Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  WIJZIGING  AOW  INZAKE  BUITEN  TOEPASSING  LATEN  KORTING

 

 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 2001-2002, 28 430

Wijziging van de Algemene Ouderdomswet inzake het buiten toepassing laten van de korting op het ouderdomspensioen voor vrouwen die in de periode van 1 januari 1957 tot 1 januari 1980 gehuwd waren met personen die niet verzekerd waren voor de Algemene Ouderdomswet

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

 

Algemeen  deel

 

     Op grond van artikel 6 van de AOW is verzekerd degene die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die ingezetene is van Nederland. Daarnaast is verzekerd degene die in ons land in dienstbetrekking werkzaam is en aan de loonbelasting is onderworpen.
     Op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 kan voor specifieke groepen van personen uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de hoofdregel inzake het ingezetenschap.
     In het eerste Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (Besluit van 20 december 1956, Stb. 1956, 624) was onder meer een bepaling opgenomen op grond waarvan gehuwde vrouwen van de verzekeringsplicht werden uitgezonderd indien hun echtgenoten niet verzekerd waren. Het ging daarbij onder meer om vrouwen van wie de echtgenoten buiten onze landsgrenzen werkzaam waren of die een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke socialeverzekeringsregeling ontvingen. Ondanks het feit dat deze vrouwen tijdens de hiervoor weergegeven omstandigheden in Nederland woonden en dus eigenlijk als verzekerden dienden te worden aangemerkt, werden zij daarvan juist uitgesloten. Deze bepaling bleef gelden tot de invoering van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de Algemene Ouderdomswet alsmede aanpassing van de overige volksverzekeringen (Wet van 28 maart 1985, Stb. 1985, 180) op 1 april 1985. Vanaf die datum was de verzekeringspositie van vrouwen niet meer afhankelijk van die van hun echtgenoot en hadden zij een individueel recht op AOW-pensioen.
     In de nota van toelichting bij de oorspronkelijke bepaling van het besluit uit 1956 werd onder meer opgemerkt dat in het systeem van de AOW de gehuwde man mede premie betaalde voor zijn echtgenote. Werd de man van de verzekering uitgezonderd, dan diende de vrouw eveneens te worden uitgezonderd, teneinde te voorkomen dat zij kosteloos verzekerd was. Men liet zich destijds leiden door het zogenaamde "kostwinnersbeginsel": er werd van uitgegaan dat de echtgenoot - als verzekerde op grond van een niet-Nederlands sociaalverzekeringsstelsel - in het buitenland veelal een loongerelateerde, op het gezinsinkomen afgestemde, oudedagsvoorziening opbouwde. Daarvan uitgaande was de uitsluiting van de verzekering van de gehuwde vrouw erop gericht een ongerechtvaardigd
rblz.|2| geachte cumulatie van uitkeringen te voorkomen. Het in het buitenland door de man opgebouwde pensioen werd geacht mede bestemd te zijn voor zijn

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees van 123recht beschikbaar. Bekijk de vele extra's van 123recht en ontvang
80% korting op het eerste abonnementsjaar. Klik hier.



 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | de wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x