Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2004

 

TIJDELIJKE  STIMULERINGSREGELING  HOOGWAARDIGE  HANDHAVING

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2005



27 januari 2003, Stcrt. 2003, 20
Inwerkingtreding: 31 januari 2003
Vervalt m.i.v. 1 januari 2005
(T.a.v. art. 3:1 en 5 Kaderwet SZW-subsidies)

 

 

 

 
REGELING van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 januari 2003, Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr. B&GA/AB/2003/429 tot het verstrekken van subsidie ter stimulering van Hoogwaardige Handhaving (Tijdelijke stimuleringsregeling Hoogwaardige Handhaving)

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, en artikel 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Abw: Algemene bijstandwet;
b. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c. Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. Wwik: Wet werk en inkomen kunstenaars;
e. Hoogwaardige Handhaving: een samenstel van activiteiten gericht op het voorkomen en bestrijden van fraude in het kader van de Abw, Ioaw, Ioaz en de Wwik;
f. Kennisbank Hoogwaardige Handhaving: een conceptueel cyclisch geheel van op handhaving gerichte activiteiten dat in schriftelijke en digitale vorm door de minister aan de colleges van burgemeester en wethouders beschikbaar is gesteld;
g. samenwerkingverband: een organisatorisch verband waarin colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten op het gebied van handhaving samenwerken op basis van een daartoe strekkende overeenkomst;
h. overeenkomst: een geschrift waaruit blijkt dat tussen colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten overeenstemming bestaat om een samenwerkingsverband op te zetten;
i. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 1a.
Voor de uitvoering van deze regeling wordt voor zover de regeling betrekking heeft op de periode na 1 januari 2004 met ingang van die datum in plaats van "Abw" gelezen: Wwb, en in plaats van "Algemene bijstandswet" gelezen: Wet werk en bijstand.

 

Art. 2. Subsidie Hoogwaardige Handhaving
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken ter stimulering van de ontwikkeling van beleid of de uitvoering van activiteiten gericht op het tot stand brengen van Hoogwaardige Handhaving.

 

Art. 3. Subsidieplafond
Het subsidieplafond bedraagt €|23 500 000,00

 

Art. 4. Subsidieaanvrager
-1. De subsidie wordt aangevraagd door het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, dan wel, indien de subsidie wordt aangevraagd ten behoeve van een samenwerkingsverband, door het college van burgemeester en wethouders dat daartoe door de colleges van burgemeester en wethouders die partij zijn bij de overeenkomst is aangewezen.
-2. De subsidie wordt verstrekt aan de subsidieaanvrager.

 

Art. 5. Subsidieaanvraag
-1. Bij de aanvraag wordt overgelegd een activiteitenplan en een daarbij behorende begroting van de kosten die voor subsidie in aanmerking worden gebracht.
-2. Indien de aanvraag wordt gedaan ten behoeve van een samenwerkingsverband, wordt bij de aanvraag tevens overgelegd:
a. een afschrift van de overeenkomst; en
b. een door de colleges van burgemeester en wethouders die partij zijn bij de overeenkomst ondertekend document waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders dat de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen.
-3. De minister ontvangt uiterlijk 1 september 2003 de aanvraag.

 

Art. 6. Activiteitenplan
Het activiteitenplan, bedoeld in artikel 5, eerste lid, bevat in ieder geval:
a. een inventarisatie van de stand van zaken met betrekking tot de handhaving op het moment van de aanvraag;
b. een beschrijving van de voor subsidie in aanmerking te brengen activiteiten op het gebied van Hoogwaardige Handhaving;
c. een beschrijving van de resultaten die met de activiteiten, bedoeld in onderdeel b, worden beoogd; en
d. een beschrijving van de wijze waarop de resultaten worden gemeten.

 

Art. 7. Subsidiabele kosten
Voor subsidie kunnen in aanmerking worden gebracht de noodzakelijke, rechtstreeks aan de ontwikkeling van beleid of de uitvoering van activiteiten gericht op het tot stand brengen van Hoogwaardige Handhaving toe te rekenen, gemaakte en betaalde kosten.

 

Art. 8. Omvang subsidie
De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, bedraagt 100% van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van €|75 000,00 per subsidieaanvrager.

 

Art. 9. Weigering subsidie
-1. De minister weigert de subsidie indien het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw, Ioaw, Ioaz en de Wwik gezamenlijk wordt verstrekt in de gemeente van de subsidieaanvrager, dan wel binnen het samenwerkingsverband dat de subsidieaanvrager vertegenwoordigt, minder dan 100 bedraagt.
-2. De omvang van het aantal uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op grond van de kwartaaldeclaratie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz en artikel 4, eerste lid, van de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Wik over het vierde kwartaal van 2002.

 

Art. 10. Verantwoording
-1. De minister ontvangt van de subsidieontvanger uiterlijk 1 augustus 2005 een verantwoording met betrekking tot de voor subsidie in aanmerking gebrachte kosten en de bereikte resultaten. Bij de verantwoording wordt een declaratie ingediend.
-2. De verklaring van een accountant, bedoeld in artikel 16 van de Algemene Regeling SZW-subsidies, is ingericht overeenkomstig het model van de bijlage van deze regeling.

 

Art. 11. Evaluatie
De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek, bedoeld om te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger met het gebruik van het instrumentarium van de Kennisbank Hoogwaardige Handhaving een bijdrage heeft geleverd aan de verhoging van de kwaliteit van de handhaving.

 

Art. 12. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 april 2005.
-2. De regeling, zoals die onmiddellijk vóór de datum waarop deze vervalt, geldt, blijft van toepassing op de financiële afwikkeling van de subsidie van de minister aan de subsidieontvanger.

 

Art. 13. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling Hoogwaardige Handhaving.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage van deze regeling wordt met ingang 1 februari 2003 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

 

’s-Gravenhage, 27 januari 2003.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

TOELICHTING
[27 januari 2003]

 

Algemeen

 

     Als uitwerking van de Notitie Fraudebestrijding 1998-2002 (Kamerstukken II 1997-1998, 17 050, nr. 203) heeft de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) het project Kwaliteitsverbetering Fraudebestrijding geïnitieerd. Dit project heeft onder meer geleid tot de publicatie van het boek Kwaliteit in Fraudebestrijding in december 1999, gericht op een integrale fraudeaanpak voor de lokale uitvoeringspraktijk op het gebied van de Abw, Ioaw, Ioaz en Wik, alsmede tot de ontwikkeling van de Kennisbank Hoogwaardige Handhaving. De Kennisbank Hoogwaardige Handhaving is in maart 2001 aan alle gemeenten aangeboden in de vorm van een map en een cd-rom. In de Kennisbank is een breed toepasbaar instrumentarium opgenomen dat erop is gericht de risico's op misbruik binnen de Abw en aanverwante wetten (de Ioaw, Ioaz en Wik) te minimaliseren door het treffen van preventieve maatregelen binnen het uitvoeringsproces. Kern van de Kennisbank Hoogwaardige Handhaving is om door maatregelen op het gebied van voorlichting, controle, dienstverlening en afdoening de spontane nalevingsbereidheid van voormelde wetten te verhogen.
     SZW en VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.] hebben in het kader van de Agenda voor de Toekomst afspraken gemaakt over verbetering van de gemeentelijke handhavingspraktijk. Overeengekomen is onder meer dat gemeenten een handhavingsbeleid formuleren met duidelijke en meetbare doelstellingen en dat daartoe instrumenten zoals de Kennisbank die zijn ontwikkeld om tot een dergelijke aanpak te komen ook op brede schaal gebruikt gaan worden.
     Gemeenten worden in toenemende mate beleidsmatig en financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de Abw. Gemeenten hebben dan ook in toenemende mate financieel belang bij het voorkomen van bijstandsfraude en een rechtmatige uitvoering van de Abw. Hiervoor biedt de Kennisbank Hoogwaardige Handhaving een integraal toepasbaar instrumentarium. Om gemeenten te stimuleren een start te maken met beleidsontwikkeling dan wel een volgende stap te zetten in de concrete toepassing van het handhavingsinstrumentarium gericht op de uiteindelijke integrale toepassing van het concept Hoogwaardige Handhaving, is voor de jaren 2003 en 2004 in totaal een subsidiebudget van €|23,5 mln beschikbaar.


De Kennisbank Hoogwaardige Handhaving

     Het concept Hoogwaardig Handhaven gaat uit van vier visie-elementen binnen het bijstandsproces:
- Vroegtijdig informeren / Informatie op maat.
- Optimaliseren dienstverlening / Dienstverlening op maat.
- Vroegtijdige detectie / Controle op maat.
- Daadwerkelijk sanctioneren / Lik op stuk (maar wel op maat).

     Hoogwaardig handhavingsbeleid is erop gericht de spontane nalevingsbereidheid te bevorderen. Wet- en regelgeving worden spontaan nageleefd als:
• de betrokkene goed geïnformeerd is met betrekking tot de regelgeving en de daarin vervatte rechten en plichten;
• de uitvoeringsorganisatie zo weinig mogelijk organisatorische of procedurele drempels opwerpt, zodat betrokkenen de regelgeving en de controlepraktijk die eruit voortvloeit in zijn aard accepteren;
• in geval van overtreding van de regels de gevoelsmatige pakkans voldoende hoog is. Dit kan worden bereikt door de toepassing van het controle op maat principe: hoe meer risico, des te intensiever de benodigde controle;
• een opgelegde en uitgevoerde sanctie proportioneel is maar ook voldoende afschrikt.

     De Kennisbank gaat uit van een beleids- en plancyclus die er uiteindelijk op is gericht om te komen tot integrale toepassing van het concept Hoogwaardige Handhaving. De Kennisbank vormt hierbij het uitgangspunt, doch moet niet worden gezien als een keurslijf. Wanneer bepaalde activiteiten gericht op handhaving van de Abw en aanverwante wetten niet in letterlijke zin zijn ontleend aan de Kennisbank, maar wel tot doel hebben om binnen één of meer van de hierboven genoemde beleidsgebieden de doelstellingen van de Kennisbank te bereiken, dan zijn de activiteiten evenzeer subsidiabel.
     De beleids- en plancyclus van de Kennisbank bestaat uit een wiel met acht spaken:
1. Visie op handhaving
Het lokale bestuur moet de kwaliteitsverbetering initiëren door een samenhangende visie op handhaving van de Abw (en aanverwante wetten) op te stellen. Daarbij is van groot belang om eenduidig te omschrijven wat onder handhaving wordt verstaan. Een goede diagnose van de lokale situatie is hierbij onontbeerlijk.
2. Handhavingsbeleidsplan
Een visie op handhaving laat zich het beste vertalen naar een beleidsplan op middellange termijn. In een plan voor ongeveer vier jaar kan een scenario ontvouwd worden om de gekozen doelstelling optimaal te realiseren. Daarna kan het af te leggen traject verdeeld worden in perioden van één jaar. Zo ontstaan op (kalender)jaren toegesneden handhavingsbeleidsplannen.
3. Werkprocessen
Het is de taak van het management om, samen met de mensen uit de uitvoering die over de inhoudelijke kennis beschikken, de werkprocessen te ijken, te (her)ontwerpen en te beschrijven. De gekozen visie op handhaving moet terugkomen in alle relevante werkprocessen.
4. Randvoorwaarden
De kwaliteit van handhaving wordt sterk bepaald door de middelen die beschikbaar worden gesteld voor een goede uitvoering. Een organisatie moet uit de haar ter beschikking staande middelen proberen te halen wat er in zit. Met het begrip middelen wordt hier bedoeld:
- de beschikbare tijd;
- de beschikbare informatie;
- de middelen voor verbetering en borging van kennis en vaardigheden;
- de inrichting van de organisatie;
- de beschikbare ruimte.
5. Kennis, vaardigheden, attituden
Het is de professional op de werkvloer die uiteindelijk het product of de dienst volgens de gekozen visie op handhaving moet leveren. De uitvoerder is het gezicht naar buiten van de organisatie.
6. Aansturing
Als visie en beleid zijn geformuleerd en vervolgens zijn vormgegeven in de uitvoering, komt de aansturing aan de orde. Van belang daarbij is om de bedrijfsvoering zodanig aan te sturen dat de beleidsdoelen, zoals die geformuleerd zijn in het jaarlijkse handhavingsbeleidsplan, ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Daartoe moet een lokaal toegespitst sturingsmodel ontworpen worden. Uitgangspunt bij het sturen van een organisatie zijn de vier volgende sturingscriteria:
a. doeltreffendheid (de geformuleerde beleidsdoelstellingen moeten gerealiseerd worden);
b. rechtmatigheid (de uitvoering moet volgens de wet- en regelgeving plaatsvinden);
c. efficiency (met zo min mogelijk middelen moet zo maximaal mogelijk gepresteerd worden);
d. cliëntbejegening (de dienstverlening moet zoveel mogelijk aansluiten op de wensen van de cliënt).
7. Resultaatmeting
Worden bij de spaak aansturing de voor het beleid relevante verschillende prestatie-indicatoren systematisch afgeleid, bij deze spaak gaat het om het meten van de daadwerkelijke output. De verschillende metingen vinden per week, maand, kwartaal of jaar plaats, afhankelijk van het niveau in de organisatie en van de betrokken beleidsdoelstelling. De metingen worden opgenomen in lokale managementrapportages en beleidsevaluatieverslagen.
8. Evaluatie
Evalueren van beleid is even belangrijk als het formuleren ervan. De ervaringen van een gehele beleidscyclus moeten weer vertaald worden naar een bijgestelde beleidsvisie en aangescherpte doelstellingen voor de volgende beleids- en plancyclus. Zo ontstaat een lerende organisatie.

     Risicoanalyse maakt een belangrijk onderdeel uit van de Kennisbank, met name ter invulling van het principe van controle op maat. In 2003 zal door StimulanSZ in opdracht van de Minister van SZW een project worden gestart waarin de methodiek van Risicoanalyse ten behoeve van gemeenten verder zal worden uitgewerkt. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de ervaring die door verschillende gemeenten reeds is opgedaan met Risicoanalyse. Daarnaast zal StimulanSZ een coördinerende rol vervullen bij de regionale voortrekkersrol die verschillende gemeenten die reeds ervaring hebben met Hoogwaardige Handhaving zullen vervullen. In de afgelopen twee jaar is in een tweetal door SZW geïnitieerde pilotprojecten geëxperimenteerd met Hoogwaardige Handhaving. In het Kennisbank Implementatie Project (KIP) hebben de gemeenten Almelo, Hilversum, Nijmegen, Rotterdam, Venlo en Zaanstad verschillende instrumenten uit de Kennisbank verder ontwikkeld en toegepast.
     In het LAT-project hebben de gemeenten Leeuwarden, Apeldoorn en Tilburg geëxperimenteerd met onder meer een nieuwe heronderzoekssystematiek en risicoanalyse. Deze gemeenten kunnen worden beschouwd als koplopers bij de invoering van Hoogwaardige Handhaving. Zij hebben zich bereid verklaard om een regionale voortrekkersrol op zich te nemen en op deze wijze andere gemeenten in de regio te enthousiasmeren voor Hoogwaardige Handhaving. Deze activiteiten zullen door StimulanSZ worden gecoördineerd. Andere gemeenten die zelf reeds eerder de implementatie van Hoogwaardige Handhaving ter hand hebben genomen en in die zin reeds ervaring hebben opgedaan, kunnen eveneens worden betrokken bij het invullen van de regionale voortrekkersrol.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

     De onderhavige subsidieregeling strekt ertoe een impuls te geven aan het tot stand brengen van Hoogwaardige Handhaving, zijnde een samenstel van activiteiten gericht op het voorkomen en bestrijden van fraude in het kader van de Abw, de Ioaw, de Ioaz en de Wik. Bij het tot stand brengen van Hoogwaardige Handhaving kan uitgebreid gebruik worden gemaakt van de Kennisbank Hoogwaardige Handhaving. Het hanteren van dit conceptueel cyclisch geheel van op handhaving gerichte activiteiten, dat in schriftelijke en digitale vorm aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten beschikbaar is gesteld, is echter niet verplicht. Ook de ontwikkeling en implementatie van door de aanvrager ontwikkeld instrumentarium dat past binnen de uitgangspunten van Hoogwaardige Handhaving is subsidiabel. De Kennisbank Hoogwaardige Handhaving vormt het referentiekader waarbinnen ruimte bestaat voor lokale invulling.
     Mede in het licht van het feit dat in het kader van deze stimuleringsregeling subsidie wordt geweigerd indien het aantal uitkeringen dat op grond van de Abw, Ioaw, Ioaz en de Wik gezamenlijk wordt verstrekt minder dan 100 bedraagt, is het in het kader van deze regeling toegestaan dat burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten samenwerken in een organisatorisch verband, op basis van een daartoe strekkende overeenkomst. Uit deze, overigens niet aan specifieke vormvoorschriften gebonden, schriftelijke overeenkomst dient te blijken dat tussen colleges van burgemeester en wethouders overeenstemming bestaat om een samenwerkingsverband op te zetten.

 

Artikelen 2 Subsidie Hoogwaardige Handhaving, 3 Subsidieplafond, 4 Subsidieaanvrager en 5 Subsidieaanvraag

     Ter stimulering van de ontwikkeling van beleid en/of de feitelijke uitvoering van activiteiten gericht op de totstandbrenging van Hoogwaardige Handhaving is in het kader van deze regeling in totaal €|23,5 mln aan subsidiegelden beschikbaar. Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, is een aanvraag noodzakelijk. De aanvraag wordt ingediend door het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, dan wel indien de aanvraag wordt ingediend ten behoeve van een samenwerkingsverband, door het college van burgemeester en wethouders dat daartoe door de colleges van burgemeester en wethouders die partij zijn bij de overeenkomst is aangewezen. In laatstbedoelde situatie dient - teneinde vast te kunnen stellen dat de subsidieaanvrager daadwerkelijk gemachtigd is om namens de andere participanten in het samenwerkingsverband (in en buiten rechte) op te treden - bij de aanvraag overgelegd te worden een afschrift van de overeenkomst, alsmede een door de colleges van burgemeester en wethouders die partij zijn bij de overeenkomst ondertekend document waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders dat de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen. Tegen de achtergrond van het feit dat de subsidie wordt toegekend aan de subsidieaanvrager wordt in de praktijk in het verlengde van het document waarbij de subsidieaanvrager wordt aangewezen, veelal nog een ander document opgesteld, waarin de afspraken zijn opgenomen over de wijze van doorsluizen van de subsidiegelden naar de partijen die bij het samenwerkingsverband zijn betrokken. Dit laatste document betreft bij uitstek de relatie tussen de participanten in het samenwerkingsverband en valt als zodanig buiten het kader van deze regeling. De aanvraag vindt plaats middels een schriftelijk verzoek aan de minister. Bij de aanvraag wordt een activiteitenplan en een daarbij behorende begroting van de kosten die voor subsidie in aanmerking worden gebracht, overgelegd.
     De minister dient uiterlijk 1 september 2003 in het bezit van de aanvraag te zijn. De omstandigheid dat de Algemene Regeling SZW-subsidies ten aanzien van de onderhavige subsidieregeling volledig van toepassing is, brengt onder meer met zich mee dat, mede in het licht van het subsidieplafond, overeenkomstig artikel 5, vierde lid, van die algemene regeling, de subsidieaanvragen in volgorde van binnenkomst worden behandeld.

 

Artikelen 6 Activiteitenplan, 7 Subsidiabele kosten, 8 Omvang subsidie en 9 Weigering subsidie

     De totstandbrenging van Hoogwaardige Handhaving is een proces van jaren. Het ligt in de rede dat in het activiteitenplan wordt aangegeven op welke wijze en volgens welk tijdpad burgemeester(s) en wethouders in dit meerjarenproces willen komen tot integrale invoering van Hoogwaardige Handhaving. De activiteiten die hiertoe in 2003 en 2004 worden ondernomen, en waarvoor subsidie wordt aangevraagd, dienen, met een begroting van de daarmee gepaard gaande kosten, zo concreet mogelijk te worden beschreven. De subsidiëring beperkt zich tot de activiteiten die in de subsidieperiode (2003 en 2004) worden ontplooid. Doel van de subsidie is om gemeenten te stimuleren een start te maken met Hoogwaardige Handhaving zodat zij zelf het belang hiervan ervaren. De te subsidiëren activiteiten staan dan ook niet op zichzelf, maar maken deel uit van een geheel van activiteiten gericht op de integrale invoering van Hoogwaardige Handhaving in het beleids- en uitvoeringsproces. Gelet op het feit dat met betrekking tot de bestaande situatie op het gebied van handhaving tussen gemeenten grote verschillen kunnen bestaan, daarbij in aanmerking genomen dat er derhalve grote verschillen kunnen bestaan in de wijze waarop burgemeester en wethouders van gemeenten invulling willen geven aan het concept Hoogwaardig Handhaven, is er in deze regeling van afgezien om vooraf bepaalde subsidiabele activiteiten te dicteren en er uitdrukkelijk voor gekozen om aan te sluiten bij de lokale initiatieven. In de lijn met de afspraken in het kader van de Agenda voor de Toekomst vindt subsidieverlening plaats op basis van een activiteitenplan waarin doelstellingen zijn opgenomen die meetbaar zijn en binnen een vooraf afgebakende, relatief korte periode gerealiseerd/gemeten (kunnen) worden.
     Het activiteitenplan dient in ieder geval een inventarisatie te bevatten van de op het moment van de aanvraag bestaande stand van zaken met betrekking tot de handhaving (nulmeting), zodat beoordeeld kan worden in welke mate wijziging van die situatie wordt beoogd, middels de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Voor de uitvoering van deze nulmeting is in de Kennisbank een Quick Scan beschikbaar. Daarnaast dient het activiteitenplan uiteraard een beschrijving te bevatten van de voorgenomen activiteiten op het gebied van Hoogwaardige Handhaving, alsmede een beschrijving van de daarmee beoogde resultaten. Deze resultaten dienen zoveel mogelijk in meetbare grootheden te worden beschreven. Indien uitsluitend subsidie wordt gevraagd voor de ontwikkeling van een hoogwaardig handhavingsbeleid, kan als eindresultaat een Handhavingsbeleidsplan worden aangeduid. Wanneer de subsidiabele activiteiten meer van procesmatige aard zijn, ligt het in de rede kwantificeerbare resultaten te benoemen, zoals het aantal uitkeringen dat men door middel van een gerichte preventieve controle beoogt te beëindigen dan wel te wijzigen of het aantal maatregelen en boeten dat men beoogt op te leggen in gevallen waarin verwijtbaar gedrag is geconstateerd. Tot slot dient het activiteitenplan in ieder geval helderheid te verschaffen over de wijze waarop de vóór 1 januari 2005 te bereiken resultaten gemeten (kunnen) worden. Uitsluitend de noodzakelijke, rechtstreeks aan de ontwikkeling van beleid of de uitvoering van activiteiten gericht op de totstandbrenging van Hoogwaardige Handhaving toe te rekenen, gemaakte en betaalde kosten kunnen voor subsidie in aanmerking worden gebracht.
     Uit het van toepassing zijn van de Algemene Regeling SZW-subsidies vloeit daarnaast onder meer voort dat subsidieverstrekking niet plaatsvindt voor zover het onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van subsidiabele activiteiten betreft.
     De subsidie voor deze kosten bedraagt 100% van de werkelijke kosten tot een maximum van €|75 000,-. Deze maximering kan tot gevolg hebben dat de subsidie niet in alle gevallen kostendekkend is.
     Subsidie wordt geweigerd indien het aantal uitkeringen dat op grond van de Abw, de Ioaw, de Ioaz en de Wik wordt verstrekt in de gemeente van de subsidieaanvrager, dan wel binnen het samenwerkingsverband dat de subsidieaanvrager vertegenwoordigt, minder dan 100 bedraagt. Bepalend is het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 wordt verstrekt ingevolge de Abw, Ioaw, Ioaz en Wik blijkens de door de gemeente bij SZW ingediende kwartaaldeclaratie over het vierde kwartaal van 2002. Tot de minimumgrens van ten minste 100 uitkeringen is besloten, omdat tegenover de investering in Hoogwaardig Handhaven uiteraard ook een redelijk rendement dient te staan. Indien de hiervoor bedoelde investering slechts een gering aantal uitkeringen zou regarderen, zou een evenwichtige verhouding tot de investering en het te verwachten rendement ontbreken.

 

Artikelen 10 Verantwoording en 11 Evaluatie

     De verantwoording met betrekking tot de voor subsidie in aanmerking gebrachte kosten, alsmede met betrekking tot de bereikte resultaten, dient uiterlijk 1 mei 2005 in het bezit van de minister te zijn. De verantwoording dient vergezeld te gaan van een declaratie. Indien de declaratie betrekking heeft op een subsidie van meer dan €|50 000,-, is een verklaring van de accountant vereist. Een model van deze verklaring wordt ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van SZW.
     In de onderhavige regeling is tot slot voorzien in een medewerkingverplichting van de subsidieontvanger aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek, bedoeld om te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger met het gebruik van het instrumentarium van de Kennisbank Hoogwaardige Handhaving een bijdrage heeft geleverd aan de verhoging van de kwaliteit van de handhaving. Deze verplichting geldt alleen indien de minister tot een evaluatie besluit; de regeling zelf voorziet niet in een automatische evaluatie. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat uit de verantwoordingsinformatie voldoende kennis kan worden vergaard over de kwaliteit van de handhaving.

 

’s-Gravenhage, 27 januari 2003.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x