Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 2 mei 2003

 

TIJDELIJKE  STIMULERINGSREGELING  OPSPORINGSSAMENWERKINGSVERBANDEN

Vervallen
m.i.v. 3 mei 2003
(art. 10:1 TsiocA)



20 december 2001, Stcrt. 2001, 249
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
Vervalt m.i.v. 1 juli 2003
(T.a.v. art. 3:1 Kaderwet SZW-subsidies)

 

 

 

 
20 december 2001/nr. PO/2001/86018
Directie Bureau Opsporingsbeleid

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
     Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. opsporing: de opsporing van misbruik in het kader van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars door ambtenaren in dienst van een gemeente die op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten zijn belast;
b. opsporingssamenwerkingsverband: een organisatorisch verband waarin gemeenten op het terrein van de opsporing samenwerken op basis van een daartoe strekkende samenwerkingsovereenkomst;
c. samenwerkingsovereenkomst: een geschrift waaruit blijkt dat tussen twee of meer gemeentebesturen overeenstemming bestaat om een opsporingssamenwerkingsverband op te zetten dan wel uit te breiden;
d. sturingsinformatie: managementinformatie die inzicht geeft in aantallen opsporingszaken, soorten opsporingszaken en doorlooptijden van opsporingszaken, opdat het samenwerkingsverband doeltreffend kan worden aangestuurd door de betrokken gemeenten;
e. kosten opsporingssamenwerkingsverband: de eenmalige kosten die in de periode voorafgaande aan de operationele start van het nieuwe opsporingssamenwerkingsverband worden gemaakt, alsmede de eenmalige kosten voor uitbreiding van een bestaand opsporingssamenwerkingsverband, welke kosten niet terugkomen in de jaarlijkse exploitatie van het opsporingssamenwerkingsverband;
f. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 2. Subsidie opsporingssamenwerkingsverband
-1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband.
-2. De subsidie wordt aangevraagd door een rechtspersoon die daartoe door de gemeentebesturen die bij de samenwerkingsovereenkomst zijn betrokken, is aangewezen.
-3. De subsidie wordt verstrekt aan de subsidieaanvrager.

 

Art. 3. Subsidieaanvraag
-1. Bij de subsidieaanvraag wordt overgelegd:
a. een door de in het opsporingssamenwerkingsverband samenwerkende gemeentebesturen ondertekend document waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen;
b. een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst;
c. een activiteitenplan en een daarbij behorende postgewijze begroting van de eenmalige kosten die ten behoeve van de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband worden gemaakt;
d. een protocol als bedoeld in artikel 4.
-2. De minister ontvangt uiterlijk 1 juli 2003 de subsidieaanvraag.

 

Art. 4. Protocol opsporingssamenwerkingsverband
Het protocol, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de werkwijze van het opsporingssamenwerkingsverband, alsmede van de wijze waarop in sturingsinformatie wordt voorzien;
b. waarborgen met betrekking tot de bescherming van de persoonlijk levenssfeer van het subject van opsporing;
c. regels met betrekking tot de inhoud en frequentie van rapportages aan de betrokken gemeentebesturen;
d. regels met betrekking tot de financiële verantwoording, gescheiden naar de bij het onderzoek betrokken gemeente; en
e. regels met betrekking tot de frequentie van het afleggen van financiële verantwoording.

 

Art. 5. Subsidiabele kosten
-1. Voor subsidie kosten opsporingssamenwerkingsverband kunnen in aanmerking worden gebracht:
a. kosten met betrekking tot het opstellen van een projectplan met betrekking tot het tot stand brengen of uitbreiden van een opsporingssamenwerkingsverband;
b. verhuiskosten in verband met het overbrengen van opsporingsactiviteiten naar een centrale lokatie;
c. inrichtingskosten van de gezamenlijke huisvesting;
d. kosten voor aanpassing van de automatisering.
-2. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de kosten van het opsporingssamenwerkingsverband noodzakelijk zijn en betrekking hebben op:
a. de totstandbrenging van een opsporingssamenwerkingsverband van twee of meer gemeentebesturen waarin, uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek, ten minste vijf ambtenaren belast met opsporing samenwerken, indien nog geen opsporingssamenwerkingsverband van ten minste die omvang bestaat; of
b. de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband van twee of meer gemeentebesturen met één of meer andere gemeentebesturen, waarbij een opsporingssamenwerkingsverband dat reeds voldoet aan de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde omvang van ten minste vijf ambtenaren belast met opsporing, wordt vergroot tot een opsporingssamenwerkingsverband waarin, uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek, ten minste tien ambtenaren belast met opsporing samenwerken.
-3. Geen subsidie wordt verleend indien het protocol niet voldoet aan artikel 4.

 

Art. 6. Omvang subsidie
-1. De subsidie bedraagt 100% van de werkelijk gemaakte kosten voortvloeiend uit de subsidiabele activiteiten,
tot een maximum van €|110 000,00 bij de totstandbrenging van een opsporingssamenwerkingsverband en |110 000,00 bij de uitbreiding van een bestand opsporingssamenwerkingsverband overeenkomstig artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van deze regeling.
-2. Indien de samenwerkingsovereenkomst betrekking heeft op gemeenten die allen tot hetzelfde arrondissement behoren, wordt de subsidie eenmalig
verhoogd met €|45 000,00.

 

Art. 7. Subsidieplafond
Voor de toepassing van deze regeling
is ten hoogste €|6 800 000,00 beschikbaar.

 

Art. 8. Verantwoording
De minister ontvangt uiterlijk 31 december 2003 van de subsidieontvanger een verantwoording. Bij deze verantwoording wordt een declaratie ingediend.

 

Art. 9. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002 en vervalt met ingang van 1 juli 2003.
-2. De regeling, zoals die vóór de datum waarop deze vervalt geldt, blijft van toepassing op de financiële afwikkeling van de subsidie van de minister aan de subsidieontvanger.

 

Art. 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

‘s-Gravenhage, 20 december 2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

TOELICHTING
[20 december 2001]

 

Algemeen

 

     In het kabinetsstandpunt over bijzondere opsporingsdiensten (Kamerstukken II 1999-2000, 26 955) geeft het kabinet aan dat er meer eenheid en bundeling moet komen binnen de bijzondere opsporing. Dit kabinetsstandpunt betekent dat binnen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) wordt opgericht voor de zware opsporingszaken. Ook wordt één centraal punt binnen het ministerie van SZW verantwoordelijk voor de coördinatie van de beleidsmatige aansturing van de opsporing.
     De uitwerking van het kabinetsstandpunt heeft daarnaast tot gevolg dat een landelijk dekkend netwerk aan gemeentelijke opsporingssamenwerkingsverbanden tot stand gebracht wordt. Deze samenwerking in de opsporing levert schaalvoordelen op, omdat kennis en expertise worden gedeeld door een aantal gemeenten. Bovendien kan door de samenwerking de organisatie zo worden vormgegeven dat personeel flexibel kan worden ingezet.
     Tegen deze achtergrond ligt het in de rede dat de overheid de vorming van deze samenwerkingsverbanden financieel ondersteunt. Het kabinet beoogt hiermee de totstandkoming en uitbreiding van opsporingssamenwerkingsverbanden te stimuleren vanuit de gedachte dat een adequate, constante sociale recherche noodzakelijk is voor de handhaving van de regelgeving op het terrein van de Abw, Ioaw, Ioaz en Wik.
     Bij het opzetten van dit landelijk dekkend netwerk wordt aangesloten bij de reeds bestaande initiatieven binnen gemeenten om intergemeentelijke samenwerking op het terrein van de sociale recherche tot stand te brengen. Er is daarom afgezien van het geven van richtlijnen voor het opzetten van samenwerkingsverbanden volgens een vooraf gemaakte landelijke indeling. Dit betekent dat de indeling van de samenwerkingsverbanden niet (altijd) samenvalt met de indeling in arrondissementen. Aansluiting bij arrondissementen is wel aan te bevelen. Daarom wordt aansluiting door samenwerkingsverbanden bij één arrondissement met een extra subsidiemogelijkheid ondersteund (maximaal
|45 000,- per samenwerkingsverband).
    
Als basismodel voor samenwerkingsverbanden is gekozen voor samenwerking met ten minste tien fte’s (arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek) aan opsporingscapaciteit. De bedoeling is dat stapsgewijs naar deze structuur wordt toegewerkt, te beginnen met een opschaling tot in ieder geval vijf fte’s opsporingscapaciteit per samenwerkingsverband.
     Deze tijdelijke stimuleringsregeling biedt gemeenten de mogelijkheid om eenmalige kosten in verband met de totstandkoming of uitbreiding van opsporingssamenwerkingsverbanden (verhuiskosten, inrichtingskosten, kosten met betrekking tot opstellen van een projectplan, kosten van automatisering) vergoed te krijgen. Om de initiatieven en ontwikkelingen door gemeenten niet te doorkruisen, worden in deze subsidieregeling slechts minimumvoorwaarden gesteld aan de samenwerkingsverbanden voor het verkrijgen van subsidie.
     Voor de regeling is in totaal
|6 800 000,- beschikbaar gesteld. Per samenwerkingsverband is maximaal |110 000,- beschikbaar, hetgeen eenmalig verhoogd wordt met €|45 000,- indien wordt aangesloten bij de arrondissementsindeling.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

     In het kader van deze regeling is de opsporing beperkt tot de opsporing van misbruik in het kader van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars door gemeenteambtenaren die op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. In de praktijk betreft dit veelal personen die werkzaam bij de sociale recherche.
     De regeling strekt ertoe te bevorderen dat twee of meer gemeenten die nog geen opsporingssamenwerkingsverband hebben, dan wel een opsporingssamenwerkingsverband hebben met een zeer geringe omvang, een opsporingssamenwerkingsverband opzetten waarin - uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek - ten minste vijf opsporingsambtenaren werkzaam (zullen) zijn, alsmede om te bevorderen dat die gemeenten die reeds zo’n opsporingssamenwerkingsverband met een omvang van vijf met opsporing belaste ambtenaren hebben, dat opsporingssamenwerkingsverband samen met weer nieuwe gemeenten uitbreiden tot een samenwerkingsverband waarin (uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek) ten minste tien met opsporing belaste ambtenaren werkzaam (zullen) zijn. De samenwerking tussen gemeenten dient te blijken uit een door de gemeente getekende samenwerkingsovereenkomst. Dit kan een formele overeenkomst zijn, maar bijvoorbeeld ook een tussen de gemeentebesturen (schriftelijk) overeengekomen regeling. De kosten voor het opzetten van een opsporingssamenwerkingsverband zijn, zo blijkt uit het onderhavige artikel, beperkt tot de eenmalige kosten die verband houden met de opzet en voorafgaande aan de operationele start van het opsporingssamenwerkingsverband zijn gemaakt, dan wel verband houden met de uitbreiding van een bestaand samenwerkingsverband. Deze eenmalige kosten mogen/kunnen, gelet op hun aard, uiteraard niet terugkomen in de jaarlijkse exploitatie van het opsporingssamenwerkingsverband.

 

Artikelen 2, 3 en 4. Subsidie opsporingssamenwerkingsverband; Subsidieaanvraag; Protocol opsporingssamenwerkingsverband

     Teneinde de totstandkoming van een opsporingssamenwerkingsverband met ten minste vijf opsporingsambtenaren, dan wel de verdere uitbreiding van een reeds bestaand opsporingssamenwerkingsverband tot meer gemeenten en ten minste tien opsporingsambtenaren te stimuleren, kan, op verzoek, subsidie worden verleend. Het daartoe strekkende verzoek, dat uiterlijk 1 juli 2003 door de minister ontvangen dient te zijn, moet worden ingediend door een rechtspersoon die daartoe door de gemeentebesturen die een opsporingssamenwerkingsverband opzetten dan wel uitbreiden, is aangewezen. Die rechtspersoon kan één van de gemeenten zijn die bij opsporingssamenwerkingsverband is betrokken, maar ook een andere (zelfstandige) rechtspersoon. Bij de subsidieaanvraag moet in ieder geval een document overgelegd worden waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt ook daadwerkelijk als subsidieaanvrager is aangewezen door de gemeentebesturen die bij het opsporingssamenwerkingsverband zijn betrokken.
     Tegen de achtergrond van het feit dat de subsidie wordt toegekend aan de subsidieaanvrager wordt in de praktijk veelal in het verlengde van het document waarbij de rechtspersoon/subsidieaanvrager wordt aangewezen, tevens een ander document opgesteld, waarin de afspraken zijn opgenomen over de wijze van doorsluizen van de subsidiegelden naar de diverse partijen die bij de samenwerkingsovereenkomst betrokken zijn. Dit laatste document betreft bij uitstek de relatie tussen de partijen bij de samenwerkingsovereenkomst en valt als zodanig buiten het kader van deze regeling.
     Bij de subsidieaanvraag dient naast het document waarbij de rechtspersoon/subsidieaanvrager wordt aangewezen, tevens overgelegd te worden een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst, alsmede een activiteitenplan en een daarbij behorende postgewijze begroting van de eenmalige kosten die in verband met de totstandbrenging dan wel de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband (zullen) worden gemaakt.
     Tot slot dient te worden overgelegd een protocol met betrekking tot de werkwijze van het opsporingssamenwerkingsverband en de wijze waarop in sturingsinformatie wordt voorzien. Dit protocol dient daarnaast in ieder geval waarborgen te bevatten met betrekking tot de bescherming van de persoonlijk levenssfeer van het subject van opsporing en duidelijke regels te bevatten met betrekking tot de inhoud en frequentie van rapportages en financiële verantwoording.

 

Artikelen 5, 6 en 7. Subsidiabele kosten; Omvang subsidie; Subsidieplafond

     In het kader van de onderhavige subsidieregeling, waarop de Algemene Regeling SZW-subsidies van toepassing is, kan een beperkt aantal (eenmalige) kosten voor subsidie in aanmerking worden gebracht. Het betreft hier de kosten die betrekking hebben op het opstellen van een projectplan met betrekking tot het tot stand brengen of uitbreiden van een opsporingssamenwerkingsverband, de verhuiskosten indien besloten wordt om de opsporingsactiviteiten op één lokatie te concentreren, de inrichtingskosten van de gezamenlijke huisvesting van de opsporingsambtenaren die in een opsporingssamenwerkingsverband samenwerken en de kosten van (aanpassing van) automatisering. Voor al deze kosten geldt dat zij slechts dan subsidiabel zijn indien zij noodzakelijk zijn en verband houden met de totstandkoming of uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband.
     Overigens is in dit verband niet elke vorm van totstandbrenging of uitbreiding subsidiabel. Bij de totstandbrenging dient er sprake te zijn van de situatie dat er nog geen opsporingssamenwerkingsverband bestaat waarin, uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek, ten minste vijf ambtenaren belast met de opsporing in de zin van deze regeling samenwerken (dit is overigens niet alleen het geval indien er in het geheel nog geen opsporingssamenwerkingsverband bestaat, maar uiteraard ook het geval indien er een opsporingsamenwerkingsverband bestaat waarin minder dan bedoelde vijf ambtenaren werkzaam zijn) en twee of meer gemeentebesturen een opsporingssamenwerkingsverband tot stand brengen waarin, eveneens uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek, wél ten minste vijf met opsporing belaste ambtenaren gaan samenwerken. Bij de uitbreiding dient er sprake te zijn van de situatie dat er een opsporingssamenwerkingsverband van ten minste vijf met opsporing belaste ambtenaren bestaat en twee of meer gemeentebesturen - samen met weer nieuwe gemeenten - besluiten dat opsporingssamenwerkingsverband uit te breiden tot ten minste tien met opsporing belaste ambtenaren. Ook in deze situatie wordt uitgegaan van de uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek. Voor de goede orde zij er in verband op gewezen dat de ambtenaren die in het opsporingssamenwerkingsverband samenwerken niet op individuele basis fulltime werkzaam behoeven te zijn; het betreft hier de formele formatie van het opsporingssamenwerkingsverband die (uiteraard) feitelijk door parttimeambtenaren ingevuld kan worden. Voor de bepaling van de volledige werkweek wordt aangesloten bij de vigerende CAO voor de desbetreffende ambtenaren.
     De subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien het protocol niet dan wel onvoldoende voldoet aan hetgeen dienaangaande in artikel 4 is bepaald.
     Volledigheidshalve zij er nog op gewezen dat het van toepassing zijn van de Algemene Regeling SZW-subsidies onder andere met zich brengt dat subsidieverstrekking slechts plaats vindt voor zover het werkelijk gemaakte kosten ter uitvoering van subsidiabele activiteiten betreft. Subsidieverstrekking vindt niet plaats voor zover het onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van subsidiabele activiteiten betreft, dan wel betrekking heeft op kosten gemaakt ter uitvoering van activiteiten die redelijkerwijs niet passen in de omschreven subsidiabele activiteiten.
     De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 5 van de regeling, met dien verstande dat bij het tot stand brengen van een opsporingssamenwerkingsverband de subsidie nooit hoger
kan zijn dan €|110 000,- en bij de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband de subsidie nooit hoger kan zijn dan €|110 000,-. Gelet op het feit dat het vanuit een oogmerk van doelmatigheid de voorkeur verdient dat een opsporingssamenwerkingsverband zich binnen één arrondissement concentreert, wordt, teneinde die concentratie te bevorderen, de subsidie eenmalig verhoogd met €|45 000,- indien deze beoogde concentratie plaatsvindt.
     Voor de toepassing van deze regeling
is ten hoogste €|6 800 000,- beschikbaar. Mede tegen de achtergrond hiervan worden, overeenkomstig artikel 5, vierde lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies, de subsidieaanvragen in volgorde van binnenkomst behandeld.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x