ONTWERP VAN WET (eerste lezing)

 blz. 3  

Kamerstukken II 1978-1979, 15 468 (eerste lezing)
Kamerstukken II 1980-1981, 16 922 (tweede lezing)
Inwerkingtreding: 28 januari 1983 (Stb. 1983, 35)

Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet strekkende tot het doen vervallen van de artikelen 73 en 190 tot en met 192

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING  (eerste lezing)

 

 

     1. Dit wetsontwerp strekt tot het doen vervallen van de artikelen 73 en 190 tot en met 192 van de bestaande Grondwet. Ingevolge artikel 73 heeft de Koning het recht van de munt en vermag hij zijn beeltenis op de muntspeciĆ«n te doen stellen. In de artikelen 191 en 192 is onder meer bepaald dat het gewicht, het gehalte en de waarde der muntspeciĆ«n, alsmede het toezicht en de zorg over de zaken van de munt door de wet worden geregeld. Blijkens artikel 190 worden de verbintenissen van de staat jegens zijn schuldeisers gewaarborgd en wordt de staatsschuld jaarlijks in overweging genomen ter bevordering van de belangen van die schuldeisers.
     Wij menen dat deze artikelen, die in hun onderling verband goeddeels zijn afgestemd op de in de vorige eeuw heersende monetaire omstandigheden, niet moeten worden gehandhaafd. De bepalingen in artikel 73 betreffende bevoegdheden van de Koning ten aanzien van de munt hebben in de bestaande Grondwet al geen duidelijke betekenis, aangezien de artikelen 191 en 192 de bevoegdheden met betrekking tot de munt aan de

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.