blz. 1 

Kamerstukken II 2015-2016, 34 528

Wijziging van enkele wetten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2017)

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Klein beleid
2.1 Zwangerschaps- en bevallingsverlof BES (artikel V)
2.2 Indeplaatsstelling gemeentelijke schuldhulpverlening (artikel VI)
2.3 Medewerking bij een uitnodiging voor re-integratieactiviteiten (artikel IX, onderdeel B)
2.4 Bepalingen eenmalige gegevensuitvraag (artikel IX, onderdeel G)
2.5 Jongeren zonder startkwalificaties (artikel IX, onderdeel H)
2.6 Remigratiewet (artikel X)
2.7 Gegevensverstrekking Inspectie SZW en erkende certificerende instellingen Waadi (artikel XIV)
2.8 Geen recht op Wazo bij loongerelateerde uitkering WGA (artikel XV)
2.9 Geen meldplicht in het kader van de Wav voor vreemdelingen ten aanzien van wie ingevolge internationale bepalingen geen tewerkstellingsvergunning mag worden geëist (artikel XVI, onderdeel A)
2.10 Gegevensverstrekking doelgroep banenafspraak (artikel XIX, onderdeel B)
2.11 Berekening quotumpercentage aangepast (artikel XIX, onderdeel C)
2.12 Aanpassing uitsluitings-/beëindigingsgrond Ioaw voor de situatie dat de werkloze werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt (artikel XXI onderdeel A)
2.13 Indexering ongevallenverzekering BES (artikel XXIV)
2.14 Verslag over uitkomst onderzoek naleving CAO (artikel XXVII)
2.15 Het verstrekken van gegevens en inlichtingen voor zover deze noodzakelijk zijn voor de informatieverstrekking bij het beëindigen van verzekeringsovereenkomsten (artikel XXIX, onderdeel E)
2.16 De vaststelling van de uurloongrenzen voor het LIV (artikel XXX, onderdeel K)
2.17 WGA-uitkeringen en eigenrisicodragerschap (artikel XXXI, onderdeel D)
2.18 Verlenging van de periode waarover de eigenrisicodragende werkgever ziekengeld moet betalen in geval van onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever (artikel XXXI, onderdeel C, onder 4)
2.19 No-riskpolis op grond van artikel 29b van de ZW (artikel XXXII, onderdeel D)
2.20 Proefplaatsing mogelijk bij eigenrisicodragerschap ZW (artikel XXXII, onderdeel G)
3 Uitvoering
4 Administratieve lasten
xArtikelsgewijs
xxxx| Artikelen I t/m XXXIV

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Dit wetsvoorstel wijzigt een aantal wetten op het terrein van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De wijzigingen betreffen zowel de arbeidswetgeving, de socialezekerheidswetgeving en wetgeving rondom de structuur van de uitvoeringsorganisatie. Het wetsvoorstel behelst onder andere wijzigingen die voortvloeien uit door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de Sociale verzekeringsbank (SVB) aangedragen knelpunten in de uitvoering. Het gaat hierbij om tekstuele aanpassingen, technische verbeteringen en verheldering van bepaalde punten. Tot slot dienen enkele voorstellen ter verduidelijking en nadere invulling van eerder gemaakte beleidskeuzes en het herstellen van omissies. Met de voorgestelde wijzigingen worden geen substantiële beleidswijzigingen beoogd. Het wetsvoorstel behelst derhalve enkel zogenoemd "klein beleid". Hiermee voldoet het wetsvoorstel aan de drie criteria die de regering in de brief van 20 juli 2011 heeft gesteld aan verzamelwetgeving, namelijk onderlinge samenhang, geen omvangrijke en complexe onderdelen en geen politiek omstreden inhoud.¹ Het wetsvoorstel heeft geen (substantiële) financiële consequenties. De financiële consequenties van de verschillende onderwerpen worden nader beschreven in de toelichting. De kleine beleidsmatige wijzigingen worden hieronder kort per onderwerp toegelicht. In het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de verschillende wijzigingsvoorstellen.

1. Kamerstukken I 2010-2011, 32 500 VI, M.

 blz. 2 

2. Klein beleid


2.1. Zwangerschaps- en bevallingsverlof BES (artikel V)


     Met het gewijzigde artikel in het Burgerlijk Wetboek BES wordt het recht van een vrouwelijke arbeider op loondoorbetaling van het volledige salaris gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof uitgebreid van twaalf weken naar zestien weken.

 

2.2. Indeplaatsstelling gemeentelijke schuldhulpverlening (artikel VI)


     Met ingang van 1 juli 2012 is de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening in werking getreden. Aangezien de provincie geen specifieke rol vervult op het terrein van werk en inkomen en schuldhulpverlening in het bijzonder, is het wenselijk dat het toezicht op gemeenten wordt uitgeoefend door de Minister van SZW. Daarom wordt de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening aan de bijlage, bedoeld in artikel 124b van de Gemeentewet, toegevoegd.

 

2.3. Medewerking bij een uitnodiging voor re-integratieactiviteiten (artikel IX, onderdeel B)


     In de Verzamelwet SZW 2013 is aan artikel 17, tweede lid, van de Wwb [lees: Wet werk en bijstand (Wwb), red.], thans Participatiewet (PW), toegevoegd dat onder de medewerkingsplicht in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met de arbeidsinschakeling. In de toelichting is destijds aangegeven dat de genoemde activiteiten daarmee ook onder de reikwijdte van artikel 54, eerste lid, PW vallen en dat de uitkering kan worden opgeschort indien de medewerkingsplicht niet wordt nagekomen.
     Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ¹ blijkt echter dat, in tegenstelling tot de toelichting bij die wetswijziging, het verlenen van medewerking om in verband met arbeidsinschakeling op een bepaalde plaats te verschijnen niet onder de reikwijdte van artikel 54, eerste lid, valt. Opschorten op grond van artikel 54 PW is daarom niet mogelijk als een belanghebbende niet meewerkt aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Opschorten op grond van artikel 54 PW is alleen mogelijk als het actuele recht op bijstand niet vaststaat. Deze uitspraak volgend, en om eventuele onduidelijkheid over opschorten bij de medewerkingsplicht weg te nemen, wordt voorgesteld de toevoeging aan artikel 17, tweede lid, PW, die bij de Verzamelwet SZW 2013 is ingevoegd, te laten vervallen.

1. Centrale Raad van Beroep 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:456.

     Indien belanghebbenden geen medewerking verlenen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met de arbeidsinschakeling, wordt een arbeids- en re-integratieverplichting niet nagekomen. De belanghebbende werkt in dat geval niet mee aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling (artikel 9, eerste lid, onderdeel b, PW). Bij het niet nakomen van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling moet de gemeente de uitkering verlagen (artikel 18, vierde lid, onderdeel h, PW). In het per 1 januari 2015 aangescherpte maatregelenbeleid is een verlaging van de uitkering van 100% ook mogelijk. Hierdoor is opschorting als extra wettelijk instrument in de genoemde gevallen niet meer noodzakelijk.

 blz. 3 

2.4. Bepalingen eenmalige gegevensuitvraag (artikel IX, onderdeel G)


     In artikel 53a PW (voor de colleges van burgemeester en wethouders), in artikel 33a, tweede lid, Wet SUWI [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, red.] (voor het UWV) en artikel 35, vijfde lid, Wet SUWI (voor de SVB) is de eenmalige gegevensuitvraag geregeld. Dit betekent dat bepaald is dat het college, het UWV en de SVB geen gegevens verlangt van de personen van wie deze uitvoeringsinstanties voor hun taken op het terrein van werk en inkomen gegevens verwerken die verkregen kunnen worden uit administraties als de polisadministratie (bij het UWV in beheer, maar ook gegevens over lonen en uitkeringen verwerkt ten behoeve van de belastingheffing), de verzekerdenadministratie (bij de SVB in beheer, de verzekerden voor de volksverzekeringen ook van belang in verband met de verzekering voor de zorgverzekering) en uit de basisregistratie personen. Tevens is geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur andere administraties kunnen worden aangewezen waarvoor dit geldt. Dit is nader geregeld in artikel 5.2a, eerste lid, van het Besluit SUWI. Om welke administraties het gaat en welke (soort) gegevens dan toegankelijk zijn voor de uitvoering van de taken in het domein van werk en inkomen, is geregeld in bijlage II bij het Besluit SUWI en in bijlage II bij de Regeling SUWI. Naast de genoemde administraties en de basisregistratie gaat het om de gegevens ter uitvoering van de PW over bijstand en re-integratie en gegevens afkomstig van de RDW (Dienst Wegverkeer), gegevens over voertuigen met name, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (in de praktijk via de DUO [Dienst Uitvoering Onderwijs, red.]), gegevens over het volgen van onderwijs, diploma’s en studiefinanciering. De gegevens in de bijlagen II zijn toegankelijk via de gezamenlijke elektronische voorzieningen, ook wel aangeduid als Suwinet, bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de Wet SUWI.

     Bij het tot stand komen van daadwerkelijke eenmalige gegevensuitvraag behoort ook de regeling dat de belanghebbende bij uitkeringen en voorzieningen niet meer verplicht is die gegevens te verstrekken aan het college, het UWV of de SVB. Die inlichtingenverplichting is geregeld in alle uitkeringswetten. Deze houdt in dat die belanghebbende de verplichting heeft alle feiten en omstandigheden te melden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn voor de uitvoering van de desbetreffende wet, dat wil zeggen voor het recht op de uitkering en de aanspraken op de re-integratievoorzieningen. Die verplichting zou niet kunnen gelden voor gegevens die het college, het UWV en de SVB kunnen verkrijgen uit andere administraties. Om welke gegevens het dan gaat, wordt bij nadere ministeriële regeling bepaald. Deze regeling wordt naar aanleiding van de evaluatie van de Wet SUWI voor een beperkt aantal gegevens uitgewerkt.
     In dit wetsvoorstel worden de artikelen 53a van de PW en 33a en 35 van de Wet SUWI in relatie tot de inlichtingenbepalingen in de uitkeringswetten op elkaar afgestemd, zodat het doel van de gegevensverwerking waarbij eenmalige gegevensuitvraag aan de orde is en de personen waarop die gegevensverwerking en de inlichtingenverplichtingen betrekking hebben, bij vergelijkbare taken op dezelfde wijze worden geformuleerd. Hiermee bestaan er geen onduidelijkheden meer over het proces van eenmalige gegevensuitvraag, zoals dat is uitgewerkt in het Besluit- en de Regeling SUWI.

 

2.5. Jongeren zonder startkwalificaties (artikel IX, onderdeel H)


     Jongeren van 23 tot 27 jaar zonder startkwalificatie kunnen op grond van de PW door de gemeenten worden ondersteund bij de toeleiding naar de arbeidsmarkt met het aanbieden van leer-werktrajecten. Bij de inventarisatie van problemen in de gemeentelijke uitvoering door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden [lees: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, red.]  blz. 4  (BZK) is gebleken dat de gemeenten onvoldoende zicht hebben op deze doelgroep om hun taak op grond van de PW goed te kunnen uitvoeren. De gemeente Amsterdam heeft daartoe een experiment voorgesteld in het kader van de Experimentenwet gemeenten, die de Minister van BZK voorbereidt naar aanleiding van een inventarisatie onder gemeenten. Afgezien van de eventuele wetgeving in het kader van de Experimentenwet worden er in ieder geval bestuurlijke afspraken gemaakt tussen gemeenten en de Minister van SZW en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) over het naar werk toeleiden van jongeren zonder startkwalificatie. Voor de uitvoering is het noodzakelijk dat gegevens uit het basisregister onderwijs (ook wel aangeduid als BRON) door de Minister van OCW, in feite door de DUO, aan de gemeenten worden verstrekt. Er bestond echter onduidelijkheid over de vraag of de Wet op het onderwijstoezicht (Wot) de DUO deze gegevensverstrekking met als doel het uitvoeren van deze taak op grond van de PW toestaat. In de Wot is wel voorzien in gegevensverstrekking voor zover artikel 64 van de PW daartoe verplicht (artikel 24f, tweede lid, Wot). Deze verplichting op grond van artikel 64 van de PW is in dit wetsvoorstel aangepast, zodat er geen onduidelijkheid meer bestaat over de reikwijdte van de wettelijke bepalingen om inhoud te geven aan de ondersteuning van deze jongeren die zich in een kwetsbare positie bevinden. De gegevens uit het BRON maken het mogelijk dat deze jongeren zonder startkwalificatie gericht kunnen worden benaderd door de gemeenten voor de ondersteuning met een leer-werktraject zoals in artikel 10f van de PW is geregeld.

 

2.6. Remigratiewet (artikel X)


     Per 1 juli 2014 is de Remigratiewet grondig gewijzigd,¹ waardoor de eisen voor toekenning van de voorzieningen zijn aangescherpt en, onder andere, de eenmalige basisvoorziening (voor verhuiskosten) is komen te vervallen. Echter, bij deze wetswijziging zijn een aantal punten abusievelijk niet meegenomen en zijn enkele punten over het hoofd gezien. Deze wijzigingen hebben betrekking op:
a. enkele redactionele wijzigingen;
b. in artikel 6aa, eerste lid, ontbreekt aan het slot een zinsdeel;
c. het toevoegen van een bepaling om onder voorwaarden van (verdere) terugvordering af te zien en het toevoegen van een bepaling houdende de inlichtingenverplichting in verband met een terugvordering van de Remigratiewet [lees: remigratie-uitkering, red.];
d. het schrappen van de verrekeningsmogelijkheid met de AKW in de Remigratiewet, en de toevoeging van twee nieuwe leden betreffende de bevoegdheid tot beslaglegging en verrekening bij vorderingen;
e. het toevoegen van een bepaling houdende bevoorrechte vordering van de SVB.

1. Stb. 2013, 331.

     De punten c, d (tweede zinsnede) en e zijn abusievelijk voor de Remigratiewet zowel ten tijde van de heroverweging als bij de totstandkoming van de huidige Remigratiewet ¹ niet meegenomen. Het ligt in de rede dat het opnemen van deze punten in de Remigratiewet wel altijd is beoogd, omdat deze punten bij wijziging van de andere materiewetten van de SVB (AKW, Anw en AOW) ² in algemene zin zijn aangemerkt als noodzakelijk  blz. 5  voor de uitvoeringspraktijk van de SVB. Reeds in de toelichtingen en parlementaire stukken is onderbouwd waarom deze wijzigingen noodzakelijk zijn.³ Deze motiveringen gelden onverkort ook voor de Remigratiewet, maar zoals aangegeven, is onverhoopt de Remigratiewet bij deze wijzigingen niet meegenomen. Het afwijken van deze geüniformeerde werkwijze is onwenselijk. De Remigratiewet, zoals deze geldt sinds 2000, wordt vanaf het begin uitgevoerd door de SVB, dus is daaruit af te leiden dat deze bepalingen ook voor de Remigratiewet bedoeld zijn. Het bijzondere karakter van de Remigratiewet ten opzichte van de andere materiewetten van de SVB kan de oorzaak zijn geweest dat deze punten over het hoofd zijn gezien. Het alsnog opnemen van deze punten kan mede door de hierboven genoemde reden worden beschouwd als kleine beleidsmatige wijzigingen. Bovendien is het gezien de aard van de voorgestelde aanpassingen aannemelijk dat deze punten geen ingrijpende wijzigingen betreffen en dus geen inhoudelijke, materiële of anderszins verstrekkende gevolgen hebben voor de uitvoering van de Remigratiewet. Voor het overgrote deel is met de Remigratiewet al (vanaf het begin) aangesloten bij de werkwijze die de SVB hanteert bij de uitvoering van de andere materiewetten. Slechts op deelaspecten die bij uiteenlopende wijzigingen zijn toegevoegd aan de uitvoering van de SVB is de Remigratiewet over het hoofd gezien.

1. Stb. 1999, 232.
2. Het toevoegen van de inlichtingenplicht bij terugvordering en de bevoegdheden tot beslag en verrekening bij vorderingen voor de andere materiewetten is opgenomen in Stb. 1996, 248 [zie ook Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, red.], en Stb. 2009, 265 [zie ook Aanpassingswet vierde tranche Awb, red.], het creëren van de mogelijkheid om af te zien van terugvordering is voor de andere materiewetten reeds geregeld in Stb. 1998, 278 [zie ook Wet terugvordering en verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid, red.], en het creëren van een bevoorrechte vordering van de SVB is voor de andere materiewetten reeds geregeld in Stb. 2008, 510 [zie ook Wet van 4 december 2008 tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten teneinde de Sociale verzekeringsbank en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de mogelijkheid te geven om van terugvordering
af te zien door medewerking aan voorstellen tot schuldregeling
, red.].
3. Dit betreft voor de inlichtingenplicht en de bevoegdheden tot beslag en verrekening bij vorderingen Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr. 7, blz. 2-4, Kamerstukken II 2006-2007, 31 124, nr. 3, blz. 90, 92 en 95, Kamerstukken II 2006-2007, 31 124, nr. 4, blz. 17. Voor het afzien van terugvordering betreft dit Kamerstukken II 1997-1998, 25 661, nr. 3, blz. 2, 5 en 6. Voor het creëren van een bevoorrechte vordering van de SVB betreft dit Kamerstukken II 2007-2008, 31 586, nr. 3, blz. 4-6 en 11.

     De punten a, b en d (eerste zinsnede) betreffen technische wijzigingen. Voor de toelichting op deze punten wordt verwezen naar de toelichting op artikel X, de onderdelen a, b en d (eerste zinsnede).

 

2.7. Gegevensverstrekking Inspectie SZW en erkende certificerende instellingen Waadi (artikel XIV)


     In artikel 18, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), vóór inwerkingtreding van de Wet aanpak schijnconstructies (Was) [zie Stb. 2015, 233, red.], was artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beboetbaar gesteld. Met de Was is deze informatieverplichting opgenomen in artikel 15a van de Wav en is het beboetbaar stellen van artikel 5:20 van de Awb komen te vervallen. Deze wijziging was abusievelijk niet doorgevoerd in de omschrijving van de gegevensverstrekking tussen de Inspectie SZW en de erkende certificerende instellingen in artikel 14b, eerste lid. Daarnaast zal het mogelijk gemaakt worden de boetes wegens het overtreden van de meldingsplicht in het kader van de Wav ook uit te wisselen. Voor de certificerende instellingen is het ook noodzakelijk om kennis te nemen van deze boetes. In de wetsgeschiedenis omtrent de gegevensuitwisseling geregeld in artikel 14b Waadi is ook altijd verondersteld dat alle boetes die worden opgelegd naar aanleiding van een geconstateerde overtreding van de Wet minimumloon (WML) [lees: Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML), red.], de Wav en de Waadi worden verstrekt.¹ Dit onderdeel herstelt deze omissies.

1. Kamerstukken II 2010-2011, 32 872, nr. 3, blz. 12.

 

2.8. Geen recht op Wazo bij loongerelateerde uitkering WGA (artikel XV)


     De nawerking in artikel 3.10 van de Wazo [Wet arbeid en zorg, red.] wordt, conform hetgeen altijd beoogd is, uitgesloten bij de groep die voorafgaand aan de Wazo-uitkering recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering [werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet WIA, red.] op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen [Wet WIA, red.].

 blz. 6 

2.9. Geen meldplicht in het kader van de Wav voor vreemdelingen ten aanzien van wie ingevolge internationale bepalingen geen tewerkstellingsvergunning mag worden geëist (artikel XVI, onderdeel A)


     Artikel 2a van de Wav implementeert artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van Richtlijn 2009/52/EG van het Europees parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Met de implementatie in artikel 2a zijn onbedoeld ook gemeenschapsonderdanen verplicht zich te melden. Deze fout wordt met deze wijziging hersteld. Werkgevers van vreemdelingen ten aanzien van wie ingevolge internationale bepalingen geen tewerkstellingsvergunning mag worden geëist, worden uitgezonderd van de meldingsplicht.

 

2.10. Gegevensverstrekking doelgroep banenafspraak (artikel XIX, onderdeel B)


     Mensen uit de doelgroep banenafspraak en quotumregeling die werkzaam zijn in inleenverbanden tellen ten tijde van de eventuele quotumregeling mee bij de inlenende werkgever. Het is daarom ook van belang dat de inlenende werkgever bij het UWV kan informeren of een persoon tot de doelgroep behoort. Daartoe wordt een wijziging van artikel 38d, zevende lid, Wfsv [Wet financiering sociale verzekeringen, red.] voorgesteld.
     Daarnaast krijgt gegevensverstrekking door uitlenende en inlenende werkgevers aan het UWV een nadere grondslag. Hiermee wordt het mogelijk nader te regelen dat het UWV een registratie kan opzetten van inleenverbanden van mensen uit de doelgroep waardoor verloonde uren van mensen uit de doelgroep die werken als uitzendkracht tijdens de eventuele quotumregeling meetellen bij de inlenende werkgever. Dit is relevant voor het berekenen van de quotumheffing.

 

2.11. Berekening quotumpercentage aangepast (artikel XIX, onderdeel C)


     In dit wetsvoorstel wordt een technische wijziging van variabele F en G in formule voor de berekening van het quotumpercentage voorgesteld. Variabele F en G zijn toegevoegd aan de formule voor de berekening van het quotumpercentage naar aanleiding van het amendement van Weyenberg [lees: gewijzigd amendement-Van Weyenberg c.s., red.].¹ Met dit amendement is de doelgroep tijdens de eventuele quotumheffing uitgebreid met mensen met een arbeidsbeperking die is ontstaan vóór de leeftijd van 18 jaar en die zonder voorziening niet in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen, maar met voorziening wel. Om te voorkomen dat de uitbreiding van de doelgroep tijdens de eventuele quotumheffing de doelgroep van de banenafspraak verdringt, zijn variabele F en G aan de formule voor de berekening van het quotumpercentage toegevoegd.
     Alleen voor werkgevers met 25 of meer werknemers geldt de eventuele quotumheffing. Variabele F betreft het aantal mensen die tot de aanvullende doelgroep behoren, verdeeld over de sector markt en overheid. In lijn met de invulling van variabele A en D gaat het daarbij om het aantal mensen uit de aanvullende doelgroep bij werkgevers met 25 of meer werknemers. Hetzelfde geldt voor variabele G, het gemiddeld aantal verloonde uren van mensen die tot de aanvullende doelgroep behoren. Het gaat om reparatie van een wetstechnische omissie.

1. Kamerstukken II 2014-2015, 33 981, nr. 22.

 blz. 7 

2.12. Aanpassing uitsluitings-/beëindigingsgrond Ioaw voor de situatie dat de werkloze werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt (artikel XXI onderdeel A)


     Met de Verzamelwet SZW 2013 is in het eerste lid van artikel 6 [van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), red.] een uitsluitings-/beëindigingsgrond opgenomen voor de situatie dat de werkloze werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Het tweede lid van artikel 6 is ten onrechte niet aangepast aan deze nieuwe beëindigingsgrond. Dat heeft tot gevolg dat de werkloze werknemer van wie de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, als alleenstaande wordt beschouwd. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin de echtgenoot onbetaald verlof geniet. In deze gevallen is de grondslag voor de alleenstaande werkloze werknemer van toepassing. Er is bij genoemde wijziging van het eerste lid van artikel 6 in 2013 verzuimd het tweede lid aan te passen, zoals wel in artikel 6 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen [Ioaz, red.] is gebeurd. Deze omissie wordt hersteld. Na inwerkingtreding van dit artikellid blijft de grondslag voor gehuwden van toepassing wanneer de echtgenoot van de werkloze werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt of onbetaald verlof geniet. Tevens is bepaald dat de wijzigingen die samenhangen met de voorwaarden voor de uitkering van de persoon die op de dag vóór inwerkingtreding van die wijzigingen recht heeft op een dergelijke uitkering, pas een halfjaar na inwerkingtreding van de wijzigingen ingaan. Dit omdat deze wijzigingen voor bepaalde groepen een inkomensachteruitgang betekent en deze mensen de tijd moeten hebben zich hierop voor te bereiden. De regering acht een periode van zes maanden redelijk en billijk voor de desbetreffende personen om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie en (eventueel) aanpassingen te plegen in het uitgavenpatroon.

 

2.13. Indexering ongevallenverzekering BES (artikel XXIV)


     In de Wet ongevallenverzekering BES is geregeld dat de nagelaten betrekkingen van een werknemer die als gevolg van een hem overkomen ongeval is overleden, als tegemoetkoming in de begrafeniskosten recht hebben op een uitkering ineens van USD 559,-. Er ontbreekt een grondslag om dit bedrag jaarlijks te indexeren. Als gevolg daarvan geldt thans het bedrag zoals dat laatstelijk per 1 januari 2011 is vastgesteld. Met een nieuw in te voegen artikel 5a wordt een verplichting opgenomen om het bedrag jaarlijks te indexeren. Bij de formulering van het nieuwe artikel 5a is aansluiting gezocht bij de in artikel 8a van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES opgenomen indexatiegrondslag.

 

2.14. Verslag over uitkomst onderzoek naleving CAO (artikel XXVII)


     In artikel 10, eerste lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten is geregeld dat de resultaten van het onderzoek dat door de Inspectie SZW is verricht, wordt vastgelegd in een verslag. Daarbij is tevens geregeld dat het verslag dat door de Inspectie SZW wordt opgesteld geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de in het onderzoek betrokken werknemers kan worden afgeleid. Hiermee wordt voorkomen dat identificeerbare werknemers door de werkgever op een voor hen nadelige manier kunnen worden bejegend. In het vierde lid is geregeld dat er met betrekking tot het verslag een ministeriële regeling kan worden opgesteld.

 blz. 8 

2.15. Het verstrekken van gegevens en inlichtingen voor zover deze noodzakelijk zijn voor de informatieverstrekking bij het beëindigen van verzekeringsovereenkomsten (artikel XXIX, onderdeel E)


     In artikel 73, derde lid, onderdeel a, van de Wet SUWI is voor het UWV de bevoegdheid opgenomen om onder bepaalde voorwaarden op verzoek gegevens en inlichtingen uit zijn administraties te verstrekken aan

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.