Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

DIENSTENWET

 

 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 2007-2008, 31 579

Implementatie van Europese regelgeving betreffende het verkeer van diensten op de interne markt (Dienstenwet)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING  (enkel artikelsgewijs m.b.t. Awb)

 

 

Artikelsgewijs

rblz.|128| 

Wijzigingen van andere wetten


Artikel 60 (Wijziging Awb) [zie art. 61 Dienstenwet, red]


Onderdeel B


Artikel 4:20a

     De regeling van paragraaf 4.1.3.3 heeft een facultatief karakter. Zij is alleen van toepassing wanneer een wettelijk voorschrift zulks bepaalt. Dit betekent dat ook decentrale overheden de regeling in hun verordeningen van toepassing kunnen verklaren op de daarin geregelde beschikkingen. Het is evenwel niet mogelijk om in lagere regelgeving te bepalen dat de regeling van toepassing is op een type beschikking die voor het overige in hogere regelgeving is geregeld.
     Voor een facultatieve regeling is gekozen omdat het niet goed mogelijk is een algemeen criterium te formuleren aan de hand waarvan bepaald kan worden of aan het niet tijdig beslissen op een aanvraag de consequentie moet worden verbonden dat er een positieve fictieve beschikking ontstaat. De vraag of de regeling van toepassing zou moeten zijn, moet per geval worden bezien en beantwoord en leent zich derhalve niet voor een regeling in de Algemene wet bestuursrecht.
     Deze paragraaf zal in ieder geval van toepassing worden verklaard op een aantal vergunningen die onder de Dienstenrichtlijn vallen [Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 376), red.]. Uit artikel 13, vierde lid, van de Dienstenrichtlijn vloeit immers voort dat een vergunning wordt geacht te zijn verleend bij het uitblijven van een beslissing op een aanvraag binnen de beslistermijn. Paragraaf 4.1.3.3 zal evenwel niet op elke vergunning die onder de Dienstenrichtlijn valt van toepassing zijn. Dwingende redenen van algemeen belang, waaronder de rechtmatige belangen van derden zijn begrepen, kunnen een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. In overweging 40 en 41 bij de Dienstenrichtlijn is nader ingegaan op de dwingende redenen van algemeen belang. De aldaar beschreven redenen zijn een verkorte weergave van de stand van de jurisprudentie van het Hof van Justitie [Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, red.] over de artikelen 43 en 49 van het EG-Verdrag aan het einde van 2006. Dwingende redenen van algemeen belang omvatten bijvoorbeeld de openbare orde en veiligheid en de volksgezondheid.
     Voorts kan deze paragraaf van toepassing worden verklaard op andere beschikkingen dan vergunningen die onder de Dienstenrichtlijn vallen. In zijn voorlichting over de lex silencio positivo beval de Raad van State aan deze figuur slechts te gebruiken voor die beschikkingen waar weinig risico bestaat dat het algemeen belang of belangen van derden als gevolg van de fictieve verlening worden geschaad en waarbij bovendien de rechtspositie van de vergunninghouder na de fictieve verlening voldoende duidelijk is. Gedacht zou kunnen worden aan de huisvestingsvergunning of de kapvergunning. Toepassing van de lex silencio positivo op deze vergunningen levert in het algemeen niet direct risico op voor schade aan het belang van derden of de samenleving. Ook de rechtspositie van de vergunninghouder na de fictieve verlening is voldoende duidelijk.
     Op grond van het bepaalde in paragraaf 4.1.3.2 verbeuren bestuursorganen (met ingang van 1 januari 2009 [zie Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht, red.]) een dwangsom aan aanvragers indien niet tijdig op een aanvraag is beslist. Het zou ongerijmd zijn wanneer de paragrafen 4.1.3.2 en 4.1.3.3 tegelijkertijd van toepassing zouden zijn. Gesteld zou ook kunnen worden dat wanneer ervan wordt
rblz.|129| uitgegaan dat de gevraagde beschikking van rechtswege is verleend indien de beslistermijn is verstreken, er nimmer een dwangsom verschuldigd zou kunnen zijn. Om onduidelijkheid op dit punt te voorkomen, is in het tweede lid bepaald dat paragraaf 4.1.3.2 niet van toepassing is als

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees van 123recht beschikbaar. Bekijk de vele extra's van 123recht en ontvang
80% korting op het eerste abonnementsjaar. Klik hier.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Dienstenwet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x