeenten van vestiging van een CWI, bedoeld in het Tijdelijk besluit samenwerking CWI, zoals dat besluit luidde tot en met 31 december 2001.

 

Art. 2. Subsidie voor SUWI-bedrijfsverzamelgebouw
-1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw.
-2. De subsidie wordt aangevraagd door de kerngemeente, dan wel een andere rechtspersoon die daartoe door de partijen die in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen samenwerken is aangewezen.
-3. De subsidie wordt verstrekt aan de subsidieaanvrager.

 

Art. 3. Subsidieaanvraag
-1. Bij de subsidieaanvraag wordt overgelegd een door de partijen die in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen samenwerken ondertekend document waaruit blijkt dat deze partijen gezamenlijk de opzet hebben om te komen tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw en de kerngemeente, dan wel een andere rechtspersoon als subsidieaanvrager aanwijzen.
-2. De minister ontvangt uiterlijk 31 december 2002 de subsidieaanvraag.

 

Art. 4. Subsidiabele kosten
-1. Voor subsidie kunnen in aanmerking worden gebracht:
a. kosten met betrekking tot het opstellen van een plan van aanpak;
b. de in artikel 6, eerste en tweede lid, bedoelde leegstandskosten van een pand dat verlaten wordt in verband met de verhuizing naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, gedurende ten hoogste twaalf maanden;
c. verhuiskosten;
d. kosten gemaakt ten behoeve van de opening van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw;
e. improductiviteitskosten in verband met opleidingen van personeel, nodig in verband met de overgang naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw;
f. kosten, vooruitlopend op de mogelijke vestiging van andere dienstverleners als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw.
-2. Geen subsidie wordt verleend voor:
a. investeringskosten in gebouwen en materiaal;
b. opleidingskosten personeel;
c. kosten die geen verband houden met het uitoefenen van gezamenlijke activiteiten op het terrein van werk en inkomen;
d. kosten van andere dienstverleners als bedoeld in artikel 1, onderdeel c;
e. kosten die op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw voor subsidie in aanmerking zijn gebracht.

 

Art. 5. Omvang subsidie
-1. De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
a, bedraagt €|22 700,00.
-2. De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedraagt 100% van de werkelijke kosten tot het maximum, bedoeld in artikel 6, eerste tot en met zesde lid.

 

Art. 6. Maximale subsidie
-1. De maximale subsidie voor de leegstandskosten bij gemeenten bedraagt het aantal fte’s dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, vermenigvuldigd met 12 m², maal de m²-prijs.
-2. De maximale subsidie voor de leegstandskosten bij een vestiging van het UWV bedraagt:
a. voor de kamers van klantmanagers: het aantal fte’s dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw vermenigvuldigd met 12 m², maal de m²-prijs;
b. voor de spreekkamers van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen: het aantal fte’s dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw vermenigvuldigd met 20 m², maal de m²-prijs;
c. voor de onderzoekkamers van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen: het aantal fte’s dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw gedeeld door twee en vermenigvuldigd met 25 m², maal de m²-prijs;
d. voor de kamers ten behoeve van de bijzondere controles: het aantal fte’s dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw vermenigvuldigd met 12 m², maal de m²-prijs;
e. voor de hoorzalen: het aantal hoorzalen vermenigvuldigd met 25 m², maal de m²-prijs.
-3. De maximale subsidie voor de verhuiskosten
bedraagt €|225,00 per fte dat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw overgaat.
-4. De maximale subsidie voor de kosten gemaakt ten behoeve van de opening van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw
bedraagt €|3400,00.
-5. De maximale subsidie voor improductiviteitskosten bedraagt €|365,00 per fte dat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw overgaat.
-6. De maximale subsidie voor kosten, vooruitlopend op de mogelijke vestiging van andere dienstverleners, bedraagt 5% van de in het eerste en tweede lid bedoelde leegstandskosten. Leegstand die zich na het operationeel worden van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw voordoet, komt niet voor subsidie in aanmerking.

 

Art. 7. Plan van aanpak
-1.
Uiterlijk twaalf maanden nadat de minister toepassing heeft gegeven aan artikel 9, eerste lid, ontvangt de minister van de subsidieaanvrager een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:
a. een postgewijze begroting met betrekking tot de in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedoelde kosten;
b. een overzicht van klantenstromen en volumina in relatie tot de lokale en regionale arbeidsmarkt;
c. een programma van eisen met betrekking tot de ruimte van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw;
d. een onderbouwing van de gemaakte huisvestingskeuze aan de hand van een overzicht van in de overweging genomen huisvestingsmogelijkheden en de daaraan verbonden financiële gevolgen;
e. de planning van de implementatie.
-2. De minister kan desgevraagd de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste vier maanden verlengen indien uit de huisvestingskeuze blijkt dat het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw gevestigd zal worden in een nieuw te bouwen pand.

 

Art. 8. Aanvullende weigeringsgronden
-1. Geen subsidie wordt verstrekt indien het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw niet wordt gevestigd in een kerngemeente.
-2. Geen subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, wordt verstrekt indien de minister de gemaakte huisvestingskeuze, gelet op de beschikbare alternatieven en na overleg met de subsidieaanvrager, niet redelijk acht.

 

Art. 9. Subsidieverlening, subsidievaststelling
-1. De minister stelt de subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, vast na ontvangst van het in artikel 3 bedoelde document.
-2. Na ontvangst van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 7, eerste lid, geeft de minister met betrekking tot de subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, een beschikking tot subsidieverlening af met een voorschotverlening van 80%.
-3. De subsidieaanvrager doet de minister schriftelijk mededeling van het tijdstip waarop het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw operationeel wordt; de verantwoording en declaratie, bedoeld in artikel 14 van de Algemene Regeling SZW-subsidies, wordt ingediend binnen vier maanden na dat tijdstip.

 

Art. 10. Vervallen van Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw
-1. De Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw wordt ingetrokken.
-2. De in het eerste lid genoemde regeling blijft van toepassing op de financiële afwikkeling van de subsidie van de minister aan de subsidieontvanger.

 

Art. 11. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002 en vervalt met ingang van 1 januari 2003.
-2.
De regeling, zoals die onmiddellijk vóór de datum waarop deze vervalt geldt, blijft van toepassing op de afwikkeling van de subsidie, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

 

Art. 12. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw 2002.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

‘s-Gravenhage, 20 december 2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

TOELICHTING
[20 december 2001]

 

Algemeen

 

     In de toelichting op de Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw uit 2001 is aangegeven dat die regeling vanwege technische redenen, te weten het (nog) niet van kracht zijn van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), beperkt is tot het jaar 2001. In dat verband is erop gewezen dat naar verwachting niet alle SUWI-bedrijfsverzamelgebouwen in 2001 kunnen worden ingericht en dat vanaf 2002 een nieuwe regeling van kracht zal worden met dezelfde strekking, echter gericht op de in de Wet SUWI genoemde publieke uitvoeringsorganisaties. De onderhavige regeling komt hieraan tegemoet.
     Voor wat de wenselijkheid betreft om tot vorming van SUWI-bedrijfsverzamelgebouwen te komen, is in het Nader Kabinetsstandpunt SUWI (Kamerstukken II 1999-2000, 26 448, nr. 7) reeds aangegeven dat het vanuit het oogpunt van een sluitende keten van dienstverlening aan de cliënten zinvol is om een groot aantal activiteiten te positioneren op de lokatie van het CWI. Dit betreft zowel publieke activiteiten van de gemeenten en UWV als private activiteiten van bijvoorbeeld uitzendbureaus en reïntegratiebedrijven. In de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is deze gedachte inmiddels verder uitgewerkt.
     Tegen deze achtergrond ligt het in de rede dat de overheid de vorming van de SUWI-bedrijfsverzamelgebouwen financieel ondersteunt. De stimuleringsregeling is, overeenkomstig de hiervoor genoemde regeling uit 2001, zodanig vormgegeven dat maatwerk kan worden geboden en de vergoeding aansluit bij de locale situatie. Tevens is van belang dat het vestigingsplan aansluit bij de CWI-spreiding
en de initiatieven die in CWI-kader worden ontplooid. De basis voor de financiële bijdrage vormt een plan van aanpak waarin de voornemens nader uiteen worden gezet. De subsidie zal worden verstrekt aan een door de samenwerkende partijen aangewezen rechtspersoon. Dit zal veelal de kerngemeente zijn, die met name het initiatief zal nemen om te komen tot de vorming van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw. Hierbij is wel van belang dat de kerngemeente mede namens de overige samenwerkende publieke partijen optreedt. Omdat een kerngemeente meerdere CWI’s kan huisvesten, kan een kerngemeente ook meerdere aanvragen indienen in het kader van deze regeling voor de verschillende SUWI-bedrijfsverzamelgebouwen.
     In het plan van aanpak zal, naast een beschrijving van de participanten en de voorziene lokatie, moeten worden ingegaan op de kosten die zullen gaan ontstaan bij de overgang naar een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw. Het betreft derhalve niet de reguliere exploitatielasten van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw. Van belang is vooral ook het aantal fte’s dat in een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zal worden gehuisvest. In de subsidievoorwaarden worden de diverse kostensoorten genormeerd. Alle aanvragen zullen individueel worden getoetst, waarbij de Algemene Regeling SZW-subsidies van toepassing is, inclusief de bevoorschottings- en verantwoordingsystematiek.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     In het onderhavige artikel wordt voor de begripsomschrijvingen van een Centrum voor werk en inkomen (CWI), het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en kerngemeente aangesloten bij de Wet SUWI.
     In het verlengde hiervan wordt onder een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw verstaan een gebouw waarin een CWI, het onderdeel van een gemeente dat belast is met de uitvoering van de Algemene bijstandswet en aanverwante wetten en een vestiging van het UWV, al dan niet samen met andere dienstverleners, samenwerken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet SUWI.
     Met betrekking tot het onderdeel van de gemeente dat belast is met de uitvoering van de Algemene bijstandswet en aanverwante wetten en de vestiging van het UWV, betreft het in ieder geval activiteiten op het gebied van activering en controle, claimbeoordeling (met name ook medische/arbeidskundige klantcontacten) en klantmanagement, kortom die activiteiten die bij uitstek door de zogenaamde "frontoffices" van deze organisaties worden verricht. De omschrijving van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw laat echter uitdrukkelijk open dat vorenbedoelde gemeentelijke uitvoerder en/of de uitvoerder van de werknemersverzekeringen (ook) andere activiteiten op het terrein van werk en inkomen vanuit het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw ontplooien. Hierdoor is het mogelijk dat bijvoorbeeld (ook) sociale activering, het verlenen van bijzondere bijstand en schuldsanering in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw worden ondergebracht.
     Gelet op het feit dat met ingang van 1 januari 2002 het besluit ter uitvoering van artikel 24, eerste lid, van de Wet SUWI van de Centrale organisatie werk en inkomen nog niet vastgesteld en in het verlengde daarvan gepubliceerd kan zijn, voorziet het tweede lid van het onderhavige artikel erin dat tot het tijdstip van publicatie van dat besluit als kerngemeenten worden aangemerkt de gemeenten van vestiging van een CWI, bedoeld in het Tijdelijk besluit samenwerking CWI, zoals dat tijdelijke besluit luidde tot en met 31 december 2001.

 

Artikelen 2 en 3

     Uit artikel 2 blijkt dat de subsidie ter stimulering van de totstandkoming van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw aangevraagd dient te worden door en verstrekt zal worden aan de kerngemeente, dan wel een andere rechtspersoon die door de partijen die in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen samenwerken daartoe is aangewezen. In artikel 3 is bepaald dat bij de subsidieaanvraag een document overlegd moet worden waaruit blijkt dat die partijen de kerngemeente dan wel een andere rechtspersoon aanwijzen als subsidieaanvrager. Hoewel in het kader van deze stimuleringsregeling niet wordt geëist dat uit dit (of een ander) document blijkt op welke wijze de subsidie doorgesluisd zal worden naar de (andere) betrokken partijen, ligt het natuurlijk wel in de rede dat partijen onderling hierover sluitende afspraken maken. Mede in verband met de verstrekking van een subsidie voor het (doen) opstellen van een plan van aanpak wordt in het kader van deze regeling overigens wél uitdrukkelijk geëist dat uit het document waarbij de kerngemeente, of een andere rechtspersoon, als subsidieaanvrager wordt aangewezen, blijkt dat de betrokken partijen daadwerkelijk gezamenlijk de opzet hebben om tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw te komen.
     Subsidieaanvragen op grond van deze tijdelijke regeling dienen uiterlijk 31 december 2002 in het bezit van de minister te zijn.

 

Artikelen 4 tot en met 6

     De regeling voorziet erin dat een financiële tegemoetkoming wordt verleend voor bepaalde incidentele kosten die direct aan de voorbereiding en totstandkoming van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw verbonden zijn. Zo kunnen de kosten die verband houden met het (doen) opstellen van een (concept-)plan van aanpak, alsmede bepaalde transitie- en migratiekosten, voor subsidie in aanmerking worden gebracht. Voor wat de laatstbedoelde kosten betreft, ziet de regeling op de leegstandskosten (vervroegde afschrijving huisvesting, afkoop huurcontract, dubbele huur), verhuiskosten, kosten gemaakt ten behoeve van de opening van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw (waaronder begrepen de kosten van de daarmee samenhangende PR-activiteiten), improductiviteitskosten in verband met opleidingen van personeel, noodzakelijk in verband met de overgang naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw (kosten van opleidingen/workshops die specifiek gericht zijn op de migratie), alsmede kosten die gemaakt zijn in verband met de mogelijke aansluiting van private partijen. Bij dit laatste dient bij uitstek gedacht te worden aan het reeds (doen) reserveren van ruimten voor private partijen, terwijl nog niet vaststaat dat deze partijen zich ook daadwerkelijk in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen vestigen.
     De investeringskosten in gebouwen en materiaal komen terug in de reguliere exploitatielasten en zijn derhalve niet subsidiabel. Ook de opleidingskosten van het personeel komen niet voor subsidie in deze in aanmerking. Het betreft hier immers de normale, op verhoging van de deskundigheid van het personeel gerichte opleidingen, die als zodanig geheel losstaan van de totstandbrenging van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw. Voorts zijn niet-subsidiabel de kosten die geen verband houden met de uitoefening van activiteiten op het terrein van werk en inkomen. Indien een gemeente bijvoorbeeld zou besluiten om een deel van de afdeling burgerzaken (zoals aangiften van geboorten; afgifte van rijbewijzen/paspoorten) in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw onder te brengen, zijn de kosten die met de overdracht van deze gemeentelijke taken samenhangen niet subsidiabel. Evenmin komen voor subsidie in aanmerking de kosten waarvoor private dienstverleners zich gesteld zien; de onderhavige stimuleringsregeling richt zich op de publieke dienstverleners. Tot slot wordt (uiteraard) geen subsidie verleend voor kosten die op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw uit 2001 reeds voor subsidie in aanmerking zijn gebracht. Als tegemoetkoming voor de kosten voor het (doen) opstellen van een plan van aanpak wordt - los van de werkelijke kosten - een vast bedrag
van €|22 700,- verleend. De subsidie voor de in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedoelde kosten vindt wél plaats op basis van de werkelijke kosten, met dien verstande dat de subsidie niet hoger kan zijn dan het voor de desbetreffende kosten geldende maximum, zoals vervat in artikel 6, eerste tot en met zesde lid.

 

Artikelen 7 en 8

     Uiterlijk vier maanden nadat de subsidieaanvraag en het daarbij behorende document, waaruit onder meer dient te blijken dat de betrokken partijen gezamenlijk de opzet hebben om te komen tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, aan de minister is overgelegd, ontvangt de minister van de subsidieaanvrager een concreet plan van aanpak. Indien er sprake is van het plegen van nieuwbouw voor het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, waardoor het problematisch kan zijn om binnen een tijdsbestek van vier maanden een volledig sluitend plan van aanpak op te stellen, kan de minister de termijn van vier maanden, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de subsidieaanvrager, verlengen met ten hoogste vier maanden.
     In het plan van aanpak dient in ieder geval een raming van de diverse in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedoelde kosten te zijn opgenomen, op uiteraard een zodanige wijze dat aan de hand daarvan het in artikel 6 bedoelde maximum vastgesteld kan worden. Dit betekent onder meer dat voor zover relevant inzicht wordt verschaft in het aantal bij de desbetreffende kostensoort behorende fte’s. Tevens dient in het verlengde van een over te leggen overzicht van klantenstromen en volumina in relatie tot de lokale en regionale arbeidsmarkt en een door de betrokken partijen opgesteld programma van eisen met betrekking tot de ruimte van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw een onderbouwing van de gemaakte huisvestingskeuze overgelegd te worden, alsmede de planning van de implementatie. Het plan van aanpak wordt door de minister getoetst. Uit artikel 8 blijkt dat ingeval de minister - gelet op de beschikbare alternatieven en na overleg met de subsidieaanvrager - van oordeel is dat de gemaakte huisvestingskeuze (bijvoorbeeld vanwege de exorbitant hoge kosten die daaraan ook op de langere termijn verbonden zijn) niet redelijk is, de subsidie wordt geweigerd.
     De subsidie wordt eveneens geweigerd indien blijkt dat het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw niet wordt gevestigd in een kerngemeente. Volledigheidshalve zij er in dit verband op gewezen dat subsidie vanzelfsprekend ook wordt geweigerd indien een bedrijfsverzamelgebouw niet voldoet aan de definitie van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, omdat er bijvoorbeeld geen CWI in het bedrijfsverzamelgebouw is gevestigd, dan wel geen sprake is van samenwerking als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet SUWI.

 

Artikel 9

     Na ontvangst van het document waaruit blijkt dat de betrokken partijen én gezamenlijk de opzet hebben om te komen tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw én de kerngemeente dan wel een andere rechtspersoon als subsidieaanvrager aanwijzen, wordt de subsidie voor de kosten met betrekking tot het opstellen van een plan van aanpak vastgesteld en de vaste vergoeding van €|22 700,- betaalbaar gesteld.
     Na ontvangst van het plan van aanpak wordt op basis van de werkelijk kosten en rekening houdende met de in artikel 6 vervatte maxima een beschikking afgegeven met betrekking tot de subsidieverlening inzake de overige te subsidiëren kosten. Van deze subsidie wordt 80% bevoorschot. Eindverrekening vindt plaats op basis van de verantwoording en declaratie die de subsidieaanvrager binnen vier maanden nadat het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw operationeel is geworden bij de minister dient in te dienen.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x