Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2007   Intrekking Stcrt. 2001, 249 Stcrt. 2001, 249
05-03-2004 01-01-2004 Wijziging Stcrt. 2004, 43 Stcrt. 2004, 43
05-04-2003 01-09-2002 Wijziging Stcrt. 2003, 66 Stcrt. 2003, 66
04-04-2002 01-04-2002 Wijziging Stcrt. 2002, 63 Stcrt. 2002, 63
01-01-2002   Nieuwe regeling Stcrt. 2001, 249 Stcrt. 2001, 249

 

 

REGELING tot het verstrekken van subsidie teneinde te bevorderen dat gemeenten door middel van klantmanagement een extra impuls geven aan activering en uitstroom van personen die zijn aangewezen op een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Tijdelijke stimuleringsregeling bevordering activering en uitstroom Abw, Ioaw of Ioaz door middel van klantmanagement)

20 december 2001/nr. BZ/BU/2001/86647
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
     Gelet op artikel 3, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Wwb: Wet werk en bijstand;
c. Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
d. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
e. Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
f. belanghebbende: de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van de Wwb, Ioaw, Ioaz of het Bbz 2004 en aan wie burgemeester en wethouders ter uitvoering van de Wwb, Ioaw, Ioaz of het Bbz 2004 een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wwb hebben aangeboden;
g. traject: traject: de uitvoering van een voorziening als bedoeld in onderdeel f;
h. uitstroom: het beëindigen dan wel wijzigen van de uitkering op grond van de Wwb, Ioaw, Ioaz of het Bbz 2004 op grond van het feit dat belanghebbende door middel van het verrichten van arbeid in loondienst, dan wel door middel van het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of beroep, geheel of gedeeltelijk zelfstandig in de noodzakelijke kosten van het bestaan voorziet;
i. klantmanagement: werkwijze waarbij een belanghebbende een functionaris heeft als vast aanspreekpunt in zijn relatie met de gemeente en die optreedt als begeleider en trajectcoördinator van die belanghebbende.

 

Art. 1a. Overgangsrecht Algemene bijstandswet
De indiening van de jaaropgave over het kalenderjaar 2003, alsmede de beoordeling van die jaaropgave en van de jaaropgave over het kalenderjaar 2002 en het verbinden van gevolgen aan die jaaropgaven, vinden plaats met inachtneming van de Tijdelijke stimuleringsregeling bevordering activering en uitstroom Abw, Ioaw of Ioaz door middel van klantmanagement zoals die regeling luidde op 31 december 2003.

 

Art. 2. Doel van de regeling
Doel van de regeling is om te bevorderen dat gemeenten, mede door middel van de invoering en toepassing dan wel verdere invoering en toepassing van klantmanagement, een extra impuls geven aan de activering en uitstroom van personen die zijn aangewezen op een uitkering op grond van de Wwb, Ioaw, Ioaz of het Bbz 2004.

 

Art. 3. Algemene Regeling SZW-subsidies
De Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.

 

Art. 4. Subsidie aan gemeente
De minister verleent aan de gemeenten, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling, op aanvraag subsidie ter bevordering van activering en uitstroom van personen die zijn aangewezen op een uitkering krachtens de Wwb, Ioaw, Ioaz of het Bbz 2004.

 

Art. 5. Subsidievoorwaarden
-1. Subsidie voor een traject wordt verleend tot en met 31 december 2005.
-2. Subsidie voor een traject wordt verleend voor het kalenderjaar waarin door burgemeester en wethouders aantoonbaar uitvoering wordt gegeven aan de in het kader van het traject aangeboden voorziening.
-3. Per belanghebbende wordt slechts eenmaal subsidie verleend voor een traject.
-4. Subsidie voor uitstroom wordt verleend tot en met 31 december 2006.
-5. Subsidie voor uitstroom wordt verleend, indien:
a. de uitstroom betrekking heeft op een belanghebbende die heeft deelgenomen aan een traject dat in het kader van deze regeling voor subsidie in aanmerking komt;
b. door burgemeester en wethouders is aangetoond dat belanghebbende door middel van het verrichten van arbeid in loondienst, dan wel door middel van het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of beroep, volledig of gedeeltelijk zelfstandig in de noodzakelijke kosten van het bestaan voorziet.
-6. Bij het bepalen van de hoogte van de uitstroom telt een belanghebbende maximaal één keer volledig mee. Een belanghebbende die gedeeltelijk zelfstandig in de noodzakelijke kosten van het bestaan is gaan voorzien, kan bij het bepalen van de hoogte van de uitstroom slechts worden meegeteld indien deze belanghebbende in de maand januari van een kalenderjaar geen inkomsten uit arbeid had en in de maanden november en december van hetzelfde kalenderjaar en januari van het volgende kalenderjaar over inkomsten uit arbeid beschikt. Deze belanghebbende wordt bij het bepalen van de hoogte van de uitstroom voor 50% meegeteld. Indien deze belanghebbende vervolgens volledig zelfstandig in de noodzakelijke kosten van het bestaan is gaan voorzien, wordt deze belanghebbende bij het bepalen van de hoogte van de uitstroom opnieuw voor 50% meegeteld. De uitstroom telt mee in het jaar van feitelijke uitstroom. Uitstroom naar arbeid die mede wordt bekostigd als een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wwb komt, onverminderd het vijfde lid, slechts voor subsidie in aanmerking indien met betrekking tot die arbeid geen subsidie voor een traject is aangevraagd.
-7. De uitstroom op 31 december 2006 bedraagt 40% van het totale aantal tot en met 31 december 2005, overeenkomstig bijlage 1, te realiseren trajecten.

 

Art. 6. Beschikbaar budget en verdeling van het budget
-1. Het voor deze regeling beschikbare budget bedraagt voor de kalenderjaren 2002 tot en met 2006 gezamenlijk €|125 990 100,00.
-2. De subsidie voor een traject bedraagt €|900,00. De aan de gemeenten ter beschikking te stellen maximale subsidie bedraagt een veelvoud van €|900,00.
-3. In bijlage 1 bij deze regeling is opgenomen de per gemeente ter beschikking te stellen maximale subsidie, de verdeling daarvan met betrekking tot de te realiseren trajecten en de te realiseren uitstroom uit die trajecten, alsmede de aantallen te realiseren trajecten en uitstroom.

 

Art. 7. Vervallen.

 

Art. 8. Bevoorschotting
-1. De minister betaalt op of omstreeks 1 september van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft aan burgemeester en wethouders een voorschot van de subsidie.
-2. Het voorschot bedraagt telkens 100% van het voor het desbetreffende kalenderjaar voor een gemeente van toepassing zijnde voorschotbedrag, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
-3. De minister kan met betrekking tot de kalenderjaren 2005 of 2006 het voorschot, bedoeld in het tweede lid, verlagen indien uit de jaaropgave met betrekking tot het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarop het voorschot betrekking heeft, blijkt dat burgemeester en wethouders minder dan 50% van de overeenkomstig bijlage 1 bij deze regeling totaal te realiseren uitstroom hebben gerealiseerd.

 

Art. 9. Jaaropgave
-1. De minister ontvangt uiterlijk 1 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft van burgemeester en wethouders een opgave van de in het desbetreffende kalenderjaar gerealiseerde trajecten of uitstroom. De jaaropgave over het kalenderjaar 2005 bevat tevens een opgave van het totale aantal vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 gerealiseerde trajecten. De jaaropgave over het kalenderjaar 2006 bevat tevens een opgave van de totale vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 gerealiseerde uitstroom. De jaaropgaven over onderscheidenlijk de kalenderjaren 2002 tot en met 2006 zijn voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 213 van de Gemeentewet indien voor het kalenderjaar waarop de jaaropgave betrekking heeft een voorschot van €|50 000,00 of meer is verleend.
-2. Bij de indiening van de jaaropgave, of indien van toepassing, de verklaring van een accountant als bedoeld in het eerste lid, maken burgemeester en wethouders gebruik van het daarvoor verstrekte formulier, dat is ingericht overeenkomstig het model van bijlage 3 respectievelijk bijlage 4 bij deze regeling en is voorzien van een voor iedere gemeente uniek kenmerk.
-3. De verklaring van een accountant als bedoeld in het eerste lid is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling voorgeschreven controle- en rapportageprotocol.

 

Art. 10. Opschorting bevoorschotting
-1. Indien de jaaropgave, of indien van toepassing, de verklaring van een accountant, bedoeld in artikel 9, eerste lid, niet of niet volledig op uiterlijk 1 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de jaaropgave betrekking heeft door de minister is ontvangen, kan de minister de betaling van een voorschot als bedoeld in artikel 8, eerste lid, opschorten.
-2. Hervatting van de betaling en nabetaling van het aangehouden voorschot vindt zo spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde jaaropgave of verklaring.

 

Art. 11. Subsidievaststelling
-1. Met inachtneming van de artikelen 5 en 6 stelt de minister de subsidie vast:
a. voor trajecten binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave over het kalenderjaar 2005; en
b. voor uitstroom binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave over het kalenderjaar 2006.
-2. De subsidie voor trajecten wordt vastgesteld door het totale aantal vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 gerealiseerde trajecten te delen door het totale aantal te realiseren trajecten tot en met 31 december 2005 dat in bijlage 1 met betrekking tot de desbetreffende gemeente is vermeld en deze breuk te vermenigvuldigen met het maximale bedrag dat in bijlage 1 met betrekking tot de desbetreffende gemeente voor het realiseren van trajecten beschikbaar is gesteld.
-3. De subsidie voor uitstroom wordt vastgesteld door de totale vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 gerealiseerde uitstroom te delen door de tot en met 31 december 2006 te realiseren uitstroom die in bijlage 1 met betrekking tot de desbetreffende gemeente is vermeld en deze breuk te vermenigvuldigen met het maximale bedrag dat in bijlage 1 met betrekking tot de desbetreffende gemeente voor het realiseren van uitstroom beschikbaar is gesteld.
-4. Indien de jaaropgave niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft, dan wel, indien van toepassing, niet is voorzien van de verklaring van een accountant, bedoeld in artikel 9, eerste lid, stelt de minister de subsidie ambtshalve vast.

 

Art. 11a. Compensatie
Indien burgemeester en wethouders bij de jaaropgave over het kalenderjaar 2006 aantonen dat vaststelling van de subsidie op grond van de beschikking tot subsidieverlening die na 1 april 2003 is afgegeven tot een lagere subsidie leidt dan bij vaststelling van de subsidie op grond van de beschikking tot subsidieverlening die vóór of uiterlijk 1 september 2002 is afgegeven het geval is, stelt de minister de subsidie vast ter hoogte van het bedrag dat uit de subsidievaststelling op grond van de beschikking tot subsidieverlening die vóór of uiterlijk 1 september 2002 is afgegeven, voortvloeit.

 

Art. 11b. Vervroegde subsidievaststelling
-1. Indien uit de jaaropgave over 2004 blijkt dat burgemeester en wethouders op 31 december 2004 80% of meer van het in het kalenderjaar 2003 afgegeven herziene beschikking tot subsidieverlening opgenomen aantal tot en met 31 december 2004 te realiseren trajecten en 80% of meer van het in die beschikking opgenomen aantal tot en met 31 december 2004 te realiseren uitstroom hebben gerealiseerd en, voor zover de in bijlage 1 bij deze regeling voor de desbetreffende gemeente opgenomen bevoorschotting over de kalenderjaren 2004 tot en met 2006 tezamen meer dan €|50 000,00 bedraagt, die jaaropgave is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 213 van de Gemeentewet, stelt de minister, binnen zes maanden na ontvangst van die jaaropgave, in afwijking van de artikelen 5, 8, 9 en 11, de subsidie voor de desbetreffende gemeente vast op het in de herziene beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
-2. Indien uit de jaaropgave over 2005 blijkt dat burgemeester en wethouders op 31 december 2005 100% van het in het kalenderjaar 2003 afgegeven herziene beschikking tot subsidieverlening opgenomen aantal tot en met 31 december 2005 te realiseren trajecten en 80% of meer van het in die beschikking opgenomen aantal tot en met 31 december 2005 te realiseren uitstroom hebben gerealiseerd en, voor zover de in bijlage 1 bij deze regeling voor de desbetreffende gemeente opgenomen bevoorschotting over de kalenderjaren 2005 en 2006 tezamen meer dan €|50 000,00 bedraagt, die jaaropgave is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 213 van de Gemeentewet, stelt de minister, binnen zes maanden na ontvangst van die jaaropgave, in afwijking van de artikelen 5, 8, 9 en 11, de subsidie voor de desbetreffende gemeente vast op het in de herziene beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
-3. Artikel 8, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de betaling van de subsidie, bedoeld in het eerste of tweede lid, met dien verstande dat, indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, de betaling van de subsidie die betrekking heeft op het kalenderjaar 2006 uiterlijk 1 juli 2006 plaatsvindt.
-4. De verklaring van de accountant, bedoeld in het eerste of tweede lid, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling voorgeschreven controle- en rapportageprotocol.

 

Art. 12. Administratieve verplichtingen
Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig is ingericht dat, naast een nauwkeurige en inzichtelijke vastlegging van de trajecten en de gerealiseerde uitstroom als bedoeld in deze regeling, alle overige van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.

 

Art. 13. Verantwoording
Met het toezicht op de naleving van de subsidievoorwaarden is belast de Accountantsdienst van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 14. Informatieverstrekking
-1. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister, de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of de Accountantsdienst, bedoeld in artikel 13, kosteloos alle inlichtingen die hij voor het toezicht en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen inzage in de administratie ter zake van belang zijnde bescheiden.
-2. Indien de minister op grond van artikel 11b, eerste lid, de subsidie heeft vastgesteld, stellen burgemeester en wethouders de minister uiterlijk 1 juli 2006 in kennis van de in de desbetreffende gemeente in 2005 gerealiseerde trajecten en uitstroom en uiterlijk 1 juli 2007 van de in 2006 gerealiseerde uitstroom. Indien de minister op grond van artikel 11b, tweede lid, de subsidie heeft vastgesteld, stellen burgemeester en wethouders de minister uiterlijk 1 juli 2007 in kennis van de in de desbetreffende gemeente in 2006 gerealiseerde uitstroom.

 

Art. 15. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002 en vervalt met ingang van 1 januari 2007.
-2. De regeling, zoals die vóór de datum waarop deze vervalt geldt, blijft van toepassing op de financiële afwikkeling van de subsidie van de minister aan gemeenten, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling.

 

Art. 16. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling bevordering activering en uitstroom Abw, Ioaw of Ioaz door middel van klantmanagement.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 1, 2 en 3 worden met ingang van 1 januari 2002 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag. De bijlagen 4 en 5 worden met ingang van 1 maart 2002 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.¹

1. Raadpleeg voor bijlage 1 Staatscourant 2003, 66. De bijlagen 3, 4 en 5 liggen met ingang van 1 april 2004 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van SZW (Stcrt. 2004, 43), red.

 

’s-Gravenhage, 20 december 2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

TOELICHTING
[20 december 2001]

 

Algemeen

 

     Op 24 april 2001 hebben de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bestuurlijke afspraken gemaakt in het kader van de Agenda voor de Toekomst. Deze afspraken vormen een concretisering van de intentieverklaring Een gezamenlijke Agenda voor de toekomst, waarover de Minister van SZW en de VNG in september 2000 overeenstemming bereikten.
     De bestuurlijke afspraken hebben betrekking op extra maatregelen die ertoe moeten leiden dat bijstandsgerechtigden sneller aan het werk gaan of maatschappelijk actief worden. Er zijn afspraken gemaakt over onder meer de gemeentelijke regiefunctie, experimenten, sluitende keten, deregulering, fraude en minimabeleid.
     Daarnaast hebben de Minister van SZW en de VNG afgesproken om het klantmanagement bij gemeenten de komende jaren op sterkte te brengen. Klantmanagement levert een belangrijke bijdrage aan een efficiënte aanpak van de uitstroom en activering van bijstandsgerechtigden. Gemeenten geven hieraan steeds meer invulling. De klantmanager bij gemeenten is zowel aanspreekpunt voor de klant als regisseur van het gehele traject, waarbij zowel werk-, reïntegratie- als inkomensaspecten in onderlinge samenhang worden bezien.
     In de bestuurlijke afspraken over klantmanagement is ook vastgelegd dat de Minister van SZW en de VNG ernaar streven dat gemeenten zoveel mogelijk aspecten van reïntegratie uitbesteden aan private - niet aan gemeenten gelieerde - partijen, waaronder de uitvoering van trajectplannen. Als en voor zover aan de gemeente gelieerde bedrijven (i.c. Wsw- en Wiw-bedrijven) in aanmerking komen voor de gunning van reïntegratieactiviteiten, dan dient dat onder dezelfde voorwaarden te gebeuren als bij private ondernemingen en onder het stellen van dezelfde kwaliteitseisen. Een transparante aanbestedingsprocedure met vooraf vastgestelde objectieve criteria is daarbij een vereiste.
     Klantmanagement en het zoveel mogelijk uitbesteden aan private partijen zijn ook uitgebreid aan de orde gekomen in het kader van de nieuwe Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) [zie Wet SUWI, red.]. Het algemene uitgangspunt met betrekking tot reïntegratieactiviteiten is dat alleen met reïntegratiebedrijven contracten zullen worden gesloten. Dit geldt in beginsel ook voor gemeenten. Over klantmanagement is in het kader van SUWI vastgelegd dat gemeenten, evenals UWV [Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.] en CWI, bevorderen dat klanten zoveel mogelijk met de klantmanager (die optreedt als begeleider en trajectcoördinator) als vast aanspreekpunt te maken hebben. Overigens zullen delen van de feitelijke begeleiding en coördinatie worden uitgevoerd door het reïntegratiebedrijf. Gemeenten houden in elk geval de regie in handen. Daar waar trajectbegeleiding en coördinatie worden uitbesteed, kan dit ook worden gefinancierd uit het scholings- en activeringsbudget van de Wet inschakeling werkzoekenden.
     In de bestuurlijke afspraken tussen de Minister van SZW en de VNG is vastgelegd dat van rijkszijde een financiële impuls beschikbaar wordt gesteld voor het op sterkte brengen van klantmanagement, mits de betrokken gemeente bereid is een resultaatsverplichting af te spreken over wederzijds nader overeen te komen voorwaarden.
     Voor de G4 en de G21 (plus vijf gemeenten die zich hierbij hebben aangesloten) is deze afspraak ingevuld door de intentie om met deze gemeenten nadere concrete afspraken te maken. Met de gemeenten Den Haag en Utrecht is dit inmiddels gebeurd. De Minister van SZW levert een financiële bijdrage aan de invoering van een intensieve aanpak door middel van het klantmanagement onder de voorwaarde dat gemaakte afspraken over het aantal uit te voeren trajecten en de uitstroom vanuit deze trajecten wordt gerealiseerd.
     Voor alle andere gemeenten dan de hiervoor genoemde G4, G21 plus de vijf daarbij aangesloten gemeenten wordt de bestuurlijke afspraak die de Minister van SZW en de VNG in het kader van de Agenda voor de Toekomst hebben gemaakt, geconcretiseerd door middel van de onderhavige, tijdelijke regeling. In bijlage 1 is aangegeven welke gemeenten voor deze eenmalige regeling in aanmerking kunnen komen.
     Bij het maken van bestuurlijke afspraken met de G4 en de G26 in het kader van de Agenda voor de Toekomst geldt als uitgangspunt dat alleen afspraken met gemeenten worden gemaakt waarvan geconstateerd is dat de uitvoering op orde is. Het ligt voor de hand dat ook de gemeenten genoemd in bijlage 1 in beginsel niet voor subsidie in aanmerking komen indien bij een gedetailleerd onderzoek tot op dossierniveau (zoals in de brief van 6 december aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TZ/BZ/2001/82286a) omschreven) tekortkomingen in de Abw-uitvoering zijn vastgesteld. Indien dergelijke tekortkomingen zijn geconstateerd, dan zal een bestuurlijk gesprek tussen SZW en de betreffende gemeente plaatsvinden.
     De gemeenten genoemd in bijlage 1 dienen elk afzonderlijk een aanvraag in te dienen. Het is niet mogelijk dat gemeenten een gezamenlijke aanvraag indienen, omdat dit uiteindelijk meer administratieve verplichtingen in het kader van deze regeling voor gemeenten met zich mee zou brengen. Uiteraard is het mogelijk dat gemeenten die met betrekking tot activering en uitstroom samenwerken met andere gemeenten deze samenwerking voortzetten bij de uitvoering van hun werkzaamheden.
     De subsidiegelden kunnen worden gebruikt om de werkprocessen zodanig aan te passen dat de werkwijze van het klantmanagement integraal werkzaam is in de organisatie en dat er sprake is van een zichtbare versnelling en vergroting van de effectiviteit van de sluitende aanpak.
     Conform de afspraak uit de Agenda voor de Toekomst ligt het accent in de regeling niet op het middel (het klantmanagement), maar op het beoogde resultaat. De subsidiëring is niet gebaseerd op de mate waarin klantmanagement is gerealiseerd, maar vindt plaats op basis van het aantal trajecten dat gemeenten realiseren in de periode tot en met 2004 en op de uitstroom uit deze trajecten (die kan doorlopen tot 2006). Trajecten vergroten de kans op werk voor cliënten van wie is vastgesteld dat zij niet direct bemiddelbaar zijn (fase-2-, 3- en 4-klanten). Overigens dient vanzelfsprekend altijd te worden afgewogen of directe arbeidsbemiddeling mogelijk is en pas als dit aantoonbaar geen optie is, kan een traject met betrokkene worden afgesproken. Het gaat er immers niet primair om zoveel mogelijk trajecten te realiseren, maar om het weer doen voorzien in het zelfstandig bestaan van de cliënt, bij voorkeur door middel van betaalde, reguliere arbeid.
     Gemeenten leggen afspraken over reïntegratie vast in een zogenoemd trajectplan. Dit plan wordt door de gemeente vastgesteld en wordt als bijlage bij de (herziene) uitkeringsbeschikking opgenomen. Deze bijlage dient door de cliënt en door burgemeester en wethouders te worden ondertekend.
     Gelet op het uitgangspunt dat trajecten een belangrijke bijdrage leveren om weer aan het werk te komen, is uitstroom naar werk het tweede onderdeel waarop gesubsidieerd wordt. Bij uitstroom gaat het om regulier en gesubsidieerd werk, waarbij regulier en duurzaam werk (in dienstbetrekking of in eigen bedrijf of beroep) de voorkeur heeft.
     In bijlage 1 bij de regeling is aangegeven van welke resultaten de Minister van SZW met betrekking tot trajecten en uitstroom op voorhand uitgaat. Er wordt uitgegaan van een cumulatieve uitstroom naar werk van 40% in 2006. Zonder extra inspanning zou eind 2006 ongeveer 30% van de groep die een traject ontvangt uitgestroomd zijn naar werk. Dit geeft aan dat van gemeenten een extra resultaat verwacht wordt door de inzet van middelen voor een extra impuls aan activering en uitstroom, mede door (verdere) invoering en toepassing van klantmanagement.
     In de bijlage is het aandeel van de gemeente in het bijstandsvolume (Abw + Ioaw + Ioaz) als verdeelsleutel gehanteerd. Gemeenten kunnen bij de subsidieaanvraag aansluiten bij deze berekening van de Minister van SZW, maar ook aangeven dat zij minder of meer trajecten willen uitvoeren. Indien een gemeente meer trajecten wil uitvoeren, kan de aanvraag voor het meerdere alleen worden gehonoreerd indien andere gemeenten minder trajecten aanvragen.
     Overigens zal deze regeling circa een jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Het ligt voor de hand dat bij het moment van evaluatie wordt aangesloten op de meting die jaarlijks in het kader van de Agenda voor de Toekomst zal plaatsvinden om te bepalen in welke mate de landelijke trendontwikkeling wordt gerealiseerd.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

     In het kader van deze regeling is het begrip belanghebbende beperkt tot die Abw-, Ioaw- en Ioaz-gerechtigde die de bijlage bij het besluit tot toekenning, voortzetting of herziening van de uitkering, waarin een plan als bedoeld in artikel 70, derde lid, van de Abw, artikel 18, derde lid, van de Ioaw of artikel 18, derde lid, van de Ioaz, te weten een plan gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces, is opgenomen, daadwerkelijk voor gezien heeft getekend. Het betreft derhalve uitsluitend die Abw-, Ioaw- en Ioaz-gerechtigden met wie burgermeester en wethouders concrete activiteiten hebben afgesproken die ertoe moeten leiden dat die uitkeringsgerechtigden op termijn weer een plek op de arbeidsmarkt (kunnen) verwerven.
     Overigens is in het begrippenkader van deze regeling niet alleen het begrip "belanghebbende" beperkt, ook het begrip "uitstroom" bevat een beperking. Zo wordt in het onderhavige kader onder uitstroom slechts die beëindigingen, wijzigingen van de uitkeringssituatie verstaan die voortvloeien uit het feit dat belanghebbende door middel van het verrichten van arbeid in loondienst, dan wel door middel van het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of beroep, (weer) geheel of gedeeltelijk zelfstandig in noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien.

 

Artikel 2. Doel van de regeling

     De regeling strekt ertoe dat, mede door middel van (verdere) invoering en toepassing van het klantmanagement, een extra impuls wordt gegeven aan de activering en uitstroom van personen. Toepassing van de werkwijze klantmanagement, waarbij werkzoekenden een vast aanspreekpunt krijgen toegewezen, beoogt te bereiken dat belanghebbenden eerder en frequenter worden opgeroepen en efficiënter worden begeleid. Deze regeling heeft derhalve als uitgangspunt dat er een kwaliteits- en kwantiteitsslag plaatsvindt, waardoor meer resultaat wordt bereikt dan via het staande beleid.

 

Artikelen 4 en 5. Subsidie aan gemeente; Subsidievoorwaarden

     De regeling voorziet erin dat gemeenten die daartoe zijn aangewezen in bijlage 1 en een aanvraag hebben ingediend, subsidie te verlenen, teneinde hen in staat te stellen een extra impuls te geven aan de bevordering van activering en uitstroom van Abw- , Ioaw- en Ioaz-gerechtigden. Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven, is er uitdrukkelijk voor gekozen om de financiële stimulans niet op het daartoe meest geëigende middel, klantmanagement, te richten, maar op het beoogde resultaat.
     Aan de activering en uitstroom worden in het kader van deze regeling nadere voorschriften verbonden. Zo komen trajecten (onder andere) alleen dan voor subsidie in aanmerking indien zij in uitvoering zijn genomen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004. Trajecten zijn subsidiabel in het kalenderjaar waarin belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van de aanvangsdatum van de feitelijke uitvoering van het door burgemeester en wethouders en belanghebbende getekende trajectplan. Een afschrift van deze kennisgeving dient te zijn opgenomen in de administratie van de gemeente. De kennisgeving kan van de gemeente afkomstig zijn, maar ook van de uitvoerder van het traject (zoals een privaat reïntegratiebedrijf of een zorginstelling). Als niet de gemeente belanghebbende een afschrift stuurt, maar de uitvoerder, is het voor de gemeente van belang dat met deze uitvoerder wordt afgesproken dat een afschrift van de kennisgeving naar de gemeente wordt gezonden.
     Zowel voor de trajecten als voor de uitstroom geldt dat deze per belanghebbende slechts eenmaal voor 100% subsidie in aanmerking komen. Uitgesloten is derhalve dat het vanuit een oogmerk van subsidieverkrijging financieel aantrekkelijk zou kunnen zijn om met een belanghebbende in plaats van een langdurig, over verschillende kalenderjaren verspreid traject, per kalenderjaar telkens een (deel)traject af te spreken.
     De uitstroom is vanaf 1 januari 2002 subsidiabel. Er wordt van uitgegaan dat de cumulatieve uitstroom van de tot en met 31 december 2002, overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening uit te voeren trajecten, 10,0% bedraagt. Voor het kalenderjaar 2003 wordt ervan uitgegaan dat de cumulatieve uitstroom van de tot en met 31 december 2003, overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening uit te voeren trajecten, 17,1% bedraagt. Met betrekking tot de kalenderjaren 2004, 2005 en 2006 wordt uitgegaan van een cumulatief percentage van onderscheidenlijk 23,7, 34,7 en 40 van de overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening uit te voeren trajecten tot en met 31 december 2004. De hiervoor vermelde percentages zijn tot stand gekomen door de totale uitstroom en het totaal van gerealiseerde trajecten tot en met ultimo de respectievelijke kalenderjaren door elkaar te delen.
     Tegen de achtergrond van het feit dat in de onderhavige regeling aan het begrip uitstroom een specifieke betekenis wordt toegekend, is als subsidievoorwaarde uitdrukkelijk opgenomen dat uit het beëindigingsonderzoek, bedoeld in artikel 66, vijfde lid, van de Abw, artikel 14, vijfde lid, van de Ioaw of artikel 14, vijfde lid, van de Ioaz blijkt dat de uitkering is beëindigd op grond van het feit dat belanghebbende ofwel door middel van het verrichten van arbeid in loondienst, dan wel door middel van het verrichten van het arbeid in eigen bedrijf of beroep (weer) volledig zelfstandig in de noodzakelijke kosten van het bestaan voorziet, dan wel dat anderszins uit de administratie, bedoeld in artikel 117, eerste lid, van de Abw, artikel 41, eerste lid, van de Ioaw of artikel 41, eerste lid, van de Ioaz, blijkt dat belanghebbende door middel van het verrichten van arbeid in eigen bedrijf of beroep gedeeltelijk zelfstandig in de noodzakelijke kosten van het bestaan voorziet. Doordat uitstroom pas voor 100% subsidiabel is als de uitstroom tijdens het beëindigingsonderzoek wordt vastgesteld, wordt voorkomen dat zogeheten "draaideurcliënten" die snel na de uitstroom (voordat het bëindigingsonderzoek plaatsvindt) hun baan verliezen en opnieuw een uitkering aanvragen, (ook) geheel meetellen als uitgestroomd. Op deze wijze wordt bevorderd dat gemeenten zich zullen richten op uitstroom naar duurzame arbeid.
     Volledige uitstroom telt mee in het jaar dat de belanghebbende feitelijk is uitgestroomd, onder de voorwaarde dat het besluit naar aanleiding van het beëindigingsonderzoek uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar van uitstroom plaatsvindt. Een belanghebbende die gedeeltelijk uitstroomt, wordt bij het bepalen van de hoogte van de uitstroom voor 50% meegeteld.
     Hieraan is de voorwaarde gekoppeld dat de belanghebbende in de maand januari van een kalenderjaar geen inkomsten uit arbeid had (inkomsten uit andere bronnen dan arbeid, zoals WAO of alimentatie, zijn wel toegestaan) en in de maanden november en december van hetzelfde kalenderjaar en januari van het volgende kalenderjaar wel over inkomsten uit arbeid beschikte. Indien deze belanghebbende vervolgens volledig uitstroomt, kan deze opnieuw voor 50% worden meegeteld. Uit de administratie moet blijken dat belanghebbende door middel van het verrichten van arbeid gedeeltelijk zelfstandig in de noodzakelijke kosten van het bestaan voorziet.
     Een belanghebbende telt maximaal één keer volledig mee bij het bepalen van de hoogte van de uitstroom. Dit is voor 100% indien een belanghebbende in één kalenderjaar volledig uitstroomt. Ook belanghebbenden die binnen één kalenderjaar eerst gedeeltelijk en vervolgens volledig uitstromen, tellen voor dat kalenderjaar voor 100% mee.

 

Artikel 6. Beschikbaar budget en verdeling van het budget

     Het budget dat voor deze regeling beschikbaar is, bedraagt in de kalenderjaren 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006 onderscheidenlijk €|26,2 miljoen, €|40,3 miljoen, €|40,3 miljoen, €|16,7 miljoen en €|8,0 miljoen. Voor de verdeling van de middelen is uitgegaan van de aantallen bijstandsontvangers (Abw, Ioaw en Ioaz) per gemeente die ten grondslag liggen aan het totale volume aan bijstandsontvangers 2000 zoals deze wordt gehanteerd in de verdeelmaatstaf gemeentefonds. De verdeling van de gegeven middelen geschiedt dan naar rato van het aantal bijstandsontvangers per gemeente in verhouding tot het landelijke aantal bijstandsontvangers zoals vervat in de verdeelmaatstaf 2000 gemeentefonds. De aan de gemeente ter beschikking te stellen subsidie is een veelvoud van €|900,-, tot het bedrag van de vooraf berekende subsidie.
     In bijlage 1 bij deze regeling is het aldus vastgestelde subsidiebedrag per gemeente die deel kan nemen aan deze regeling opgenomen, alsmede het daarmee corresponderende aantal trajecten per kalenderjaar.
     Dit subsidiebedrag wordt voor het jaar 2002 aan de gemeenten als voorschot verstrekt, ongeacht of door burgemeester en wethouders een subsidieaanvraag is ingediend. Deze ongevraagde subsidieverlening brengt met zich mee dat een gemeente die gebruik wil maken van deze regeling feitelijk vanaf 1 januari 2002 kan handelen als ware de in bijlage 1 vermelde subsidie voor die gemeente, dan wel indien de gemeente minder subsidie wenst, die lagere subsidie, zou zijn verleend.

 

Artikelen 7 en 8. Indiening aanvraag; Bevoorschotting

     Hoewel de bevoorschotting voor het kalenderjaar 2002 plaatsvindt, ongeacht of van burgemeester en wethouders een subsidieaanvraag is ontvangen, is in het kader van deze regeling wel vereist dát een subsidieaanvraag wordt ontvangen. Die aanvraag dient uiterlijk 1 april 2002 door de minister te zijn ontvangen. Bij het indienen van de aanvraag dient gebruik gemaakt te worden van het formulier dat is ingericht overeenkomstig het model als vervat in bijlage 2 bij de regeling. Indien de minister niet op uiterlijk die datum de subsidieaanvraag van een gemeente heeft ontvangen, stelt hij ten aanzien van die gemeente de subsidie op nihil vast en vordert hij het voorschot voor het kalenderjaar 2002 terug. Het feit dat slechts eenmalig een subsidieaanvraag kan worden ingediend voor de gehele periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006, brengt met zich mee dat gemeenten waarvan de subsidieaanvraag niet of niet tijdig is ingediend, voor de gehele periode van subsidie zijn uitgesloten. In de subsidieaanvraag geven gemeenten voor de gehele periode aan of zij voor het in bijlage 1 vermelde subsidiebedrag in aanmerking willen komen, dan wel voor een hoger of een lager bedrag. Dat hogere of lagere bedrag dient alsdan eveneens een veelvoud te zijn van de subsidie per traject, te weten €|900,-. Ingeval burgemeester en wethouders, voor wat het aantal trajecten en de onlosmakelijk daaraan verbonden uitstroom betreft, een lager "verplichtingenniveau" wensen en derhalve een lager subsidiebedrag aanvragen, verlaagt de minister de subsidie tot het bedrag dat burgemeester en wethouders hebben aangevraagd en vordert hij het voorschot voor 2002, voor zover dat hoger was dan het verlaagde subsidiebedrag, terug.
     De minister kan de financiële middelen die overblijven doordat gemeenten geen subsidie aanvragen of een lagere subsidie aanvragen, verdelen over die gemeenten die een hogere subsidie hebben aangevraagd. Op deze herverdeling van de financiële middelen is artikel 6, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. Voor zover deze herverdeling leidt tot een hogere subsidie dan de vooraf berekende subsidie, keert de minister deze hogere subsidie voor het kalenderjaar 2002 zo spoedig mogelijk bij wijze van voorschot in één keer uit. Burgemeester en wethouders van wie de subsidieaanvraag tijdig is ontvangen, ontvangen uiterlijk 1 september 2002 van de minister de beschikking tot subsidieverlening. In deze beschikking is het voor de jaren 2002 tot en met 2006 vastgestelde maximale subsidiebedrag opgenomen, alsmede het maximaal aantal subsidiabele trajecten in de jaren 2002 tot en met 2004 en de maximaal subsidiabele uitstroomaantallen uit de trajecten in de jaren 2002 tot en met 2006.
     De bevoorschotting is gelijk aan de in de beschikking vermelde maximale subsidiebedragen voor de jaren 2003 tot en met 2006. Voor het jaar 2002 is het voorschot gelijk aan het bedrag vermeld in bijlage 1.

 

Artikelen 9 en 10. Jaaropgave; Opschorten bevoorschotting

     Uiterlijk 1 mei van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, ontvangt de minister van burgemeester en wethouders een opgave van de gerealiseerde trajecten of uitstroom die in het kader van deze regeling voor subsidie in aanmerking komt. Met nadruk zij er in deze op gewezen dat met het woord "of" in het eerste lid van artikel 9 "en/of" bedoeld wordt, zodat, afhankelijk van het desbetreffende kalenderjaar, de jaaropgave óf uitsluitend op de trajecten, dan wel op zowel de trajecten als de uitstroom óf uitsluitend op de uitstroom betrekking heeft. Concreet komt dit erop neer dat de jaaropgaven over de kalenderjaren 2002, 2003 en 2004 betrekking hebben op zowel de trajecten als de uitstroom en dat de jaaropgaven over de kalenderjaren 2005 en 2006 betrekking hebben op de uitstroom.
     Bij een subsidie boven €|50 000,- is de jaaropgave voorzien van een (accountants)verklaring. De jaaropgave en de (accountants)verklaring zijn ingericht overeenkomstig het model van bijlage 3, respectievelijk bijlage 4 bij deze regeling. Bij het indienen van deze bescheiden maken burgemeester en wethouders gebruik van de daarvoor beschikbaar gestelde formulieren. In verband met de geautomatiseerde verwerking van het aanvraagformulier, de jaaropgave en de accountantsverklaring dienen gemeenten gebruik te maken van de daarvoor aan iedere gemeente beschikbaar gestelde formulieren op de bij deze formulieren aangegeven wijze. Ten behoeve van deze (accountants)verklaring wordt gebruik gemaakt van een controle- en rapportageprotocol dat is ingericht overeenkomstig bijlage 5 bij deze regeling. Ook bij een subsidie onder €|50 000,- kan de minister, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor een juist financieel beheer, burgemeester en wethouders inlichtingen vragen, alsmede inzage verlangen in de administratie die burgemeester en wethouders ten behoeve van de uitvoering van deze regeling dienen te voeren.
     Indien de jaaropgave en/of de (accountants)verklaring niet tijdig of niet volledig is ontvangen op uiterlijk 1 mei van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, kan de minister de betaling van het voorschot per 1 juli daaropvolgend als bedoeld in artikel 8, eerste lid, opschorten. Wordt alsnog de jaaropgave en/of (indien van toepassing) de (accountants)verklaring ontvangen, dan wordt deze opschorting ongedaan gemaakt en vindt zo spoedig mogelijk betaling plaats.
     Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid zal de minister gebruik maken van de Beleidsregels inzake handhaving van termijn- en vormvoorschriften (Staatscourant 15 juni 2000, nr. 113).

 

Artikel 11. Subsidievaststelling

     De minister stelt de subsidie vast binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave met de eventueel daarbij behorende (accountants)verklaring.
     Voor de kalenderjaren 2002, 2003 en 2004, waarin zowel subsidiabele trajecten als subsidiabele uitstroom plaatsvindt, wordt het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag op fifty-fiftybasis toebedeeld aan zowel de trajecten als de uitstroom. Indien het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde aantal trajecten niet volledig is gerealiseerd, wordt de subsidie met betrekking tot de kalenderjaren 2002 tot en met 2004 lager vastgesteld overeenkomstig de formule 1/Tm x ++ Sm per niet-gerealiseerd traject, waarbij Tm staat voor het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximaal subsidiabele aantal trajecten en Sm voor het in die beschikking vermelde maximale subsidiebedrag. Indien de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde hoeveelheid uitstroom niet volledig is gerealiseerd, wordt met betrekking tot de kalenderjaren 2002, 2003 en 2004 de subsidie lager vastgesteld overeenkomstig de formule 1/Um x ++ Sm per niet-gerealiseerde uitstroom, waarbij Um staat voor de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximaal subsidiabele uitstroom.
     In de jaren 2005 en 2006, waarin uitsluitend uitstroom subsidiabel is, wordt indien de uitstroom niet volledig wordt gerealiseerd, de subsidie lager vastgesteld volgens de formule 1/Um x Sm per niet-gerealiseerde uitstroom. Indien de jaaropgave en - indien vereist - de (accountants)verklaring, bedoeld in artikel 9, eerste lid, niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze stukken betrekking hebben, stelt de minister de subsidie ambtshalve vast.

 

Artikelen 12, 13 en 14. Administratieve verplichtingen; Verantwoording; Informatieverstrekking

     Burgemeester en wethouders dienen er zorg voor te dragen dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig is ingericht dat - naast een nauwkeurige en inzichtelijke vastlegging van de trajecten en de gerealiseerde uitstroom daaruit - alle van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.
     Uit artikel 8 van de Kaderwet SZW-subsidies blijkt dat met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens die wet aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen belast zijn de door de Minister van SZW aangewezen personen. In het kader van deze regeling zijn daartoe aangewezen de ambtenaren van de Accountantsdienst van het ministerie van SZW. Het toezicht, bedoeld in artikel 13 van deze regeling, richt zich op de naleving van de subsidievoorwaarden door de gemeenten die subsidie hebben aangevraagd.
     Artikel 14 regelt de informatie die burgemeester en wethouders aan de minister in het kader van zijn verantwoordelijkheid voor beleidsvorming en toezicht op de uitvoering verstrekken.
     De toezichthouder baseert zich op de verantwoordingsinformatie van de gemeenten en het eventueel daarop betrekking hebbende accountantsoordeel. Daarbij kan steekproefsgewijs onderzoek bij de gemeenten plaatsvinden om de betrouwbaarheid van de gemeentelijke verantwoordingsinformatie vast te stellen.
     De minister kan aan gemeenten die in het kader van deze regeling subsidie hebben aangevraagd tevens inlichtingen vragen die van belang zijn voor de beleidsvorming.
     Daarnaast kan informatie namens de minister worden opgevraagd door de Inspectie Werk en Inkomen (IWI), genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
     De IWI houdt onder meer toezicht op rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de Abw, Ioaw en Ioaz. De afspraken tussen de Minister van SZW en VNG respectievelijk gemeenten zijn relevant voor het toezicht door de IWI. De implicaties van de afspraken in het kader van de Agenda voor de Toekomst voor het toezicht zullen nader worden uitgewerkt.
     Deze tijdelijke stimuleringsregeling is uitvloeisel van én ondersteunend aan de afspraken tussen minister en VNG die de Agenda voor de Toekomst vormen. Uitvoeringsaspecten die deze regeling beoogt te bevorderen, met name activering en uitstroom, zijn onderdeel van het toezicht op doeltreffendheid van de uitvoering. Het is daarom noodzakelijk dat de IWI de in artikel 14 bedoelde mogelijkheid tot informatievergaring heeft.
     Uiteraard heeft het toezichtsoordeel van de IWI geen gevolgen voor de subsidievaststelling als bedoeld in artikel 11.
     De bijlagen 1, 2 en 3 liggen vanaf 1 januari 2002 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De bijlagen 4 en 5 liggen vanaf 1 maart 2002 in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bijlage 1 zal tevens op het gemeenteloket (te vinden via www.minszw.nl) worden geplaatst.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.