Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

GRONDWET  van  1983

Eerste lezing
 
 

17. Begroting

 

 

ONTWERP VAN WET (eerste lezing)

rblz.|3| 

Kamerstukken II 1976-1977, 14 226 (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 921 (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 34)

Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de begroting

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING  (eerste lezing)

 

Inhoudsopgave

1 Inleiding
2 Vaststelling van de begroting bij de wet
3 Vervallen van een afzonderlijke middelenwet
4 Jaarlijkse indiening van algemene begrotingswetten
5 Andere begrotingswetten
6 Begroting van rijksontvangsten en -uitgaven
7 De verantwoording van het financiŽle beheer
8 Wettelijke regeling voor het financiŽle beheer
9x Nadere toelichting op de onderdelen van het voorgestelde grondwetsartikel
 

 

 

1. Inleiding


     Tot de oudste bevoegdheden van de volksvertegenwoordiging behoort het recht tot medevaststelling van de begroting. Het is een belangrijk recht. Want de begroting bepaalt in belangrijke mate de aard en omvang van de taken welke de overheid in de komende periode ten behoeve van de gemeenschap zal verrichten en welke offers daarvoor van de gemeenschap zullen worden gevraagd. Van oudsher bevat de Grondwet dan ook bepalingen omtrent de vaststelling van de begroting.
     Ook in een beknopte Grondwet mogen bepalingen over de begroting niet ontbreken. Wel kan worden volstaan met een minder gedetailleerde regeling dan de huidige Grondwet in de zesde afdeling van het derde hoofdstuk bevat.

 

2. Vaststelling van de begroting bij de wet


     Op het voetspoor van de overgrote meerderheid van de staatscommissie (zie artikel 78 van haar ontwerp en Eindrapport, blz. 91-94) was de regering aanvankelijk van oordeel dat het medewerken door de Eerste Kamer aan de vaststelling van de begrotingswetten diende te vervallen. Zij bracht dit denkbeeld tot uiting in de nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid (12 944) onder punt 3.4.1. Zoals bekend heeft deze gedachte bij de behandeling van de nota in de Tweede Kamer weinig weerklank gevonden.Ļ Naar reeds in de brief van 24 juni 1975 van de tweede ondergetekende aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (nr. 13 472) is medegedeeld, is daarom op grond van de aanneming van de motie-De Kwaadsteniet besloten dat geen wetsontwerp tot het in overweging nemen van een grondwetswijziging strekkende tot ontneming van het budgetrecht aan de Eerste Kamer zou worden ingediend. Het onderhavige wetsontwerp handhaaft daarom

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Grondwet | OvW 1e lezing | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x