Inhoudsopgave Wet Wajong

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen artt. 1:1 - 1:4
Hoofdstuk 1a Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten artt. 1a:1 - 1a:12
§ 1x Jonggehandicapte art. 1a:1
§ 2x Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering artt. 1a:2 - 1a:12
Hoofdstuk 2 Werk en arbeidsondersteuning artt. 2:1 - 2:69
Afdeling 1x Algemene bepalingen artt. 2:1 - 2:6
Afdeling 2x Algemene plichten jonggehandicapten artt. 2:7 - 2:10
Afdeling 3x Uitsluitingsgronden voor het recht op arbeidsondersteuning artt. 2:11 - 2:14
Afdeling 4x Recht op arbeidsondersteuning artt. 2:15 - 2:17
Afdeling 5x Re-integratie en arbeidsondersteuning artt. 2:18 - 2:30
Afdeling 6x Plichten in verband met het recht op arbeidsondersteuning artt. 2:31 - 2:38
§ 1x Verplichtingen van de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning artt. 2:31 - 2:34
§ 2x Bevoegdheden en plichten Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen artt. 2:35 - 2:38
Afdeling 7x Inkomensvoorzieningen artt. 2:39 - 2:46
§ 1x Inkomensondersteuning werkregeling artt. 2:39 - 2:42
§ 2x Inkomensondersteuning tijdens studie of scholing artt. 2:43 - 2:44
§ 3x Uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten artt. 2:45 - 2:46
Afdeling 8x Aanvraag en betaling artt. 2:47 - 2:66
§ 1x De aanvraag van arbeidsondersteuning artt. 2:47 - 2:48
§ 2x Betaling artt. 2:49 - 2:66
Afdeling 9x Sancties artt. 2:67 - 2:69
Hoofdstuk 3 Arbeidsongeschiktheidsvoorziening artt. 3:1 - 3:74
Afdeling 1x Algemeen artt. 3:1 - 3:2
Afdeling 2x Het recht op en de hoogte van de uitkering artt. 3:3 - 3:26
§ 1x De arbeidsongeschiktheidsuitkering artt. 3:3 - 3:23a
§ 2x Vakantie-uitkering artt. 3:24 - 3:26
Afdeling 3x Het geldend maken van het recht op uitkering artt. 3:27 - 3:44a
§ 1x Melding art. 3:27
§ 2x Toekenning artt. 3:28 - 3:36
§ 3x Maatregelen en bestuurlijke boeten artt. 3:37 - 3:44a
Afdeling 4x De betaling van de uitkering artt. 3:45 - 3:62
Afdeling 5x Reïntegratie-instrumenten artt. 3:63 - 3:73
Afdeling 6x Het verstrekken van inlichtingen art. 3:74
Hoofdstuk 3a Tegemoetkoming arbeidsongeschikten art. 3:75
Hoofdstuk 4 De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht artt. 4:1 - 4:2
Hoofdstuk 5 Financiering artt. 5:1 - 5:4
Hoofdstuk 6 Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie artt. 6:1 - 6:6
Hoofdstuk 7 Strafbepalingen artt. 7:1 - 7:2
Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen artt. 8:1 - 8:12
xxxxxxxxxxxr   xxxxxxxxxxxxxxx

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 760.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974, 2185, 2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 760 (95, 95a, 95b, 95c, 95d, 95e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.

Geschiedenis:
Staatsblad 1996, 478 Staatsblad 1997, 177Staatsblad 1997, 465Staatsblad 1997, 660 Staatsblad 1997, 773Staatsblad 1997, 789Staatsblad 1997, 794 Staatsblad 1998, 278Staatsblad 1998, 290Staatsblad 1998, 742 Staatsblad 1999, 25Staatsblad 1999, 185Staatsblad 1999, 564 Staatsblad 1999, 595Staatsblad  2000, 286Staatsblad 2000, 496Staatsblad 2000, 627 Staatsblad 2001, 212Staatsblad 2001, 225Staatsblad 2001, 481 Staatsblad 2001, 568Staatsblad 2001, 625Staatsblad 2001, 628 Staatsblad 2002, 395Staatsblad 2003, 376Staatsblad 2003, 544 Staatsblad 2004, 306Staatsblad 2004, 324Staatsblad 2004, 416 Staatsblad 2005, 37Staatsblad 2004, 717Staatsblad 2005, 65 Staatsblad 2005, 382Staatsblad 2005, 525Staatsblad 2005, 530 Staatsblad 2005, 573Staatsblad 2005, 624Staatsblad 2005, 710Staatsblad 2005, 708 Staatsblad 2005, 713Staatsblad 2006, 223Staatsblad 2006, 703 Staatsblad 2007, 305Staatsblad 2007, 551Staatsblad 2007, 555 Staatsblad 2007, 564Staatsblad 2007, 567Staatsblad 2008, 199 Staatsblad 2008, 510Staatsblad 2008, 590Staatsblad 2008, 598 Staatsblad 2008, 600Staatsblad 2009, 384Staatsblad 2009, 265 Staatsblad 2009, 390Staatsblad 2009, 282Staatsblad 2009, 318 Staatsblad 2009, 542Staatsblad 2009, 580Staatsblad 2009, 589 Staatsblad 2009, 582Staatsblad 2009, 596Staatsblad 2010, 228 Staatsblad 2010, 350Staatsblad 2010, 840Staatsblad 2010, 830Staatsblad 2010, 838Staatsblad 2010, 867 Staatsblad 2011, 288Staatsblad 2011, 618Staatsblad 2011, 608Staatsblad 2012, 2Staatsblad 2011, 645 Staatsblad 2011, 650Staatsblad 2012, 224Staatsblad 2012, 361Staatsblad 2012, 657Staatsblad 2012, 462 Staatsblad 2012, 464Staatsblad 2012, 544Staatsblad 2012, 562Staatsblad 2012, 682 Staatsblad 2013, 115Staatsblad 2013, 236Staatsblad 2013, 405Staatsblad 2013, 578Staatsblad 2014, 259Staatsblad 2014, 226Staatsblad 2014, 227Staatsblad 2014, 269Staatsblad 2014, 270Staatsblad 2014, 442Staatscourant 2014, 34507 Staatsblad 2014, 504 Staatsblad 2014, 494.

 

 

WET van 24 april 1997, Stb. 1997, 177, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). Laatste tekstplaatsing: Stb. 2009, 582. Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb. 1997, 391).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de intrekking van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

Art. 1:1. Algemene begrippen (1-oud)  [Geschiedenisversie 24 april 1997 Stb. 1997, 660 + bis Stb. 1997, 678Stb. 1997, 794 + bis Stb. 1998, 742versie 1 januari 1999Stb. 1999, 595 Stb. 2000, 496Stb. 2001, 625Stb. 2004, 306Stb. 2005, 573versie 31 december 2009Stb. 2009, 580 + bisStb. 2009, 589versie 1 januari 2010 Stb. 2009, 596 + bisStb. 2010, 838Stb. 2014, 270Stb. 2014, 442]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten: het arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten, bedoeld in artikel 5:1;
d. jonggehandicapte: de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 2:3 of 3:2;
e. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
f. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de situaties, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
g. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
h. re-integratiebedrijf: een natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
i. resterende verdiencapaciteit: het inkomen dat de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van deze wet nog met arbeid kan verdienen en dat bij of krachtens artikel 2:5, 2:37 of 3:1 is vastgesteld;
j. werknemer: een werknemer in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
k. werkgever: een werkgever in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
l. inkomensvoorziening: inkomensondersteuning als bedoeld in de artikelen 2:40, 2:41, 2:42 of 2:43, of een uitkering als bedoeld in artikel 2:45;
m. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van die wet;
n. participatieplan: het participatieplan, bedoeld in artikel 2:18, eerste lid;
o. recht op arbeidsondersteuning: het recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2;
p. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3;
q. zelfstandige: de persoon die, anders dan in dienstbetrekking, arbeid in eigen bedrijf verricht of een beroep uitoefent, teneinde daarmee inkomen te verwerven;
r. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d[Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 1:2. Ingezetene (3-oud)  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997Stb. 1997, 794versie 1 januari 1999versie 31 december 2009Stb. 2009, 580versie 1 januari 2010]
-1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon die in Nederland woont.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip ingezetene. [BubkiW]
-3. Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.

 

Art. 1:3. Woonplaats (4-oud)  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997versie 1 januari 1999versie 31 december 2009 Stb. 2009, 580versie 1 januari 2010Stb. 2010, 350 Stb. 2010, 830Stb. 2011, 618]
-1. Waar een natuurlijk persoon woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. De persoon die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of op het grondgebied van een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.

 

Art. 1:4. Studerenden (5-oud)  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997Stb. 1998, 742versie 1 januari 1999Stb. 2000, 286 Stb. 2001, 225versie 31 december 2009Stb. 2009, 580 + bisversie 1 januari 2010 Stb. 2010, 228Stb. 2012, 657Stb. 2013, 115Stb. 2013, 236 + bisStb. 2014, 227]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als studerende aangemerkt de persoon:
a. die studiefinanciering ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering 2000;
b. die een financiële voorziening ontvangt als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. die een tegemoetkoming ontvangt op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.