Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt
tot en met 31 december 2007

 

TIJDELIJKE  STIMULERINGSREGELING  INTENSIVERING  OPSPORING  EN  CONTROLE  ABW

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2008
(art. 11:1 van deze regeling)



29 april 2003, Stcrt. 2003, 83
Inwerkingtreding: 3 mei 2003
Vervalt m.i.v. 1 januari 2008
(T.a.v. artt. 3:1 en 5 Kaderwet SZW-subsidies)

 

 

 

 
REGELING van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, van  29 april 2003, nr. BOB/2003/20087, houdende/tot tot het verstrekken van subsidie teneinde een intensivering van de opsporing en controle in het kader van de Algemene bijstandswet en aanverwante wetten te bewerkstelligen (Tijdelijke stimuleringsregeling intensivering opsporing en controle Abw)

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, en artikel 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. opsporing: de opsporing van misbruik in het kader van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars door ambtenaren in dienst van een gemeente die op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten zijn belast;
b. opsporingssamenwerkingsverband: een organisatorisch verband waarin colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten op het terrein van de opsporing samenwerken op basis van een daartoe strekkende overeenkomst;
c. intentieverklaring: een verklaring waaruit blijkt dat colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten voornemens zijn om een opsporingssamenwerkingsverband tot stand te brengen, dan wel een bestaand opsporingssamenwerkingsverband uit te breiden;
d. overeenkomst: een geschrift waaruit blijkt dat tussen colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten overeenstemming bestaat dat een opsporingssamenwerkingsverband tot stand wordt gebracht, dan wel dat een bestaand opsporingssamenwerkingsverband wordt uitgebreid;
e. kosten opsporingssamenwerkingsverband: de eenmalige kosten die in de periode voorafgaande aan de operationele start van het opsporingssamenwerkingsverband worden gemaakt, alsmede de eenmalige kosten voor uitbreiding van een bestaand opsporingssamenwerkingsverband, welke kosten niet terugkomen in de jaarlijkse exploitatie van het opsporingssamenwerkingsverband;
f. controle: via huisbezoeken of bezoeken aan bedrijven verifiëren van de voor het recht op uitkering op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars van belang zijnde gegevens;
g. fte: arbeidsplaats op basis van een volledige werkweek;
h. aantal uitkeringen: het totaal aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Wet inkomensvoorziening kunstenaars tezamen wordt verstrekt in de gemeente van de subsidieaanvrager, dan wel binnen het opsporingssamenwerkingsverband dat de subsidieaanvrager vertegenwoordigt;
i. uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle: de toename van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle met één of meer fte’s ten opzichte van de gemeentelijke formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle zoals die op 31 december 2002 formeel bestond;
j. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 1a.
-1. Voor de uitvoering van deze regeling wordt voor zover de regeling betrekking heeft op de periode na 1 januari 2004 met ingang van die datum in plaats van "Abw" gelezen: Wwb, en in plaats van "Algemene bijstandswet" gelezen: Wet werk en bijstand.
-2. Voor de uitvoering van deze regeling wordt voor zover de regeling betrekking heeft op de periode na 1 januari 2005 met ingang van die datum in plaats van "Wet inkomensvoorziening kunstenaars" gelezen: Wet werk en inkomen kunstenaars.

 

Art. 2. Subsidie intensivering opsporing en controle
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken ter stimulering van:
a. de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle; of
b. de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband.

 

Art. 3. Subsidieplafond
-1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie ten behoeve van de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van opsporing bedraagt:
a. voor het kalenderjaar 2003: €|500 000,00;
b. voor het kalenderjaar 2004: €|1 000 000,00;
c. voor het kalenderjaar 2005: €|1 600 000,00;
d. voor het kalenderjaar 2006: €|2 000 000,00.
-2. Het subsidieplafond voor verlenen van subsidie ten behoeve van de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van controle bedraagt:
a. voor het kalenderjaar 2003: €|1 000 000,00;
b. voor het kalenderjaar 2004: €|3 100 000,00;
c. voor het kalenderjaar 2005: €|5 100 000,00;
d. voor het kalenderjaar 2006: 7 600 000,00.
-3. Het subsidieplafond voor het in het kalenderjaar 2003 verlenen van subsidie ten behoeve van de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband bedraagt €|6 697 000,00.
-4. Indien toekenning van een subsidieaanvraag in een kalenderjaar zou leiden tot overschrijding van het voor het desbetreffende kalenderjaar of enig daarop volgend kalenderjaar vastgestelde subsidieplafond, wordt de subsidie geweigerd en de subsidieaanvraag, voor zover die betrekking heeft op de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle, in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de overschrijding van het subsidieplafond zich zou voordoen, bij voorrang in behandeling genomen.

 

Art. 4. Subsidieaanvrager
-1. De subsidie wordt aangevraagd door het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, dan wel, indien de subsidie wordt aangevraagd ten behoeve van een opsporingssamenwerkingsverband, door het college van burgemeester en wethouders dat daartoe door de colleges van burgemeester en wethouders die betrokken zijn bij de intentieverklaring of de overeenkomst is aangewezen.
-2. De subsidie wordt verstrekt aan de subsidieaanvrager.

 

Art. 5. Subsidieaanvraag
-1. De subsidieaanvrager maakt bij de indiening van de aanvraag gebruik van het daarvoor door de minister verstrekte formulier, dat is ingericht overeenkomstig het model van bijlage 1 van deze regeling.
-2. Bij de aanvraag met betrekking tot de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle wordt overgelegd:
a. een opgave van de brutosalariskosten per kalenderjaar die voor subsidie in aanmerking worden gebracht; en
b. gegevens met betrekking tot de omvang van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing of de controle, zoals die op 31 december 2002 formeel bestond.
-3. Indien de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan ten behoeve van een opsporingssamenwerkingsverband, wordt bij de aanvraag tevens overgelegd de bescheiden, bedoeld in het vierde lid.
-4. Bij de aanvraag met betrekking tot de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband wordt overgelegd:
a. een door de colleges van burgemeester en wethouders die betrokken zijn bij de intentieverklaring of de overeenkomst ondertekend document waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders dat de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen; en
b. een afschrift van de intentieverklaring of de overeenkomst.
-5. De minister ontvangt de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, uiterlijk 1 juli 2006, en de aanvraag, bedoeld in het vierde lid, uiterlijk 1 augustus 2003.
-6. Indien de aanvraag betrekking heeft op de totstandkoming of de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband, ontvangt de minister uiterlijk zes maanden nadat de bescheiden, bedoeld in het vierde lid, zijn overgelegd van de subsidieaanvrager:
a. een plan van aanpak en een daarbij behorende begroting van de kosten opsporingssamenwerkingsverband die voor subsidie in aanmerking worden gebracht;
b. een beschrijving van de werkwijze van het opsporingssamenwerkingsverband; en
c. indien niet eerder overgelegd, een afschrift van de overeenkomst.

 

Art. 6. Subsidiabele kosten
-1. Met betrekking tot de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van opsporing kunnen voor subsidie in aanmerking worden gebracht de per kalenderjaar te onderscheiden, vanaf het tijdstip van de aanvraag tot en met 31 december 2006 te maken, brutosalariskosten verbonden aan maximaal één extra fte.
-2. Met betrekking tot de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van controle kunnen voor subsidie in aanmerking worden gebracht de per kalenderjaar te onderscheiden, vanaf het tijdstip van de aanvraag tot en met 31 december 2006 te maken, brutosalariskosten verbonden aan maximaal:
a. één extra fte indien het aantal uitkeringen minder dan 2000 bedraagt;
b. twee extra fte’s indien het aantal uitkeringen ten minste 2000, maar minder dan 5000 bedraagt;
c. drie extra fte’s indien het aantal uitkeringen ten minste 5000, maar minder dan 20 000 bedraagt;
d. vijf extra fte’s indien het aantal uitkeringen ten minste 20 000 bedraagt.
-3. Subsidie met betrekking tot de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle wordt geweigerd indien het aantal uitkeringen minder dan 100 bedraagt.
-4. De omvang van het aantal uitkeringen, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt vastgesteld op grond van de kwartaaldeclaratie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz en artikel 4, eerste lid, van de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Wik over het vierde kwartaal van 2002.
-5. Met betrekking tot de kosten opsporingssamenwerkingsverband kunnen voor subsidie in aanmerking worden gebracht:
a. kosten met betrekking tot het opstellen van een plan van aanpak met betrekking tot het tot stand brengen of uitbreiden van een opsporingssamenwerkingsverband;
b. verhuiskosten in verband met het overbrengen van opsporingsactiviteiten naar een centrale lokatie;
c. inrichtingskosten van de gezamenlijke huisvesting;
d. kosten voor aanpassing van de automatisering;
e. kosten verbonden aan de aanpassing van de werkprocessen.
-6. Kosten als bedoeld in het vijfde lid komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en betrekking hebben op:
a. de totstandbrenging van een opsporingssamenwerkingsverband met een gezamenlijke gemeentelijke personele formatie van ten minste vijf fte’s op het gebied van opsporing; dan wel
b. de uitbreiding van een bestaand opsporingssamenwerkingsverband met een gezamenlijke gemeentelijke personele formatie van ten minste vijf fte’s, maar minder dan tien fte’s op het gebied van opsporing, tot een opsporingssamenwerkingsverband met een gezamenlijke gemeentelijke personele formatie van ten minste tien fte’s op het gebied van opsporing.

 

Art. 7. Omvang subsidie
-1. In afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies bedraagt de subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel a, €|20 000,00.
-2. De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 6, eerste, tweede en vijfde lid, onderdeel b tot en met e, bedraagt 100% van de werkelijk gemaakte, ten laste van de subsidieaanvrager gebleven kosten voortvloeiend uit de subsidiabele activiteiten, tot een maximum van:
a.|55 000,00 per kalenderjaar voor de brutosalariskosten verbonden aan de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie met één extra fte op het gebied van opsporing;
b.|45 000,00 per kalenderjaar en per extra fte voor de brutosalariskosten verbonden aan de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van controle;
c.|170 000,00 voor de totstandbrenging van een opsporingssamenwerkingsverband overeenkomstig artikel 6, zesde lid, onderdeel a;
d.|170 000,00 voor de uitbreiding van een bestaand opsporingssamenwerkingsverband overeenkomstig artikel 6, zesde lid, onderdeel b.
-3. Indien het tot stand te brengen opsporingssamenwerkingsverband uitsluitend gemeenten omvat die tot hetzelfde arrondissement behoren, wordt de subsidie eenmalig verhoogd met €|45 000,00.

 

Art. 8. Subsidievaststelling, subsidieverlening
-1. Na ontvangst van de aanvraag en de bescheiden, bedoeld in artikel 5, vierde lid, stelt de minister de subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel a, vast.
-2. Na ontvangst van de aanvraag en de bescheiden, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, en de bescheiden, bedoeld in artikel 5, zesde lid, onderdeel a tot en met c, zendt de minister met betrekking tot de kosten, bedoeld in artikel 6, eerste, tweede en vijfde lid, onderdeel b tot en met e, aan de subsidieaanvrager een beschikking tot subsidieverlening met een voorschotverlening van 80% van de subsidiabele kosten. Het voorschot met betrekking tot de kosten, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, wordt in termijnen met de duur van één kalenderjaar betaalbaar gesteld.

 

Art. 9. Verantwoording
-1. De minister ontvangt van de subsidieontvanger uiterlijk 1 juli 2005 een verantwoording met betrekking tot de kosten, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel b tot en met e. Met betrekking tot de kosten, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, ontvangt de minister telkens uiterlijk 1 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin feitelijk een voorschot is betaald, een verantwoording. Bij de verantwoording wordt een declaratie ingediend.
-2. De declaratie en indien vereist de verklaring van een accountant, bedoeld in artikel 16 van de Algemene Regeling SZW-subsidies, zijn ingericht overeenkomstig de modellen van bijlagen 2 en 3 van deze regeling. De verklaring van een accountant is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 4 van deze regeling voorgeschreven controle- en rapportageproctocol.

 

Art. 10. Intrekken van Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden
-1. De Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden wordt ingetrokken.
-2. De Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden blijft van toepassing op de financiële afwikkeling van de subsidie van de minister aan de subsidieontvanger.

 

Art. 11. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2008.
-2. De regeling zoals die onmiddellijk vóór de datum waarop deze vervalt, geldt, blijft van toepassing op de financiële afwikkeling van de subsidie van de minister aan de subsidieontvanger.

 

Art. 12. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling intensivering opsporing en controle Abw.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage 1 van deze regeling wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag. De bijlagen 2, 3 en 4 van deze regeling worden met ingang van 1 oktober 2003 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

 

’s-Gravenhage, 29 april 2003.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

TOELICHTING
[29 april 2003]

 

Algemeen

 

     In het kabinetsstandpunt over bijzondere opsporingsdiensten (Kamerstukken II 1999-2000, 26 955) heeft het toenmalige kabinet aangegeven dat er meer eenheid en bundeling moet komen binnen de bijzondere opsporing. Dit kabinetsstandpunt betekende onder meer dat binnen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) is opgericht voor de zware opsporingszaken. Ook is één centraal punt binnen het ministerie van SZW verantwoordelijk geworden voor de coördinatie van de beleidsmatige aansturing van de opsporing.
     De uitwerking van voormeld kabinetsstandpunt heeft daarnaast tot beoogd gevolg dat een landelijk dekkend netwerk aan gemeentelijke opsporingssamenwerkingsverbanden tot stand wordt gebracht. Deze samenwerking in de opsporing levert schaalvoordelen op, omdat kennis en expertise worden gedeeld door een aantal gemeenten. Bovendien kan door de samenwerking de organisatie zo worden vormgegeven dat personeel flexibel kan worden ingezet.
     Tegen deze achtergrond ligt het in de rede dat de overheid de totstandkoming en uitbreiding van opsporingssamenwerkingsverbanden stimuleert, vanuit de gedachte dat een adequate, constante sociale recherche noodzakelijk is voor de handhaving van de regelgeving op het terrein van de Algemene bijstandswet (Abw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik).
     Bij het opzetten van het landelijk dekkend netwerk wordt aangesloten bij de reeds bestaande initiatieven binnen gemeenten om intergemeentelijke samenwerking op het terrein van de sociale recherche tot stand te brengen. Er is daarom afgezien van het geven van richtlijnen voor het opzetten van samenwerkingsverbanden volgens een vooraf gemaakte landelijke indeling. Dit betekent dat de indeling van de samenwerkingsverbanden niet (altijd) samenvalt met de indeling in arrondissementen. Aansluiting bij arrondissementen is echter wel aan te bevelen. Daarom wordt aansluiting door samenwerkingsverbanden bij één arrondissement met een extra subsidiemogelijkheid ondersteund, ter hoogte van €|45 000,- per samenwerkingsverband.
     Als basismodel voor samenwerkingsverbanden is gekozen voor samenwerking met ten minste tien fte’s aan opsporingscapaciteit. De bedoeling is dat stapsgewijs naar deze structuur wordt toegewerkt, te beginnen met een opschaling tot in ieder geval vijf fte’s opsporingscapaciteit per samenwerkingsverband.
     Deze tijdelijke stimuleringsregeling biedt gemeenten de mogelijkheid om voor eenmalige kosten in verband met de totstandkoming of uitbreiding van opsporingssamenwerkingsverbanden (kosten met betrekking tot opstellen van een projectplan, verhuiskosten, inrichtingskosten, kosten van automatisering, kosten verbonden aan de aanpassing van de werkprocessen) subsidie te krijgen. Om de initiatieven van en ontwikkelingen binnen gemeenten niet te doorkruisen, worden in deze subsidieregeling slechts minimumvoorwaarden gesteld aan de samenwerkingsverbanden voor het verkrijgen van subsidie.
     Voor dit deel van de regeling is in 2003 €|6 697 000,- beschikbaar. Per samenwerkingsverband is maximaal €|170 000,- beschikbaar, hetgeen, zoals hiervoor is aangeduid, verhoogd kan worden met €|45 000,- indien wordt aangesloten bij de arrondissementsindeling.
     Daarnaast voorziet de regeling in een subsidie ter stimulering van de uitbreiding van de gemeentelijke personele organisatie op het gebied van onderscheidenlijk de controle en de opsporing.
     In concreto gaat het hierbij om werkzaamheden zoals het afleggen van huisbezoeken om bijvoorbeeld mogelijke partnerfraude te onderzoeken. Huisbezoeken kunnen tevens dienen om adresgegevens van de bijstandscliënt te verifiëren. Tot deze taak behoort ook voorbereidend werk ten behoeve van het afleggen van huis- en bedrijfsbezoeken zoals het maken van een selectie welke adressen worden bezocht.
     Extra inzet van personele capaciteit kan ook worden gebruikt om deel te nemen aan multidisciplinaire fraudeteams om gezamenlijke controles met de Belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Arbeidsinspectie uit te oefenen bij bedrijven. Voor gemeenten is dan met name van belang of bij het betreffende bedrijf "zwartwerk" wordt verricht door bijstandscliënten.
     Per gemeente/opsporingssamenwerkingsverband kan voor subsidie in aanmerking worden gebracht maximaal één fte opsporing en maximaal vijf fte’s controle, afhankelijk van het aantal uitkeringen Abw, Ioaw, Ioaz en Wik dat in de gemeente of binnen het opsporingssamenwerkingsverband wordt verleend. De subsidie voor opsporing bedraagt maximaal €|55 000,- voor de brutosalariskosten per kalenderjaar voor de extra fte; voor de fte(‘s) op het gebied van controle bedraagt de subsidie maximaal €|45 000,- voor de brutosalariskosten per kalenderjaar en per extra fte.
     De subsidieverlening fte-opsporing/fte(’s)-controle op basis van deze regeling is tijdelijk en betreft maximaal de tot en met 31 december 2006 te maken brutosalariskosten. De wijze van verdere structurele financiering van de op basis van deze regeling toegekende fte(’s) zal in overleg met de VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.] worden bepaald.
     Opgemerkt wordt nog dat de bestaande Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden, die formeel met ingang van 1 juli 2003 zou vervallen, met de inwerkingtreding van deze regeling reeds vervalt. De inhoud van genoemde regeling is evenwel in vereenvoudigde vorm in deze regeling opgegaan.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

     In deze regeling is de opsporing beperkt tot de opsporing van misbruik in het kader van de Abw, de Ioaw, de Ioaz of de Wik door gemeenteambtenaren, die op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. In de praktijk betreft dit veelal personen die werkzaam zijn bij de sociale recherche. Opsporing dient onderscheiden te worden van controle. Onder controle wordt in deze regeling verstaan het via huisbezoeken of bezoeken aan bedrijven verifiëren van de voor het recht op een Abw-, Ioaw- , Ioaz- of Wik-uitkering van belang zijnde gegevens. Controle kan aanleiding geven tot een specifiek onderzoek naar strafbare feiten en alsdan overgaan in opsporing.
     De regeling strekt ertoe de opsporing en controle van de Abw en voormelde aanverwante wetten te intensiveren. Daartoe wordt subsidie verleend teneinde de gemeentelijke personele formatie op het gebied van onderscheidenlijk de opsporing en controle uit te breiden en de totstandkoming c.q. uitbreiding van opsporingssamenwerkingsverbanden te bewerkstelligen. Aan het opsporingssamenwerkingsverband, zijnde een organisatorisch verband waarin colleges van burgemeester en wethouder van twee of meer gemeenten op het terrein van opsporing samenwerken, dient een overeenkomst ten grondslag te liggen waaruit blijkt dat tussen colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten overeenstemming bestaat dat een opsporingssamenwerkingsverband tot stand wordt gebracht, dan wel dat een reeds bestaand samenwerkingsverband wordt uitgebreid. Aan de vorm van deze overeenkomst zijn geen nadere eisen gesteld. Voor de goede orde zij er in dit verband op gewezen dat de overeenkomst onderscheiden dient te worden van de intentieverklaring. Dit laatste betreft een verklaring waaruit blijkt dat colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten voornemens zijn/de intentie hebben om een opsporingssamenwerkingsverband tot stand te brengen, dan wel een bestaand opsporingssamenwerkingsverband uit te breiden. De kosten voor het opzetten dan wel voor het uitbreiden van een opsporingssamenwerkingsverband zijn, zo blijkt uit het onderhavige artikel, beperkt tot de eenmalige kosten die verband houden met de opzet en voorafgaande aan de operationele start van het samenwerkingsverband. Dat wil zeggen kosten die worden gemaakt voorafgaand aan het feitelijk gaan functioneren van het opsporingssamenwerkingsverband, dan wel verband houden met de uitbreiding van een bestaand, reeds feitelijk functionerend samenwerkingsverband. Deze eenmalige kosten mogen/kunnen, gelet op hun aard, uiteraard niet terugkomen in de jaarlijkse exploitatie van het opsporingssamenwerkingsverband.
     Het intensiveren van de opsporing en controle van de Abw en voormelde aanverwante wetten brengt voor wat uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle betreft met zich mee dat er uiteraard ook daadwerkelijk sprake dient te zijn van extra personeel. Voor de beoordeling hiervan wordt als referentiepunt genomen de gemeentelijke formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle zoals die op 31 december 2002 formeel bestond.

 

Artikelen 2 Subsidie intensivering opsporing en controle, 3 Subsidieplafond, 4 Subsidieaanvrager en 5 Subsidieaanvraag

     Teneinde een impuls te geven aan de intensivering van de opsporing en controle in het kader van de Abw, Ioaw, Ioaz en Wik voorziet de regeling in een subsidie ten behoeve van de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van opsporing en/of controle, alsmede in een subsidie voor het tot stand brengen van een opsporingssamenwerkingsverband met een gezamenlijke gemeentelijke personele formatie van ten minste vijf fte’s op het gebied van opsporing, dan wel voor de uitbreiding van een reeds bestaand opsporingssamenwerkingsverband met ten minste vijf fte’s, maar minder dan tien fte’s, tot een opsporingssamenwerkingsverband met een gezamenlijke personele formatieve omvang van ten minste tien fte’s op het gebied van opsporing. Ter stimulering van de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van de opsporing is voor het kalenderjaar 2003 €|500 000,-, voor 2004 €|1 000 000,- , voor 2005 €|1 600 000,- en voor 2006 €|2 000 000,- beschikbaar. Voor de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van controle is voor de kalenderjaren 2003 tot en met 2006 respectievelijk €|1 000 000,-, €|3 100 000,-, €|5 100 000,- en €|7 600 000,- beschikbaar. Met betrekking tot de totstandkoming of de uitbreiding van opsporingssamenwerkingsverbanden is uitsluitend voor het kalenderjaar 2003 subsidiegeld beschikbaar. Het subsidieplafond voor deze activiteit is vastgesteld op €|6 697 000,-.
     Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, is een aanvraag noodzakelijk. Deze kan op meerdere jaren betrekking hebben. De aanvraag wordt ingediend door het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, dan wel, indien de subsidieaanvraag wordt ingediend ten behoeve van een opsporingssamenwerkingsverband, door het college van burgemeester en wethouders dat daartoe door de colleges van burgemeester en wethouders die betrokken zijn bij de intentieverklaring of de overeenkomst is aangewezen. In laatstbedoelde situatie dient - teneinde vast te kunnen stellen dat de subsidieaanvrager daadwerkelijk gemachtigd is om namens de andere participanten in het samenwerkingsverband (in en buiten rechte) op te treden - bij de aanvraag overgelegd te worden een afschrift van de intentieverklaring of de overeenkomst, alsmede een door de colleges van burgemeester en wethouders die betrokken zijn bij die intentieverklaring of die overeenkomst ondertekend document waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders dat de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen. Tegen de achtergrond van het feit dat de subsidie wordt toegekend aan de subsidieaanvrager wordt in de praktijk in het verlengde van het document waarbij de subsidieaanvrager wordt aangewezen veelal nog een ander document opgesteld, waarin de afspraken zijn opgenomen over de wijze van doorsluizen van de subsidiegelden naar de partijen die bij (de voorgenomen opzet dan wel uitbreiding van) het samenwerkingsverband zijn betrokken. Dit laatste document betreft bij uitstek de relatie tussen de participanten in het samenwerkingsverband en valt als zodanig buiten het kader van deze regeling. Indien de aanvraag betrekking heeft op de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie met een (fulltime- of parttime-)fte op het gebied opsporing en/of een (fulltime- of parttime-)fte(’s) op het gebied van controle, wordt bij de aanvraag overgelegd een opgave van de aan de desbetreffende fte(‘s) verbonden brutosalariskosten per kalenderjaar, alsmede gegevens met betrekking tot de omvang van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van opsporing en/of controle zoals die op 31 december 2002 formeel bestond, opdat vastgesteld kan worden dat daadwerkelijk sprake is van een uitbreiding. Voor de goede orde zij er in dit verband op gewezen dat ingeval de aanvraag wordt gedaan ten behoeve van een opsporingssamenwerkingsverband, dan uiteraard gegevens moeten worden overgelegd met betrekking tot de personele formatie van de gemeenten die in het opsporingssamenwerkingsverband participeren.
     Heeft de subsidieaanvraag betrekking op de totstandkoming dan wel uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband, dan wordt bij de aanvraag overgelegd een afschrift van de intentieverklaring of de overeenkomst, alsmede het hiervoor bedoelde document waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders dat de subsidie aanvraagt daartoe door de bij de intentieverklaring of overeenkomst betrokken colleges van burgemeester en wethouders als subsidieaanvrager is aangewezen. Uiterlijk vier maanden nadat deze bescheiden zijn overgelegd, ontvangt de minister van de subsidieaanvrager een plan van aanpak met een daarbij behorende begroting van de kosten opsporingssamenwerkingsverband die voor subsidie in aanmerking worden gebracht, een afschrift van de overeenkomst - uiteraard alleen indien dit afschrift nog niet eerder is overgelegd - en een beschrijving van de werkwijze van het opsporingssamenwerkingsverband. De onderhavige regeling betekent op dit punt een aanzienlijke vereenvoudiging ten opzichte van de Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden. Met name het in het kader van die stimuleringsregeling vereiste protocol, met daarin gedetailleerde regels met betrekking tot wijze waarop in sturingsinformatie wordt voorzien, de inhoud en frequentie van rapportages en financiële verantwoording, bleek voor potentiële subsidieaanvragers een groot struikelblok te zijn.
     Op basis van de onderhavige regeling dienen de aanvragen voor de totstandkoming dan wel uitbreiding van opsporingssamenwerkingsverbanden uiterlijk 1 augustus 2003 door de minister ontvangen te zijn. Voor de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het terrein van onderscheidenlijk opsporing en controle geldt een langere aanvraagtermijn; deze aanvragen dienen uiterlijk 1 juli 2006 in het bezit van de minister te zijn.
     De Algemene Regeling SZW-subsidies is ten aanzien van de onderhavige subsidieregeling, met uitzondering van de subsidieverlening/-vaststelling voor het (doen) opstellen van een plan van aanpak, van toepassing. Dit betekent onder meer dat, mede in het licht van de gestelde subsidieplafonds, overeenkomstig artikel 5, vierde lid, van die algemene regeling, de subsidieaanvragen in volgorde van binnenkomst worden behandeld. Indien toekenning van een subsidieaanvraag in een kalenderjaar zou leiden tot overschrijding van het voor het desbetreffende kalenderjaar of enig daaropvolgend kalenderjaar vastgestelde subsidieplafond, wordt de subsidie geweigerd. Van overschrijding van het vastgestelde subsidieplafond van enig daaropvolgend kalenderjaar kan uiteraard alleen sprake zijn bij de subsidieaanvragen die betrekking hebben op de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle; met betrekking tot de subsidie ten behoeve van de totstandkoming of uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband is immers alleen voor het kalenderjaar 2003 een subsidieplafond vastgesteld en niet voor de daaropvolgende kalenderjaren. Overschrijding van het subsidieplafond van een volgend kalenderjaar, c.q. volgende kalenderjaren, kan voorkomen indien veel aanvragen in het laatste kwartaal van een kalenderjaar binnenkomen. Dit heeft tot gevolg dat in het jaar van aanvraag slechts voor een aantal maanden de brutosalariskosten voor subsidie in aanmerking komen, waardoor de subsidietoekenning zeer wel binnen de grenzen van het subsidieplafond van het jaar van aanvraag blijft, terwijl in het daaropvolgende jaar (of jaren) voor diezelfde aanvragen voor het volledige kalenderjaar subsidie verstrekt zou moeten worden, hetgeen alsdan zou kunnen leiden tot overschrijding van het subsidieplafond van dat volgende jaar of mogelijk zelfs volgende jaren.
     Subsidieaanvragen die vanwege de (dreigende) overschrijding van het subsidieplafond niet tot toekenningen hebben geleid, worden echter in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de overschrijding van het subsidieplafond zich zou voordoen (met andere woorden: het eerstvolgende kalenderjaar waarin a prima vista geen overschrijding van het subsidieplafond dreigt), bij voorrang op de in dat kalenderjaar (voor het eerst) ingediende aanvragen in behandeling genomen. Overigens zou die behandeling alsdan toch nog tot de conclusie kunnen leiden dat ook in dat jaar de subsidie in verband met overschrijding van het subsidieplafond geweigerd moet worden. Het bij voorrang in behandeling nemen van een afgewezen subsidieaanvraag in een later kalenderjaar is dan ook geen garantie dat de subsidie dan zonder meer zal worden toegekend.

 

Artikelen 6 Subsidiabele kosten, 7 Omvang subsidie en 8 Subsidievaststelling, subsidieverlening

     In het kader van de onderhavige subsidieregeling kan een limitatief aantal kosten voor subsidie in aanmerking worden gebracht. Zo kunnen met betrekking tot de uitbreiding van de personele gemeentelijke formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle de per kalenderjaar te onderscheiden, vanaf het tijdstip van de aanvraag tot en met 31 december 2006 te maken brutosalariskosten verbonden aan maximaal één extra fte op het gebied van opsporing en/of maximaal vijf extra fte’s op het gebied van controle voor subsidie in aanmerking worden gebracht, afhankelijk van het totaal aantal uitkeringen Abw, Ioaw, Ioaz en Wik tezamen dat op 31 december 2002 in de gemeente van de subsidieaanvrager, dan wel binnen het opsporingsamenwerkingsverband dat de subsidieaanvrager vertegenwoordigt, wordt verstrekt. Voor wat betreft de opsporingssamenwerkingsverbanden kunnen voor subsidie in aanmerking worden gebracht de kosten die betrekking hebben op het (doen) opstellen van een plan van aanpak, de verhuiskosten, indien besloten wordt om de opsporingsactiviteiten op één lokatie te concentreren, de inrichtingskosten van de gezamenlijke huisvesting van de opsporingsambtenaren die in een opsporingssamenwerkingsverband samenwerken, de kosten voor (aanpassing van) automatisering en de kosten verbonden aan de aanpassing van de werkprocessen, te weten de kosten die worden gemaakt om nieuwe werkprocesbeschrijvingen tot stand te brengen en de kosten van implementatie van deze werkprocessen in het bestaande of nieuwe samenwerkingsverband.
     In het kader van deze regeling is overigens niet elke vorm van totstandbrenging of uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband subsidiabel. Bij de totstandbrenging dient er sprake te zijn van de situatie dat er nog geen opsporingssamenwerkingsverband bestaat waarin, uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek, ten minste vijf ambtenaren belast met de opsporing in de zin van deze regeling samenwerken (dit is overigens niet alleen het geval indien er in het geheel nog geen opsporingssamenwerkingsverband bestaat, maar uiteraard ook het geval indien er een opsporingsamenwerkingsverband bestaat waarin minder dan bedoelde vijf ambtenaren werkzaam zijn) en colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten een opsporingssamenwerkingsverband tot stand brengen waarin, eveneens uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek, wél ten minste vijf met opsporing belaste ambtenaren gaan samenwerken. Bij de uitbreiding dient er sprake te zijn van de situatie dat er een opsporingssamenwerkingsverband van ten minste vijf fte’s bestaat en colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten - al dan niet samen met colleges van burgemeester en wethouders van weer nieuwe gemeenten - besluiten dat opsporingssamenwerkingsverband uit te breiden tot een opsporingssamenwerkingsverband met een gezamenlijke gemeentelijke personele formatie van ten minste tien fte’s op het gebied van opsporing. In dit verband zij erop gewezen dat de ambtenaren die in het opsporingssamenwerkingsverband samenwerken niet op individuele basis fulltime werkzaam behoeven te zijn; het betreft hier de formele personele formatie van het opsporingssamenwerkingsverband die (uiteraard) feitelijk door parttimeambtenaren ingevuld kan worden. Voor de bepaling van de volledige werkweek wordt aangesloten bij de vigerende CAO voor de desbetreffende ambtenaren.
     Het van toepassing zijn van de Algemene Regeling SZW-subsidies brengt onder andere met zich dat subsidieverstrekking slechts plaatsvindt voor zover het werkelijk gemaakte kosten ter uitvoering van subsidiabele activiteiten betreft. Subsidieverstrekking vindt niet plaats voor zover het onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van subsidiabele activiteiten betreft, dan wel betrekking heeft op kosten gemaakt ter uitvoering van activiteiten die redelijkerwijs niet passen in de omschreven subsidiabele activiteiten. Uitzondering op de regel dat subsidieverstrekking slechts plaatsvindt voor zover het werkelijk gemaakte kosten betreft, vormt de subsidie voor de kosten voor het (al dan niet door derden doen) opstellen van een plan van aanpak binnen een bepaalde periode. Voor deze kosten wordt een vast subsidiebedrag verleend, dat betaalbaar wordt gesteld zo spoedig mogelijk nadat de subsidieaanvraag en de bescheiden, bedoeld in artikel 5, vierde lid, tijdig, dat wil zeggen vóór 1 augustus 2003, door de minister zijn ontvangen. Mocht de subsidieaanvrager verzuimen om binnen een tijdsbestek van vier maanden na het overleggen van die aanvraag en de daarbij behorende bescheiden een plan van aanpak aan de minister te overleggen, dan wordt het vaste subsidiebedrag voor het binnen een vastgestelde periode (doen) opstellen van een plan van aanpak, als zijnde onverschuldigd betaald, door de minister teruggevorderd. Binnen het tijdsbestek van vier maanden dient overigens tevens overgelegd te worden een afschrift van de overeenkomst - indien niet reeds eerder (bij de aanvraag) overgelegd - en een beschrijving van de werkwijze van het opsporingssamenwerkingsverband. Worden de in artikel 5, zesde lid, onderdeel a tot en met c, genoemde bescheiden niet tijdig overgelegd, dan vindt (ook) geen bevoorschotting (en subsidieverlening) plaats van de kosten, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel b tot en met e.
     Bevoorschotting (tot 80%) met betrekking tot de brutosalariskosten verbonden aan maximaal vijf extra fte’s op het gebied van controle (artikel 6, tweede lid), alsmede maximaal één extra fte op het gebied van opsporing (artikel 6, eerste lid), vindt plaats zo spoedig mogelijk nadat de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden door de minister is ontvangen. Deze bevoorschotting vindt in termijnen plaats; de duur van deze termijnen komt overeen met die van één kalenderjaar. Tegen de achtergrond dat er niet altijd sprake zal zijn dat een fte op het gebied van opsporing en/of controle gedurende de gehele subsidieperiode steeds voor de volledige duur van een kalenderjaar in dienst van de subsidieontvanger is, is ervan afgezien om te bepalen dat de bevoorschotting ook qua hoogte in gelijke termijnen plaatsvindt. Hierdoor is het mogelijk dat indien bijvoorbeeld een extra controleambtenaar in oktober 2003 in dienst van een gemeente treedt, die gemeente voor het jaar 2003 3/12 van de subsidiabele brutosalariskosten (tot 80%) bevoorschot krijgt en in de daaropvolgende kalenderjaren (tot en met 31 december 2006) telkens 12/12 van de subsidiabele brutosalariskosten (tot 80%) bevoorschot krijgt.
     De subsidie voor de subsidiabele kosten, anders dan voor de kosten met betrekking tot het (doen) opstellen van een plan van aanpak, bedraagt 100% van de werkelijke, ten laste van de subsidieaanvrager gebleven kosten, tot een bepaald maximum. Dit maximum bedraagt €|45 000,- voor de brutosalariskosten per kalenderjaar en per fte voor de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op het gebied van controle, €|55 000,- voor de brutosalariskosten per kalenderjaar voor de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie met één fte op het gebied van opsporing, €|170 000,- voor de totstandbrenging van een opsporingssamenwerkingsverband met een gezamenlijke gemeentelijke personele formatie van ten minste vijf fte’s op het gebied van opsporing en eveneens €|170 000,- voor de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband van ten minste vijf fte’s, maar minder dan tien fte’s op het gebied van opsporing, tot een opsporingssamenwerkingsverband met een gezamenlijke gemeentelijke personele formatie van ten minste tien fte’s op het gebied van opsporing. Gelet op het feit dat het vanuit een oogmerk van doelmatigheid de voorkeur verdient dat een opsporingssamenwerkingsverband zich binnen één arrondissement concentreert, wordt teneinde die concentratie te bevorderen de subsidie eenmalig verhoogd met €|45 000,- indien deze beoogde concentratie plaatsvindt.
     Doelmatigheid brengt ook met zich mee dat tegenover een bepaalde investering (naar op voorhand verwacht mag worden) een redelijk rendement staat. Uit dien hoofde wordt de subsidie met betrekking tot de uitbreiding van de gemeentelijke personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle geweigerd indien het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw, Ioaw, Ioaz en de Wik tezamen wordt verstrekt in de gemeente van de subsidieaanvrager, dan wel binnen het samenwerkingsverband dat de subsidieaanvrager vertegenwoordigt, minder dan 100 bedraagt. Het aantal uitkeringen ingevolge de Abw, Ioaw en Ioaz wordt (evenals dat het geval is in het kader van de Tijdelijke stimuleringsregeling Hoogwaardige Handhaving) vastgesteld aan de hand van de kwartaaldeclaratie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz over het vierde kwartaal van 2002. Wat betreft de Wik is de kwartaaldeclaratie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Regeling administratieve uitkeringsvoorschriften Wik, over het vierde kwartaal van 2002 bepalend. Er is in deze gekozen voor het criterium "aantal uitkeringen", omdat het criterium "aantal uitkeringsgerechtigden" onbedoeld de indruk zou kunnen wekken dat binnen een gezin het aantal gezinsleden van belang zou (kunnen) zijn.
     Het aantal uitkeringen biedt een beter aanknopingspunt, omdat het aantal uitkeringsverstrekkingen van invloed is op de investering die de gemeente moet plegen in het kader van handhaving. Elke uitkering (los van het aantal personen dat daarbij betrokken is) noopt tot activiteiten in het kader van opsporing en controle.
     In het kader van de uitvoering van deze regeling wordt het aantal uitkeringen Abw, Ioaw en Ioaz vastgesteld door de aantallen in de navolgende codes, vermeld op de modeldeclaratie (formuliercode 30101900200221), bij elkaar op te tellen:

xAbw
x101 Bobxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
x301 Normbijstand jonger dan 21 jaar
x302 Normbijstand 21 tot 65 jaar
x303 Normbijstand 65 jaar of ouder
x304 Personen in een inrichting
x501 Bijstand om niet (zelfstandigen)
x511 Renteloze lening (zelfstandigen)
x521 Bedrijfskapitaal (zelfstandigen)
x531 Voorbereidingskrediet renteloos (zelfstandigen)
x532 Voorbereidingskrediet rentedragend (zelfstandigen)
xIoaw
x711 Uitkeringen
xIoaz
x811 Uitkeringen

     Het aantal uitkeringen Wik wordt vastgesteld door de aantallen in de navolgende codes, vermeld op de modeldeclaratie (formuliercode 0080100200221), bij elkaar op te tellen:

xWik
x101 Uitkeringenxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
x102 Uitkeringen artikel 47 (kunstenaars met eigen woning)

 

 
Artikel 9. Verantwoording

     De verantwoording met betrekking tot de kosten opsporingssamenwerkingsverband, dat wil zeggen de kosten, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel b tot en met e, dient uiterlijk 1 juli 2005 in het bezit van de minister te zijn. Met betrekking tot kosten verbonden aan de uitbreiding van de gemeentelijk personele formatie op onderscheidenlijk het gebied van de opsporing en de controle wordt telkens uiterlijk 1 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin feitelijk een voorschot is betaald, een verantwoording in het bezit van de minister gesteld. Indien derhalve voor de in 2003 te maken brutosalariskosten verbonden aan de tewerkstelling van een extra opsporingsambtenaar en/of één of meer controleambtenaren een voorschot is verleend, dient de subsidieontvanger er zorg voor te dragen dat de minister derhalve uiterlijk 1 juli 2004 een verantwoording ontvangt met betrekking tot de in 2003 gemaakte brutosalariskosten verbonden aan de tewerkstelling van die extra ambtenaar/ambtenaren.
     De verantwoording dient vergezeld te gaan van een declaratie. Voor de declaratie - en indien de declaratie betrekking heeft op en subsidie van meer dan €|50 000,-, de verklaring van de accountant - zijn modellen bij deze regeling gevoegd. De verklaring van de accountant dient gebaseerd te zijn op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 4 van deze regeling voorgeschreven controle- en rapportageprotocol.
     Het van toepassing zijn van de Algemene Regeling SZW-subsidies brengt met zich mee dat voor zover in het kader van deze regeling geen specifieke invulling is gegeven, dat generale regime wordt gevolgd. Dit betekent ondermeer dat (ook) de bepalingen vervat in paragraaf 4 (subsidievaststelling) en paragraaf 5 (terugvordering) van de Algemene Regeling SZW-subsidies gelden als ware zij uitdrukkelijk geïncorporeerd in deze regeling.

 

Artikel 10. Intrekken van Tijdelijke Stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden

     Gelijktijdig met de inwerkingtreding met deze regeling wordt de Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden ingetrokken. Laatstbedoelde regeling is in vereenvoudigde vorm in de onderhavige regeling geïncorporeerd. Voor zover op basis van de Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden subsidie is verleend, blijft die regeling van toepassing op de financiële afwikkeling van de subsidie van de minister aan de subsidieontvanger. Ten tijde van de inwerkingtreding van de onderhavige regeling zijn geen subsidieaanvragen op basis van de Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden in behandeling.
     De bij deze regeling behorende bijlagen worden ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat ter inzage leggen vindt voor wat het aanvraagformulier (bijlage 1) betreft plaats met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling. De bijlagen 2, 3 en 4 van deze regeling worden met ingang van 1 oktober 2003 ter inzage gelegd.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x