blz. 1 

Kamerstukken II 2018-2019, 35 275

Wijziging van enkele wetten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede enkele wetten van andere ministeries (Verzamelwet SZW 2020)

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Klein beleid
2.1 Verstrekking ongevalsrapport aan slachtoffer (artikel IV)
2.2 Afschaffing vervolguitkering WW VVU (artikel VI)
2.3 Controle melding WagwEU (artikel XII)
2.4 Schuldignalatigverklaring (artikel XIV)
2.5 Rijksbijdrage basisvoorzieningen (artikel XIV)
3 Uitvoering
3.1 Toetsen
4 Regeldruk
xArtikelsgewijs
xxx| Artikelen I t/m XX

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Dit wetsvoorstel beoogt een aantal wetten op het terrein van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) te wijzigen. De wijzigingen betreffen zowel de arbeidswetgeving, de socialezekerheidswetgeving als wetgeving rondom de structuur van de uitvoeringsorganisatie. Het wetsvoorstel behelst onder andere wijzigingen die voortvloeien uit door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) en de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) aangedragen knelpunten in de uitvoering. Het gaat hierbij om tekstuele aanpassingen, technische verbeteringen en verheldering van bepaalde punten. Tot slot dienen enkele voorstellen ter verduidelijking en nadere invulling van eerder gemaakte beleidskeuzes en het herstellen van omissies. Met de voorgestelde wijzigingen worden geen substantiële beleidswijzigingen beoogd. Het wetsvoorstel behelst derhalve enkel zogenoemd "klein beleid". Hiermee voldoet het wetsvoorstel aan de drie criteria die de regering in de brief van 20 juli 2011 heeft gesteld aan verzamelwetgeving, namelijk onderlinge samenhang, geen omvangrijke en complexe onderdelen en geen politiek omstreden inhoud.¹ Het wetsvoorstel heeft geen (substantiële) financiële consequenties. De meeste wijzigingen hebben geen financiële consequenties. Bij de onderwerpen die wel beperkte financiële consequenties hebben, is dit nader beschreven in de toelichting. De kleine beleidsmatige wijzigingen worden hieronder kort per onderwerp toegelicht. In het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de verschillende wijzigingsvoorstellen.

1. Kamerstukken I 2010-2011, 32 500 VI, M.

blz. 2 

2. Klein beleid


2.1. Verstrekking ongevalsrapport aan slachtoffer (artikel IV)

     Slachtoffers van een arbeidsongeval waarbij door de Inspectie SZW géén overtreding van het bedrijf is geconstateerd, beschikken momenteel niet over de wettelijke mogelijkheid (direct) toegang te krijgen tot het onderzoeksrapport van de Inspectie SZW. Dat kan nog wel via een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob); alleen wordt de informatie dan niet alleen aan het slachtoffer verstrekt, maar ook openbaar gemaakt. Daartoe moeten dan bijvoorbeeld de medische gegevens (waarover het slachtoffer juist wil beschikken) uit de rapportage worden weggelakt. Voorgesteld wordt om in artikel 24, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet op te nemen dat, naast de werkgever, de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, een slachtoffer van een arbeidsongeval altijd het onderzoeksrapport, inclusief de bijlagen, ontvangt van de Inspectie SZW. Het gaat daarmee om een bijzondere regeling die voorrang heeft op de Wob (zie artikel 2, eerste lid, van de Wob), zodat toetsing aan onder meer de weigeringsgronden uit artikel 10 van de Wob achterwege blijft.

 

2.2. Afschaffing vervolguitkering WW VVU (artikel VI)


     Voorgesteld wordt om artikel 130h van de Werkloosheidswet (WW), dat ziet op overgangsrecht in het kader van afschaffing van de vervolguitkering (VVU) van de WW met ingang van 1 januari 2004, buiten toepassing te verklaren voor aanvragen die na 31 december 2019 worden ingediend. Om de ten tijde van de afschaffing reeds bestaande rechten van werkloze werknemers op een VVU te eerbiedigen, is voor een aantal categorieën werkloze werknemers een overgangsregeling opgenomen in artikel 130h van de WW. Ten tijde van afschaffing van de VVU werd verwacht dat - gelet op de maximale duur van de loongerelateerde en vervolguitkering tezamen - circa acht jaar na afschaffing van de VVU de in het overgangsrecht geregelde gevallen zich niet meer voor zouden kunnen doen. Op dit moment, vijftien jaar nadat de VVU is afgeschaft, ontstaan er op grond van dit overgangsrecht in uitzonderlijke gevallen nog steeds nieuwe rechten op een VVU en wordt er momenteel nog steeds in een 20-tal (lopende) gevallen een VVU betaald. Het betreft voormalig WAO-gerechtigden aan wie een VVU is toegekend naar aanleiding van intrekking dan wel verlaging van de WAO-uitkering. Vanwege het feit dat inmiddels al meer dan acht jaar is verstreken sinds invoering van het overgangsrecht, wordt voorgesteld het betreffende artikel met ingang van 1 januari 2020 niet meer van toepassing te laten zijn. Dit gebeurt door een vijfde lid aan artikel 130h toe te voegen dat bepaalt dat het eerste tot en met het derde lid niet van toepassing zijn op aanvragen die na 31 december 2019 worden ingediend. Dit betekent dat er met ingang van 1 januari 2020 geen nieuwe aanspraken op een VVU kunnen ontstaan. Uitkeringsgerechtigden met een lopende VVU houden recht op deze uitkering tot einde duur van deze uitkering. Deze wijziging leidt tot een beperkte besparing op de WW-uitkeringslasten van circa €|250 000,- per jaar.

 

2.3. Controle melding WagwEU (artikel XII)


     Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU) is de dienstverrichter die een werknemer detacheert naar Nederland, verplicht dit schriftelijk of elektronisch aan Onze Minister te melden op een tijdstip vóór aanvang van de werkzaamheden, waarbij de dienstverrichter opgave doet van de gegevens, genoemd in dat lid. Op grond van het tweede lid verstrekt de dienstverrichter vóór aanvang van de werkzaamheden aan de blz. 3  dienstontvanger een afschrift van een deel van de melding. Op grond van het derde lid dient de dienstontvanger dit afschrift te controleren en onjuistheden of het niet hebben ontvangen van het afschrift ook vóór aanvang van de werkzaamheden schriftelijk of elektronisch aan Onze Minister door te geven.

     Omdat de dienstverrichter ook aan zijn meldingsplicht kan voldoen door vlak vóór de werkzaamheden een afschrift aan de dienstontvanger te zenden, is het mogelijk dat in de praktijk te weinig tijd overblijft voor de dienstontvanger om dit afschrift deugdelijk te controleren en onjuistheden tijdig door te geven. Bovendien kan pas op het moment van aanvang van de werkzaamheden worden vastgesteld dat het afschrift niet op tijd is ontvangen, in welk geval het voor de dienstontvanger niet mogelijk is om dit vóór aanvang van de werkzaamheden door te geven. Daarom wordt voorgesteld de dienstontvanger een termijn te geven van vijf werkdagen, gerekend vanaf het moment van aanvang van de werkzaamheden, voor het melden van onjuistheden of het niet hebben ontvangen van het afschrift.

 

2.4. Schuldignalatigverklaring (artikel XIV)


     In artikel 61, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt verduidelijkt dat het schuldig nalatig verklaren van een premieplichtige alleen mogelijk is voor zover de premie voor de algemene ouderdomsverzekering onbetaald is gebleven. Dit blijkt wel uit de tekst van artikel 13, eerste en tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet [AOW, red.], maar wordt niet expliciet herhaald in de tekst van artikel 61, eerste lid, van de Wfsv. Om het misverstand te vermijden dat schuldig nalatig verklaren ook mogelijk is indien uitsluitend de premie voor andere volksverzekeringen niet is betaald, wordt laatstgenoemd artikel met het oog hierop verduidelijkt. Voor de volledigheid zij vermeld dat onder "betalen" ook voldoening via verrekening, dwanginvordering, etc. kan worden verstaan.

     In het vierde lid is de eerste zin opnieuw geformuleerd omdat de opslag van 5% bovenop de premie bij een nabetaling binnen vijf jaar komt te vervallen. Gebleken is dat deze opslag wordt ervaren als dubbelop, omdat de Belastingdienst in dat geval ook belastingrente of invorderingsrente oplegt op grond van de Algemene wet rijksbelastingen [lees: Algemene wet inzake rijksbelastingen, red.] en de Invorderingswet [lees: Invorderingswet 1990, red.]. In de belastingwetgeving is derhalve al voorzien in een financiële prikkel om tijdig te betalen en de opslag is hiermee overbodig. De opslag zou premieplichtigen er juist van kunnen weerhouden om alsnog te betalen. Om die reden wordt voorgesteld de opslag van 5% op grond van artikel 61, vierde lid, van de Wfsv te laten vervallen. De verwijzing naar de opslag wordt tevens geschrapt in het vijfde lid, onderdeel b, het nieuwe zesde lid en in artikel 83, eerste lid, onderdeel c. In het nieuwe vierde lid wordt tevens geregeld dat bij betaling van de premie binnen vijf jaar de beslissing tot schuldignalatigverklaring wordt gewijzigd of ingetrokken. Ten gevolge daarvan vervalt het overeenkomstige zesde lid en wordt het zevende lid vernummerd. De financiële effecten van de afschaffing van de 5%-opslag worden geraamd op €|400 000,- per jaar.

 

2.5. Rijksbijdrage basisvoorzieningen (artikel XIV)


     Thans wordt voor een deel in de kosten van uitvoering door het UWV voorzien via rijksbijdragen. Hoewel denkbaar is dat deze rijksbijdragen separaat worden beheerd en de daaruit betaalde kosten separaat worden verantwoord, heeft het UWV aangegeven dat het voor een efficiënte uitvoering wenselijk is als deze rijksbijdragen mogen worden gestort in het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), van waaruit de betreffende blz. 4  uitvoeringskosten kunnen worden betaald. In artikel 99 van de Wfsv wordt geregeld welke middelen ten gunste van het AWf mogen komen. In het nieuwe onderdeel h van dat artikel wordt de rijksbijdrage in de uitvoeringskosten van het UWV toegevoegd, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald. Hiermee wordt beoogd om mogelijk te maken dat specifieke bij ministeriële regeling genoemde uitvoeringskosten van het UWV ten laste van de rijksbijdrage in de uitvoeringskosten van het UWV kunnen lopen via het AWf. Ter realisatie daarvan zal een overeenkomstig deel van deze rijksbijdrage ten gunste komen van het AWf, waardoor dit niet leidt tot financiële gevolgen voor het AWf. Vervolgens kan er bij ministeriële regeling op grond van artikel 121a van de Wfsv in worden voorzien om welke soorten uitvoeringskosten het daarbij gaat en hoe de bevoorschottings- en verantwoordingssystematiek daarvan wordt vormgegeven. In verband hiermee wordt er in artikel 100 in voorzien dat de uitvoeringskosten waarvoor een deel van de rijksbijdrage ten gunste van het AWf komt, ten laste van het AWf mogen komen, ook als deze geen directe betrekking hebben met de uitkeringen op grond van de WW of artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet.

 

3. Uitvoering


     Dit wetsvoorstel is door de Onze Minister voor een uitvoeringstoets voorgelegd aan UWV, SVB, Belastingdienst en Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP).

     Gemeenten zijn via het Uitvoeringspanel gemeenten bij het wetsvoorstel betrokken. Het Uitvoeringspanel acht de voorgestelde wijzigingen uitvoerbaar. Verder zijn de DUO [Dienst Uitvoering Onderwijs, red.] en de Inspectie SZW bij de voorbereiding van het wetsvoorstel betrokken geweest. Het wetsvoorstel heeft geen impact op de uitvoering bij de DUO. De incidentele uitvoeringskosten voor dit wetsvoorstel zijn nihil. Er zijn geen structurele uitvoeringskosten. De Inspectie SZW acht de voorgestelde wijzigingen toezichtbaar.

 

3.1. Toetsen


UWV

     Het UWV acht het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar¹. De incidentele uitvoeringskosten voor dit wetsvoorstel komen uit op €|8000,-. Er zijn geen structurele uitvoeringskosten.

1. Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.


SVB

     De SVB acht het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar op de beoogde datum van in werking treden.¹

1. Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.


Belastingdienst

     De Belastingdienst heeft aangegeven dat het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar is op de beoogde datum van inwerkingtreding.¹ Er zijn geen structurele uitvoeringskosten.

1. Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.


AP

     De AP heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben op het wetsvoorstel

1. Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

blz. 5 

4. Regeldruk


     De inhoudelijke nalevingskosten en de administratieve lasten vormen gezamenlijk de kosten die samenhangen met regeldruk. Het kabinet streeft ernaar de regeldruk voor burgers, bedrijven en professionals terug te dringen. De regeldrukeffecten van de voorgestelde wijzigingen in voorliggend wetsvoorstel zijn nihil. De ATR [Adviescollege toetsing regeldruk, red.] deelt de analyse en conclusie ten aanzien van de gevolgen voor de regeldruk.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel I. Aanpassingswet Wnra


Onderdelen A tot en met I (artikelen 2.1, 2.4, 2.9, 2.22, 2.23, 3.1, 5.1, 6.5, 6.15)

     De Aanpassingswet Wnra is op 16 april 2019 aangenomen door de Eerste Kamer en op 17 april 2019 bekrachtigd.¹ De Aanpassingswet Wnra zal met ingang van 1 januari 2020 in werking treden nadat deze is gewijzigd door onderhavige Verzamelwet SZW 2020. De voorgestelde wijzigingen in de Aanpassingswet Wnra zijn wetstechnische wijzigingen. Deze zijn noodzakelijk vanwege de voorgestelde wijzigingen in artikel 475d van het Wetboek van Rechtsvordering [lees: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red.], namelijk het vervallen van het tweede lid en vernummering van artikelleden.

1. Kamerstukken I 2018-2019, 35 073, A.

 

Artikel II. Algemene nabestaandenwet


Enig onderdeel (artikel 29a)

     Degene die recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) heeft tevens recht op een Anw-tegemoetkoming. Zolang betrokkene aan de voorwaarden van de Anw voldoet, kan het voorkomen dat een nabestaandenuitkering en Anw-tegemoetkoming doorlopen tot de AOW-leeftijd wordt bereikt. Bij het bereiken van de AOW-leeftijd eindigt het recht op nabestaandenuitkering en Anw-tegemoetkoming en ontstaat, als aan de daartoe gestelde voorwaarden wordt voldaan, recht op AOW-ouderdomspensioen en tevens recht op inkomensondersteuning in aanvulling op het ouderdomspensioen (AOW-inkomensondersteuning). De SVB stopt dan ook met het verstrekken van de nabestaandenuitkering en de Anw-tegemoetkoming met ingang van de dag dat betrokkene recht krijgt op het AOW-ouderdomspensioen en de AOW-inkomensondersteuning. Eén en ander is geregeld in de artikelen 16, eerste lid, onderdeel c, juncto tweede lid, en 29a, eerste lid, van de Anw en de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, 16, eerste lid, en 33a, eerste lid, van de AOW. Hiermee heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat er, zonder redelijke grond, dubbele uitkeringen en dubbele tegemoetkomingen zouden worden verstrekt.

     In artikel 33a, derde lid, van de AOW is geregeld dat de AOW-inkomensondersteuning voor de toepassing van (onder meer) artikel 16, eerste lid, van de AOW, als ouderdomspensioen moet worden beschouwd. Omdat in genoemd artikel 16, eerste lid, is geregeld dat het ouderdomspensioen ingaat op de dag waarop de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet (de dag waarop de AOW-leeftijd wordt bereikt), is daarmee expliciet geregeld dat ook de AOW-inkomensondersteuning ingaat op de dag waarop de belanghebbende de AOW-leeftijd bereikt. Geconstateerd is echter dat een expliciete bepaling die regelt dat de Anw-tegemoetkoming eindigt met ingang van blz. 6  de dag waarop de AOW-leeftijd wordt bereikt ontbreekt. Weliswaar is in artikel 16, tweede lid, van de Anw geregeld dat de nabestaandenuitkering eindigt met ingang van de dag dat de AOW-leeftijd wordt bereikt, maar deze bepaling is strikt genomen niet van toepassing op de Anw-tegemoetkoming, omdat deze, in artikel 29a, derde lid, voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, niet als nabestaandenuitkering wordt beschouwd. In artikel 29a, derde lid, van de Anw wordt de Anw-uitkering wel als nabestaandenuitkering beschouwd voor de toepassing van afdeling II van hoofdstuk 3, maar artikel 16, tweede lid, is niet in die afdeling opgenomen. Uit een oogpunt van consistentie en ter verduidelijking wordt het daarom wenselijk geacht om alsnog, overeenkomstig en aansluitend op de regeling in de AOW, ook in de Anw expliciet te regelen dat ook de Anw-tegemoetkoming eindigt met ingang van de dag dat de AOW-leeftijd wordt bereikt. Dit kan eenvoudigweg worden gerealiseerd door een verwijzing naar artikel 16, tweede lid, op te nemen in artikel 29a, derde lid, van de Anw.

 

 Artikel III. Algemene Ouderdomswet


Onderdeel A (artikel 7a)

     In artikel 7a, eerste lid, van de AOW zijn de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i en j, van die wet vastgesteld voor kalenderjaren tot en met 2021. Met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd, die met ingang 1 januari 2020 in werking zal treden, worden de nieuwe pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd tot en met 2024 eveneens in artikel 7a, eerste lid, vastgelegd.¹ In artikel 7a, tweede lid, van die wet wordt de verdere verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd geregeld voor de kalenderjaren vanaf 2025.

1. Het onderhavige voorstel heeft, wat betreft de wijziging van de AOW, eveneens de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2020. De Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd wijzigt de Algemene Ouderdomswet echter eerst. De wijzigingsopdracht richt zich dan ook op de Algemene Ouderdomswet nadat de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd deze gewijzigd heeft.

     De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn in artikel 7a van de AOW vastgelegd met de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. Met het Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd [zie Stb. 2012, 361, red.] en het Tweede aanpassingsbesluit verhoging AOW-leeftijd [zie Stb. 2012, 362, red.] is in de volledige Nederlandse wetgeving de leeftijdsgrens van 65 jaar vervangen door "de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW".¹ Daarbij is er echter onvoldoende oog voor geweest dat de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd vanaf 2025 niet zijn geregeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW, maar in artikel 7a, tweede lid, van die wet. Dat zou onbedoeld tot gevolg hebben dat de verwijzingen naar de pensioengerechtigde leeftijd in de Nederlandse wetgeving vanaf 2025 niet meer correct zouden zijn. Om dat te voorkomen, zouden overal in de Nederlandse wetgeving de verwijzingen naar artikel 7a, eerste lid, van de AOW moeten worden aangepast. Omdat dat een omvangrijke wetgevingsoperatie zou zijn, wordt voorgesteld aan artikel 7a, eerste lid, een nieuw onderdeel n toe te voegen, waarmee eveneens blz. 7  wordt bereikt dat de verwijzingen naar artikel 7a, eerste lid, van de AOW ook vanaf 2025 nog correct zijn.

1. Zie bijvoorbeeld de artikelen 1, onderdeel p, juncto 2, eerste lid, onderdeel b en d, 15, derde lid, 16, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, en 17, eerste, tweede en vijfde lid, van de Anw, de artikelen 1, onderdeel p, juncto 3, eerste lid, 19, eerste lid, onderdeel i, 53, eerste en tweede lid, en 67, onderdeel c, van de WW of artikelen 3:2, twintigste lid, 3:3, eerste lid, onderdeel c, 3:5, vierde lid, onderdeel a, en 3:6, derde lid, onderdeel c, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.

     In het pensioenakkoord is afgesproken dat de ontwikkeling van de pensioengerechtigde leeftijd met ingang van 2025 voor twee derde gekoppeld wordt aan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting op 65 jaar in plaats van de koppeling waarbij één jaar langer leven één jaar langer werken betekent.¹ Dit betekent dat elk jaar levenswinst wordt vertaald in gemiddeld acht maanden langer doorwerken en gemiddeld vier maanden langer AOW-pensioen. De wijziging van deze koppeling zal in artikel 7a, tweede lid, geregeld worden en de regering is voornemens te zijner tijd een wetsvoorstel hierover in te dienen. Onderhavige wijziging van artikel 7a van de AOW functioneert onafhankelijk van de wijze van koppeling van de pensioengerechtigde aan de resterende levensverwachting - en de wijziging daarvan - en bewerkstelligt slechts dat de verwijzingen naar de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd in andere wetten na 2025 ook nog correct zijn.

1. Kamerstukken II 2018-2019, 32 043, nr. 457, blz. 15.


Onderdelen B en C (artikelen 8 en 8a)

     Uit het derde lid van artikel 8a van de AOW kan ten onrechte de indruk ontstaan dat het recht op partnertoeslag nu nog kan ontstaan of herleven nadat een AOW-gerechtigde weer in Nederland of een exportland is gaan wonen. Dit was alleen het geval tot 1 januari 2015. Uit artikel 8 van de AOW in combinatie met de toelichting bij de nota van wijziging bij de Verzamelwet SZW 2015 (Kamerstukken II 2013-2014, 33 988, nr. 6, onderdeel 8) blijkt echter dat dit niet de bedoeling is. Omdat het derde lid betekenisloos is geworden, wordt voorgesteld het te schrappen. In verband hiermee wordt in artikel 8, tweede lid, van de AOW een verwijzing naar dat lid geschrapt.

 

Artikel IV. Arbeidsomstandighedenwet


Enig onderdeel (artikel 24)

     In artikel 24, vierde en vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is neergelegd dat de toezichthouder op de Arbeidsomstandighedenwet een rapport opstelt ter zake van een arbeidsongeval of ter voldoening aan artikel 5:18, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht [Awb, red.]. Wanneer er geen sprake is van een boeterapport als bedoeld in artikel 36 van de Arbeidsomstandighedenwet, wordt het rapport op grond van het huidige artikel 24, vijfde lid, aan de werkgever, aan de ondernemingsraad of aan de personeelsvertegenwoordiging, maar niet aan het slachtoffer van een arbeidsongeval verstrekt. Hoewel een slachtoffer geen belanghebbende is in de zin van artikel 5:18 van de Awb, kan deze belang hebben bij het ongevalsrapport. Daarom wordt met deze wijziging van artikel 24, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet voorgesteld te regelen dat de toezichthouder het rapport ook aan de bij een arbeidsongeval betrokken persoon of personen verstrekt, overeenkomstig artikel 36 van de Arbeidsomstandighedenwet. Zie ook de algemene toelichting onder paragraaf 2.1.

 

Artikel V. Participatiewet


Onderdelen A en C (artikelen 7 en 10g)

     De wijzigingen in artikel 7 en 10g van de Participatiewet betreffen artikelen en artikelonderdelen die in de Participatiewet worden opgenomen via de Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein, luisterlijnen en vertrouwenswerk jeugd. Die wet is op 21 mei 2019 blz. 8  aangenomen door de Eerste Kamer en met ingang van 1 juli 2019 in werking getreden. Deze artikelen en onderdelen zijn puur technisch van aard en werken terug tot en met 1 juli 2019. Het voorstel tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) gaat ook om aanpassing van een artikel dat bij deze wet in de Wmo 2015 wordt opgenomen.

     De wijziging van artikel 7, tiende lid, van de Participatiewet voorziet in een wetstechnische wijziging.

     Artikel 10g, vierde lid, van de Participatiewet is aangepast om de uitvoering door het UWV van de tolkvoorzieningen beter in te passen in de systematiek van de Participatiewet en voor de uitvoering door het UWV alleen te verwijzen naar de Wajong [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, red.] voor zover dit aansluit bij de Wajong en in de Participatiewet geen specifieke bepalingen gericht op dit soort voorzieningen zijn opgenomen. Het gaat daarbij om bepalingen over de inlichtingenverplichtingen en medewerking aan onderzoek, terugvordering en herziening en het opleggen van een bestuurlijke boete. Daarnaast is de voorziening voor een auditief beperkte geregeld in artikel 2:22 en 2:23 van de Wajong. Het ligt meer voor de hand om de artikelen uit hoofdstuk 2 van de Wajong van overeenkomstige toepassing te verklaren in plaats van de equivalente bepalingen in hoofdstuk 3, zoals in dit artikel. Vandaar dat de verwijzingen in het vierde lid worden vervangen door de algemene artikelen van hoofdstuk 2 in de Wajong. Daarbij gaat het materieel om dezelfde onderwerpen als genoemd zijn in het vierde lid. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

     Het vijfde lid is aangepast omdat de Wet sociale werkvoorzieningen geen regeling voor tolkvoorzieningen kent, maar deze voorzieningen wel kunnen zijn toegekend, omdat de persoon met een auditieve beperking werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van die wet.


Onderdelen B en E (artikelen 8b en 47)

     In artikel 8b en 47 van de Participatiewet wordt verduidelijkt dat de verordeningsplicht ook geldt voor de op de wet berustende bepalingen, zoals bijvoorbeeld de bepalingen in het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.


Onderdeel D (artikel 38)

     Met deze wijziging wordt een verwijzing hersteld in artikel 38, vierde lid, van de Participatiewet. Daarnaast worden taalkundige verbeteringen aangebracht. De gewijzigde bedragen en percentages ter vaststelling van de aanspraak op vakantietoeslag worden als gevolg van de herstelde verwijzing voortaan medegedeeld in de Staatscourant.

 

Artikel VI. Werkloosheidswet


Enig onderdeel (artikel 130h)

     Verwezen wordt naar de algemene toelichting onder paragraaf 2.2.

blz. 9 

Artikel VII. Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving


Enig onderdeel (artikel XXV)

     Met deze wijziging wordt een verwijzing hersteld in artikel XXV, vierde lid, van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. De desbetreffende leden van artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet zijn niet opgenomen in onderdeel J, maar in onderdeel K van artikel XV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving.

 

Artikel VIII. Wet algemene ouderdomsverzekering BES


Enig onderdeel (artikel 8a) [vervallen, red.]

     Met de voorgestelde wijzigingen van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES en de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES wordt een omissie hersteld. Tot op heden ontbreken de indexeringsgrondslagen voor de bedragen, genoemd in artikel 1 van de Regeling AOV en AWW bijdragen aan zorginstellingen BES. Met de voorgestelde wijzigingen wordt alsnog voorzien in de benodigde indexeringsgrondslagen. De bedragen, genoemd in artikel 1 van de Regeling AOV en AWW bijdragen aan zorginstellingen BES, zijn in 2018, ondanks de nog ontbrekende indexeringsgrondslagen, geïndexeerd overeenkomstig de bedragen van de onderstand (Stcrt. 2018, 67250).

 

Artikel IX. Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES


Enig onderdeel (artikel 12a) [vervallen, red.]

     Verwezen wordt naar de toelichting op artikel VIII.

 

Artikel X. Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

     Met betrekking tot de in het bij Koninklijke Boodschap van 6 november 2018 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de Wfsv en enige andere wetten om de balans tussen vaste en flexibele arbeidsovereenkomsten te verbeteren (Wet arbeidsmarkt in balans) (Kamerstukken I 2018-2019, 35 074, A) voorgestelde wijzigingen in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) worden in dit wetsvoorstel enkele technische wijzigingen voorgesteld.

Onderdeel A (artikel 1, derde lid, onderdeel c)

     In artikel II, onderdeel A, van de Wet arbeidsmarkt in balans is een wijziging voorgesteld van artikel 1, derde lid, onderdeel c, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Met deze wijziging is de definitie van intraconcerndetachering in overeenstemming gebracht met artikel 7:691, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarin is aangesloten bij de artikelen 24a en 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze definitie ziet echter niet op de publiekrechtelijke rechtspersonen, bedoeld in artikel 1, van Boek 2, van het BW, zodat intraconcerndetacheringen bij deze rechtspersonen niet onder de definitie vallen. Met deze wijziging wordt deze omissie hersteld.

blz. 10 

Onderdeel B (artikel 8, tweede lid)

     In onderdeel B wordt verduidelijkt dat in artikel 8, tweede lid, van de Waadi, zoals dat is voorgesteld in artikel II, onderdeel C, van de Wet arbeidsmarkt in balans, wordt verwezen naar de arbeidsvoorwaarden die genoemd worden in het eerste lid, onderdeel a en b, van artikel 8.


Onderdeel C (artikel 8a, vierde, achtste en negende lid)

     In het vierde lid van artikel 8a is verduidelijkt dat het bepaalde in artikel 8a met betrekking tot een adequate pensioenregeling geen afbreuk doet aan het bepaalde in artikel 97 van de Pensioenwet. Artikel 97 van de Pensioenwet betreft een implementatie van de Beschermingsrichtlijn ¹ en regelt dat indien een gedetacheerde werknemer in Nederland werkt, de werkgever en hij worden vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van bijdragen in Nederland indien tijdens detachering in Nederland de betaling van bijdragen in een andere lidstaat wordt voortgezet.

1. Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

     Voor de wijziging van artikel 8a, achtste lid, zij verwezen naar de toelichting bij onderdeel A, van dit artikel.

     In het in de Wet arbeidsmarkt in balans voorgestelde artikel 8a, negende lid, van de Waadi is de mogelijkheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur categorieën van arbeidskrachten met een arbeidsbeperking aan te wijzen. Naast arbeidskrachten die arbeidsbeperkte zijn als bedoeld in artikel 38b van de Wfsv dienen ook personen die met arbeidsbeperkten gelijkgesteld zijn als bedoeld in artikel 38f, vijfde lid, van de Wfsv onder de reikwijdte van dit artikel te vallen. Met deze wijziging wordt deze omissie hersteld.

 

Artikel XI. Wet arbeid en zorg

     Met betrekking tot de Wet arbeid en zorg wordt een aantal kleine technische wijzigingen voorgesteld.

Onderdelen A tot en met D (artikelen 3:11, 3:12, 3:22 en 3:31)

     De onderdelen A, B en C betreffen technische correcties van de aanduiding van zwangere vrouwelijke werknemers, vrouwelijke gelijkgestelde, vrouwelijke zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst. Het nieuwe derde lid van artikel 3:22 is inhoudelijk gelijkluidend aan het tweede lid van artikel 3:11 (en het bestaande artikel 3:12, tweede lid). Standaard hoeft in de gevallen, bedoeld in de artikelen 3:11, 3:12 en 3:22 van de Wet arbeid en zorg, geen verklaring van een arts of verloskundige bij een aanvraag voor een zwangerschap- of bevallingsuitkering aan het UWV te worden overgelegd. Het UWV kan een dergelijke verklaring echter wel opvragen.

     Het overgangsrecht van artikel 3:31 is uitgewerkt. Op die plaats wordt, met onderdeel D, een nieuwe overgangsbepaling opgenomen. Het nieuwe artikel 3:31 van de Wet arbeid en zorg regelt het volgende.

     In de Verzamelwet SZW 2019 is opgenomen dat per 1 juli 2019 de vakantie-uitkering voor de zwangerschaps- en bevallingsuitkering verdisconteerd wordt in de uitkering. Vóór genoemde datum vindt de blz. 11  betaling van de vakantie-uitkering eenmaal per jaar in de maand mei plaats over de aan die maand voorafgaande maanden of, indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. Het UWV voert dit zo uit dat de vrouwelijke zelfstandige en beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst die na 1 juli 2019 een aanvraag doet voor de uitkering, de vakantie-uitkering verdisconteerd krijgt uitbetaald, ongeacht de periode waarover het recht bestaat. Bij aanvragen die door het UWV worden ontvangen vóór 1 juli 2019 wordt, ongeacht de periode waarover het recht bestaat, de vakantie-uitkering gereserveerd en apart uitbetaald. Hiermee worden technische en organisatorische problemen voorkomen van aanvragen die op of na 1 juli 2019 door het UWV worden ontvangen en deels betrekking hebben op perioden voor 1 juli 2019 en aanvragen die vóór 1 juli 2019 door het UWV worden ontvangen en deels betrekking hebben op perioden op of na 1 juli 2019. Het UWV heeft er weloverwogen voor gekozen niet uit te gaan van het moment van recht, maar van het moment van het ontvangen van de aanvraag. Om dit ook formeel rechtsgeldig zo te kunnen doen, is een overgangsbepaling opgenomen. Voor de hoogte van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor de vrouwelijke zelfstandige en beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst heeft dit allemaal geen consequenties. Aan de hoogte van de uitkering verandert niets. Onderdeel D zal in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel regelt wordt geplaatst en terug werken tot en met 1 juli 2019.

 

Artikel XII. Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie


Enig onderdeel (artikel 8)

     Voorgesteld wordt om de dienstontvanger een termijn te geven van vijf werkdagen voor het melden van onjuistheden of het niet hebben ontvangen van het afschrift, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de WagwEu. Deze termijn begint op het moment van aanvang van de werkzaamheden. Onder werkdag wordt niet begrepen de zaterdag of de zondag. Indien de werkzaamheden bijvoorbeeld op een woensdag aanvangen en de dienstontvanger het afschrift twee weken voor die dag ontvangt, dient de dienstontvanger uiterlijk de woensdag na de woensdag waarop de werkzaamheden zijn begonnen alle onjuistheden in het afschrift te melden aan Onze Minister.

 

Artikel XIII. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering


Onderdeel A (artikelen 6 en 100)

     Met deze wijziging van de artikelen 6, onderdeel c, en 100, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt voorgesteld te regelen dat de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht heeft in zaken betreffende rechtsvorderingen gegrond op het in de Wet arbeidsmarkt in balans voorgestelde artikel 8a van de Waadi. Op grond van deze bepalingen is de Nederlandse rechter reeds (mede) bevoegd in zaken betreffende een rechtsvordering op grond van artikel 8 van de Waadi.

Onderdeel B (artikel 475d) [zie onderdeel D, red.]

     In de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is ervoor gekozen geen apart tarief voor jongeren tot 21 jaar te hanteren. De beslagvrije voet voor jongeren sluit in het nieuwe stelsel aan bij de bijstandsnorm voor 21 jaar of ouder. Door het tweede lid van artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te laten vervallen en het eerste lid in die zin blz. 12  aan te passen dat de uitzondering voor jongeren van 18 tot 21 jaar vervalt, wordt in lijn met de door Staatssecretaris Van Ark in haar brief van 13 februari 2019 (Kamerstukken II 2018-2019, nr. 24 515, nr. 468) gedane toezegging, dit onderdeel van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet - vooruitlopend op een inwerkingtreding van die wet per 1 januari 2021 en dus op basis van de huidige berekening van de beslagvrije voet - vervroegd tot uitvoering gebracht.

     In gelijke zin wordt in lijn met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet het derde lid van artikel 475d verduidelijkt. Deze verduidelijking ziet op de verhoging met het in artikel 23, tweede lid, van de Participatiewet genoemde bedrag. In lijn met de bedoeling van de wetgever wordt door de voorgestelde tekst geëxpliciteerd dat een verhoging met het gehele in deze bepaling opgenomen bedrag (en dus niet twee derde van dit bedrag) is beoogd. Ook hiervoor geldt dat Staatssecretaris Van Ark in haar eerder aangehaalde brief heeft toegezegd deze verduidelijking vervroegd in de wet op te nemen.

 

Artikel XIV. Wet financiering sociale verzekeringen


Onderdelen A en B (artikelen 61 en 83)

     Verwezen wordt naar de algemene toelichting onder paragraaf 2.4.


Onderdelen C en D (artikelen 99 en 100)

     Verwezen wordt naar de algemene toelichting onder paragraaf 2.5. Het toe te voegen onderdeel is als onderdeel h geletterd, omdat artikel II van de Wet van 11 juli 2018, houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (Stb. 2018, 234), aan artikel 99 van de Wfsv twee onderdelen toevoegt. Deze wijziging moet nog in werking treden.


Onderdeel E (artikel 114)

     In dit onderdeel worden enige technische verwijzingen binnen artikel 114, onderdeel f, van de Wfsv gecorrigeerd.

 

Artikel XV. Wet invoering extra geboorteverlof


     Met dit artikel wordt in vier, nog niet in werking getreden, artikelen van de Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG) een aantal verwijzingen gecorrigeerd. Voorts wordt in de WIEG nog een extra bepaling opgenomen (artikel VIIa). De artikelen II, IV, VI, VII en het nieuwe artikel VIIa van genoemde wet treden, nadat ze met deze wet zijn gewijzigd, met ingang van 1 juli 2020 in werking. Het betreft in de artikelen II, IV en VI naast een verwijzing naar de uitkeringen uit hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg een aanvullende verwijzing naar artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg, waarin de uitkering in het kader van het aanvullend geboorteverlof is geregeld. Gebleken is dat de toevoeging van artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg in een aantal artikelen nog ontbreekt. Deze omissie wordt hersteld. In artikel VII wordt een verwijzing in de Ziektewet gecorrigeerd. In de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt met artikel VIIa dezelfde technische correctie doorgevoerd als in de Ziektewet.

blz. 13 
Artikel II

     Allereerst betreft het de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML). Naast de aanvulling van artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg in artikel 15 van de WML is het noodzakelijk genoemde aanvulling ook op te nemen in de artikelen 16 en 17 van de WML.


Artikel IV

     Gebleken is dat in de WW, naast de al bestaande wijziging van artikel 17a, ook de artikelen 11 en 37 aanpassing behoeven in verband met de nieuwe uitkering op grond van artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg. Dit gebeurt op soortgelijke wijze als ten aanzien van artikel 17a.


Artikel VI

     Met dit artikel wordt in de Wfsv eveneens een aantal verwijzingen gecorrigeerd naar uitkeringen op grond van artikel 4:2b de Wet arbeid en zorg.


Artikelen VII en VIIa

     In de Ziektewet wordt met de Wet invoering extra geboorteverlof aan artikel 8c een onderdeel c toegevoegd. In artikel 11 moet vervolgens nog naar dat nieuwe onderdeel worden verwezen. In de artikelen 7c en 10 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden overeenkomstige wijzigingen aangebracht.

 

Artikel XVI. Wet kinderopvang


Enig onderdeel (artikel 1.48)

     In artikel 1.48, tiende lid, van de Wet kinderopvang worden artikelen van die wet niet van toepassing verklaard op een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid van dat artikel. In artikel 1.48, eerste lid, is geregeld dat de Minister van SZW een in een andere lidstaat dan Nederland of een in Zwitserland gevestigde voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, kan gelijkstellen met een geregistreerd kindercentrum of een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang door inschrijving daarvan in het register buitenlandse kinderopvang. In het tweede lid is geregeld dat de Minister van SZW een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt door een in Nederland gevestigde gastouder die gastouderopvang biedt op het woonadres van één van de ouders van de kinderen voor wie de gastouderopvang wordt geboden, waarbij dat woonadres zich in een andere lidstaat dan Nederland of in Zwitserland bevindt, gelijk kan stellen met een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang door inschrijving daarvan in het register buitenlandse kinderopvang. In artikel 1.48, tiende lid, worden dus een aantal artikelen van de Wet kinderopvang niet van toepassing verklaard op in andere EU-lidstaten of Zwitserland gevestigde kinderopvangvoorzieningen of voorzieningen voor gastouderopvang. Een aantal van de artikelen die in artikel 1.48, tiende lid, van de Wet kinderopvang niet van toepassing worden verklaard is echter inmiddels vervallen. Artikel 1.48c is met ingang van 1 januari 2015 vervallen (zie Artikel XX, onderdeel E, van de Verzamelwet SZW 2015). Artikel 160a is met ingang van 1 januari 2016 vervallen (zie artikel I, onderdeel G, van de Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen [zie Stb. 2015, 177, red.). Verzuimd is destijds bij het vervallen van de genoemde artikelen ook de verwijzing ernaar in artikel 1.48, tiende lid, aan te passen. In verband daarmee wordt artikel 1.48, tiende lid, nu alsnog aangepast. Het betreft een louter wetstechnische wijziging.

blz. 14 

Artikel XVII. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015


Enig onderdeel (artikel 3a.1.1)

     Het voorstel tot wijziging van de Wmo 2015 betreft een artikel dat in de Wmo 2015 wordt opgenomen via de Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein, luisterlijnen en vertrouwenswerk jeugd. Die wet is op 21 mei 2019 aangenomen door de Eerste Kamer en in werking getreden met ingang van 1 juli 2019. Dit artikel werkt terug tot en met 1 juli 2019.

     De wijziging van artikel 3a.1.1, vierde lid, van de Wmo 2015 heeft te maken met de systematiek van de wet. Artikel 3:40 van de Wajong betreft het opleggen van een bestuurlijke boete. Deze sanctie kent de Wmo 2015 voor de voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning niet. Artikel 3:45 van de Wajong bevat een regeling voor betaalbaarstelling die niet zonder meer overeenkomstig hoeft te worden toegepast door het UWV. Daarom is verwijzing naar dit artikel niet noodzakelijk.

     Het vijfde lid is aangepast omdat de Wet sociale werkvoorzieningen geen regeling voor tolkvoorzieningen kent, maar deze voorzieningen wel kunnen zijn toegekend omdat de persoon met een auditieve beperking werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van die wet.

 

Artikel XVIII. Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen


Onderdelen A en B (artikelen 1 en 30)

     Met ingang van 31 juli 2017 is de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria komen te vervallen. Op dit moment zijn er geen personen meer die een uitkering ontvangen op grond van de vervallen regeling of daar een beroep op zouden kunnen doen. De voorgestelde wijziging laat de overbodig geworden verwijzingen in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, onder 2º, en artikel 30, eerste lid, naar de vervallen regeling vervallen.


Onderdeel C (artikel 33)

     In artikel 33, tweede lid, staan de doeleinden beschreven waarvoor het UWV gegevens in de polisadministratie verwerkt. Onderdeel a betreft het vastleggen van werknemersgegevens over zijn arbeidsverhouding en uitkeringsverhouding ten behoeve van de werknemersverzekeringen. Het UWV heeft echter op grond van artikel 32d ook taken die zijn opgedragen bij andere wetten of bij lagere regelgeving, waarvoor rechtmatig gegevens van werknemers worden verwerkt die geen betrekking hebben op de werknemersverzekeringen. Een voorbeeld betreft de taken op grond van de Wet tegemoetkomingen loondomein om doelgroepverklaringen te verstrekken ten behoeve van de verstrekking van loonkostenvoordelen. Een ander voorbeeld betreft de Wfsv, op grond waarvan het UWV gegevens verwerkt over premies en premielonen ten behoeve van de premieheffing voor de fondsen, de gedifferentieerde premies voor de Werkhervattingskas en de uitvoering van de quotumheffing. Om te verduidelijken dat het UWV gegevens ook voor andere taken in de polisadministratie kan vastleggen, wordt voorgesteld om onderdeel a van het tweede lid te wijzigen.

blz. 15 

Artikel XIX. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen


Enig onderdeel (artikel 84)

     De werkgever die eindigt eigenrisicodrager te zijn alsmede de werkgever die een onderneming verkrijgt in geval van overgang van onderneming en in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, blijven of gaan op grond van artikel 82, tweede en derde lid, onderdeel b, het risico dragen van de betaling van de WGA-uitkering aan arbeidsongeschikte werknemers die hun eerste dag van de wachttijd hadden voordat het eigen risico dragen eindigde of de onderneming werd overgedragen. Er is niet expliciet in de wet opgenomen dat wanneer bovengenoemde werkgevers de WGA-uitkering niet aan de werknemer uitbetalen en het UWV de betaling verricht, het UWV overeenkomstig artikel 84, derde lid, de uitbetaalde bedragen op deze werkgevers verhaalt. Dit kan tot verwarring leiden over de bevoegdheid van het UWV om deze bedragen via de publiekrechtelijke route op deze werkgevers te verhalen. Met de voorgestelde wijziging wordt beoogd de wettekst op dit punt aan te vullen en te verduidelijken door aan artikel 84, waarin de verhaalsmogelijkheden van het UWV op de eigenrisicodrager zijn geregeld, een zevende lid toe te voegen. In dit zevende lid worden de invorderingsbevoegdheden, waaronder het dwangbevel, die het UWV jegens de eigenrisicodrager heeft van overeenkomstige toepassing verklaard op de bovenbedoelde werkgevers. Deze wijziging heeft een technisch karakter en er wordt geen wijziging van de lastenverdeling in het hybride stelsel aangebracht.

 

Artikel XX. Inwerkingtreding

     Het voornemen is de artikelen van deze wet in werking te laten treden met ingang van 1 januari 2020, met uitzondering van de artikelen V, onderdeel A en C, XI, onderdeel D, en XVII, waarvoor een afwijkende beoogde datum van inwerkingtreding geldt. In de artikelsgewijze toelichting bij de betreffende artikelen is het beoogde tijdstip van inwerkingtreding en de voorgestelde terugwerkende kracht toegelicht.

 

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W. Koolmees