Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt
tot en met 30 juni 2007

 

TIJDELIJKE  STIMULERINGSREGELING  SAMENWERKINGSVERBAND  ABW

Vervallen
m.i.v. 1 juli 2006
(art. 13:1 van deze regeling)
 


21 mei 2003, Stcrt. 2003, 102
Inwerkingtreding: 30 mei 2003
Vervalt m.i.v. 1 juli 2007
(T.a.v. artt. 3:1 en 5 Kaderwet SZW-subsidies)

 

 

 

 
REGELING van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, van  21 mei 2003, 2003, Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr. B&GA/BR&I/03/33932, tot het verstrekken van subsidie ter stimulering van de  totstandkoming van samenwerkingsverbanden op het gebied van de uitvoering van de Algemene bijstandswet (Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverband Abw)

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, en artikel 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Abw: Algemene bijstandswet;
b. samenwerkingsverband Abw: een organisatorisch verband waarin colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel op basis van een samenwerkingsovereenkomst, de Abw gezamenlijk uitvoeren;
c. samenwerkingsovereenkomst: een overeenkomst waarin de gezamenlijke uitvoering van de Abw, anders dan op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen, binnen een organisatorisch verband door colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten is geregeld;
d. intentieverklaring: een geschrift waaruit blijkt dat colleges van burgemeesters en wethouders van twee of meer gemeenten de mogelijkheden om een samenwerkingsverband Abw tot stand te brengen, verkennen;
e. overeenkomst: een geschrift waaruit blijkt dat tussen colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten overeenstemming bestaat dat een samenwerkingsverband Abw tot stand wordt gebracht;
f. kosten samenwerkingsverband Abw: eenmalige kosten die in de periode voorafgaande aan de operationele start van een tot stand te brengen samenwerkingsverband Abw worden gemaakt;
g. Centrum voor werk en inkomen: een vestiging van de Centrale organisatie werk en inkomen, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
h. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 1a.
Voor de uitvoering van deze regeling wordt voor zover de regeling betrekking heeft op de periode na 1 januari 2004 met ingang van die datum in plaats van "Abw" gelezen: Wwb, artikel 7, eerste lid, onderdeel b, en in plaats van "Algemene bijstandswet" gelezen: Wet werk en bijstand, artikel 7, eerste lid, onderdeel b.

 

Art. 2. Subsidie samenwerkingsverband Abw
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming van een samenwerkingsverband Abw.

 

Art. 3. Subsidieplafond
Het subsidieplafond bedraagt €|17 000 000,00.

 

Art. 4. Subsidieaanvrager
-1. De subsidie wordt aangevraagd door een rechtspersoon die daartoe door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die betrokken zijn bij de intentieverklaring is aangewezen.
-2. Indien de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op de kosten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, wordt de subsidie aangevraagd door een rechtspersoon die daartoe door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die betrokken zijn bij de overeenkomst is aangewezen.
-3. De subsidie wordt verstrekt aan de subsidieaanvrager.

 

Art. 5. Subsidieaanvraag eerste fase
-1. Bij de subsidieaanvraag voor de eerste fase wordt overgelegd:
a. een door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die betrokken zijn bij de intentieverklaring ondertekend document waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen; en
b. een afschrift van de intentieverklaring.
-2.
De minister ontvangt uiterlijk 1 mei 2004 de subsidieaanvraag voor de eerste fase.

 

Art. 6. Subsidieaanvraag tweede fase
-1. Uiterlijk 1 november 2005 ontvangt
de minister voor de subsidie voor de tweede fase van de subsidieaanvrager:
a. een projectplan met betrekking tot de totstandbrenging van een samenwerkingsverband Abw;
b. een beschrijving van de beoogde werkwijze van het samenwerkingsverband Abw;
c. een afschrift van de overeenkomst; en
d. indien de subsidieaanvraag uitsluitend betrekking heeft op de kosten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, een door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die betrokken zijn bij de overeenkomst ondertekend document waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen.
-2. Subsidie voor de tweede fase kan ook worden aangevraagd indien geen subsidieaanvraag voor de eerste fase is of wordt gedaan.

 

Art. 7. Subsidiabele kosten
-1. Voor subsidie kosten samenwerkingsverband Abw kunnen voor de eerste fase in aanmerking worden gebracht kosten met betrekking tot de verkenning van de mogelijkheden om tot een samenwerkingsverband Abw te komen.
-2. Voor subsidie kosten samenwerkingsverband Abw kunnen voor de tweede fase in aanmerking worden gebracht kosten met betrekking tot de daadwerkelijke totstandbrenging van een samenwerkingsverband Abw.

 

Art. 8. Omvang subsidie
-1. In afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies bedraagt de subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, €|20 000,00.
-2. In afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies bedraagt de subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, €|25 000,00 per bij de overeenkomst betrokken college van burgemeester en wethouders, oplopend tot een maximum van €|250 000,00 bij tien of meer bij de overeenkomst betrokken colleges van burgemeester en wethouders.
-3. De subsidie, bedoeld in het tweede lid, wordt verhoogd met:
a.|50 000,00 indien het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst zijn betrokken meer dan 500, doch minder dan 1000 bedraagt;
b.|75 000,00 indien het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst zijn betrokken meer dan 1000, doch minder dan 1500 bedraagt;
c.|100 000,00 indien het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst zijn betrokken meer dan 1500, doch minder dan 2000 bedraagt; of
d.|125 000,00 indien het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst zijn betrokken meer dan 2000 bedraagt.
-4. De omvang van het aantal uitkeringen, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld op grond van de kwartaaldeclaratie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz over het vierde kwartaal van 2002.

 

Art. 9. Weigering subsidie
-1.
De minister weigert de subsidie, indien:
a. het samenwerkingsverband Abw werkzaam is in een gebied dat de grenzen van een werkgebied van een Centrum voor werk en inkomen, bedoeld in bijlage 1 van het Besluit werkgebieden CWI van de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, overschrijdt;
b. het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst betrokken zijn minder dan 100 bedraagt.
-2. Subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, wordt geweigerd indien bij de verantwoording geen afschrift wordt overgelegd van de op 31 december 2006 van kracht zijnde regeling, bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel van de op 31 december 2006 van kracht zijnde samenwerkingsovereenkomst.
-3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien het naar het oordeel van de minister onvermijdelijk is, dan wel vanuit een oogmerk van doelmatigheid en doeltreffendheid geboden is, dat het samenwerkingsverband Abw werkzaam is in een gebied dat de grenzen van een werkgebied van een Centrum voor werk en inkomen overschrijdt.

 

Art. 10. Subsidievaststelling, subsidieverlening
-1. Na ontvangst, binnen de daartoe gestelde termijn, van de subsidieaanvraag en de documenten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, stelt
de minister de subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, vast.
-2. Na ontvangst, binnen de daartoe gestelde termijn, van de documenten, bedoeld in artikel 6, zendt de minister met betrekking tot de kosten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, aan de subsidieaanvrager een beschikking tot subsidieverlening met een voorschotverlening van 80% van de subsidie, bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid.

 

Art. 11. Verantwoording
-1.
De minister ontvangt uiterlijk 1 april 2007 van de subsidieontvanger een verantwoording. Bij deze verantwoording wordt een afschrift overgelegd van de op 31 december 2006 van kracht zijnde regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel van de op 31 december 2006 van kracht zijnde samenwerkingsovereenkomst.
-2. Na ontvangst, binnen de daartoe gestelde termijn, van de regeling, dan wel van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister de subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, vast. De artikelen 14 tot en met 17 van de Algemene Regeling SZW-subsidies zijn niet van toepassing.

 

Art. 12. Evaluatie
De subsidieontvanger verleent op verzoek van
de minister alle medewerking aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek, bedoeld om te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger met het tot stand brengen van een samenwerkingsverband Abw een bijdrage heeft geleverd aan de verhoging van de kwaliteit van de uitvoering van de Abw.

 

Art. 13. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli 2007.
-2. De regeling zoals die vóór de datum waarop deze vervalt, geldt, blijft van toepassing op de afwikkeling van de subsidie, bedoeld in artikel 2.

 

Art. 14. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverband Abw.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 21 mei 2003.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

TOELICHTING
[21 mei 2003]

 

Algemeen

 

     In de bestuurlijke afspraken in het kader van de Agenda voor de Toekomst hebben de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) afgesproken om vanuit ieders onderscheiden verantwoordelijkheid bij te dragen aan innovaties op het terrein van de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de Algemene bijstandswet (Abw). Met deze bestuurlijke afspraak wordt onderschreven dat versterking van de gemeentelijke regiefunctie noodzakelijk is. De Minister van SZW heeft in dit kader toegezegd inspanningen te verrichten om de regiefunctie van gemeenten te versterken door onder andere de (tijdelijke) facilitering van regionale platforms, stimulering en facilitering gemeentelijke samenwerking bij dienstverlening aan zelfstandigen en facilitering gemeentelijke samenwerking bij uitvoering van de Abw. De Minister van SZW heeft hiertoe reeds stimuleringsregelingen voor bedrijfsverzamelgebouwen (welke inmiddels is geëxpireerd), regionale arbeidsmarktplatforms, Hoogwaardig Handhaven en opsporingssamenwerkingsverbanden gepubliceerd [zie respectievelijk Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw 2002, Tijdelijke stimuleringsregeling regionale platforms arbeidsmarktbeleid 2003, Tijdelijke stimuleringsregeling Hoogwaardige Handhaving en Tijdelijke stimuleringsregeling opsporingssamenwerkingsverbanden, red.]. Ten tijde van deze stimuleringsregeling is ook de stimuleringsregeling voor regionalisering Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) (Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverband Bbz en Ioaz) gepubliceerd.
     Het doel van de stimulering en financiële ondersteuning van gemeentelijke samenwerking is tweeledig. Een eerste doel is een optimale dienstverlening op lokaal niveau voor de burger te waarborgen door het verkleinen van de kwetsbaarheid van kleine(re) gemeenten. Deze wordt door kleine(re) gemeenten vooral ervaren door de toenemende complexiteit van de uitvoering van de Abw en de zelf ervaren smalle basis voor een gedegen bedrijfsvoering. De behoefte aan vorming van een (regionaal) samenwerkingsverband voor de uitvoering is groeiende. Regionale samenwerking geeft meer mogelijkheden de kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening te waarborgen. Hier komt bij dat de mogelijkheden de uitvoering aan private partijen uit te besteden beperkt zijn. (Zie hiervoor de circulaire van de Minister van SZW van 27 december 2001, kenmerk BZ/BU/01/79288). De ondersteuning vanuit SZW biedt een extra impuls te komen tot samenwerking in het publieke domein.
     Een tweede doel is gericht op een toename van beleidsmogelijkheden van individuele gemeenten en de versterking van de regionale regiefunctie. Door een efficiëntere uitvoering ontstaat voor gemeenten meer ruimte de (boven)lokale beleidsfunctie zelf in te vullen, dan wel de kennis over beleid te bundelen en te delen met andere gemeenten. Met het oog op de voorziene Wet werk en bijstand, wordt de verschuiving van administratief en uitvoerend gerichte taken naar de regie- en beleidsfunctie des te belangrijker. Dit is ook een impuls voor de samenwerking binnen de SUWI-keten.
     Tegen deze achtergrond ligt het ook in de rede dat de vorming van samenwerkingsverbanden Abw financieel wordt ondersteund. De stimuleringsregeling is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten bij het gaan samenwerken van gemeenten. In sessies met gemeenten is gebleken dat een dergelijke regeling een extra stimulans kan zijn voor gemeenten om de Abw gezamenlijk uit te voeren. Met deze regeling wil de minister een proces in gang zetten waarin gemeenten gezamenlijk het initiatief nemen te onderzoeken of en in welke vorm samenwerking in het publieke domein voor de uitvoering van de Abw gerealiseerd kan worden.
     Deze tijdelijke stimuleringsregeling biedt gemeenten de mogelijkheid een financiële tegemoetkoming te ontvangen voor de eenmalige kosten in verband met de totstandkoming van samenwerkingsverbanden Abw. De subsidie bestaat uit twee delen. Het eerste gedeelte van de subsidie betreft een vaste vergoeding van €|20.000,- voor de eerste (verkennings)fase in het proces. De subsidie kan gebruikt worden voor het inhuren van een procesbegeleider, het (doen) opstellen van een projectplan, etc. Gemeenten kunnen zich op deze wijze oriënteren op de gewenste samenwerking en verkennen wie daarin partners kunnen zijn.
     Indien deze (verkennings)fase bij de betrokken colleges van burgemeester en wethouders tot overeenstemming heeft geleid om de Abw gezamenlijk uit te gaan voeren, kan subsidie worden aangevraagd met betrekking tot de in de implementatiefase voordoende kosten. Op basis van onder meer een projectplan en een beschrijving van de beoogde werkwijze van het samenwerkingsverband Abw zal een vaste vergoeding verstrekt worden, afhankelijk van het aantal betrokken gemeenten en het aantal uitkeringen Abw. Voor de vaststelling van de hoogte van de subsidie voor de samenwerkingsverbanden is een indeling gemaakt afhankelijk van het aantal betrokken gemeenten en het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst zijn betrokken. Hiervoor is gekozen aangezien een groter aantal betrokken gemeenten het samenwerkingsproces complexer maakt en een hoger aantal uitkeringen grotere investeringen rechtvaardigt.
     In deze (implementatie)fase wordt - in de lijn van de Agenda voor de Toekomst - van de betrokken gemeenten een substantiële prestatie voor de ter beschikking gestelde middelen verwacht: een organisatorisch verband waarin de Abw gezamenlijk wordt uitgevoerd.
     De subsidieregeling voorziet in een tegemoetkoming in de kosten met betrekking tot de daadwerkelijke totstandbrenging van het samenwerkingsverband Abw. Hiertoe behoren in ieder geval kosten die verband houden met improductiviteit van personeel dat ingezet wordt om implementatiewerkzaamheden te verrichten, verhuiskosten, inrichtingskosten van de vestigingslokatie en kosten voor aanpassing van de automatisering. Uit ervaringsgegevens van reeds operationele samenwerkingsverbanden en een specifieke inventarisatie van StimulanSZ is vast te stellen dat de werkelijke kosten altijd en onder alle omstandigheden hoger zijn dan de financiële tegemoetkoming die in het kader van deze regeling voor de desbetreffende kosten wordt verstrekt. De subsidie is dan ook slechts een vaste tegemoetkoming in de werkelijk te maken kosten.
     Om de initiatieven en ontwikkelingen door gemeenten niet te doorkruisen, wordt in deze regeling geen strenge voorwaarde gesteld aan de juridische vormgeving van het samenwerkingsverband Abw. Dit sluit aan op de huidige verschillen in juridische vormgeving van bestaande samenwerkingsverbanden op het terrein van de Abw. Ten aanzien van overdracht van bevoegdheden worden voor het in aanmerking komen van subsidie op grond van deze stimuleringsregeling geen eisen gesteld. Het staat gemeenten uiteraard vrij tot een verdergaande samenwerking over te gaan waarbij ook (delen van) de bevoegdheden aan het samenwerkingsverband Abw worden overgedragen. Hetzelfde geldt voor het gezamenlijk invullen van beleidsfuncties, dan wel het uitvoeren van andere taken dan die van de Abw op het terrein van werk en inkomen. Dit met name met het oog op de voorziene Wet werk en bijstand, waarin de Abw, Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw), de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (WFA) en het Besluit in- en doorstroombanen (ID-besluit) opgaan.
     De minister wijst de subsidieaanvrager op de voordelen van het gebruik van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) bij het oprichten van een samenwerkingsverband Abw. De Wgr stelt niet alleen eisen met betrekking tot de organisatievorm, maar ook voor het regelen van taken en bevoegdheden en de politieke controle op het samenwerkingsverband. Nadeel van samenwerking op grond van een (bestuurs)overeenkomst is het ontbreken van een intergemeentelijk bestuursorgaan dat besluiten kan nemen. Mede in dit verband dient de subsidieaanvrager zich bewust te zijn dat indien zij voor de financiële verantwoording bij de minister in aanmerking wil komen als één uitvoeringsorganisatie, het samenwerkingsverband een rechtspersoon moet zijn waaraan door de betrokken gemeenten volledige overdracht van taken en bevoegdheden heeft plaatsgevonden. In de praktijk komt dit neer op een gemeenschappelijke regeling met een openbaar lichaam.
     Naast het stimuleren van samenwerking tussen gemeenten geldt sinds de totstandkoming van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) dat gemeenten met de ketenpartijen CWI [Centrale organisatie werk en inkomen, red.] en UWV [Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.] moeten samenwerken. Deze samenwerking richt zich in eerste instantie op samenwerking binnen een CWI-werkgebied waarbij de vorming van een bedrijfsverzamelgebouw een hulpmiddel is. Daar waar sprake is van een CWI-werkgebied waartoe slechts één gemeente behoort, zal regionale samenwerking per definitie buiten het CWI-werkgebied plaatsvinden. In dat geval is het dan ook vanzelfsprekend dat regionale samenwerking tussen gemeenten uit verschillende CWI-werkgebieden plaatsvindt.
     Adressanten van de onderhavige regeling zijn burgemeester en wethouders, belast met de uitvoering van de Abw.
     Voor de regeling is in totaal €|17 000 000,- beschikbaar gesteld.
     Naast deze financiële stimuleringsregeling zal de Minister van SZW gemeenten ondersteunen bij de praktische vormgeving van het samenwerkingsproces. Er wordt een aanbod ontwikkeld dat bestaat uit een intensieve voorlichtingscampagne, de inzet van een expertteam dat gemeenten kan adviseren over de inhoud van de samenwerking en (door)ontwikkeling van producten die bij het proces van samenwerking van pas komen. Deze ondersteuning wordt overigens ook geboden aan gemeenten die voor één of meerdere taken van de Abw willen gaan samenwerken, maar (nog) niet de gehele uitvoering van de Abw gezamenlijk willen uitvoeren.
     Momenteel wordt de uitvoering van dit ondersteuningsaanbod nader uitgewerkt. Periodiek zal de minister de gemeenten informeren wat de stand van zaken is van dit specifieke aanbod, hoe daar gebruik van kan worden gemaakt en wanneer deze ondersteuning operationeel is.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

     De onderhavige regeling strekt ertoe te bevorderen dat burgemeester en wethouders van gemeenten samenwerken op het gebied van de uitvoering van de Algemene bijstandswet (Abw). Die samenwerking dient gestalte te krijgen in een samenwerkingsverband Abw, zijnde een organisatorisch verband waarin colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel op basis van een samenwerkingsovereenkomst, de Abw gezamenlijk uitvoeren.
     In het proces om tot een samenwerkingsverband te komen kunnen drie stadia worden onderscheiden, te weten:
1. het voornemen om een samenwerkingsverband Abw op te zetten, zijnde een fase waarin colleges van burgemeester en wethouders van verschillende gemeenten de intentie hebben om een dergelijk verband op te zetten en de vooronderstelde pro’s en contra’s gezamenlijk (nog eens) goed wegen, uitmondend in een zogenaamde "go-or-no-gobeslissing";
2. de fase waarin op basis van de "go"-beslissing gewerkt wordt aan het feitelijk tot stand brengen van het samenwerkingsverband; en
3. de fase waarin het samenwerkingsverband formeel tot stand ís gebracht.
     In deze regeling wordt in formele zin op deze drie feitelijke stadia aangesloten. Zo wordt fase 1 geformaliseerd in een intentieverklaring, te weten: een geschrift waaruit blijkt dat colleges van burgemeesters en wethouders van twee of meer gemeenten de mogelijkheden om een samenwerkingsverband Abw op te zetten, verkennen, fase 2 geformaliseerd in een overeenkomst, zijnde een geschrift waaruit blijkt dat tussen colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten overeenstemming bestaat dat een samenwerkingsverband Abw tot stand wordt gebracht en fase 3 geformaliseerd in een regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel in een samenwerkingsovereenkomst, te weten een overeenkomst waarin de gezamenlijke uitvoering van de Abw, anders dan op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen, binnen een organisatorisch verband door colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten van de Abw is geregeld.
     De subsidie voor de kosten samenwerkingsverband Abw is afhankelijk van de fase van totstandkoming van het samenwerkingsverband Abw. Onder kosten samenwerkingsverband Abw wordt in deze regeling verstaan de eenmalige kosten die in de periode voorafgaande aan de operationele start van een tot stand te brengen samenwerkingsverband Abw worden gemaakt. Voor deze kosten geldt derhalve dat zij niet (kunnen) terugkomen in de jaarlijkse exploitatie van het samenwerkingsverband Abw.

 

Artikelen 2 Subsidie samenwerkingsverband Abw, 3 Subsidieplafond, 4 Subsidieaanvrager, 5 Subsidieaanvraag eerste fase en 6 Subsidieaanvraag tweede fase

     Teneinde te bevorderen dat samenwerkingsverbanden Abw tot stand komen, kan de minister op een daartoe strekkend verzoek subsidie verlenen. Hiertoe is in het kader van deze regeling ten hoogste €|17 miljoen beschikbaar. Het feit dat op de onderhavige regeling, voor zover daar op specifieke onderdelen niet expliciet van afgeweken is, de Algemene Regeling SZW-subsidies van toepassing is, brengt met zich mee dat de subsidieaanvragen worden behandeld volgens het systeem "wie het eerst komt, het eerst maalt". De subsidieaanvraag voor de eerste fase, de verkenning van de pro’s en contra’s, dient uiterlijk 1 mei 2004 door de minister ontvangen te zijn.
     De subsidie wordt aangevraagd door en verstrekt aan de subsidieaanvrager, zijnde een rechtspersoon die daartoe door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die betrokken zijn bij de intentieverklaring of de overeenkomst, is aangewezen. Die rechtspersoon zal doorgaans één van de gemeenten zijn die bij de intentieverklaring of de overeenkomst is betrokken. Denkbaar is ook, hoewel in de praktijk hoogst uitzonderlijk, dat colleges van burgemeester en wethouders speciaal voor dit doel een rechtspersoon oprichten.
     Om vast te kunnen stellen dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt daadwerkelijk gemachtigd is om namens de andere betrokkenen bij de intentieverklaring of de overeenkomst (in en buiten rechte) op te treden, dient bij de subsidieaanvraag in ieder geval overgelegd te worden een document waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt door de colleges van burgemeester en wethouders die bij de intentieverklaring of de overeenkomst zijn betrokken, is aangewezen. Tegen de achtergrond van het feit dat de subsidie wordt toegekend aan de subsidieaanvrager wordt overigens in de praktijk in het verlengde van het document waarbij de rechtspersoon/subsidieaanvrager wordt aangewezen, vaak nog een ander document opgesteld, waarin de wijze van doorsluizen van subsidiegelden naar de diverse bij de intentieverklaring of de overeenkomst betrokken partijen is geregeld. Dit document betreft echter bij uitstek de relatie tussen partijen bij de intentieverklaring of de overeenkomst en valt als zodanig geheel buiten het bestek van deze regeling.
     Uiterlijk 1 november 2005 ontvangt de minister - al dan niet in het verlengde van de subsidieaanvraag voor de eerste fase - de subsidieaanvraag voor de tweede fase, te weten het daadwerkelijk tot stand brengen van een samenwerkingsverband Abw. Dit is overigens ook de uiterste datum dat reeds ingediende en toegekende subsidies met een herzien subsidieverzoek aangepast kunnen worden in het geval er zich wijzigingen hebben voorgedaan in de (aantallen) betrokken gemeenten. Op deze herziene subsidieverzoeken is artikel 3 van de regeling onverminderd van toepassing. In het kader van het systeem "wie het eerst komt, het eerst maalt" geldt bij het bepalen van de rangorde dan uiteraard de datum waarop de nieuwe subsidieaanvraag is ontvangen. Indien positief wordt beslist op het nieuwe verzoek, wordt bij de nieuwe bevoorschotting vanzelfsprekend rekening gehouden met het reeds eerder verleende voorschot.
     Bij de aanvraag voor de tweede fase dient te worden overgelegd: een projectplan met betrekking tot de totstandbrenging van een samenwerkingsverband Abw, een beschrijving van de beoogde werkwijze van het samenwerkingsverband Abw en een afschrift van de overeenkomst. Indien de subsidieaanvraag uitsluitend betrekking heeft op de kosten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, is nog geen document overgelegd waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt daartoe is aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders die betrokken zijn bij (in dit geval) de overeenkomst en dient uiteraard een dergelijk document eveneens overgelegd te worden.

 

Artikelen 7 Subsidiabele kosten en 8 Omvang subsidie

     In het kader van deze regeling kunnen onder meer voor subsidie in aanmerking worden gebracht kosten met betrekking tot de verkenning van de mogelijkheden om tot een samenwerkingsverband te komen. Tot deze kosten kunnen gerekend worden de kosten verbonden aan overleg, kosten voor het inhuren van een procesbegeleider, kosten voor het (doen) opstellen van een projectplan, enz. Voor de kosten die in de eerste fase, de verkenningsfase, worden gemaakt, is in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies, waarin is vastgelegd dat subsidieverstrekking slechts plaatsvindt voor zover het betreft werkelijk gemaakte kosten ter uitvoering van subsidiabele activiteiten, een vast bedrag van €|20 000,- beschikbaar. Eveneens in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies zijn vaste bedragen beschikbaar voor kosten met betrekking tot het daadwerkelijk tot stand brengen van een samenwerkingsverband Abw. Uit ervaringsgegevens van reeds operationele samenwerkingsverbanden en een specifieke inventarisatie van StimulanSZ is vast te stellen dat de werkelijke kosten verbonden aan de totstandkoming van een samenwerkingsverband weliswaar zeer verschillend van aard zijn, maar, ongeacht die verschillen, altijd hoger zijn dan de in het kader van deze regeling toe te kennen vaste subsidiebedragen. De kosten lopen uiteen vanwege de verschillende toerekening van kosten aan het samenwerkingsproces; vooral de personele kosten worden vaak niet direct toegerekend aan de kosten van de totstandkoming van het samenwerkingsverband.
     In het kader van deze regeling worden in ieder geval tot de kosten verbonden aan de totstandbrenging van het samenwerkingsverband gerekend: proces- en integratiekosten, zijnde de onlosmakelijk aan de totstandkoming van een samenwerkingsverband Abw verbonden personele kosten (kosten van improductiviteit van personeel, omdat personeel in plaats van het verrichten van reguliere werkzaamheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk wordt ingezet om het proces van totstandkoming van een samenwerkingsverband te begeleiden, kosten verbonden aan het inhuren van extra personeel, kosten die voortvloeien uit specifieke om- en bijscholing van personeel), verhuiskosten in verband met het overbrengen van de uitvoering van de Abw naar de vestigingslokatie, inrichtingskosten van de vestigingslokatie en de kosten voor aanpassing van de automatisering. De verhuiskosten die voortvloeien uit het centreren van bepaalde uitvoeringstaken op één lokatie en de inrichtingkosten van die lokatie kunnen trouwens zowel betrekking hebben op het overbrengen van activiteiten naar een andere gemeente, of naar een ander gebouw binnen een gemeente (externe verhuizing), als op het overbrengen naar een centrale lokatie binnen een en hetzelfde gebouw (interne verhuizing). Voor de kosten met betrekking tot de totstandbrenging van een samenwerkingsverband Abw geldt dat de subsidie hiervoor een vast bedrag is dat varieert van €|50 000,- tot en met €|250 000,- afhankelijk van het aantal colleges van burgemeester en wethouders dat bij de overeenkomst is betrokken. Dit vaste bedrag wordt vervolgens verhoogd met een subsidie van onderscheidenlijk €|50 000,-, €|75 000,-, €|100 000,- of €|125 000,- afhankelijk van het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst zijn betrokken. Dit systeem brengt derhalve met zich mee dat indien bijvoorbeeld vijf colleges bij de overeenkomst zijn betrokken, de subsidie €|125 000,- bedraagt (5 maal €|25 000,- artikel 8, tweede lid); dit bedrag wordt vervolgens, indien het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw gezamenlijk wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst zijn betrokken meer dan 500, doch minder dan 1000 bedraagt, verhoogd met €|50 000,- (artikel 8, derde lid, onderdeel a) zodat in casu aan de subsidieaanvrager €|125 000,- + €|50 000,- = €|175 000,- subsidie verstrekt kan worden. Zou in dit voorbeeld het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw gezamenlijk wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst zijn betrokken meer dan 2000 bedragen, dan zou de subsidieaanvrager €|250 000,- (€|125 000,- + €|125 000,-) aan subsidie kunnen ontvangen.
     De omvang van het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw wordt verstrekt, wordt vastgesteld op grond van de kwartaaldeclaratie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz over het vierde kwartaal van 2002.
     Daartoe worden de aantallen in de navolgende codes, vermeld op de modeldeclaratie (formuliercode 30101900200221), bij elkaar opgeteld:

xAbw
x101 Bobxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
x301 Normbijstand jonger dan 21 jaar
x302 Normbijstand 21 tot 65 jaar
x303 Normbijstand 65 jaar of ouder
x304 Personen in een inrichting

 

 
Artikel 9. Weigering subsidie

     Gelet op het belang dat het samenwerkingsverband Abw werkzaam is in een gebied dat de grenzen van een werkgebied van een Centrum voor werk en inkomen, bedoeld in bijlage 1 van het Besluit werkgebieden CWI van de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet overschrijdt, wordt de subsidie in beginsel geweigerd indien een dergelijke overschrijding van het CWI-werkgebied zich voordoet. In aanmerking nemende dat zich situaties voor kunnen doen waarbij overschrijding van een CWI-werkgebied onvermijdelijk is, dan wel het vanuit een oogmerk van doelmatigheid en doeltreffendheid geboden is, is er in de regeling in voorzien dat de minister in die situaties deze weigeringsgrond niet toepast. Een voorbeeld van onvermijdelijke overschrijding vormen de zogenaamde "eenpitters" zoals Kerkrade, Breda, Zoetermeer, Lelystad, Spijkenisse, Den Haag en Oostburg. Deze gemeenten kunnen slechts een samenwerkingsverband aangaan in meer dan één CWI-gebied.
     Subsidie op grond van deze regeling wordt in ieder geval geweigerd indien het aantal uitkeringen dat op 31 december 2002 op grond van de Abw wordt verstrekt in de gemeenten waarvan de colleges van burgemeester en wethouders bij de overeenkomst zijn betrokken minder dan 100 bedraagt. Deze minimumgrens van 100 uitkeringen is opgenomen, omdat tegenover de investering in een samenwerkingverband Abw uiteraard ook een redelijk te verwachten rendement dient te staan. Indien de hiervoor bedoelde investering slechts een gering aantal uitkeringen zou regarderen, zou een evenwichtige verhouding tussen de investering en het te verwachten rendement ontbreken en ligt het niet in de rede om middels subsidiëring dit onevenwichtige resultaat financieel mede te ondersteunen. Indien bij de verantwoording geen afschrift wordt overgelegd van de tot stand gebrachte, op 31 december 2006 van kracht zijnde regeling, bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel van de op die datum van kracht zijnde samenwerkingsovereenkomst, wordt de subsidie eveneens geweigerd. Uit het ontbreken van dit verantwoordingsstuk moet namelijk afgeleid worden dat het samenwerkingsverband Abw niet (tijdig) tot stand is gekomen.

 

Artikelen 10 Subsidievaststelling, subsidieverlening, 11 Verantwoording en 12 Evaluatie

     De subsidieverlening en -vaststelling volgen de drie stadia die, in het proces om tot een samenwerkingsverband te komen, onderscheiden kunnen worden. Zo wordt na tijdige ontvangst van de subsidieaanvraag voor de eerste fase, het afschrift van de intentieverklaring en het document waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager als zodanig is aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die zijn betrokken bij de intentieverklaring, de subsidie à raison van €|20.000,- voor de kosten met betrekking tot de verkenning van de mogelijkheden om tot een samenwerkingsverband Abw te komen, vastgesteld. Na (tijdige) ontvangst van het projectplan, het afschrift van de overeenkomst en de beschrijving van de beoogde werkwijze van het samenwerkingsverband Abw en eventueel het document waarbij de subsidieaanvrager door de andere betrokkenen bij het tot stand te brengen samenwerkingsverband wordt aangewezen, wordt vervolgens een beschikking tot subsidieverlening afgegeven met een bevoorschotting van 80% van de subsidie.
     De verantwoording dient uiterlijk 1 april 2007 in het bezit van d
e minister te zijn. Bij de verantwoording wordt overgelegd een afschrift van de op 31 december 2006 van kracht zijnde regeling, bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel van de op die datum van kracht zijnde samenwerkingsovereenkomst. Wordt één van deze bescheiden overgelegd, dan wordt de subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, vastgesteld, overeenkomstig artikel 8, tweede en derde lid. Ontbreekt bij de verantwoording echter vorenbedoelde regeling of samenwerkingsovereenkomst, dan wordt met toepassing van artikel 9, tweede lid, de subsidie geweigerd.
     In de onderhavige regeling is tot slot voorzien in een medewerkingsverplichting van de subsidieontvanger aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek, bedoeld om te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger met het tot stand brengen van een samenwerkingsverband Abw een bijdrage heeft geleverd aan de verhoging van de kwaliteit van de uitvoering van de Abw.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x