ONTWERP VAN RIJKSWET (eerste lezing)

 blz. 3  

Kamerstukken II 1979-1980, 16 036 (R 1139) (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 911 (R 1171) (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 25)

Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet strekkende tot opneming van een bepaling inzake de ministerraad alsmede tot wijziging van de bepaling inzake het contraseign

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING  (eerste lezing)

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
xArtikelsgewijs
xx Artikelen 2.2.4 en 2.2.6
 

 

 

Algemeen

 

     De opzet van dit wetsontwerp is toegelicht in de algemene toelichting op het wetsontwerp inzake het koningschap.
     Op grond van artikel 5 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden moet voor het derde lid van artikel 2.2.4 [45] en voor artikel 2.2.6 [47] de rijkswetprocedure worden gevolgd. Daarom zijn beide artikelen - en de bepaling die artikel 86, zevende lid, van de Grondwet doet vervallen - in een ontwerp van rijkswet neergelegd.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2.2.4 [45] (artikel 34 staatscommissie)

     Een bepaling met betrekking tot de ministerraad komt in de huidige Grondwet niet voor. Het enige artikel in de Grondwet waarin sprake is van "ministers in rade verenigd" is artikel 38. Ook een bepaling met betrekking tot de minister-president komt in de huidige Grondwet niet voor. Met betrekking tot de inhoud van het ministersambt en de positie van de ministers hebben zich sinds 1848 belangrijke ontwikkelingen voorgedaan. De evoluering van het ambt van minister-president en van de raad van ministers springt daarbij in het oog. In de achtereenvolgende reglementen van orde van de ministerraad komt

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.